Op donderdag 27 mei 2021 ondertekenden Rita Rahman, voorzitter van de Werkgroep Caraïbische Letteren, en... Lees verder →
Dagblad de Ware Tijd wil een boek verbieden
door Jaap Hoogendam
Boekhandel Vaco en onze uitgeverij hebben een deurwaarder op bezoek gehad met een advocatenbrief waarin de Ware Tijd en hoofdredacteur Meredith Helstone ons commanderen een boek uit de handel te halen en waarin ze aankondigen naar de rechter te gaan. Zeer opmerkelijk dat een krant de vrijheid van drukpers wil aantasten. Wat is er aan de hand ?
read on…Theo Para schrijft zaterdags essay in de Ware Tijd
Theo Para is op zaterdag 25 mei in, het in Suriname verschijnende, dagblad de Ware Tijd zijn wekelijkse rubriek Essay op Zaterdag begonnen ( http://www.dwtonline.com/de-ware-tijd/2013/05/25/recht-voor-een-geen-recht-voor-allen/). Para schreef een viertal essaybundels over zijn geboorteland Suriname. Zijn laatste essaybundel De schreeuw van Bastion Veere, om de rechtsorde in Suriname (1999) verscheen bij Uitgeverij Van Gennep. In zijn voorwoord schreef strafpleiter Gerard Spong: ‘Theo Para is niet alleen een uitmuntend essayist, maar ook een essayist van onschatbare waarde voor Suriname.’
de Ware Tijd 55 jaar
”Onze assembleeleden kunnen toch lezen…” van Alphons Levens
Ingezonden brief: Onze assembleeleden kunnen toch lezen…
Het is voortdurend een gedoe omtrent spreektijden in ons parlement, De Nationale Assemblee.
Op radio ABC hoorde ik een assembleelid dat meester in de rechten is zeggen:”Ik heb nog twee minuten spreektijd over. Misschien kan ik van andere parlementariërs minuten lenen (of overnemen).” Een andere parlementariër, een medisch specialist, zei daarna op hetzelfde radiostation:”Wij hebben geen spreektijd over.” Weten wij nog van welk Franse woord “parlement” is afgeleid? Dit terzijde.
Ik vraag me af waarom de parlementariërs in onze De Nationale Assemblee nauwelijks of nooit met papers werken. Je wint toch een hoop spreektijd als je wat je wilt zeggen, jouw toespraak, reactie of commentaar, op papier zet en stuurt naar alle fractieleiders, de Assembleevoorzitter, de griffie, de regering en de pers? Dan kan de discussie of het debat meteen beginnen!
Het Surinaams krantenuniversum
door Joshua Taytelbaum
Sinds zijn lancering nu zes jaar geleden plaatst Times of Suriname op één of meerdere pagina’s een Engelstalige versie van de ‘highlights’ van de dag. In navolging daarvan is naar schatting nu twee jaar geleden Dagblad Suriname dit voorbeeld gaan volgen. Het blijft giswerk voor mij uit welke overwegingen dit is geschied, maar eerlijk gezegd ben ik ook niet zo geïnteresseerd in die motieven. Opnieuw moet ik mij die vraag stellen nu de Ware Tijd ‘out of the blue’ en zonder waarschuwing vooraf vandaag twee Engelstalige pagina’s tevoorschijn tovert, geen énkele verwijzing, niet in het hoofdredactioneel commentaar, noch als terzijde bij genoemde pagina’s, de lezer mag het constateren en moet er maar blij mee zijn. Communicatie met zijn lezers is niet bepaald een sterk punt van de Ware Tijd. read on…
25 februari 1980: ‘Een heel benauwende dag’
Interview met Leo Morpurgo
door Meredith Helstone
Oud-hoofdredacteur Leo Morpurgo, de 87-jarige goeroe van de Surinaamse journalistiek, typeert 25 februari 1980 nog altijd als ‘een slechte dag voor Suriname’. Alle media werden gesloten en alleen de Ware Tijd mocht – vanwege de hoge oplage – uitkomen. Sterk gecensureerd welteverstaan. Toch kampt Morpurgo met ‘blijvende sympathie’ voor coupleider Bouterse.
Ietwat voorovergebogen en licht schuifelend komt hij het balkon van zijn woning in Uitvlugt op. “Het gaat nog wel”, lacht hij schijnbaar verlegen als het hem niet direct lukt de traliedeur open te krijgen. Eenmaal geïnstalleerd in een comfortabele fauteuil ontpopt hij zich tot die hoofdredacteur van weleer. Op de salontafel liggen alle vier Surinaamse dagbladen. Duidelijk is dat zijn dag nog in belangrijke mate wordt beheerst door het nieuws. Ontspannen achterovergeleund en met een verrassende tegenwoordigheid van geest gaat de 87-jarige nestor van de Surinaamse journalistiek, Leo Morpurgo, 31 jaar terug in de tijd. 25 februari 1980.
Leo Morpurgo: “Er was helemaal geen revolutionair idee aan verbonden.”
“Ik werd er compleet door verrast. Net terug van dienstreis naar Cuba wist ik niet wat er gaande was. Om vier uur in de ochtend schrok ik wakker. Er werden schoten gelost. Ik wilde gaan kijken, maar daar stak mijn vrouw een stokje voor. Radioberichten maakten duidelijk dat het een en ander gaande was. Het concentreerde zich rond de militairen.” Om half zeven ‘s morgens ging hij met Tjon A Kiet (vriend en medecoördinator) naar de Memre Boekoe Kazerne. Al bij de poorten werden ze tegengehouden. “Maar ik herinner me nog goed dat in een wagen het lijk van een politieagent lag…”
Morpurgo valt even stil. “Later op de dag begon het feest pas goed”, mompelt hij als in gedachten verzonken. Emoties wisselen zich af op zijn diep gegroefde gelaat. Duidelijk is dat hij zich de gebeurtenissen van de dag weer voor de geest haalt. “Rond twaalf uur werd bekend dat zestien onderofficieren onder leiding van Desi Bouterse en Roy Horb een staatsgreep hadden gepleegd.” De redactie volgde alles op de voet en dankzij het materiaal van een bevriende fotojournalist werd in de Ware Tijd van 26 februari een heel goed beeld geschetst van wat zich de dag tevoren had afgespeeld. In een zin samengevat komt het er prevelend uit: “Het was een heel benauwende dag.”
Eigen belang
De oud-hoofdredacteur van de Ware Tijd typeert 25 februari 1980 nog altijd als ‘een slechte dag voor Suriname’. “Het motief voor de staatsgreep – als je het 24 tot 40 pagina’s tellende werkje van de directeur van het kabinet mag geloven – was ontevredenheid over de soldij en eis tot erkenning van de militaire vakbond. Er was helemaal geen revolutionair idee aan verbonden. Puur militair eigen belang.” Maar die vurige conclusie vlakt hij enigszins: “Wel hadden ze één goed ding – de vier vernieuwingen – dat ze tot stand wilden brengen. Het zag er veelbelovend uit. Grote delen van de Surinaamse bevolking geloofden er dan ook sterk in. Maar al gauw werd de grondwet aan de kant gezet en bleef pure militaire dictatuur over. Er werd per decreet geregeerd. En vervolgens kreeg je onderdrukking van de pers.” In de donkere dagen na de staatsgreep werden alle media gesloten en mocht slechts de Ware Tijd – vanwege de hoge oplage – uitkomen. Sterk gecensureerd welteverstaan. “Daar was ik niet happy mee. In feite was ik een nul”, lacht hij vreugdeloos. “In het bedrijf gingen er stemmen op – vooral onder de zetters – om uit solidariteit met de overige media één dag de krant te sluiten. Maar vrienden onder de militairen hebben mij geadviseerd dit niet te doen.” In zijn job heeft hij het niet makkelijk gehad. “De drie censoren bij de Ware Tijd bepaalden de plek en inhoud van elk bericht. Als bijvoorbeeld een bericht van Bouterse als legerleider moest verschijnen, mocht daar geen enkel bericht boven of naast worden geplaatst. Immers was best mogelijk dat het ene bericht het andere afzwakte of zelfs tegensprak. En hoewel de verhouding tussen censoren en redactie schappelijk was, was wel duidelijk te merken dat de krant onder censuur geplaatst was. “Ik schreef nog steeds redactionele artikelen, maar die werden niet opgenomen.” Berichten die voor – meer – paniek onder de bevolking zouden zorgen, werden categorisch van tafel geveegd. Uiteindelijk paste de redactie van de Ware Tijd zelfcensuur toe.
Blijvende symphatie
Als hoofdredacteur heeft Morpurgo in persoon nauwelijks te maken gehad met Desi Bouterse, de toenmalige leider van de staatsgreep en de huidige president. Op de redactie verscheen hij nooit. Sympathie voor de persoon Bouterse krijgt hij wanneer op zijn gezag krijgsraadsverslaggever Nel Bradley (foto rechts) wordt vrijgelaten. Bradley was vanwege zijn berichtgeving opgepakt en ingesloten. In een poging de journalist vrij te krijgen sprak Morpurgo in het kampement voor dovemansoren. “Op weg naar buiten ontmoette ik Bouterse. Aan hem deed ik mijn verhaal en hij luisterde. Diezelfde middag was onze reporter vrij”, zegt hij bijna met ontzag. “Sindsdien heb ik een blijvende sympathie voor Bouterse. Daarom betreur ik de latere ontwikkelingen, waarvan 8 december 1982 het absolute dieptepunt is.” De afkeurenswaardige redenen voor de staatsgreep daargelaten, is hij er tot nu toe van overtuigd dat de militairen de beste bedoelingen hadden met het land. “Er was echter geen eenheid en geen visie. Vooral in de top waren er facties. En op een bepaald moment raakten ze de kluts kwijt. Maar de intenties waren goed. En ze geloofden heilig in de ‘revolutie’.” Het verbaast hem dan ook niet dat 25 februari opnieuw is uitgeroepen tot nationale vrije dag. “Het is begrijpelijk dat ze dat zouden doen. Verwerpelijk vind ik echter dat er naartoe gewerkt wordt dat deze dag in de Grondwet verankerd wordt. Het is geenszins een revolutie te noemen, maar gewoon een ordinaire greep naar de macht door de militairen. Een staatsgreep, een coup.” Ook in de opnieuw geproclameerde officiële naam – dag der bevrijding en vernieuwing – kan hij zich niet terugvinden. “We hebben toen de ene groep minder goede bestuurders verruild voor de andere. Militaire dictatuur met het leger als repressieve arm. Er zijn behoorlijk wat mensen mishandeld. Journalisten zijn verdwenen. De journalistiek in Suriname was dood. We hebben weer van de grond af moeten beginnen. Tot nu toe merk je een soort vrees en terughoudendheid.” Balans opmakend
Hoewel de coup in zijn optiek slecht voor de republiek is geweest, erkent hij terugblikkend dat in een postkoloniaal land als Suriname iets dergelijks te verwachten was. “Het ging vóór 1980 ook niet goed met Suriname. Met de bekende Dobru (Robin Raveles, red.) van wie bekend is dat hij ‘Bruma-man’ was, redeneerde ik altijd over de ontwikkelingen in het land. En kort voor 25 februari 1980 hadden we het gezamenlijke standpunt reeds bereikt dat er ‘iets’ zou gebeuren.” De balans opmakend prijst Morpurgo zich, ondanks dat hij 36 uren vastzat, rake klappen incasseerde en meermalen in de loop van een geweer keek, gelukkig dat hij het allemaal van redelijk dichtbij heeft meegemaakt. “Ik heb steeds geprobeerd de grens te verleggen. Voor mezelf vind ik het goed dat ik als persoon in die tijd in Suriname was.”
[uit de Ware Tijd, 24 februari 2011]
Sranantongo in het Surinaams parlement: ja of nee?
Het is een terugkerende discussie: het gebruik van Sranantongo toestaan in het parlement, en landelijk het Nederlands vervangen door het Engels om aansluiting op de regio te vergroten.
Sinds jaar en dag is het Nederlands de officiële taal in Suriname, daarom is het vrij logisch dat debatten in het Surinaamse parlement ook in het Nederlands worden gevoerd. Nederlands is ook de voertaal in het onderwijs en alle andere officiële instanties, op straat is het naast het Sranantongo de bindtaal in het meertalige land.
Juist die meertaligheid is voor Hermanus Schalwijk, NDP’er uit Brokopondo, reden om in een artikel in De Ware Tijd te pleiten voor het invoeren van het Sranantongo als discussietaal in het parlement, voor politici die de Nederlandse taal niet goed machtig zijn.
Deze discussie over het taalgebruik in het parlement wordt niet voor het eerst gevoerd, ik kan me herinneren dat deze kwestie na de Onafhankelijkheid ook al op de agenda stond, ik weet echter niet meer precies wanneer. De conclusie was dat men zich in een officiële instantie als het parlement moest houden aan de officiële taal van het land.
Discussie in De Ware Tijd
De uitspraak van Schalwijk is voor dagblad De Ware Tijd reden geweest hierover op 21 april een discussie te starten Stelling op de nieuwe weblog van de krant, met als stelling:
“Het is absoluut belangrijk dat een lid van de assemblee zich goed kan uitdrukken in het Nederlands. Aan de andere kant vind ik wel dat we rekening moeten houden met de Surinaamse realiteit. Niet iedereen in Suriname is het Nederlands machtig. Sterker nog, in dit land worden tientallen talen gesproken. Naast het Nederlands spreken veel mensen Javaans, Hindostaans, etc. Echter, bijna iedereen spreekt en begrijpt het Sranan. Ik vind dus dat het echt mogelijk zou moeten zijn om Sranan in de assemblee te spreken.”
Waarom deze Stelling? “…een breedvoerige discussie over een goede beheersing van onze voertaal, het Nederlands, in het hoogste college van staat, (laat) nochtans op zich wachten. Maar daar hoeft de Ware Tijd natuurlijk niet op te wachten. Want waar ligt dit aan, maar vooral: wat is de oplossing? Is dat het onderwijs, de cultuur, of het feit dat er zoveel talen door elkaar worden gesproken?”
Taalunie
In een reactie op het artikel in de krant noteert De Ware Tijd uit de mond van Helen Chang, coördinatrice van Taalunieprojecten in Suriname, dat zij niet wenst te reageren op deze kwestie van de taal in het parlement. De krant brengt daarom een eerdere reactie in herinnering: Op 17 februari legde ze, naar aanleiding van een polemiek over een werkbezoek van de Taalunie aan Suriname, wel deze verklaring af in de Ware Tijd: “De Taalunie doet niet aan politiek, wij wensen enkel mensen te ondersteunen die Nederlands praten. Dat is onze kerntaak. Zolang men in Suriname Nederlands praat, zal de Taalunie hulp aanbieden. Wil men hier Engels praten, dan moeten ze het maar veranderen. Dat is voor mij ook goed. We kunnen echter niet zomaar de samenwerking tussen Suriname en de Taalunie stopzetten, want we zijn nu eenmaal in 2003 die associatie aangegaan. Als sommigen dan toch zo ontevreden zijn over de Taalunie, waarom hebben ze bij onze toetreding niet gereageerd?”
Om op de Stelling te reageren, kun je hier klikken. Hieronder volgt het artikel waarin Schalwijk wordt geciteerd.
Artikel in De Ware Tijd
Nederlands versus ‘taal van het volk’
Tekst: Rosita Leeflang en Pieter Van Maele
20/04/2010
Volksvertegenwoordigende kandidaten die niet of nauwelijks uit hun woorden komen of tijdens een interview het Nederlands de nek omdraaien. Een fenomeen waarmee één de spot drijft en waaraan een ander zich bij elk woord mateloos stoort. Toch laat een breedvoerige discussie over een goede beheersing van onze voertaal, het Nederlands, in het hoogste college van staat, nochtans op zich wachten. Parlementariërs zelf denken er het ‘hunne’ van.
Wie Otmar Rodgers zegt, weet dat er correct Nederlands wordt gesproken in het parlement. Uiteraard kan dit te maken hebben met zijn achtergrond als onderwijzer. Hij is van mening dat de kwestie over de taal in De Nationale Assemblee in een ander perspectief moet worden geplaatst. “Ik denk dat misschien onbewust speelt dat het Nederlands in opgelegd”, zegt Rodgers. Maar het zit bij hem nog dieper. De parlementariër stelt dat we met z’n allen zullen moeten proberen om de gap op te vullen. Een kwestie die zijn oorsprong vindt in de grondwet.
“De grondwet schrijft een residentieplicht voor. Dan is het niet eerlijk om mensen slechts op grond van hun taalgebruik te beoordelen. Natuurlijk wil men dat de leden van de volksvertegenwoordiging zich vlot uitdrukken in het Nederlands, omdat die nog de voertaal is, helaas. De correcte uitdrukking in het Nederlands mag niet de enige beoordelingsgrond zijn.” De NF fractieleider erkent dat er zeker het een en ander schort als wordt gekeken naar de beoordelingsnormen. “Maar ik spreek geen veroordeling uit. Het moet ons juist leren te zoeken naar iets dat ons verder zal brengen.”
‘Ik vind dat het echt mogelijk moet zijn om Sranan in de assemblee te spreken’
Taal van de achterban
“Het is absoluut belangrijk dat een lid van de assemblee zich goed kan uitdrukken in het Nederlands”, versterkt Hermanus Schalwijk, NDP’er uit Brokopondo, het standpunt van zijn collega. “Aan de andere kant vind ik wel dat we rekening moeten houden met de Surinaamse realiteit. Niet iedereen in Suriname is het Nederlands machtig. Sterker nog, in dit land worden tientallen talen gesproken. Naast het Nederlands spreken veel mensen Javaans, Hindostaans, etc. Echter, bijna iedereen spreekt en begrijpt het Sranan. Ik vind dus dat het echt mogelijk zou moeten zijn om Sranan in de assemblee te spreken”, zegt Schalwijk, die er van overtuigd is dat het gebruik van het Sranan alle burgers veel dichter bij de politiek zal brengen.
“Sommige collega’s van me gebruiken in het parlement diep Nederlands. Zelf heb ik absoluut geen moeite om dat te begrijpen, maar je kan je voorstellen dat dat voor bijvoorbeeld iemand die ongeschoold is, wel moeilijk kan zijn. Ik vind dat we meer voor het volk moeten spreken, niet enkel voor de hoogopgeleiden. Daarom benader ik mijn achterban altijd in hun eigen taal, ik vind dat véél prettiger”, gaat Schalwijk verder. Ook Ronny Tamsiran, die vanuit de kieskring Commewijne voor Pertjajah Luhur volksvertegenwoordiger is, vindt dat het taalgebruik in het parlement vaak beter kan. “Er vallen veel te veel hoge woorden en ambtenarentaal. Wat hebben we daaraan als de bevolking daar weinig van snapt? Bovendien is een groot deel van mijn achterban natuurlijk van javaanse afkomst. Die hebben soms minder oor voor het politieke werk, gewoonweg omdat ze niet altijd begrijpen wat er gezegd wordt.”
‘Zelfs Javaans of Hindostaans moet kunnen’
Vertaling
Schalwijk en Tamsiran delen dezelfde mening. “Als parlementariër is het belangrijk dat je boodschap duidelijk overkomt bij de bevolking. In de assemblee spreken we Nederlands, dus een goede beheersing van onze taal is echt wel belangrijk. Daarnaast moeten we er ernstig over nadenken over het gebruik van andere talen, zoals het Sranan, toe te laten tijdens vergaderingen van DNA”, vindt Tamsiran. Hij gaat echter nog een heel eind verder dan zijn NDP-collega. “Zelfs Javaans of Hindostaans moet voor mij kunnen. Dat gebeurt nu soms eigenlijk al, dat er eens enkele woorden of een hele zin Hindostaans valt. Dan zorgen we gewoon voor een vertaling, zodat we niemand uitsluiten en iedereen het kan begrijpen”, beweert Tamsiran.
‘Met het Engels komen wij veel, veel verder dan het Nederlands’
Engels
Eigenlijk zouden we ook andersom kunnen denken. Zo zouden niet de politici de taal van de straat kunnen aannemen, maar zou het Surinaams onderwijs in de districten geïntensifieerd kunnen worden, zodat echt élke Surinamer vlot Nederlands leert spreken. Dat is tenslotte nog steeds de officiële taal van ons land. Als het van deze drie politici afhangt, komt daar echter ooit verandering in. “Ik vind het verschrikkelijk jammer dat ik één van mijn idealen als parlementariër niet heb kunnen realiseren.” Rodgers doelt op het invoeren van het Engels als tweede taal, formeel geaccepteerd en breed gedragen. De taal heeft hem aan het denken gezet, ook na discussies met anderen die het misschien zelfs beter weten waarom het Nederlands vervangen moet worden door het Engels. Dat standpunt heeft hij al in de begin jaren 70 geformuleerd. Rodgers noemt in dit verband de naam van de toenmalige minister van Onderwijs Ronald Venetiaan, die een wezenlijke bijdrage heeft geleverd bij de totstandkoming van die gedachte. Een keuze die drie dingen met zich zou kunnen meebrengen. Het volk maakt een bewuste keus, het wordt een bewuste keus in vrijheid en die keus wordt gemaakt met het verstand. “Met het Engels komen wij veel, veel verder dan het Nederlands”, benadrukt de parlementariër.
“Om echt aan te kunnen sluiten bij onze Caribische en Latijns-Amerikaanse buren, zou Suriname er beter voor kiezen om af te stappen van het Nederlands en te kiezen voor het Engels of het Spaans. Dat zal een proces van lange adem zijn, maar het is zeker niet onmogelijk. Bovenal denk ik niet dat het veranderen van taal het niveau van het parlement naar beneden zal halen”, besluit Tamsiran. Alsof het partijgenoten zijn, sluit Schalwijk zich weer bij zijn collega aan. “Het Nederlands hebben we door ons koloniaal verleden overgeërfd, maar we moeten ervan durven afstappen. Dat is op de Nederlandse Antillen al min of meer gebeurd. De Engelse, of eventueel zelfs de Spaanse taal invoeren, daar sta ik voor de volledige honderd procent achter. Mocht de volgende regering zich daarvoor inzetten, dan zou ik me daar volledig voor inzetten”, besluit Schalwijk.
Rodgers is ervan overtuigd dat wanneer voor het Engels wordt gekozen, het geen taal is van de kolonisator en het ons niet wordt opgelegd. De parlementariër gelooft dat wij in staat zullen zijn ons internationaal beter uit te drukken. Hij blijft realistisch, want Rodgers erkent net als Tamsiran dat dit proces tijd gaat vergen. “Maar we moeten ermee beginnen. Kijk niet tegen het werk op. Zeg ook nooit het werk is teveel, want het is nooit teveel. Het is pas teveel als je er niets aan doet.”
Nederlandse taalunie reageert
Helen Chang, coördinatrice van de taalunieprojecten in Suriname, wenste niet te reageren op de kwestie van de taal in het parlement. Op 17 februari legde ze, naar aanleiding van een polemiek over een werkbezoek van de Taalunie aan Suriname, wel deze verklaring af in de Ware Tijd:
“De Taalunie doet niet aan politiek, wij wensen enkel mensen te ondersteunen die Nederlands praten. Dat is onze kerntaak. Zolang men in Suriname Nederlands praat, zal de Taalunie hulp aanbieden. Wil men hier Engels praten, dan moeten ze het maar veranderen. Dat is voor mij ook goed. We kunnen echter niet zomaar de samenwerking tussen Suriname en de Taalunie stopzetten, want we zijn nu eenmaal in 2003 die associatie aangegaan. Als sommigen dan toch zo ontevreden zijn over de Taalunie, waarom hebben ze bij onze toetreding niet gereageerd?”.-.
Bron: DWT, 20 april 2010
Collectie van Trefossa naar Nationaal Archief Suriname
door Claudett de Bruin
Wanneer op 12 april a.s. het nieuwe gebouw van het Nationaal Archief Suriname (NAS) officieel in gebruik wordt genomen, wordt ook de nalatenschap van Trefossa – pseudoniem van Henri Frans de Ziel (1916-1975) – aan Suriname teruggegeven. Het literaire werk van deze Surinaamse dichter is van groot belang geweest voor de ontwikkeling en de opwaardering van het Sranan. De overdracht, die voor Suriname van grote cultuurhistorische waarde is, wordt gedaan door Cynthia Abrahams, voorzitter van de Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland en Cherida de Ziel.

