blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Danoe Charl

Pim de la Parra – Laat de wereld met rust

Geplaagd en verstoord door al het gruwelijke nieuws van de wereld zocht ik een oudere familievriend op, oom Johan, een gepensioneerde huisarts die zich na het overlijden van zijn vrouw op hun boiti in Saramacca had teruggetrokken. Ik beschouw hem als een soort wijze oom van wie ik veel kan leren over al die dingen van het leven waar je niet over kunt lezen in boeken. Hij is geen geleerde, maar een wijze man met heel veel levenservaring bij wie ik me altijd direct op mijn gemak voel en in wie ik een soort tweede vader zie. In een ver verleden was ik als leerling van de A.M.S. een jaar lang zwaar verliefd op zijn oudste dochter, maar zij gaf de voorkeur aan een ander, een bakra klasgenoot met wie zij later ook trouwde en naar Australië is geëmigreerd. read on…

Een culturele trip: Suriname mei/juni 2014

door Nico Eigenhuis

Vooraf:
Suriname heeft ten onrechte bij vele bezoekers de reputatie weinig cultureel vertier te bieden, Hierbij wordt veelal gewezen op het ontbreken van grote musea en theaters. Wie goed kijkt ziet tijdens een verblijf aldaar vele kleinschalige culturele uitingen. Opgeteld bieden deze een zeer rijke schakering die de nodige aandacht verdient. Onderstaand verslag is een bundeling van informatie over Suriname en Surinamers naar aanleiding van een aldaar genoten vakantie. read on…

Amazon Gold moet eye opener zijn: ‘Ons huis staat in brand met onze kinderen er nog in’

door Astrid van Oosterum

WWF Guianas confronteerde woensdagavond een bioscoopzaal vol betrokkenen uit de goudindustrie met de bekroonde film ‘Amazon Gold’. Deze speelt zich af in het laagland van Peru en legt op verontrustende herkenbare wijze de gevolgen van goudwinning bloot.
“Niemand van ons zou met opzet zijn eigen grond vervuilen of bewust verontreinigd voedsel eten. De realiteit is dat we dat al doen.” Zo leidde Conservation Director van het World Wildlife Fund (WWF) Guianas, Mark Wright, de film in. “De goudindustrie zal, terecht, niet verdwijnen.” De goudsector pompt jaarlijks miljoenen US dollars in de economie en is de belangrijkste bron van inkomsten voor het binnenland.
Peru’s inferno
Peru heeft, zoals Suriname, een geschiedenis van goudindustrie. Hoewel de omvang van kleinschalige goudwinning in Peru vele malen groter is, blijkt de achterliggende problematiek overeenkomsten te hebben. Een symptoom van armoede, ontwikkelingsachterstand in vergelegen gebieden en een gebrek aan alternatieve banen en toekomstbeelden.
In de recente geschiedenis is goud het enige metaal dat in waarde is gestegen. “Voor één gouden trouwring wordt 250 ton aarde vernietigd”, aldus de directeur van het Carnegie Amazon Mercury Ecosystem Project, Luis Fernandez, die veel onderzoek heeft gedaan. De producer van Amazon Gold, Sarah Dupont, was ook aanwezig bij de vertoning. “Deze Amazonebossen hebben miljoenen jaren geëvolueerd in een perfect uitgebalanceerd systeem. Peru laat zien wat verstoring daarvan inhoudt. Het is alsof ik naar mijn brandende huis sta te kijken, terwijl ik realiseer dat mijn kinderen nog binnen zijn.”
Luchtfoto boven het Brownsberg Natuurpark genomen in 2012. Foto © WWF Guianas.
Wat ‘Amazon Gold’ laat zien, is moeilijk te beschrijven. Het dichtst dat in de buurt komt zijn de in 2012 door WWF gepubliceerde luchtfoto’s van goudmijnen in het Brownsberg Natuurpark en dat vermenigvuldigen met tien. Inferno, het eerste deel uit het veertiende eeuwse gedicht van Dante Alighieri dat de hel beschrijft, heeft vele creatievelingen geïnspireerd tot grote kunstwerken. Het maanlandschap, de verdorde hectares regenwoud, het vervuilde water en het geronk van machines maken van Peru het inferno op aarde. “Een oorlog die plaatsvindt in een verraderlijke idyllische omgeving en waarvan het aantal slachtoffers nog lang niet bekend zal zijn”, waarschuwt Fernandez.
Spiegelen
WWF Guianas vertoont de film deze week in alle drie de Guiana’s. De vertoning wordt gevolgd door een debat met vijf panelleden; antropoloog Marieke Heemskerk, de directeur van Conservation International Suriname’s, John Goedschalk, Luis Fernandez, de voorzitter van de School of Mining van de Ordening Goudsector (OGS), John Courtar, en de waarnemend directeur van het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (Nimos), Cedric Nelom.
Kan dit scenario in Suriname nog voorkomen worden? “Suriname moet zich niet gaan spiegelen aan Peru”, waarschuwde Fernandez. Kwikwaardes in bodem, vissen en Peruanen zijn schrikbarend hoog gebleken, met waardes tot acht keer hoger dan de norm van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). “De schaal is kleiner, maar verder is het niet veel anders”, betoogde Heemskerk. Onderzoek heeft al aangetoond dat kwikbesmetting in het Tapanahoygebied, Lawagebied en Paramaribo ook te hoog ligt. Heemskerk ontkomt niet aan de indruk dat Suriname te lang draalt. “Sinds 2010 wordt het einde van kwik aangekondigd en tot nog toe wordt het gebruikt in de goudvelden.”
De kwikvervuiling in Suriname
Minamata
De onderzoekster ziet geen valide reden waarom het Minamataverdrag nog niet ondertekend is. Dit verdrag is onlangs van kracht gegaan en wordt na ondertekening mondiaal bindend. Gefaseerde uitbanning van kwik is het uiteindelijke doel. “Dit is niet uit de lucht komen vallen, maar op basis van jarenlange voorbereiding ontstaan”, meent Heemskerk. WWF Guianas is helder. “De eerste stap is het tekenen van de conventie”, stelt de milieuorganisatie.
Nimos-directeur Nelom is nog geen voorstander van tekenen, hij doet liever eerst het huiswerk. Suriname heeft echter altijd een bijdrage geleverd aan de inhoud van het verdrag; “En wij staan achter de inhoud”. WWF Guianas Conservation Director Wright, stelt dat de Surinaamse regering, via OGS, positieve stappen zet om de goudsector en het gebruik van kwik te reguleren. “Ik hoop dat er in de nabije toekomst een positieve beslissing komt over ondertekening.” Fernandez, hoewel niet voldoende op de hoogte van de Surinaamse situatie, meent ook dat het verdrag doelen in het vooruitzicht stelt. De wetenschapper heeft meegewerkt aan de inhoud van het Minamataverdrag en geeft aan dat er juist voor de landen met een kleinschalige goudsector veel ruimte is voor invulling van het verdrag naar eigen inzicht.
Bevolking inzetten
Wat de keuze ook is, feit blijft dat controle een pijnpunt is. Kwikimport en verhandeling is al verboden. Toch komt het ongezien de goudvelden binnen. Goedschalk, nauw betrokken bij het REDD+ proces, meent dat veel afhangt van de binnenlandse gemeenschappen. REDD+, een bosbeheermechanisme waarvoor finan- ciering te ontvangen is, kan niet slagen zonder de tribale leefgemeenschappen. “Uitbannen van kwik ook niet.” Via REDD+ kunnen binnenlandbewoners betaald worden om de goudactiviteiten neer te leggen en terug te keren naar wat deze volken van oudsher doen. “Laat hen de ogen van het bos zijn.”
[uit de Ware Tijd, 18/11/2013]

De relaties tussen Suriname en het Vaticaan

door Glenn Truideman
En onlangs mocht president Bouterse kennis maken met de paus die de vorige week in Brazilië was waar hij een deel van de Wereldjongerendagen bijwoonde. De relaties tussen Suriname en Het Vaticaan kunnen op twee niveaus worden bekeken. Het eerste niveau heeft meer te maken met de rooms-katholieke missie en de kerk in Suriname. Het andere niveau speelt zich af op het diplomatieke vlak.
De relatie tussen Suriname en de room-katholieke missie kent een heel lange geschiedenis. Die missie in Suriname is reeds in 1683 opgericht bij decreet van het centraal bestuur van de kerk in Rome. De Beknopte geschiedenis der katholieke missie in Suriname verhaalt over de vroege missie in Suriname. Een citaat uit een brief van Pater Wennekers (5 maart 1821):” (…): Ik heb gisteren den Directeur der plantage Toledo, waar ik die kinderen en de Creolen-mama gedoopt heb, gesproken. Toen ik hem naar Hanna, de Creolen-mama, vroeg, weidde hij sterk uit in den lof dier oude negerin, en zeide, dat hij zich niet genoeg over haar kon verwonderen ….. Tevoren moest zij schier elke week om leugentaal, dieverij, luiheid enz. geslagen worden. Eertijds ten uiterste onwillig en onbuigzaam, doet zij nu alles gedwee. Dit laatste had ik reeds van de eigenaar zelven en van diens deugdzame dochter gehoord.” Plantage Toledo was eigendom van een Rooms-Katholieke Ier, Richard O’Ferrall. Uiteraard dient dit stuk te worden gelezen in de tijdgeest van toen. De missie was mede gestoeld op de opdracht om “alle volkeren de Blijde Boodschap te brengen en alle mensen te dopen in Gods Naam”.

Foto © Michiel van Kempen

Ook in Suriname heeft de rk-kerk zich beziggehouden met de politiek. In vele landen speelt zij nog een actieve politieke rol. Dit heeft te maken met de sociale leer. Respect voor de menselijke waardigheid is het uitgangspunt. Die waardigheid moet beschermd worden, omdat ieder mens geschapen zou zijn naar het evenbeeld van God. Die sociale leer doet een beroep op alle mensen zich in te zetten voor een wereld waarin er respect is voor de menselijke waardigheid en waarin gestreefd wordt naar solidariteit en gerechtigheid. De christendemocratie (als politieke stroming) komt hieruit voort. In ons land werd de PSV als christendemocratische partij in 1946 opgericht door pater Weidmann en Coen Ooft. Hoewel de PSV nooit een grote partij is geweest, heeft ze vaker in coalitieverband deelgenomen aan regeringen in Suriname. De partijpolitiek zelf was dus geen aangelegenheid van de rooms-katholieke kerk.
Er zijn momenteel 178 staten die volledig diplomatieke betrekkingen onderhouden met de Heilige Stoel (Het Vaticaan, Rome). Behalve een bisdom in Suriname heeft de Heilige Stoel ook op landsniveau betrekkingen met Suriname. Ze wordt in Suriname vertegenwoordigd door aartsbisschop Nicola Girsoli. Hij is tevens nuntius, kerkelijke vertegenwoordiger die de rol van ambassadeur vervult. Dat is hij niet alleen voor Suriname, maar ook meerdere Caribische landen. En zo zal de Kerk ook haar mening hebben over internationale zaken. Een voorbeeld. In 2009 kwamen meer dan tweehonderd Afrikaanse rooms-katholieke bisschoppen bijeen. Ze riepen toen corrupte leiders op om op te stappen en berouw te tonen. Ze waren eigenlijk bijeen om zich te beraden over de bijdrage die de kerk zou kunnen leveren bij de bevordering van gerechtigheid en vrede in Afrika.
Ook de Surinaamse politiek heeft in het verleden met de nodige kritiek te maken gehad. Bij ons in Suriname vaardigde Desi Bouterse op 29 juni 1983 het Decreet B-10 uit. Daarin verbood hij ‘geschriften in te voeren, door te voeren, te verhandelen, te verspreiden, in bezit te hebben, in voorraad te hebben, te produceren of te reproduceren, welke naar het oordeel van het bevoegde gezag de openbare orde en rust of de nationale veiligheid ernstig kunnen verstoren’. Nu was er ene pater Martinus Noordermeer die tijdens de kerkdienst kritiek op Desi Bouterse geleverd had. Op 29 augustus 1985 verklaarde Bouterse op een vergadering van de 25-februari-beweging (Stanvaste), dat het Hof van Justitie had gelast om de verblijfsvergunning van pater M. Noordermeer in te trekken. In een nota aan de Nederlandse ambassade stond dat Noordermeer “in het openbaar en wel tijdens een eucharistieviering op 27 augustus bij een schriftlezing met een passage in de Bijbel ten aanhoren van meerdere kerkgangers bepaald ernstige uitlatingen had gedaan, die als beledigend voor het militair gezag worden aangemerkt”. In de nota herinnerde Bouterse eraan dat al eerder een pater was gearresteerd wegens belediging van het militair gezag maar dat toen “om opportunistische redenen” van strafvervolging was afgezien (in de zaak-Mulder).
Of neem nu het geval van de gewijzigde Amnestiewet. In de verklaring deden de Caribische bisschoppen een beroep op de Surinaamse rechtspraak dat er manieren worden gevonden om het strafproces tegen president Desi Bouterse en 24 anderen ongehinderd voortgang te doen vinden. De gewijzigde Amnestiewet zat hen niet lekker. Toen bisschop Wilhelmus de Bekker zich naar aanleiding van de Amnestiewet zich minder vleiend uitliet over de kiezers van de NDP, liet de NDP weten dat ze een brief gestuurd had naar paus Benedictus XVI. In de brief werd gevraagd om Bisschop De Bekker en pater Karel Choennie terug te roepen. De NDP heeft nooit een reactie van de paus gekregen. Overigens was ook niet de juiste diplomatieke weg bewandeld.
De diplomatieke betrekkingen tussen het Vaticaan zelf en Suriname zijn altijd hartelijk geweest. In 2009 bracht toenmalig president Venetiaan een historisch bezoek aan paus Benedictus XVI. Het is de eerste keer dat een Surinaams staatshoofd officieel is ontvangen in het Vaticaan. “Venetiaan en de paus spraken over Suriname en de wereld. Ook de relaties tussen de katholieke gemeenschap en de Surinaamse overheid kwam aan de orde.”
[uit de Ware Tijd, 03/08/2013]

Space in the Caribbean: Idee of ideologie?

door Karin Lachmising
‘Als we echt Caribisch zijn, moeten we onze eigen omgeving dan niet beter leren waarderen?’, vraagt Karin Lachmising zich af.
Billboards in Paramaribo en langs de verbindingsweg van het vliegveld Zanderij naar de hoofdstad kondigden het al weken van tevoren aan: Suriname is het gastland voor Carifesta XI. Deze maand zijn we beland in zichtbare Caribische sferen dankzij dit elfde festival of creative arts. Een evenement dat de verbondenheid van de regio door middel van kunst tentoonstelt, althans dat is een van de vele doelen. Zullen deze twee weken vol vibes ons bewustzijn vergroten over de hechte connecties tussen de Caribische landen, of worden we slechts meegesleept in een tijdelijk enthousiasme van ons ‘Caribisch’-zijn om daarna weer terug te keren naar de dingen van de dag die ons eerder dichter bij Nederland, Amerika en zelfs China brengen, dan bij een eiland enkele honderden kilometers voor onze kust?
 
Space in the Caribbean ‘Space’
Die vraag werd ook gesteld op de multidisciplinaire conferentie van de Associatie voor Caribische Studies in Grenada. Suriname kan zich, net als de wereld buiten onze regio, vaak moeilijk het imago van een Caribisch land aanmeten. Want wie denkt eraan Suriname als het over witte stranden, blauwwater en beach life gaat? Ook wij zelf lijken dit uiterlijke toeristische imago te verwarren met de onderliggende verbinding, die er wel degelijk is. Juist daarom kan een kunst- en cultuuruitwisseling misschien wel van betekenis zijn. Carifesta kan ruimte bieden aan artiesten die hun beleving van de samenleving uiten op podia, in kunsthallen, ballrooms en meer. Een samenzijn dat een gezonde dialoog over onze eigen ontwikkeling tot stand kan brengen. In de openingsspeech van Eudine Barriteau op de conferentie in Grenada werd dit samenzijn een ‘ruimte van creatieve coalities ’genoemd. De professor in Gender and Public Policy aan de University of the West Indies te Barbados gaf in een zeer wervelende toespraak weer, dat zij als uitgesproken gender-voorvechtster ervaren heeft dat ‘je case’ niet binnenskamers bij gelijkgezinden mag blijven. Haar zaak, een betere positie voor vrouwen, bereik je niet door mogelijke oplossingen in eigen groep te laten circuleren. Je moet die ruimte vergroten, jouw visie en jouw aanpak onder de aandacht brengen buiten jouw groep. Onze indigenous frameworks, de structuren van onze samenleving, moeten meegenomen worden in de internationale discussies over de ontwikkeling van ons gebied. We zijn hier niet alleen om te kijken en naar elkaar en te luisteren, niet alleen om ons gebied te bestuderen, maar om alles wat hier tot stand komt ook naar de tafels te brengen waar de besluiten worden genomen over onze regio, over onze gebieden en over ons eigen vorm van leven. Het woordje ‘space’ werd ongewild en onbedoeld de rode draad van de conferentie.
Invloed
Ruimte bleek in verschillende presentaties overal voor nodig. Er zijn magazines nodig die ‘space’, dus ruimte creëren voor uitwisseling van creatieve ideeën. Zoals het Caribisch kunsttijdschrift ARC. Er zijn pleinen nodig waar de massa bijeen kan komen, terwijl die bijvoorbeeld in Puerto Rico in beslag worden genomen door gebouwen, waardoor letterlijk ruimte ontbreekt. Tijdens de presentaties bleek ruimte een oplossing voor uiteenlopende maatschappelijke vraagstukken .In de vele jaren dat we als Caribische gemeenschap zowel in de kunst als op andereo ntwikkelingsgebieden bij elkaar komen, werd de regio vooral gebruikt als onderzoeksmateriaal, podium, tentoonstellingsruimte of tijdelijk verblijf. Op de conferentie leek het echter alsof een ieder tijdens de voorbereiding van zijn presentatie stil was blijven staan bij het toekennen van waarde aan het léven in de Caribbean. De aandacht was verschoven van de gedachte ‘wij hebben oplossingen nodig’ naar een andere invulling van de ‘idee’ ontwikkeling. Filmmaker Miguel Coyala geeft in zijn film Memorias de desarello (Herinneringen aan onderontwikkeling) een indringend en confronterend beeld van hoe ‘ideeën’ en concepten verward raken wanneer deze ‘geplakt’ worden in een andere omgeving. Zijn film vertelt het verhaal van een intellectueel die na de Cubaanse revolutie denkt in de Verenigde Staten een nieuw leven, ver van onderontwikkeling, op te bouwen. De collageachtige manier van filmen versterkt de boodschap van de vervreemding die je voelt wanneer jouw wereldbeeld niet meer klopt met de omgeving waarin je leeft. In mijn eigen presentatie bracht ik de connectie van mens en omgeving naar voren, de invloed daarvan op onze kennis en ervaring en welke plek deze kennis inneemt binnen het denken over ontwikkeling en het aandragen van oplossingen.
Ditzelfde onderwerp werd aangesneden in een paneldiscussie over ontwikkeling in het Caribisch gebied met de uit Puerto Rico afkomstige José Buscaglia Salgado en de zeer gepassioneerde spreker Tyehimba Salandy uit Trinidad. Ze stelden: ‘We moeten kritisch zijn wanneer we praten over ontwikkeling en de begrippen die we daarbij klakkeloos overnemen, want te vaak merken we dat de realiteit genegeerd wordt.’ In onze regio zitten we in een gecompliceerde ruimte, zou je kunnen zeggen. De ruimte wordt bepaald door dominante ontwikkelingsvisies die geen rekeninghouden met onze realiteit: met onze jongeren die in Europa of de Verenigde Staten studeren, onze omgevingservaring en traditionele kennis. Het Caribisch gebied kent een andere benadering van duurzame ontwikkeling dan het Westen. Daar is de discussie over duurzame ontwikkeling ontstaan vanuit rampen die hebben plaatsgevonden. In het Westen is het een ideologie die voorschrijft hoe de wereld eruit zou moeten zien, in plaats van een idee, een set mogelijke stappen die vanuit de werkelijkheid genomen kunnen worden. Als wij ontwikkeling als een idee benaderen, vraagt het van ons vooral een kritische houding ten opzichte van strategieën die de kennis en ervaring vanuit de regio negeren.
In een discussie na de presentatie over dit onderwerp werd de kritische vraag gesteld in hoeverre wij daartoe in staat zijn, als wij ons richten op het vieren en tentoonstellen wat we hebben, zonder een podium te creëren voor kritisch gedachtegoed dat zal leiden tot een model van aanpak voor ‘life in the Caribbean’.
Kritische massa
We hebben meer media in het Caribisch gebied nodig die een visie uitdragen, een podium biede nvoor de verhalen en ervaringen van eigen bodem, onze kennis vergroten over onszelf, wat bij ons speelt, door ons gemaakt wordt, onze aanpak, onze ideeën. Publicaties die een kritische massa kweken en ruimte bieden voor het uitwisselen van kennis. Omdat nagenoeg alle Caribische landen in dezelfde fase van ontwikkeling zijn en daarbij verreweg dezelfde uitdagingen een rol spelen ,kan het Caribisch platform een inspiratiebronzijn voor een succesvolle ontwikkeling van ons gebied. Onderwerpen als natievorming, identiteit, klimaatverandering, gemeenschapsontwikkeling, duurzame ontwikkeling, kunst, cultuur, literatuur en ga zo maar door, kunnen daar heel anders benaderd worden. We bewegen ons dan in een ruimte van gelijkwaardige discussies en vergelijkbare oplossingen in plaats van de exotische ruimte die ons te vaak toebedeeld wordt. Misschien moeten we leren waarderen wat onze omgeving ons biedt, kijken naar onszelf in plaats van buiten onszelf, leren oog te hebben voor wat nodig is in de omgeving waarin wijzelf leven.
De publicatie Ster in de stad, behorende bij de gelijknamige tentoonstelling over Bombay van het kindermuseum Villa Zapakara, is een goed voorbeeld van het respecteren en waarderen van je omgeving. Geen boekje over hoe zielig de inwoners van Bombay zijn, zoals je zou denken bij een tentoonstelling over een miljoenenstad met meer dan honderd sloppenwijken, maar een boek over de verhalen, ervaringen en capaciteiten van mensen binnen de context van hun eigen omgeving. Het definiëren van onze capaciteiten betekent het plaatsen van de voor anderen vaak onbekende ervaringen in het grote rgeheel. Een plek waar je geen vreemde bent en je land niet constant vraagtekens oproept.
Tijdens de conferentie was mijn Amazoneregenwoud net zo gewoon als het witte strand met palmbomen. Dat kan ik niet kan zeggen wanneer ik met studenten in dialoog ga op de campus van de Universiteit van Amsterdam of op andere Europese podia. Op de campus van St. George’s University te Grenada vervalt het vreemde van het zogenaamd exotische. Voor de regio is het alleen daarom al belangrijk om in deze space aanwezig te zijn. Het valt op dat onze diaspora in vergelijking met die van andere Caribische landen nog weinig bijdraagt aan de discussies over ontwikkeling in samenhang met de plek waar wij werken, wonen en leven. En gezien het grote aantal goed opgeleide Surinamers in diaspora, zou het helpen om wat meer de vruchten te proeven van deze intellectual cruising, het reizende Surinaams intellect. Carifesta zal misschien in staat zijn om voor even de aandacht te vestigen op de samenhang tussen Suriname en het Caribisch gebied, hopelijk los van een exotisch karakter en met meer aandacht voor de inzichten die achter de creaties van dit festival liggen. Of we vervolgens die Caribische ruimte ook daadwerkelijk kunnen bereiken om de creatieve coalities aan te gaan, zal afhangen van de vruchten van deze ‘creatieve en intellectuele Caribbean cruising’.
Schrijver en publicist Karin Lachmising opereert in het maatschappelijk middenveld als ‘communicatiestrateeg met een filosofische inslag’.
[uit Parbode, 1 augustus 2013]

Het Suriname van Joop Vernooij

door Karel Steenbrink

In Nijmegen (klooster-verzamelhuis Catharijnehof, Rosa de Limastraat) hield Dr. Joop Vernooij zijn nieuwste boek ten doop op vrijdag 18 oktober j.l.

Hierboven nog even de Surinaamse context van het leven van Vernooij!
Joop Vernooij werkte van 1969-2001 in het bisdom Paramaribo, was daarna nog een vijftal jaren docent bij de theologische faculteit in Nijmegen voor wereldchristendom.
In 1998 publiceerde hij al een voorganger voor dit boek: De Rooms-katholieke gemeente in Suriname. Handboek van de geschiedenis van de Rooms-Katholieke Kerk in Suriname, in eigen beheer uitgegeven. Dat was een boek van 280 bladzijden. Het grootste verschil tussen dat boek en het nieuwe is de moderne tijd: die kreeg in het oude boek 50 bladzijden, in het nieuwe bijna 70, maar in een veel persoonlijker, uitgewerkter en gedetailleerder stijl. Kennelijk heeft de auteur enige afstand genomen van zijn eigen werkterrein. De stijl van het Nederlands is ook heel wat prettiger geworden.
Wij kennen Joop Vernooij al lang, maar natuurlijk vooral door de reis van 15 dagen die wij zelf in 1999 maakten. Daarbij was hij een meer dan fantastische gastheer. Toen had Paule juist het jaar daarvoor gewerkt aan het bijschaven van het Nederlands van dat boek dat in 1998 uitkwam: in Suriname bleek ons hoe de talen daar dooreen lopen, zodat zelfs tijdens een preek Vernooij schijnbaar moeiteloos binnen een zin kon overstappen van Nederlands naar Sranan. De tien jaar Nederland hebben in het nieuwe boek duidelijke sporen achtergelaten.
Groepsfoto met de meisjes van een internaat van de rooms-katholieke Missie, directeur R.P. Franssen en zuster Leonie, algemeen overste van de zusters van Tilburg. Foto Augusta Curiël. Tropenmuseum Amsterdam.
Bij eerste lezing van deze kerkgeschiedenis valt meteen op hoe dichtbij de auteur op zijn onderwerp zit, maar er tevens enige afstand van wilde nemen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het thema politiek: Vernooij zelf heeft nooit in het openbaar kritiek op Bouterse willen geven: dat moest de bisschop maar doen, die immers een Surinamer is. Als Van Zichem dat al zou willen doen. Vernooij vond dat hij als Nederlander duidelijk een buitenstaander was. Bovendien als priester de pastoor voor alle katholieken, of die nu de ene of de andere kant kozen. Ook nu deze voorzichtigheid, al komen de aspecten wel her en der ter sprake. Op blz. 156 hekelt hij het dat de katholieke kerk wel extra aandacht had voor de cultuur van de javanen, chinezen en hindoestanen, maar eigenlijk niet voor de creolen, die toch de oudste bevolkingsgroep waren (na de Indianen). Zit hier ook zijn voorzichtigheid met kritiek op Bouterse bij: dat moeten de creolen zelf maar oplossen? Wel wordt uitvoerig vermeld hoe de Oblaat priester Martien Noordermeer in Augustus het land werd uitgezet vanwege ‘actie tegen het militair bewind’. Het is bij een aantal passages aardig om beide versies naast elkaar te lezen. In 1998 staat er bij dat Bisschop Van Zichem in het buitenland was tijdens de uitzetting en zijn latere reactie na terugkeer was ‘dat hij niet tegen de hantering van artikel 13 kon inbrengen, maar liet wel een protest horen tegen deze wijze van uitwijzing.’ Nu staat er in 2012 uitdrukkelijk bij dat dit protest pas een jaar na de uitwijzing plaats vond. In 1998 wordt het dilemma van de priesters meer expliciet besproken: kritiek geven betekent uitzetting en haalt dus niets uit. Moet je dan maar zwijgen? Leuke aanvullingen van de twee versies.
Ik heb het boek ook bekeken vanuit het idee: hoe schrijf je een kerkgeschiedenis over een bepaald gebied? Ik ben immers zelf bezig met het derde deel van een geschiedenis van Katholiek Indonesië. Allereerst viel mij op de hoofdindeling voor beide oud-koloniën hetzelfde zijn: het eerste deel gaat over de (her)start na de lange periode van verbood voor katholieke publieke en organisatorische aanwezigheid tot 1800. Het tweede deel bespreekt de periode 1866-1958. Dit deel begint met de komst van de ‘hoge boorden’, de Redemptoristenpriesters, snel versterkt met leden van de Fraters van Tilburg, Zusters van Roosendaal, Tilburg en Oudenbosch. Zij maakten er een gebied van dat zeer royaal door de geestelijkheid werd bediend: op blz. 105 staat een mooie foto van zo’n 50 zusters van Roosendaal ca 1920.
Een voorganger van Vernooij: Een halve eeuw in Suriname door Een Pater Redemptorist [Adrianus Bossers]. Collectie Buku Surinamica.
Het derde deel bespreekt de periode 1958-nu. (In de editie van 1998 was de breuklijn verdeeld in 1945-75 en de periode daarna). Dat was duidelijk een periode van ‘dramatische teruggang van het aantal religieuzen’, die zien op een statistiek blz. 132. De procedure en debatten rond de benoeming van de zeer jonge bisschop (36 jaar) Aloysius van Zichem komt uitvoerig aan bod. Heel bijzonder vond ik het ‘wapenschild’  van Bisschop van Zichem: niet langer een militaristische schild, maar een rond wapen op een kruis met drie fayalobi (= vurige liefde, symbool-bloem van Suriname). Ook zijn opvolger heeft dit idee overgenomen (141 en 180).  De periode van de ontwikkelingshulp komt ook ter sprake: ‘het bleef echter hulp met een Nederlands accent’ (169).

Hoop en tegelijk besef van zwakheid van het gedane werk speelt wellicht mee in het gedicht dat de slotbeschouwing afsluit: (Cándani, ps van Asha van den Bosch):

toen God verdween
bouwden wij kerken
en begonnen hem op te roepen
uit de muren

te laat kwam hij
de slavernij heeft hij gemist
ook van de immigratie weet hij niets

en weer had hij haast
het bloedbad laat hem koud

Daar  moeten we het even mee doen! Daarom toch nog even een suggestie voor een derde versie van dit verhaal, bij een volledige nieuwe editie, ooit nog eens: een paar regels van Shrinivasi, hier alvast 2 keuzes:

Maar zie ik blijf bij U
wanneer de wolken 
rood aanlopen.
Vergeet dit niet.

Gedenk mij
wanneer de nacht hierna
eenzaam speelt
met de rivier.

(Uit de editie van Geert Koefoed, Een weinig van het andere..,blz. 55. Het volgende blz. 110)

Voor die dit vol
zo vaal, ze wreed frustreerden

In haar ogen
zie ik de Vader
de Zoon en de Heilige Geest. 

[van de weblog van Karel Steenbrink]

Composities van een uitgesteld leven (21 en slot)

door Willem van Lit

De laatste aflevering is een samenvattende beschouwing van wat in dit hoofdstuk 5 is beschreven.

De titels van mijn hoofdstukken zijn in een aantal gevallen spontaan ontstaan. Zoals bij dit hoofdstuk ook. Zonder nog exact te weten hoe het verhaal zich zal ontrollen onder het voortlopen van mijn penpunt, schrijf ik dan alvast een combinatie van woorden op en verwacht intuïtief dat ik daar dan ook uitkom. Composities van een uitgesteld leven. Met de achterliggende gedachte van de bijbehorende vertraging. Dat is een van de dingen die me dikwijls is opgevallen als het gaat op de Nederlands Caribische eilanden. Het is ook een ervaring die ik min of meer steeds zelf heb gehad en die ik niet kon verklaren. Eigenlijk nog steeds niet kan verklaren. Dat begon in feite toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw voor de eerste keer gedurende langere tijd op Curaçao verbleef met uitstappen naar omringende eilanden en Suriname. Het leven dáár leek een voorlopige clausule te hebben. Het was alsof men steeds ergens op zat te wachten; ikzelf ook. Het was het merkwaardig gevoel van voorlopigheid: het echte leven moet nog beginnen en ik moet daarop wachten. Voor mezelf weet ik dat aan het feit dat ik daar niet uit vrije wil naartoe was uitgezonden en dat ik gewoon mijn tijd moest volmaken. Als ik terug in Nederland zou zijn, dan kon ik mezelf wel herpakken. Dat gebeurde aanvankelijk ook wel, maar na verloop van tijd groeide er een soort heimwee: ik wilde terug en de tijd die ik weer in Nederland verbleef, begon ik langzaamaan te ervaren als voorlopig. Ik moest hierbij soms denken aan het lied van Hildegard Knef; zij zingt het verhaal van haar heimwee naar Berlijn, waar ze nog een koffer met verhalen heeft achtergelaten. En ik ging terug, maar het gevoel ging niet weg. Anderen werden dit op soortgelijke manier gewaar; dat merkte ik. Men sprak er over op verschillende manieren. Ik begon boeken van Antilliaanse schrijvers te lezen en ik merkte dat bij Van Leeuwen, Debrot en Marugg onder andere het thema op diverse wijzen aan bod komen: zwerven, onrust, voorlopigheid of “bewolkt” bestaan. In mijn eerste boek over de Caribische eilanden verwees ik naar Marugg: “wanneer zul je leven, als je nu niet leeft”? En ik schreef op de flaptekst over het dilemma van een voortdurend uitgesteld leven en de noodzaak tot het maken van een keuze.

 

Als je voortdurend op iets zit te wachten, pak je niets aan. Je twijfelt. Je kunt niet goed plannen maken. Het is maar voor even. Je stelt het echte leven steeds uit; dat is voor later. Bij deze instelling passen de verhalen en ideeën over het migrantenvraagstuk, zoals dat bij verschillende andere schrijvers naar voren komt, onder andere Ramdas, Naipaul, Rushdie en ook Van Kempen. Het idee en gevoel van ontheemding. Van Kempen voegde daar nog het idee van de gidsfunctie van schrijvers aan toe: de constante neiging van Antilliaanse en Surinaamse auteurs anderen, maar ook eigen mensen langs de opmerkelijke punten van het Caribisch leven te loodsen terwijl je niet de illusie moet koesteren te begrijpen waar het in wezen over gaat.

Steeds blijft die puzzel voor ogen: wat is er nu aan de hand dat je – als je in aanraking bent geweest met het leven in de Cariben – constant het gevoel van voorlopigheid of uitstel moet ervaren? En dat je de ervaring van voortdurende stagnatie niet kan verklaren. Is het mogelijk daaraan ooit te ontsnappen?

 

In dit hoofdstuk ben ik weer op zoek geweest naar een andere invalshoek van het wezen van die stagnatie. Strijd, verzet, zuur antagonisme, maar ook hallucinante fascinatie voor de omgeving; daar kwam ik in de vorige hoofdstukken op uit. Dit was ook het vertrekpunt voor dit hoofdstuk. Het was een andere zoektocht naar het wezen van die tegenstellingen die tussen en ín mensen woedt, de strijd die te maken heeft met de angst ook nog eens overladen te worden met het complex van schuld en schaamte. Dit zijn krachten die de verhoudingen tussen mensen onder soms grote spanning zet. Ik zocht in dit hoofdstuk verklaringen die gaan over de topoi van het insularisme, tribalisme, het kritisch dualisme, het nationalisme, het utopische verlangen en de krachtmeting van twee psychologische componenten die werkzaam zijn op het vlak van de maatschappelijke huishouding: hebzucht en arrogantie tegenover afgunst en woede.
Nicolaas Porter, Fa fa fa

 

De angst voor het maken van keuzes blijkt voor een deel zeker samen te hangen met de voortdurende strijd tussen de krachten vóór een open samenleving en degenen die geloof hebben in en hopen op de beslotenheid van sociale structuren en culturen. Dergelijke strijd die veel aandacht, middelen, menskracht en mentale inspanning blijkt te vergen, komt ook voort uit de dynamiek van schuld en schaamte. Hierdoor blijft de maatschappelijke ontwikkeling achter. De stagnatie en het voortdurende uitstel van leven zitten dus voor een gedeelte opgesloten in deze strijd. De tegenstellingen die hier uit voortkomen, zijn niet typisch voor het Caribische gebied. Dat komt in meer of mindere mate op veel plaatsen ter wereld voor. In het Caribische gebied komen er nog wel een aantal specifieke elementen bij, die dit verschijnsel verbijzonderen en krachtige maken qua werking: het insularisme, de thymotische verwijzing naar slavernij en kolonialisme en de daaruit voortvloeiende krachten van schuld en schaamte.
Nicolaas Porter – Marktman

 

Uitgangspunt van denken in dit hoofdstuk is de tegenstelling tussen de collectivistische en de open samenleving, zoals door Popper is ontleed. Zonder een open samenleving is behoorlijk bestuur (good governance) niet mogelijk; dit was een van de vertrekpunten in dit hoofdstuk. Popper zegt dat het verzet tegen de open samenleving het gevolg is van de onbehaaglijke druk van de voortgaande beschaving. De open samenleving dwingt mensen hun eigen vrijheid met bijbehorend verantwoordelijkheidsbesef te aanvaarden door de veranderingen die hierbij onvermijdelijk optreden in zichzelf te verwerken. Je moet daarbij steeds kritisch blijven ten opzichte van andere ideeën en opvattingen en deze blijven confronteren met je eigen keuzes. Je kunt je hierbij nooit beroepen op de onwrikbare positie van afkomst, aard, cultuur, God of geschiedenis. Aanvaarding van continue dynamiek en kritisch verantwoordelijk blijven voor de keuzes die je zélf maakt, wil zeggen dat je je bewust bent van het feit dat je wel gevormd bent door je geschiedenis, maar niet erdoor bent gedetermineerd of bepaald. Je moet je werkelijkheid in samenhang met anderen zélf ontwerpen en verwezenlijken. Het verleden is nooit bepalend voor de toekomst. In deze dynamiek schuilt de aard van de tegenstellingen: het kritisch dualisme óf de nostalgie en hang naar een geïdealiseerd verleden dat men als fatum willoos aan zich verbindt.
Aruba. Foto Joe Fortin

 

Het nationalisme is een vorm van het tribalisme, de collectivistische hang naar een geïdealiseerd verleden, heroïek en patriottisme. Dit heeft in Europa diepe sporen van grove ellende nagelaten, de motor van de geschiedenis zoals sommigen propageren. Hierbij bedacht Karl Marx de variant van de klassenstrijd, die in de uitwerking ervan op hetzelfde neerkomt. Nationalisme kan utopische dimensies aannemen met neiging tot isolatie, het onwerkelijke streven naar zuiverheid (purificatie) van geest en cultuur, een gesloten orde van samen leven, dat totalitair van aard kan zijn met een collectief ethisch kader en het ideaal van onbeweeglijkheid van cultuur, waarbij sterke nadruk wordt gelegd op opvoeding en vorming. Er is geen ruimte voor individuele ontplooiing. Een dergelijke opstelling leidt tot een instabiele relatie met de omgeving (met andere buur-samenlevingen). Daarnaast kan het leiden tot interne polarisatie van verhoudingen: ressentimenten van een traumatisch verleden moet anders denken uitschakelen.

 

Het insularisme versterkt deze dynamiek naar binnen alleen nog maar en het kan leiden tot grote instabiliteit, waarbij vooral eilanden en eilandengroepen extra kwetsbaar zijn voor een dergelijk drang tot collectivisme. In het Caribische gebied wordt onder verwijzing naar het koloniaal knechtschap en het slavernijtrauma deze drang toegespitst op de Afrikaanse erfenis. Een voorbeeld van deze tribale drang liet ik zien in het verhaal over de tambú, de thesis van Girigori. Hij schetst een kennelijk geïdealiseerde vorm van samenleven die hij – gebaseerd op een Afrikaans verleden – de tambú noemt. Hij schetst exact het adagium van de utopie (Van Obbergen): “het heden gaat zwanger van de toekomst, niettemin blijft de reis in de toekomst een projectie van de tradities uit het verleden”. Verzetscultuur, militante purificatie en een onbeweeglijke samenleving; dat zouden de elementen zijn van de door Girigori genoemde ideaalsituatie.

 

Bij de voortgaande stagnatie van ontwikkeling zoekt men dikwijls juist de tegenstellingen op: juist de drang tot het zich terugtrekken in een gesloten samenleving komt dan naar voren; men wil zich afsluiten van allerlei externe invloeden en men gaat de dialoog uit de weg. We kunnen in de Caribische situatie de focus richten op de restanten van de Afrikaanse erfenis, niet zozeer op de culturele overlevering maar op de effecten van die restanten op de psychosociale en sociaaleconomische verhoudingen. Het is de manier waarop mensen hun dagelijkse relaties vormgeven en beleven. De Afrikaanse erfenis is te vinden in opvattingen, ervaringen, stemmingen, verhalen, methoden van samen leven en de beleving van relaties in de maatschappelijke huishouding. Buiten de opvallende (cultuur)elementen van onder andere voedselbereiding, dans en muziek, een soms onverwoestbaar bruisend optimisme, zijn er ook sporen die minder opvallend zijn. Het gaat hierbij bijvoorbeeld over familie- en gezinsverbanden, waarbij het matrifocale element naar voren komt. Een dergelijke gerichtheid op de moeder steunt van oorsprong op traditioneel grote familie- of clanverbanden. Deze gerichtheid is in zijn varianten nog steeds te vinden zijn in de Caribische omgeving. David Signer beschrijft dit ook als deel van het door hem zo genoemde Afrikaans hyperhumanisme. Dat is een overweldigende en soms verstikkende gerichtheid op elkaar. Hyperhumanisme heeft te maken met de niet de onderdrukken drang de persoonlijke relaties op te zoeken. Men ‘claimt’ elkaar en daaraan ontkom je niet. Signer zegt dat bij deze gerichtheid vooral afgunst en woede de leidende krachten zijn: je zult in maatschappelijk opzicht nooit iets bereiken. Steeds staat je (immens grote) familie achter je en je broers, zussen, vader, neven en nichten spreken je voortdurend aan op het onvoorwaardelijke gebod álles te delen met wat je verdient. Doe je het niet, dan word je behekst of vervloekt. Hierdoor is het onmogelijk te sparen (kapitaal te accumuleren) en treedt er op maatschappelijk niveau constant stagnatie op. Dergelijke mechanismen zijn collectivistisch van oorsprong en aard. In de Caribische situatie zijn hiervan sporen terug te vinden bij onder andere de volgende fenomenen:

 

–         een zeer sterk mensgericht leiderschap (zogenaamde peoplemanagers);
–         het constant doorbreken van formele structuren en het omzeilen van wet- en regelgeving;
–         cliëntalisme en patronage in de politiek en het bestuur;
–         het idee dat werken je niets brengt;
–         ‘bricolage’ bij politiek en bestuur;
–         de neiging het kwaad of onheil dat je treft, altijd aan iets of iemand buiten jezelf toe te schrijven;
–         traineren van bestuurlijke besluitvorming om conflicten te vermijden (zoals bij het pokopokobeginsel);
–         persoonlijke begunstiging;
–         het feit dat in veel gevallen de persoonlijke relatie vóór de zaak of inhoud gaat;
–         bestendiging van koloniale verhoudingen door het mechanisme van de afhankelijkheid van de gunst (als gift);
–         een sterk appél jezelf niet te onttrekken aan de stam of clan door onder andere het oproepen van het ‘makamba-pretoe’-gevoel.
Jean Louis Gerôme, Slavenverkoop, 1884. Hermitage

 

Bij dergelijke verschijnselen verwijst men dikwijls als in een reflex naar kolonialisme en de slavernijperiode, maar er zitten zeker ook andere invloeden in: het insularisme (met nationalistische trekken) en de Afrikaanse erfenis.
Als deze patronen in de leefwijze en de huishouding worden gestuurd door de mentale krachten van nijd en woede, dan staat hiertegenover het complex dat onderliggend gereguleerd is door arrogantie (hoogmoed) en hebzucht. Deze laatste krachten zijn de motor voor de werking van (dominante) westerse sociaaleconomische structuren en cultuur. Dit westerse element is eveneens expliciet aanwezig in de Caribische realiteit. Deze krachten zijn verantwoordelijk voor een grote expansie met een enorme accumulatie van kapitaal. Dit stelsel lijkt in de huidige sociaaleconomische crisis het ultieme universeel egoïsme en zelfoverschatting te hebben verwezenlijkt: het neoliberalistische deficit. Het was ook dit mechanisme dat in zijn vroegkapitalistische vorm het delirium van verovering en mensenhandel ontwikkelde. In de huidige tijd komt die hooghartigheid terug in impliciete opvattingen van het sociaaldarwinistische type dat in zijn naakte vorm tot extreme vernedering en beschaming heeft geleid (en dat nog steeds doet in de neoliberalistische wezensvatting).

In het Caribische gebied staan beide complexen tegenover elkaar: enerzijds dat van de hebzucht en arrogantie (ik noemde ze naar twee van de zeven hoofdzonden avaricia en superbia) en anderzijds het complex van afgunst en woede (invidia en ira) die het hyperhumanisme vertolken. Deze voortdurende krachtmeting, die eigenlijk alleen maar impliciet wordt gevoerd, is een andere dimensie van de pathetische omhelzing, de bestendiging van de stagnatie.

Composities van een uitgesteld leven (1)

door Willem van Lit

Op zondag 13 mei jl. rondde ik hier met deel 19 de publicatie af van hoofdstuk 4 van het boek dat ik in ontwerp heb onder de werktitel Cariben, laten we het onmogelijke vragen. Het boek is een zoektocht naar de situatie van de schijnbaar eeuwige stagnatie en patstelling op de Caribische eilanden. Om de draad op te nemen zou in elk geval het lezen van die 19e aflevering (van 10 mei) aan te raden zijn.
Momenteel schrijf ik hoofdstuk 6, heel waarschijnlijk het laatste hoofdstuk van dit boek dat – als alles goed gaat – in maart 2013 zal verschijnen.

“Samenvattend noem ik dan onze stad in haar geheel een leerschool voor Hellas en naar mijn meening past iedere burger als mensch en als goed lid van onze volksgemeenschap zeer vlot en in bekoorlijke vormen zich aan bij de meest uiteenlopende omstandigheden en situaties, met behoud van eigen persoonlijkheid”. [1]

Karl Popper schrijft in de inleiding van het boek waarin hij zijn ideeën over de open samenleving uiteenzet dat de toekomst alleen van onszelf afhangt en “we zijn niet afhankelijk van welke historische noodzakelijkheid dan ook”. [2] In feite is deze constatering een voortzetting van het verhaal uit het vorige hoofdstuk en in hoofdstuk 1 heb ik ook beloofd dat ik terug zou komen op de overweging dat er velen zijn – en niet de geringsten onder ons – die vinden dat de ontwikkeling van het menselijk bestaan gebaseerd is op mythen in de betovering van de beslotenheid van het verleden. Ik heb daarbij gezegd dat ik de thymotiek in een sociodynamische context zou plaatsen.

Ik heb ook een analyse gemaakt van wat ik heb genoemd de pathetische omhelzing en hoe die in zijn beklemming kracht ontleend aan de steeds zeer goed onderhouden woedegolven, de werking van beschaming en het schuldcomplex. Deze patstelling werkt verlammend op de ontwikkeling van de Caribische eilanden. Het wakkert het onderling wantrouwen voortdurend aan, bevordert nihilistisch denken en het gaat gepaard met minachting en angst. Om tot andere verhoudingen te komen, moet meer openheid ontstaan; zo wordt algemeen verondersteld. Daarbij kijkt men vooral naar het bestuur.

“Good governance”. De term wordt op alle momenten gebruikt als men de bestuurswijze van de Caribische eilanden bespreekt. Deze term drukt in feite uit dat men tot een andere verbondenheid moet komen. De veronderstelling is vaak dat het alleen om een andere bestuurlijke opzet gaat, de politieke cultuur. Men verwijst veelal naar regeringen en politici die een cultuur en ook structuur van ondoorzichtigheid, cliëntalisme, beslotenheid en patronage in stand houden. Gert Oostindie vat het als volgt samen: “Good governance is een sleutelbegrip in de discussies over economische en politieke ontwikkeling. Het begrip heeft een sterk normatieve lading. Hoewel over de inhoud van het begrip geen absolute consensus bestaat, is er wel overeenstemming over de belangrijkste elementen: een overheid die open en transparant is en ter verantwoording geroepen kan worden; efficiënt, effectief en responsief bestuur; respect voor mensenrechten; en het primaat van de wet. Daarnaast is het bewustzijn gegroeid dat deze principes in een locale context dienen te worden begrepen en toegepast”. [3]

Vooral in kleinschalige verbanden, zoals op veel eilanden in de Caribische zee, kan van integer bestuur alleen sprake zijn als ook in de samenleving zelf de condities daartoe voorhanden zijn. De geslotenheid van bestuur en het in zichzelf gekeerd zijn van bestuurders komen direct voort uit de aard van de leefwijze van de gemeenschap zelf. Zonder een open samenleving is er geen sprake van good governance. Het is een sine qua non. Men wil tot ontwikkeling komen en daarom zal er een andere samenhang moeten ontstaan: de onderlinge afhankelijkheid – die er toch altijd zal zijn door de noodzakelijke sociale verwevenheid op allerlei gebied – moet een meer open karakter krijgen. De vraag is hoe komt de verandering op gang en hoe raakt men uit de beklemming van de ziekelijke omstrengeling? Hoe kan men tot een nieuwe afhankelijkheid komen, die meer kansen biedt? In dit hoofdstuk gaat dat speuren verder. Daarbij gaan we ook kijken hoe de verandering mogelijk wordt.

Het krachtenveld van bevangenheid
Aan deze kant het zinderende complex van woede en beschaming en aan de andere kant de restanten van de pioniersdrang, die is omgeslagen in onthutsing en schuldgevoel. Geprangd, verwrongen, onwrikbaar en onlosmakelijk. Het zal een hele klus worden. Ik heb uitvoerig laten zien hoe het woedecomplex is vormgegeven en wat de effecten daarvan zijn: de werking van willekeur en het ongericht vernederend geweld, de dwang, de thymotische geest en de uitwerking daarvan, de effecten van beschaming en wederbeschaming, maar ik heb ook al uitvoerig stil gestaan bij de onbeheerste veroveringsdrang van het pionierend oude Europa, dat zich overgaf aan het delirium van expansie en daadkracht. Hierdoor is de geest van overheersing tot ongerichte dadendrang gekomen en arrogantie van heerszucht. Dit complex is vanaf de tweede helft van de vorige eeuw gekanteld naar schrikachtig schuldgevoel met krampachtig politiek correct acteren dat de doemgedachte van de menselijke smet niet heeft kunnen wegnemen; nee… het lijkt erop dat het dit eerder heeft versterkt in sommige opzichten. De oplaaiende schaamte-uitbarstingen getuigen daar nog regelmatig van.

Er zijn andere verbanden nodig; dit wil zeggen dat de verbanden niet meer gebaseerd moeten zijn op of bepaald moeten worden door het huidige psychodynamische complex. Men moet loskomen van de geest en cultuur van verzet en angst, de voortdurende nostomanie en de smet van het menselijk bestaan. Voortdurende verwijzingen naar het verleden, de verblinding voor vreemde kusten, de veronderstelde grootsheid van verloren gegane beschavingen en de afstompende hel van het geweld van voorheen; dit alles houdt de bewoners vast in beelden en verhoudingen die schijnbaar vertrouwd zijn, die identiteit lijken te bieden en waarbij men met elkaar kan schuilen in bevangenheid.

Het complex van de verstrengeling bestaat echter uit nog meer factoren. Die verdienen ook nog aandacht. De cultuur op de eilanden en de geesten vertonen sporen van wat men noemt tribale verbondenheid, die vermengd is met insularisme. Dit is dikwijls de oorzaak voor een introvert nationalisme. We zien ook patronen van Europese én Afrikaanse leefwijzen. Daarnaast zien we ook op de eilanden de dynamiek van de multiculturaliteit met de vraagstukken van acculturatie, vermenging van afkomst en volkeren en assimilatie. In deze mêlee speelt ook het fenomeen van het voortdurend uitgestelde leven, een thema dat ik eerder heb beschreven [4] . Het hangt samen met het probleem van de onmogelijkheid definitieve keuzes te (willen) maken: onafhankelijk worden of niet. En dan is er nog het probleem van de voortslepende armoede, de verwaarlozing van de jeugd, de criminaliteit en illegaliteit; dit gaat over uitzichtloosheid van delen van de bevolking.

De vraag is hoe in dergelijke stroomversnellingen de kritisch vrije geest zich kan ontwikkelen en hoe de “Bildung” van een open cultuur tot stand kan komen, hetgeen een hechte basis moet vormen voor degelijkheid, rechtvaardigheid, integriteit en waarheid, de basis voor ontwikkeling, verheffing en waardigheid.

[Wordt vervolgd]

[1] Pericles, Lijkrede op de gevallen strijders, gehouden in 431 voor Christus. Vertaling door Prof. Dr. D. Loenen, 1937.

[2] Popper, Karl. De open samenleving en zijn vijanden, pag. 27.

[3] Oostindie, Gert. “Koloniaal verleden, kleinschaligheid en goed bestuur”. Pag. 62/63 uit de lezingenbundel Democratie & deugdzaamheid 2007 – 2008, uitgave van het Kabinet van de Gouverneur van de Nederlandse Antillen en de Universiteit van de Nederlandse Antillen.

[4] Lit, W.A. van, Atlantisch rendez-vous, pag 110 en 113 en Het Caribisch alternatief, pag. 30 – 39.

160 foto’s vertellen ‘een moment’ op tentoonstelling Sufov

door René Gompers

De bezoeker staat al langer dan een minuut te staren naar de kleine Timriman. Is hij bevangen door de kleuren op het doek of door het schepseltje? Beiden? De foto, uitgeprint op canvas, maakt in elk geval heel veel indruk op deze meneer. Er zijn meerdere werken met hetzelfde effect. Keep The Moment heet de expositie van de Surinaamse Fotografen Vereniging (Sufov). De 160 foto’s van 40 fotografen in de Congreshal doet zeker menigeen even stilstaan en opgaan in de vastgelegde momenten.

Overzicht van de expositie. Foto @ Charl Danoe

Na vier jaren heeft de Sufov besloten weer de werken van zijn leden te exposeren. Er is niet gekozen voor een bepaald thema. Dit zorgt ervoor dat er foto’s over allerlei onderwerpen tentoongesteld worden. Van portretten tot hemellichamen en van vogels tot architectuur. Veelal zijn er close-ups van bloemen, vogels en kleine dieren als kikkers en duizendpoten. Boten en oude huizen zijn ook objecten waar de fotografen in diepe perspectief aandacht aan schenken. De maan en de gekleurde hemel lieten zich ook graag vastleggen.

Vuur in de lucht. Foto @ Charl Danoe

Niveau doet niet onder

Michel Eriks, voorzitter van de Sufov, is ervan overtuigd dat het niveau van de Surinaamse fotografen niet onder doet aan de rest van de wereld. Hij vindt dat er wel wat gedaan moet worden aan het samenwerken: “Wij hebben gemerkt dat als wij als vereniging aan evenementen meedoen, veel meer bereiken. Ook op internationale podia. Dus is het zaak dat we het individualisme doorbreken”.

Aka. Foto @ Charl Danoe

Stanley Sidoel, directeur van Cultuur is onder de indruk van de tentoonstelling. Hij laat zich uitgebreid door de fotografen informeren over het verhaal achter bepaalde foto’s. De zwart witte foto’s spreken hem bijzonder aan. “Iedereen kan een foto schieten. Maar als kunstvorm blijft het apart, iets klassieks”, meent een zichtbaar ingenomen Sidoel. “De Sufov promoot deze kunstvorm en daarom steunen we de organisatie. We hebben afgesproken nauwer samen te werken vooral bij grote activiteiten”.

Foto @ Marciano Jadi

Creatief

Enkele fotografen gaan een stapje verder met het creatief inlijsten van de vastgelegde momenten. Kippengaas kan ook als omlijsting dienen. Anderen tonen hun behendigheid met fotomanipulatie door bijvoorbeeld een foto te produceren van een dinosaurus in de palmentuin. De meeste werken zijn te koop. Op de laatste expo dag wordt er een veiling gehouden. Theo Tjon heeft een van zijn werken voor dit doel gedoneerd. De opbrengst gaat naar het kindertehuis Nos Casitas. De tentoonstelling duurt tot en met 23 juni.

[tekst van Starnieuws, 20 juni 2012]

Temreman, foto @ Charl Danoe

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter