blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Damas Léon Gontran

Identiteit in een Caribisch perspectief

door Fred de Haas

Geen begrip is zo ongrijpbaar als het begrip ‘identiteit’. Menigeen weet wat je ermee bedoelt, maar niemand kan het nauwkeurig omschrijven. En vroeger was het al net zo ongrijpbaar als nu, getuige het verhaal van de twee Perzen van Montesquieu. read on…

Een vertaling van Trefossa

Trefossa
Léon-Gontran Damas nam in présence africaine (n°57) 1966: p. 551 het gedicht ‘Sranan’ van Trefossa op. Op verzoek van een vriendin vertaalde ik het gedicht, maar dat is altijd een delicate zaak bij Trefossa. Ik zou graag commentaar op mijn vertaling willen hebben, van wie dan ook. Eerst volgt hier de Sranan versie in de spelling in présence africaine; daarna het gedicht in tegenwoordige voorkeurspelling.
Sranan
brudu f’afo
ben dopu ju doti.
iu santi ben soidji,
ben dringi den dropu,
sranan,
te kramnari f’afo
ben boro
 na ju gron wi mu gro.
fajalobi
a dinamit d’e opo ju prodo so nja,
mu koti hen faja,
mu bron na wi brudu;
dan bromtji sa monjo na wi libi
fu njan na bidji frijari,
di Sranan nanga wi de fruwakti,
so langa.
[voorkeursspelling van nu:}
Sranan
brudu f’afo
ben dopu yu doti.
yu santi ben soigi,
ben dringi den dropu,
sranan,
te kramnari f’afo
ben boro
 na yu gron wi mu gro.
fayalobi
a dinamit d’e opo yu prodo so nya,
mu koti en faya,
mu bron na wi brudu;
dan bromki sa monyo na wi libi
fu nyan na bigi friyari,
di Sranan nanga wi de fruwakti,
so langa.
Mijn vertaling van het gedicht:
Suriname
het bloed van je voorouders
heeft je grond gedoopt.
Je zand zoog
dronk de druppels,
Suriname,
totdat de ribben van de voorouders
naar buiten staken.
het is jouw grond die we moeten bebouwen.
fajalobi,
het dynamiet dat je pracht doet openspringen,
moet de vonken er doen vanaf springen,
moet branden in ons bloed;
dan zullen bloemen ons leven overspoelen
om de grote verjaardag te vieren,
die Suriname al zo lang
verwacht.

 

Les Empires de l’Atlantique (XIXe – XXIe siècles)

Figures de l’autorité impériale dans les lettres d’expression européenne de l’espace atlantique

sous la direction d’Yves Clavaron et Jean-Marc Moura
éd. Les Perséides, coll. « Le Monde Atlantique »
Les empires coloniaux de l’Atlantique (britannique, espagnol, français, néerlandais et portugais) ont suscité voire déterminé une somme impressionnante de textes littéraires qu’il reste à envisager avec les instruments critiques contemporains. À partir de l’âge des Découvertes et jusqu’à l’ère contemporaine, notamment avec la colonisation, l’esclavage puis la décolonisation, les relations entre les trois continents, Europe, Afrique et Amérique, n’ont cessé de se renforcer et l’Atlantique a de plus en plus joué le rôle d’un pont favorisant les processus d’interaction et de convergence entre les sociétés qui le bordent. Depuis plus d’une vingtaine d’années, l’« Atlantic history » s’est affirmée au sein de l’historiographie anglo-saxonne. Ce paradigme interprétatif présente le monde atlantique comme un espace intercontinental intégré et unitaire. Il livre ainsi une clef de lecture de l’expérience culturelle et littéraire à l’époque moderne, qu’il reste à mettre en œuvre collectivement, pour les lettres d’expression européenne. Avec le concept d’/histoire littéraire atlantique/, il s’agit de proposer un cadre théorique adapté aux dynamiques intellectuelles contemporaines, afin de déterminer puis d’analyser les circulations, échanges et migrations littéraires entre Europe, Amérique et Afrique, non plus donc en termes régionaux (concentré sur l’un des trois pôles) ou linguistiques, mais dans les relations complexes, traversant cultures, régions et langues, établies dans l’espace atlantique.
Jean-Marc Moura : « Les empires et le projet d’une histoire littéraire de l’Atlantique »
Yves Clavaron : « L’autorité des empires de l’Atlantique à travers quelques emblèmes : le triangle, le vaisseau, le gouffre et… le foot »
David Murphy : « Du communisme international au nationalisme panafraicain et transatlantique ? L’anti-colonialisme de Lamine Senghor (1889-1927) »
Charles Forsdick : « Histoires transatlantiques: Les Jacobins noirs de CLR James »
Micéala Symington : « Littérature irlandaise contemporaine et pouvoir. La figuration de l’autorité impériale dans la poésie irlandaise contemporaine »
Mélanie Potevin : « Parodie et démesure dans la réécriture de l’Histoire transatlantique chez Roberto Bolaño et V.S. Naipaul »
Marie-Isabelle Vieira : « Capitaines et Généraux d’Avril : figures paradoxales du maintien et de la chute de l’empire portugais »
Danièle Dumontet : « Les écritures migrantes au Québec ou comment les auteurs haïtiens modifient le système relationnel dans l’empire atlantique »
Thorsten Schüller : « La ‘‘traduction’’ du primitivisme européen dans les avant-gardes latino-américaines »
Barbara Dos Santos : « Brésil-Afrique : l’influence du modernisme brésilien dans les littératures angolaise et mozambicaine »
Véronique Porra : « Amour, colère et folie de Marie Chauvet. Réduplication des structures d’autorité et destin tragique d’une prise de parole indésirable »
Évelyne Lloze : « L’Écrire en pays dominé de Chamoiseau »
Crystel Pinçonnat : « Une femme blanche et un homme noir. Deux auteurs paradoxaux de l’Empire »
Kathleen Gyssels : « L’ancêtre Oayapock dans Hoofden van de Oayapok! (Albert Helman) et Black-Label (Léon Gontran Damas) »
Anton de Kom, @ Nicolaas Porter
Kim Andringa : « Nous, esclaves du Surinam. Une critique surinamienne du capitalisme colonial néerlandais »
Jean-Claude Laborie : « L’empire du Brésil dans l’écriture romanesque de J. Machado de Assis »
Florence Paravy : « D’un Empire à l’autre : l’imaginaire Roi de Kahel »
Odile Gannier : « L’empire fantôme des Indes : L’Ancêtre de Juan José Saer »
Myriam Suchet : « Le sujet du texte hétérolingue n’est pas un empire dans un empire – ou «je» est-il maître dans son propre texte ? »
23 x 15 cm- 308 pages avec index, bibliographie,
jaquette de couverture illustrée, 26 €
Cet ouvrage est commandable dans toutes les librairies. Vous pouvez également
vous le procurer directement auprès de l’éditeur, en envoyant un chèque de 24 €
(prix de lancement) à l’adresse suivante :
Editions Les Perséïdes
5, rue du Faubourg Bertault
35190 Bécherel
(envoi franco de port)

Léon-Gontran Damas – Hik (fragment)

 

Hou je mond

Ik heb je toch gezegd dat je Fráns moest spreken
het Frans van Frankrijk
het Fransmannenfrans
het Franse Frans

Ramp

spreek me van de ramp
spreek me ervan

Mijn moeder die een echte

moederszoon wilde
Je hebt de buurvrouw niet gegroet
alwéér vuile schoenen
en laat ik je niet op straat
in het gras of buiten
in de schaduw van het Monument voor de Gevallenen
zien spelen en
pret maken met Dingetje
met Dingetje die niet gedoopt is

 

 Uit: Maryse Condé (red.): De open plek. Haarlem: In de Knipscheer, 1984. Vertaling: Fred de Haas.

Frans-Guyanese literatuur in een notendop

door Jerry Dewnarain en Els Moor

Tijdens de van 8 tot 11 mei gehouden 13de Internationale Conferentie van de Association of Caribbean Women Writers and Scholars (ACWWS) hield de Frans-Guyanese schrijfster Sylviane Vayabouri een presentatie over de literatuur van haar land. Ze is geboren te Cayenne in 1960 en is er grootgebracht door haar grootouders. Daarna heeft ze ook gewoond in Guadeloupe, Martinique en Frankrijk.

Sylvie Vayabouri

Vayabouri baseert haar presentatie op het boek met literatuurgeschiedenis en veel fragmenten, Introduction à la littérature guyanaise van Biringanine Ndagano, doctor in Franse literatuur, en Monique Blérald-Ndagano, docent in regionale talen en culturen aan de universiteit van de Franse Antillen en Frans-Guyana in Cayenne. Wij geven in dit artikel weer waarover Sylviane Vayabouri sprak, aangevuld met informatie en fragmenten uit het door haar genoemde boek, en andere werken over Franstalige Caraïbische literatuur, onder andere het in het Nederlands vertaalde De open plek; Bloemlezing uit het werk van 29 schrijvers van de Franse Cariben, door  Maryse Condé uit Guadeloupe.

betreft lijken Frans-Guyana en Suriname veel op elkaar, maar de status van beide landen is verschillend: Suriname is een onafhankelijke staat en Frans-Guyana een ‘overzees departement’ van Frankrijk. Het is interessant te zien hoe in het ‘Franse’ Guyana al meer dan een eeuw schrijvers in hun werk bezig zijn met de eigen Caraïbische identiteit.
Léon-Gontran Damas
Als er over Frans-Guyanese literatuur wordt gesproken dient volgens Vayabouri vooraf een vraag te worden gesteld: wie of wat is Frans-Guyanees? Deze vraag is sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw actueel en zorgt nog steeds voor veel discussies. Hierbij speelt de kwestie van afstamming een belangrijke rol. Deze theorie wordt ondersteund door de volgelingen van Léon-Gontran Damas (1912-1978) die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van authentieke literatuur in de Frans-Caraïbische eilanden en Frans-Guyana. Damas werd geboren in Cayenne en volgde middelbaar onderwijs in Martinique. Zijn universitaire studie deed hij in Frankrijk, waar hij met de Martiniquaan Aimé Césaire en de Afrikaan Léopold Senghor en anderen een blad publiceerde, L’étudiant noir (De zwarte student). Deze beweging groeide uit tot de ‘Négritude’, het streven naar bewustzijn van de positieve eigenheid van zwarte mensen. Terug in Guyana werd hij dichter en gedeputeerde. Zijn gedichten zijn zeer fel. Heel die westerse cultuur die men hem in zijn jeugd te slikken gegeven had, spuugde hij erin uit. ‘Hik’ is een meesterlijke spot met het Franse fatsoen dat kinderen aangeleerd werd door hun ouders, wat nu nog veel gebeurt, en echt niet alleen in Frans-Guyana. In Suriname is het de dichter Eugène Rellum (1896-1989) die beïnvloed werd door de Négritude. Bekend is zijn gedicht ‘negerschap is als bloeiende vanille…’.
Ook de band met de Frans-Guyanese grond werd een uitgangspunt om gerekend te worden tot Frans-Guyanees. De aanhangers hiervan zijn André Bonneton en Marie José Jolivet. Zij stellen dat iemand als Frans-Guyanees beschouwd kan worden wanneer die persoon geboren is in Frans-Guyana of opgevoed is door/tussen Frans-Guyanezen.
Wat literatuur betreft vindt Vayabouri echter dat er sprake moet zijn van een samenspel van allerlei factoren, dat maakt dat iemand tot de Frans-Guyanese literatuur gerekend kan worden. Belangrijk is de betrokkenheid van de schrijver bij de geschiedenis, gedachten, ontwikkelingen, gewoontes en tradities van Frans-Guyana. Als voorbeeld noemt zij een werk uit 1885 van ‘de vader van de créolité’ (creolisering), Alfred Parepou:  Atipa. De figuur Atipa is een enorme kletser en grappenmaker. Hij wordt Atipa genoemd omdat hij zoveel van die vis – bij ons kwikwi – houdt. Hij is een echte patriot, maar kan ook heel kritisch zijn, met name als het gaat over assimilatie, of over de run op goud die eind 19de eeuw speelde in Frans-Guyana. Ook  René Jadfar (1901-1947) wordt als voorbeeld van een gecreoliseerde auteur genoemd. Hij was geobsedeerd door het leven in het binnenland, van ‘botoman’, houthakkers en goudzoekers. Hij was zeer dynamisch, als mens en als schrijver, en in zijn werk is veel herkenbaar in verband ook met ons binnenland.
Veel orale literatuur is vastgelegd in Frans-Guyana. In dit opzicht is onze orale literatuur, vooral die van de verschillende volkeren in het binnenland, familie! Een veel gebruikte bundel is Contes et legendes folkloriques (1960 en 1980), samengesteld door Michel Lohier, maar ook Léon-Gontran Damas heeft veel orale vertellingen opgeschreven.
Elie Stephenson
Sylviane Vayabouri ging tijdens haar lezing ook in op de stromingen in de Frans-Guyanese literatuur. De nationalistische stroming die we hierboven gezien hebben, waarbij er wordt gestreden voor identiteit, met afkeuring van het kolonialisme, de slavernij en de Franse/westerse assimilatie. Het grote voorbeeld is en blijft Léon-Gontran Damas. Later komt Elie Stephenson (1944), die sterk beïnvloed is door Damas. Hij is de eerste Guyanese theaterman, dramaturg en ook schrijver van stukken. Stephensons werk wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hij schrijft kritisch en revolutionair. Zelf zegt hij dat schrijven voor hem getuigen is, een eigen positie innemen en engagement in praktijk brengen. Stephenson heeft ook poëzie geschreven. Verschillende bundels van hem zijn gepubliceerd. Terres mêlées (Gemengde gebieden) is van 1984. Hierin staat een gedicht over Maripasoula, een marrondorp vlak bij de grens met Suriname in het Lawagebied. In de 18de eeuw tijdens de Boni-oorlogen vluchtten veel Boni de grens over. In Maripasoula wonen nu nog steeds veel Aluku en Boni.
De tweede stroming is de regionalistische stroming die het land, zijn rijkdommen, de flora en fauna, de folklore en de vrouwen ophemelt/verheft. Enkele schrijvers zijn: Ismael Urbain (1812-1884), Christian Rollé, Assunta Renau Ferrer (1959) en Tom Dinguiou (1965).
Overigens zijn er ook romanschrijvers die niet gerekend willen worden tot een van de twee stromingen. Een bekende van deze soort is René Maran, winnaar van de Goncourtprijs in 1921 voor zijn roman Batouala. Hierin vertelt hij het verhaal van het dorpshoofd Batouala. Aan het begin van de dag, bij het ochtendgloren, begint Batouala met zijn dagelijks ritueel: geeuwen, jeuken van zijn lichaam, wrijven van zijn ogen met de rug van zijn hand en het bedrijven van de liefde met een van zijn vrouwen die nog slaapt. Handelingen die hij dagelijks uitvoert. Zijn dagen bestaan uit het roken van sigaretten, zijn dagelijks tijdverdrijf. Hij ontbijt met Yassigui’ndja, zijn eerste en favoriete, maar kinderloze vrouw. Vaak reflecteert hij over zijn leven en hij minacht het rijke, zorgeloze leven van de blanken. Spot naar beide kanten toe, dus!
De werken van deze onafhankelijke romanschrijvers zijn echter wel in genres te verdelen, zoals sociaal-realistische, avonturen-, historische en regionalistische romans. Tot de laatste groep hoort Sylviane Vayabouri zelf. Haar debuutroman, Rue Lallouette prolongée, is autobiografisch en nodigt de lezer uit haar te vergezellen op de driesprong tussen La Guyane, Frankrijk en de Franse Antillen. Op die weg ontmoet men veranderende tradities, cultuurschokken, kostbare oude herinneringen en zeer pijnlijk verdriet. Haar tweede boek, La Crique, gaat over multiculturele diversiteit en de betekenis van het leven in een plaats als Cayenne, in een Frans overzees departement dat worstelt met het multiculturele vraagstuk. Ook interessant vergelijkingsmateriaal voor ons, maar deze romans zijn helaas niet vertaald, evenals de vele andere, zodat het weinig zin heeft al die werken hier te noemen. Ons gaat het erom te laten zien dat er veel overeenkomsten zijn tussen onze literatuur en die van Frans-Guyana, dat er goed geschreven werd en wordt, kritisch, vaak fel en spottend: ze nemen geen blad voor de mond. Ook zijn er prachtige, herkenbare verhalen uit de orale literatuur en beschrijvingen van het leven van de bosnegers en inheemsen in het binnenland die evengoed in Suriname zouden kunnen spelen. Zou het geen goed idee zijn om een bundel voor Suriname samen te stellen met werk van Frans-Guyanese auteurs, vertaald uiteraard? Op deze pagina doen we alvast een kleine poging! Sylviane Vayabouri heeft ons op dit spoor gezet! Grantangi! Grand merci! 
[Bronnen: De voordracht van Sylviane Vayabouri tijdens de Internationale Conferentie ACWWS; Biringanine Ndagano, Monique Blérald-Ndagano: Introduction à la litteratuur guyanaise. CDDP Guyane, 1996. ISBN 2-908931-16-8; La plume guyanaise, revue littéraire. IBIS Rouge Editions, 2003; Maryse Condé: De open plek. In de Knipscheer, 1996]

Krik? Krak! Kri, Kra!: Franstalige Caraïbische literatuur

door Els Moor

Suriname maakt deel uit van het Caraïbisch Gebied, op het vasteland van Zuid-Amerika. Waarom zijn wij niet Latijns-Amerikaans? Alle andere landen werden gekoloniseerd door Spanje of Portugal (Brazilië) en het Spaans of Portugees is er de taal. Frans-Guyana, Suriname en Guyana zijn gekoloniseerd door respectievelijk Frankrijk, Nederland en Engeland en de talen van die landen zijn er de officiële taal.

Deze drie landen horen dus bij de Caraïbische eilanden, die – met uitzondering van het Spaanstalige Cuba, de Dominicaanse Republiek en Puerto Rico – Frans, Nederlands of Engels zijn of waren. Met deze landen en eilanden heeft Suriname een stuk geschiedenis gemeen – met de Nederlandse Antillen ook de taal, hoewel het Papiaments daar een veel sterkere rol heeft dan het Sranan bij ons – en culturele kenmerken. Geen wonder dat ook de literatuur van de Caraïbische landen en eilanden veel gemeenschappelijks heeft wat betreft thematiek en in andere opzichten.

‘Krik? Krak!’ is de titel van een verhalenbundel van Edwidge Danticat (1969). Zij is afkomstig uit Haïti en woont in de Verenigde Staten. Kri, Kra! Proza van Suriname (1972) is een bloemlezing, samengesteld door Thea Doelwijt. ‘Krik? Krak!’, ‘Kri, Kra!’, het is de aanhef van orale tori, ook van Anansitori. De verteller riep het en de hoofden van de luisteraars gingen omhoog, Haïtiaanse, Surinaamse: Caraïbische!

Grote thema’s in de Caraïbische literatuur zijn onder andere: slavernij en koloniale geschiedenis, ras en kleur, klassentegenstellingen, Afrika, religie, identiteit, gender en de trek naar metropolen zoals Londen, Parijs, Amsterdam en de Verenigde Staten. Die thema’s herkennen wij ook.

In dit artikel richten we ons op de Franstalige Caraïbische literatuur, van Martinique, Guadeloupe en Frans-Guyana. Deze drie zijn nu delen van Frankrijk in tegenstelling tot Haïti dat in 1804 onder invloed van de Franse Revolutie al onafhankelijk werd en een totaal andere geschiedenis beleefde, vol machtswellust, onderdrukking, corruptie en armoede. De literatuur van Haïti is zeer interessant met figuren als René Depestre (1926), een dichter die in zijn werk evolueert van zeer militant tot beschouwend. In 2002 kwam in vertaling van René Smeets in Nederland een bundel uit met een keuze uit Depestres poëzie. Hij heeft om zijn werk in de gevangenis gezeten en woont nu in Zuid-Frankrijk. Voor ons is ook het werk van Edwidge Danticat belangrijk: gedichten, twee romans, en verhalen, geschreven in het Engels en vertaald in het Nederlands.

Maar het interessantst is het werk van Kettly Mars (1958). Ondanks gewaagde thema’s in haar romans, bijvoorbeeld over het schrikbewind van de Duvaliers, woont ze nog in Haïti en schrijft ze over de worsteling met het bestaan van haar landgenoten. Ze is een laureaat van het Prins Claus Fonds vanwege haar gedurfde onderwerpen. Haar laatste roman, Wrede seizoenen, speelt in de woelige jaren zestig, is in het Nederlands verschenen bij uitgeverij De Geus. Kettly Mars was aanwezig bij de presentatie; Lucia Nankoe ook. Zij is zeer enthousiast over de roman en ook over de schrijfster als mens.

Léon Gontran Damas

Terug naar de literatuur van Martinique, Guadeloupe en Frans-Guyana. Die heeft een duidelijke indeling in periodes. Uiteraard eerst een orale fase. Veel van die verhalen zijn gelukkig overgeleverd en later vastgelegd. De slimme helden waren in de slaventijd vaak dieren. Zoals bij ons Anansi de slimmerik is, hebben Martinique en Guadeloupe hun Compé Lapin (konijn). Uiteraard zijn er ook laitori en odo overgeleverd. Dit zijn getuigenissen van slaven, die voor de rest niets achterlieten. In de tweede helft van de 19de eeuw ontstaat er een Antilliaanse poëzie, die later ‘hangmatliteratuur’ wordt genoemd, met suiker- en vanillegeur. Je zou ook kunnen zeggen ‘literair exotisme’, de natuur en samenleving gezien door een Franse bril. Langzaam maar zeker ontwaakte echter een bewustzijn van het eigene, van het neger zijn, met als oorsprong Afrika. In de twintiger jaren van de 20ste eeuw komen er lokale protestdichters, jonge anti-burgerlijke kunstenaars. Ze hadden via tijdschriften ook contact met Haïtiaanse kunstenaars. Die hadden relaties in de Verenigde Staten en zo bereikte hen de beweging van Amerikaanse zwarten, ‘Black is beautiful’, terug naar Afrika. Met als grote figuren Marcus Garvey en E. du Bois. Mede onder invloed hiervan ontstond de Négritude-beweging. Studenten in Parijs vonden elkaar en werden de grote dichters van de beweging: Leopold Senghor uit Afrika zelf, Aimé Césaire uit Martinique en Léon Gontran Damas uit Frans-Guyana.

Césaire is wel de grootste dichter van de Négritude. Hij had een brede visie en emotionele kracht. Zijn meest bekende werk is Cahier du retour au pays natale (Logboek van een terugkeer naar mijn geboorteland) in proza en poëzie. Behalve gedichten en proza schreef hij drama. Hij was auteur en politicus en werd burgemeester van Fort de France. De leukste is Léon Gontran Damas, die in zijn poëzie de spot drijft met de Franse burgerlijkheid. De Surinaamse dichter die al vroeg verwantschap toonde met de Négritude is Eugène Rellum (1896-1989). Zijn gedichten zijn vooral verwant aan die van Léon Gontran Damas uit ons buurland. Ook de Curaçaoënaar Frank Martinus Arion voelde zich aangetrokken tot de Négritude, getuige zijn bundel Stemmen uit Afrika (1957). De beweging ‘Wie Eegie Sanie’ zit eveneens op de lijn van ‘eigenheid’, zij het niet zo Afrikaans.

Na de Tweede Wereldoorlog is de terug-naar-Afrika-droom gaan slijten. Vooral opstandige jonge dichters en kunstenaars gaan begrijpen dat de Antillen een heel andere werkelijkheid vertegenwoordigen dan Afrika. De stroming Antillianiteit komt dan op. De centrale figuur hierin is Edouard Glissant (1928-2011), schrijver en dichter van Martinique. Zijn visie op de rol van de schrijver is: meewerken aan de genezing van een zieke maatschappij. Geëngageerde literatuur dus. Schrijvers zoeken naar het ware gezicht van hun land. Het verleden blijft een belangrijk thema, ook kleurvooroordelen, het leven op het platteland en de trek naar de stad.

Belangrijke schrijvers van de moderne Franstalige Caraïbische literatuur – van wie de werken in het Nederlands zijn vertaald – zijn Maryse Condé (1936) uit Guadeloupe, het echtpaar Simone en André Schwartz-Bart (zij van Martinique, hij Fransman van joodse afkomst), en Patrick Chamoiseau (1953) van Martinique. In de komende maanden zullen we werk van hen bespreken. Vooral ook in verband met keuzes ‘voor de lijst’ van de scholieren. Mijn favoriet is De oude slaaf en de bloedhond (2001) van Patrick Chamoiseau, uitgegeven door De Geus in de vertaling van Eveline van Hemert (die naar Suriname kwam om Surinaams-Nederlands te leren en dat gebruikte bij haar vertaling van het gecreoliseerde Frans van Chamoiseau). Lucia Nankoe is de samensteller van de bundel met Caraïbische verhalen, De komst van de slangenvrouw en andere verhalen van Caribische schrijfsters (Van Gennep-Novib-Ncos, 1998). Een herdruk is gewenst, want het is inspirerende leesstof voor iedereen die wil kennismaken met de Caraïbische literatuur.

René Maran

door Paul Kerstens

Afrikaanse literaturen zijn grotendeels onbekend in Nederland en Vlaanderen, en er bestaan nogal wat misverstanden over. Zo zou Afrika hoofdzakelijk een ‘orale cultuur’ hebben. Maar laat het duidelijk zijn: Afrikanen groeien op in een ‘geletterde’ wereld, net als u en ik.

Die term “Afrikaanse literaturen” is natuurlijk erg verwarrend, je kan er alle kanten mee uit. In Frankrijk beschouwt men veelal de roman Batouala van René Maran als het beginpunt. Maar dat is relatief. In Ethiopië werden al in de dertiende eeuw teksten geschreven in het Ge’ez, en er is poëzie in het Swahili die dateert uit de vroege achttiende eeuw. De slaaf Olaudah Equiano schreef zijn autobiografie in het Engels, einde achttiende eeuw. Dat zijn maar enkele voorbeelden.

Overigens, René Maran was een schrijver uit Martinique. Is dat dan toch Afrikaanse literatuur? De ondertitel van het boek zegt veel: véritable roman nègre. In Frankrijk werd niet zozeer gesproken over Afrikaanse literatuur, maar over negerliteratuur, “littérature nègre”. Vanaf de late jaren twintig ontwikkelde zich in Parijs een culturele beweging, die Aimé Césaire (ook al uit Martinique) négritude zou noemen. Sterk gestimuleerd door de Amerikaanse “Harlem Renaissance” en in de schoot van de Parijse non-conformistische wereld van surrealisme, dadaïsme en existentialisme ontstond daar een eerste Panafrikaanse culturele beweging die gepaard ging met de sociale en politieke emancipatie van de door Frankrijk gekoloniseerden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de grote drie van de négritude (Aimé Césaire, Léon Damas en Léopold Senghor) ook politiek actief waren. Senghor zou later zelfs de eerste president van het onafhankelijke Senegal worden. Césaire’s poëtisch werk Cahier d’un retour au pays natal, zijn toneelstuk La tragédie du roi Christophe en zijn essay Discours sur le colonialisme zijn literaire mijlpalen die een halve eeuw later nog niets aan kracht ingeboet hebben.

[van Schwob.nl]

Schrijversgroep ’77 onder vuur

De Surinaamse Schrijversgroep ’77 ligt onder vuur, sinds de groep niets maar dan ook helemaal niets deed om de 75ste verjaardag van dichter Michaël Slory te vieren. Het was Els Moor (foto hier rechtsonder) die in de Ware Tijd Literair van 21 augustus 2010 de kat de bel aanbod, en zich afvroeg waar de Surinaamse trots is, als zelfs de enige organisatie van schrijvers Slory negeert. Het bestuur van Schrijversgroep ’77 reageerde met een ingezonden schrijven op 2 oktober j.l., ook in de Ware Tijd Literair. Beide stukken volgen hier, en ook Michiel van Kempen geeft zijn reactie.

Wat is trots?

door Els Moor

Trots zijn op eigen identiteit; wat houdt dat in voor een schrijver? Deze vraag kwam aan de orde tijdens de ontmoeting van de Schrijversgroep ’77 met Ernest Pépin, auteur uit Guadeloupe, op 12 augustus in Tori Oso. Helaas kon ik vanwege de late aankondiging zelf niet op de avond aanwezig zijn en put ik deze informatie uit het artikel van Carmen van Zijl in de Ware Tijd van 14 augustus.

De conclusie van de avond lijkt volgens Carmen van Zijl te zijn dat ‘de Afro-Caraïbische bevolking trotser moet zijn op haar afkomst en dat zo ook moet uitdragen onder het mom van de stroming creolisering. Het gebruik van de eigen creoolse talen binnen de literatuur zou daar onderdeel van zijn.

Deze kwestie is van groot belang voor de Caraïbische literatuur van de Engels-, Frans- en Nederlandstalige bevolkingen van ex-koloniën van Engeland en Nederland en de ‘overzeese departementen’ van Frankrijk. Vooral de Franstalige literatuur heeft in dezen een interessante geschiedenis, beginnend bij de ‘terug-naar-Afrika’-droom. Die was in de jaren twintig van de vorige eeuw in beweging gebracht in de Verenigde Staten door de ideeën van onder anderen Marcus Garvey. Via Haïti en Parijs komt deze nieuwe visie, de Négritude, op de Frans-Caraïbische eilanden en in Frans-Guyana tot leven. De belangrijkste figuren daarin waren Aimé Césaire (1913-2008) uit Martinique en Léon Gontran Damas (1912-1978) uit Frans-Guyana, die elkaar en de Afrikaan Léopold Sédar Senghor tijdens hun studietijd in Parijs ontmoetten. De groep predikte de geestelijke terugkeer naar Afrika, het afwijzen van buitenlandse voorbeelden en de herontdekking van eigen verhalen en poëzie, terug naar de culturele bronnen dus, maar wel met een groot gevoel voor kwaliteit. In Suriname was het de dichter Eugène Rellum (1896-1989) (zie foto rechts) die verwant was met de dichters van de Négritude. Net als Léon Gontran Damas schaafde hij net zolang aan zijn verzen tot ze welluidend werden wat betreft woordkeus, rijm, metrum en ritme. Universele poëtische kwaliteiten dus. Hij schreef zijn gedichten in het Sranan en Nederlands. Bekend is zijn gedicht ‘Negerschap’: ‘Negerschap/ is als bloeiende vanille/ hoog in de bomen van het bos;’ […]. De gedichten van Damas zijn fel: heel die westerse cultuur die men hem in zijn jeugd te slikken had gegeven zou hij walgend uit willen spugen. Zijn bundel Pigments uit 1939 geeft dat duidelijk weer. Een vertaald fragment uit zijn gedicht ‘Hik’: […] ‘Mijn moeder die een zoon wilde met goede tafelmanieren/ handen boven tafel/ brood snij je niet/ brood breek je/ brood verknoei je niet/ brood van God/ brood van het zweet des aanschijns van je Vader/ brood van brood’ […]. De poëzie van Césaire is omschreven als een stijl tussen artistiek modernisme en zwart bewustzijn, tussen surrealisme en negerbewustzijn. We zien bij beide dichters dus een duidelijk samengaan van in die tijd moderne Europese stromingen met zwart bewustzijn. Césaire wordt nog steeds door velen gezien als de grootste dichter en auteur van de Franse Antillen. Zijn oeuvre is veelzijdig. Zo heeft hij in 1962 een biografie geschreven van de bevrijder van Haïti, Toussaint Louverture, en in 1968 publiceerde hij Une Tempête, een eigen versie van Shakespeare’s toneelstuk The Tempest (De Storm). In de vertaling van hun docent brachten de MO-B-studenten Nederlands van het IOL in het kader van hun ‘Caraibische literatuurstudie’ Een Storm in 2000 op de planken onder leiding van Sharda Ganga. Van het traditionele stuk van Shakespeare maakte Césaire een omgekeerde wereld van slaaf en meester. Caliban die in de oorspronkelijke versie door kolonisator Prospero tot slaaf gemaakt wordt en gevormd tot zijn eigen beeld en cultuurpatroon, is in de versie van Césaire zichzelf, een symbool van een vrij mens die uit durft te komen voor z’n eigen mening, niet ontdaan van humor.

De Négritude-droom sleet in de loop der jaren. Steeds meer richtte de literatuur zich op de Antilliaanse mens zelf. De Antillianiteit heeft als theoreticus de dichter-romanschrijver Edouard Glissant (1928) van Martinique. De Antillianiteit richt zich op de samenlevingen zelf. Die zijn vaak onevenwichtig. De rol van de schrijver is volgens Glissant: werken aan de genezing van zijn samenleving door zorgvuldige analyses van wat er misgaat alvorens met oplossingen te komen. Voorwaar: een belangrijke functie van literatuur! De eigenheid – kijk naar de knappe romans van onder anderen Patrick Chamoiseau (1953) – uit zich ook in het taalgebruik, niet het Frans van Parijs, maar het Frans zoals dat gesproken wordt op het eigen eiland, in het eigen land. De Nederlandse vertaalster Eveline van Hemert vertaalde voor uitgeverij De Geus verschillende romans van Patrick Chamoiseau (foto links) die geschreven zijn in gecreoliseerd Frans. Om een gecreoliseerde vertaling te kunnen maken verbleef Van Hemert geruime tijd in Paramaribo om zich de gewone spreektaal eigen te maken. Het resultaat is een vertaling die de creolisering van het origineel evenaart.

In de Surinaamse literatuur zien we twee belangrijke voorbeelden van creolisering van het Nederlands: Edgar Cairo, bij wie het Surinaamse Nederlands evolueerde tot het ‘Cairojaans’ en Marylin Simons, die herkenbare verhalen schreef over Surinaamse problemen in de versie van het Nederlands die gesproken wordt in de straten, in de bussen en op de markt van Paramaribo. Natuurlijk is er ook werk van dichters en prozaschrijvers in het Sranan, heel knap werk, denk aan Trefossa en Michaël Slory. Zonder vertaling blijft zulk werk voorbehouden aan Sranansprekers en dat is jammer als het om werk van kwaliteit gaat, aldus Pépin in Tori Oso.

Een paar belangrijke zaken zijn aan de orde gekomen: creolisering bevordert de identiteit. Maar wat is in Suriname ‘de identiteit’ en welke taal hoort daarbij? We zijn een volk van mensen die overal vandaan komen en hun eigen talen hebben; bevordert het Sranan dan de identiteit van iedereen? Wel het gecreoliseerde Nederlands, waarbij opgemerkt moet worden dat gecreoliseerd betekent dat een Europese taal aangepast is aan de manier(en) van spreken in een ex-gekoloniseerd land, Surinaams-Nederlands dus. De inhoud van de stroming die in de Franstalige gebieden ‘Antillianiteit’ heet, is vooral gericht op de samenlevingen, op onevenwichtigheid ervan, geen ‘Switi Sranan’ dus, maar een maatschappij vol gebreken, veroorzaakt door machtswellust, egocentrisme, geldzucht, gebrek aan durf en ga zo maar door. Goede literatuur geeft daar beelden van die door de indringende manier van schrijven en structuur lezers bewust maken. Een mooi voorbeeld van zo’n roman is Texaco van diezelfde Patrick Chamoiseau, waarvoor hij in 1992 de grote Prix Goncourt kreeg. In deze roman beschrijft hij vanuit de mond van een oude vrouw een stuk geschiedenis van het volk op Martinique. Van binnenuit laat hij reacties van dat volk op de gebeurtenissen komen. Daardoor is het een verhaal dat een eerlijk beeld geeft, van het goede en van het slechte. Daar gaat het om. Niet om ‘trots zijn op de eigen identiteit’; dat is eenzijdig en vaak huichelachtig, maar om een eerlijk beeld met goede, maar vooral ook slechte, onevenwichtige kanten.

En als de Schrijversgroep dan zo ‘trots’ is, waarom hebben ze dan geen mooie avond georganiseerd met centraal het werk van Michaël Slory, die op 4 augustus zijn 75ste verjaardag vierde?

—-

Ingezonden: Verjaardagen geen prioriteit bij Schrijversgroep ’77

Op 4 augustus is de dichter Michaël Slory 75 jaar geworden. Vooral vanuit mediahoek is een aantal malen op verwijtende toon gevraagd waarom S’77 hier geen aandacht aan heeft besteed. In de Ware Tijd Literair van 21 augustus heeft Els Moor dit publiekelijk aan de orde gesteld. Het is daarom goed dat Schrijversgroep ’77 meer openbare duidelijkheid geeft over zijn beleid en werkwijze.

S’77 wil literatuur van Surinaamse bodem in zijn algemeenheid stimuleren en bekendheid geven.
Daarvoor heeft de organisatie een regulier programma, bestaande uit:
– een wekelijks radioprogramma op de maandagavond via SRS;
– een maandelijkse publieksavond in Tori Oso;
– een wekelijkse e-mailnieuwsbrief.
Verder is er een website: www.schrijversgroep.org
Naast deze reguliere activiteiten is er ruimte voor andere activiteiten die de leden wensen uit te voeren. Voorstellen van leden worden graag tegemoet gezien door het bestuur. Het beleid van S’77 is dat voorstellen die gerelateerd kunnen worden aan de doelen van S’77 en die voorzien zijn van een realistisch werkplan met een haalbaar budget, geaccordeerd worden. Een voorbeeld is de deelname aan de Kinderboekenfestivals, die jaarlijks wordt aangekaart en geregeld door Alphons Levens (foto rechts).

Het vieren van verjaardagen is geen reguliere activiteit van S’77. Er is door leden geen voorstel ingediend om dit te vieren. Wel is er een verzoek binnengekomen van Michiel van Kempen (die geen lid is) bij de voorzitter, ongeveer drie weken voor de verjaardagsdatum, om aandacht te besteden aan de verjaardag, want de Werkgroep Caraïbische Letteren had een schilderij laten maken van Slory en het leek hem wel leuk om dit met enig ceremonieel aan te bieden. Er was verder geen werkplan en geen financieringsvoorstel bij dit verzoek. Op basis van ervaring met andere activiteiten achtte de voorzitter het organiseren van een ceremoniële en feestelijke opdracht op deze termijn niet haalbaar voor de vereniging. Hierbij kan ook een rol gespeeld hebben dat er verschil is tussen het Surinaamse concept van bigiyari en het Nederlandse concept van verjaardag.

Overigens moet gezegd worden dat S’77 onder het bestuur van voorzitter Frits Wols een verjaardagsfeest voor Slory heeft georganiseerd toen hij zestig werd. Daarna is zijn verjaardag door anderen georganiseerd. Chandra van Binnendijk en Els Moor deden dat in Tori Oso en het Directoraat Cultuur organiseerde zijn verjaardag op het kantoor van directeur Stanley Sidoel. Hierbij verleenden leden van S’77 acte de présence met voordrachten. Vorig jaar was er zelfs een Vrienden van Slory-stichting die een groot feest in Tori Oso voor Slory heeft georganiseerd, gealarmeerd door de slechte situatie waarin het huis van Slory verkeerde en zijn minimale inkomen. Alle lof voor deze personen en instanties. Zij hebben op hun manier een bijdrage gedaan aan het literaire leven in Suriname.

In de literaire wereld van Suriname heeft ieder zijn bijdrage te leveren. Schrijversgroep wil en kan geen monopolist zijn in literair Suriname. S’77 heeft haar prioriteiten gesteld en probeert die zo goed mogelijk in te vullen.

De voorzitter van S’77 heeft Michiel van Kempen verwezen naar andere instanties die actief zijn op literair gebied. Het is mevrouw Hilde Neus van het Surinaams Museum gelukt een kleine plechtigheid rond de overdracht van het schilderij te organiseren op de verjaardag van van Slory. Schrijversgroep ’77 was niet uitgenodigd voor de plechtigheid en veel leden wisten door de late bekendmaking ook niet dat deze plechtigheid er was. Schrijversgroep ’77 had dus geen vertegenwoordiger op deze bijeenkomst. In de nieuwsbrief van S’77 is Slory wel gefeliciteerd en wij hopen dat mensen en organisaties hem zullen blijven memoreren. Wij zullen als organisatie initiatieven hiertoe zeker ondersteunen als de leden zich hiervoor willen inzetten en de voorstellen op een realiseerbare manier aangekaart worden bij het bestuur. [Bestuursleden Schrijversgroep ’77: Ismene Krishnadath, Arlette Codfried, Jeffrey Quartier, Robbie Parabirsing (Rappa)].

—-


Slory en Van Kempen

Michiel van Kempen om commentaar gevraagd, zegt: ‘Ik wil er niet veel over kwijt. Het is vooral sneu voor Slory. Elke organisatie moet keuzes maken. Dus als de Schrijversgroep ’77 ervoor kiest Slory’s verjaardag niet te vieren: jammer dan. Ze hebben hem wel gefeliciteerd in hun Nieuwsbrief, dus dat is al niet mis. En het is waar dat er een verschil is tussen verjaardagen in Nederland en in Suriname. Toen ik in Suriname woonde heb ik het meegemaakt dat er daags voor een verjaring nog niets was georganiseerd, maar toch was het een groot en goed georganiseerd feest de volgende dag. Dus ik was wat vroeg toen ik drie weken voor Slory’s verjaardag de zaak al aankaartte. Dat zo’n groep dan durft te zeggen “er was geen financieringsvoorstel bij dit verzoek”, vind ik 35 jaar na de onafhankelijkheid een vorm van slaafs handje-ophouden. Maar belangrijker lijkt mij deze vraag: Slory heeft meer gepubliceerd dan het hele bestuur van de Schrijversgroep bij elkaar, en meer prijzen gekregen dan alle leden van de Schrijversgroep bij elkaar. Is het dan niet vreemd dat een Hollandse patat als ik bij de Schrijversgroep moet aankloppen om erop te wijzen dat de grootste in Suriname levende dichter 75 wordt? Kon het hele verzamelde intellect van de Schrijversgroep daar niet zelf op komen?
Overigens moet ik er bij zeggen dat ook het Directoraat Cultuur zich schandelijk heeft opgesteld. Bij monde van de heer Johan Roozer werd telefonisch steun toegezegd als iemand Slory’s 75ste jaardagsfeest wilde organiseren. Ja, stel je voor dat ze bij Cultuur moeten gaan werken! Het Surinaams Museum wilde de viering wel op zich nemen, maar toen trok het Directoraat zich schielijk terug, er was geen cent voor de viering in het Fort Zeelandia.’

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter