blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Curiel Augusta

Hoedenvlechten in Suriname

Suriname. De stroozolder der versch gezwavelde hoeden; het versch bereide stroo moet één jaar op de zolder blijven hangen, alvorens het te gebruiken; hoeden van versch bereid stroo verweeren resp. beschimmelen zeer makkelijk; van oud belegen of “behangen” stroo gemaakte hoeden beschimmelen niet.. De vlechtschool van het Maria-patronaat te Paramaribo: de strozolder met vers gezwavelde hoeden en strengen van bewerkt stro Fotostudio ‘Augusta Curiel’ Fotograaf: A.C.P. (Augusta Cornelia Paulina) Curiel. Foto KIT Amsterdam

Het Suriname van Joop Vernooij

door Karel Steenbrink

In Nijmegen (klooster-verzamelhuis Catharijnehof, Rosa de Limastraat) hield Dr. Joop Vernooij zijn nieuwste boek ten doop op vrijdag 18 oktober j.l.

Hierboven nog even de Surinaamse context van het leven van Vernooij!
Joop Vernooij werkte van 1969-2001 in het bisdom Paramaribo, was daarna nog een vijftal jaren docent bij de theologische faculteit in Nijmegen voor wereldchristendom.
In 1998 publiceerde hij al een voorganger voor dit boek: De Rooms-katholieke gemeente in Suriname. Handboek van de geschiedenis van de Rooms-Katholieke Kerk in Suriname, in eigen beheer uitgegeven. Dat was een boek van 280 bladzijden. Het grootste verschil tussen dat boek en het nieuwe is de moderne tijd: die kreeg in het oude boek 50 bladzijden, in het nieuwe bijna 70, maar in een veel persoonlijker, uitgewerkter en gedetailleerder stijl. Kennelijk heeft de auteur enige afstand genomen van zijn eigen werkterrein. De stijl van het Nederlands is ook heel wat prettiger geworden.
Wij kennen Joop Vernooij al lang, maar natuurlijk vooral door de reis van 15 dagen die wij zelf in 1999 maakten. Daarbij was hij een meer dan fantastische gastheer. Toen had Paule juist het jaar daarvoor gewerkt aan het bijschaven van het Nederlands van dat boek dat in 1998 uitkwam: in Suriname bleek ons hoe de talen daar dooreen lopen, zodat zelfs tijdens een preek Vernooij schijnbaar moeiteloos binnen een zin kon overstappen van Nederlands naar Sranan. De tien jaar Nederland hebben in het nieuwe boek duidelijke sporen achtergelaten.
Groepsfoto met de meisjes van een internaat van de rooms-katholieke Missie, directeur R.P. Franssen en zuster Leonie, algemeen overste van de zusters van Tilburg. Foto Augusta Curiël. Tropenmuseum Amsterdam.
Bij eerste lezing van deze kerkgeschiedenis valt meteen op hoe dichtbij de auteur op zijn onderwerp zit, maar er tevens enige afstand van wilde nemen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het thema politiek: Vernooij zelf heeft nooit in het openbaar kritiek op Bouterse willen geven: dat moest de bisschop maar doen, die immers een Surinamer is. Als Van Zichem dat al zou willen doen. Vernooij vond dat hij als Nederlander duidelijk een buitenstaander was. Bovendien als priester de pastoor voor alle katholieken, of die nu de ene of de andere kant kozen. Ook nu deze voorzichtigheid, al komen de aspecten wel her en der ter sprake. Op blz. 156 hekelt hij het dat de katholieke kerk wel extra aandacht had voor de cultuur van de javanen, chinezen en hindoestanen, maar eigenlijk niet voor de creolen, die toch de oudste bevolkingsgroep waren (na de Indianen). Zit hier ook zijn voorzichtigheid met kritiek op Bouterse bij: dat moeten de creolen zelf maar oplossen? Wel wordt uitvoerig vermeld hoe de Oblaat priester Martien Noordermeer in Augustus het land werd uitgezet vanwege ‘actie tegen het militair bewind’. Het is bij een aantal passages aardig om beide versies naast elkaar te lezen. In 1998 staat er bij dat Bisschop Van Zichem in het buitenland was tijdens de uitzetting en zijn latere reactie na terugkeer was ‘dat hij niet tegen de hantering van artikel 13 kon inbrengen, maar liet wel een protest horen tegen deze wijze van uitwijzing.’ Nu staat er in 2012 uitdrukkelijk bij dat dit protest pas een jaar na de uitwijzing plaats vond. In 1998 wordt het dilemma van de priesters meer expliciet besproken: kritiek geven betekent uitzetting en haalt dus niets uit. Moet je dan maar zwijgen? Leuke aanvullingen van de twee versies.
Ik heb het boek ook bekeken vanuit het idee: hoe schrijf je een kerkgeschiedenis over een bepaald gebied? Ik ben immers zelf bezig met het derde deel van een geschiedenis van Katholiek Indonesië. Allereerst viel mij op de hoofdindeling voor beide oud-koloniën hetzelfde zijn: het eerste deel gaat over de (her)start na de lange periode van verbood voor katholieke publieke en organisatorische aanwezigheid tot 1800. Het tweede deel bespreekt de periode 1866-1958. Dit deel begint met de komst van de ‘hoge boorden’, de Redemptoristenpriesters, snel versterkt met leden van de Fraters van Tilburg, Zusters van Roosendaal, Tilburg en Oudenbosch. Zij maakten er een gebied van dat zeer royaal door de geestelijkheid werd bediend: op blz. 105 staat een mooie foto van zo’n 50 zusters van Roosendaal ca 1920.
Een voorganger van Vernooij: Een halve eeuw in Suriname door Een Pater Redemptorist [Adrianus Bossers]. Collectie Buku Surinamica.
Het derde deel bespreekt de periode 1958-nu. (In de editie van 1998 was de breuklijn verdeeld in 1945-75 en de periode daarna). Dat was duidelijk een periode van ‘dramatische teruggang van het aantal religieuzen’, die zien op een statistiek blz. 132. De procedure en debatten rond de benoeming van de zeer jonge bisschop (36 jaar) Aloysius van Zichem komt uitvoerig aan bod. Heel bijzonder vond ik het ‘wapenschild’  van Bisschop van Zichem: niet langer een militaristische schild, maar een rond wapen op een kruis met drie fayalobi (= vurige liefde, symbool-bloem van Suriname). Ook zijn opvolger heeft dit idee overgenomen (141 en 180).  De periode van de ontwikkelingshulp komt ook ter sprake: ‘het bleef echter hulp met een Nederlands accent’ (169).

Hoop en tegelijk besef van zwakheid van het gedane werk speelt wellicht mee in het gedicht dat de slotbeschouwing afsluit: (Cándani, ps van Asha van den Bosch):

toen God verdween
bouwden wij kerken
en begonnen hem op te roepen
uit de muren

te laat kwam hij
de slavernij heeft hij gemist
ook van de immigratie weet hij niets

en weer had hij haast
het bloedbad laat hem koud

Daar  moeten we het even mee doen! Daarom toch nog even een suggestie voor een derde versie van dit verhaal, bij een volledige nieuwe editie, ooit nog eens: een paar regels van Shrinivasi, hier alvast 2 keuzes:

Maar zie ik blijf bij U
wanneer de wolken 
rood aanlopen.
Vergeet dit niet.

Gedenk mij
wanneer de nacht hierna
eenzaam speelt
met de rivier.

(Uit de editie van Geert Koefoed, Een weinig van het andere..,blz. 55. Het volgende blz. 110)

Voor die dit vol
zo vaal, ze wreed frustreerden

In haar ogen
zie ik de Vader
de Zoon en de Heilige Geest. 

[van de weblog van Karel Steenbrink]

Art in Public – De Emancipatie Voorbij

Het kunstproject Art in Public- De Emancipatie Voorbij, onderdeel van het Keti Koti Festival, toont aan hoe de transatlantische slavernij en de daarmee gepaard gaande grootscheepse migratie zijn invloed heeft op hedendaagse kunstenaars met een diverse achtergrond. Felix de Rooy, de beeldend kunstenaar die de controverse niet schuwt, treedt op als curator in deze expositie. Hij wil een laagdrempelige expositie samen stellen, met het moment van de afschaffing van de slavernij, 1 juli 1863, het begin van de emancipatie, als vertrekpunt.

De grootscheepse migratie

De grootscheepse migratie van de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname, als gevolg van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863, bracht een culturele kruisbestuiving tot stand die doorwerkt tot in Nederland.
Cliff San A Jong
Die culturele kruisbestuiving van de verschillende bevolkingsgroepen na de afschaffing van de slavernij staat centraal in het project Art in Public – de Emancipatie Voorbij. De Rooy gaat op zoek naar werken die binnen dit kader passen en die de migratie-evolutie kunnen vormgeven. Puttend uit het werk van o.a. Armand Baag, Angèle Etoundi Essamba, Francis Sling, Charl Landvreugd, Remy Jungerman en Ruben La Cruz, alsook uit het fotoarchief van het KIT, wil De Rooy de expressie van culturele fusies, voortgekomen uit “een koloniaal orgasme”, in een kunsthistorische tijdlijn vatten en voor een breed publiek inzichtelijk maken.
Armand Baag
Een scala aan foto’s en schilderijen opgeblazen tot grote billboards
Uit een scala aan foto’s en schilderijen wordt een selectie, al dan niet in compilaties, opgeblazen tot grote billboards, die de basis vormen voor de aankleding en de omheining van de tent van de ‘Boni-Tula Oso’. Binnen de omheining wordt een rondgang gecreëerd waar het werk van de uitgekozen kunstenaars wordt geëxposeerd op canvas. Op het podium in de tent loopt een programma van spoken word, theater en dans.
Deelnemende kunstenaars:
Charles Corsen

 

  • Cliff San A Jong
  • Charl Landvreugd
  • Marquez Malacia
  • Wim Hardeman
  • Ruben La Cruz
  • Remy Jungerman
  • Armand Baag
  • Francis Sling
  • Charles Corsen
  • Augusta Cornelia Paulina Curiel
  • Julius Eduard Muller

 

OSO: gemis aan warmte

door Hilde Neus, m.m.v. Christine Samsom en Els Moor

De nieuwe OSO, Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied, is uit. Meestal zijn we blij, vanwege de variatie aan artikelen en de inhoud die voor ons vaak bij onderzoek (op welk niveau dan ook) van belang is. Deze keer zijn we niet onverdeeld enthousiast. Dit heeft mede te maken met het feit dat Els Moor en ondergetekende aanwezig waren op het symposium van november 2010 met dezelfde titel, plus de aanvulling: ‘Het Surinaamse binnenland, obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden’. De meeste artikelen die op dat symposium zijn gepresenteerd, zijn ook opgenomen in dit themanummer van het tijdschrift.

Foto rechts: de dichter Sombra en Hilde Neus

Ik ben al lang abonnee van OSO en was erg benieuwd naar het symposium van de stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS), die het tijdschrift uitgeeft samen met het KITLV. Het werd een tegenvaller. In de benadering van de mensen miste ik de warmte van Suriname. Martina Amoksi stond te sukkelen met de techniek van haar powerpoint-presentatie, niemand schoot haar te hulp of stelde haar op haar gemak. Het maakte dat ze erg uit haar doen raakte. Voor ons duidelijk: ze had in het Nationaal Archief te Paramaribo deze presentatie ook gehouden, en dat verliep vlekkeloos. En als we bij de discussie vragen wilden stellen of opmerkingen wilden maken, werd ons op onvriendelijke wijze duidelijk gemaakt dat we het vanwege de tijd in twee of drie zinnen moesten doen.

De goudlijn
De documentaire De goudlijn van Hans Hylkema werd vertoond. Mijn ergernis over dit verhaal over de spoorlijn ‘van ergens naar nergens’ werd steeds groter. Recensente Elin Derks verwoordt het goed: ‘Ik vraag me af of hij überhaupt heeft nagedacht over wat hij zijn doelgroep wilde vragen (“Loopt u hier vaak?” vraagt hij aan zo’n vijf schichtige voorbijgangers, wanneer hij de spoorlijn te voet door het oerwoud volgt). De meest interessante verhalen ontstaan wanneer je de interviewer niets hoort vragen. Ook lijkt het of hij de inlanders meer irriteert dan grote betrokkenheid weet over te brengen. Dit komt vooral mooi tot uiting wanneer hij door de burgemeester van één van de dorpjes boos wordt toegesproken: “Jullie moeten ons nu helpen en niet gratis komen filmen…”’
Ik denkt dat veel van die irritatie ook ontstaat omdat de ondervraagden geen Nederlands spreken. Helaas bleef het debat over deze paternalistische insteek, dat ik op zo’n Oso-symposium verwachtte, uit.

Een deel van de IBS-medewerkers maakt zich schuldig aan bevoogding en kritiek op de situaties in Suriname. Iemand zei in de pauze: ‘Ik begrijp niet waarom alles zo moeizaam gaat in Suriname.’ Boosheid bekroop me over zoveel betweterigheid, en ik zei: ‘Simpel: twee redenen: het klimaat: mensen functioneren langzamer, wied groeit sneller, de houten huizen moeten extra goed onderhouden worden, enzovoort. Daarnaast zijn de mensen dun gezaaid, zeker in de districten. Dit betekent dat je voor alle nutsvoorzieningen veel meer geld per hoofd van de bevolking uit moet geven. Dus voor grote infrastructuurprojecten zoals bruggen of wegen moet de belastingbetaler per kilometer veel meer afdragen dan bijvoorbeeld in Nederland. Een simpele optelsom dus. Ik ben ervan overtuigd dat veel onderzoekers Suriname een warm hart toedragen. Daarom is het zo belangrijk dat ze zich goed laten informeren en niet steeds vergelijken met Nederland. Of, zoals een stagiaire in Suriname op haar blog schreef: ‘We sluiten de avond af met een glas wijn en een kaasje. Zoals ons is geleerd.’ Ik houd daar af en toe ook wel van. Maar hier, in Su, verkies ik Borgoe-cola en cassavechips.

De Caribische fotocollectie van de Fraters van Tilburg
In het artikel ‘De Caribische fotocollectie van de Fraters van Tilburg’ ordenen en beschrijven de auteurs Ton de Jong en Jeroen Ketelaars dozen vol met tienduizenden foto’s die van 1886 tot aan 2000 toe gemaakt zijn. Opmerkelijk is, dat er gezegd wordt dat er rond 1900 maar enkele tientallen studio’s in Suriname waren, en wel 450 in Nederlands-Indië. Dit wijten de auteurs aan economisch gewin. Ik zou denken dat het bevolkingsaantal zeker ook meespeelt. Het beeld van de West zou beperkt zijn gebleven hierdoor. Dat mag zo zijn. Maar het blijft nog steeds beperkt als de auteurs Augusta Curiel niet noemen, wier foto’s uit de collectie van het Surinaams Museum en het KIT in een prachtig boek zijn gepubliceerd (Augusta Curiel, Fotografe in Suriname 1904-1937, Van Dijk, Van Petten en Van Putten, Libri Musei Surinamensis 3, 2007). Zij heeft ook een aantal religieuze ordes vastgelegd op de gevoelige plaat. Diverse foto’s zijn te zien op de internet, site Flickr; u komt erop als u ‘Surinaams Museum’ invoert. De foto’s uit de collectie van de fraters worden ook gedigitaliseerd. Een goede zaak, want dan heeft eenieder toegang tot de mooie afbeeldingen. Klinkt het niet lichtelijk ironisch als de archivaris van de congregatie zegt dat de foto’s juridisch gezien aan de fraters behoren, maar moreel en gevoelsmatig ook aan de Antillianen? Jammer genoeg kunnen we vele gefotografeerde personen niet meer vragen of ze toestemming hebben gegeven om vastgelegd te worden op de gevoelige plaat, maar we kunnen ons wel voorstellen hoe dat in veel gevallen is gegaan. De foto’s komen vooral van de Antillen, vanwege een grotere aanwezigheid van de fraters daar, ook in het onderwijs. De afbeeldingen kunnen zeker een ondersteunende functie hebben bij het schrijven van de geschiedenis van de fraters in de West, waartoe hier een aanzet is gedaan.

The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media
De uitdrukking ‘De Wetten van de Jungle’ heeft net als het woord ‘bananenrepubliek’ naast een fysieke (hoe het werkt in de natuur) ook een denigrerende lading. Zo van: ‘wij in de beschaafde wereld, wij weten hoe het hoort….’ ‘O ja?’ zeg ik dan, ‘hoe lang is het geleden dat miljoenen joden werden vermoord in dat o zo beschaafde Europa, er koloniale oorlogen werden gevoerd met alle bijbehorende wreedheden om maar te zwijgen van huidige oorlogen?’
Sinds de artikelen en verslagen over de militaire machtsovername in 1980 en vooral ook over de Binnenlandse Oorlog sinds 1986 in Nederlandse kranten en weekbladen, vraag ik me af of het werk van journalisten niet ook soms/vaak onderhevig is aan die wetten van de jungle.
Daarom ben ik erg blij met het artikel ‘The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media’, waarin Ellen de Vries (foto links), auteur van het boek Suriname na de Binnenlandse Oorlog (2005, KIT Publishers), haar mening geeft over en vragen oproept ten aanzien van de gevolgen van de berichtgeving in Nederlandse media, de invloed daarvan op het verloop van de burgeroorlog door de verheffing van Ronnie Brunswijk tot Robin Hood, guerrillastrijder respectievelijk junglecommandoleider van de ‘good guys’, tegenover de ‘bad guys’ van legerleider D.D. Bouterse. De Vries komt met veel voorbeelden, vooral tijdens de eerste weken van de Binnenlandse Oorlog, uit onder andere de Volkskrant, de Telegraaf, NRC Handelsblad (ja, die ‘kwaliteitskrant’ deed ook mee), Het Parool en het weekblad de Nieuwe Revu. Ik herken in dit artikel de mening van veel mensen in het binnenland die de oorlog van dichtbij hebben meegemaakt en eronder hebben geleden. Voor hen was het: ‘de duivel uitdrijven met Beëlzebub’, oftewel: iets ergs bestrijden met iets wat nog erger is! De schrijfster pleit voor meer onderzoek.

Demystificering van de Marrongemeenschappen in Suriname
De cultureel antropoloog Salomon Emanuels schrijft in zijn bijdrage ‘De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers’ over hoe in het verleden en in navolging daarvan ook door huidige beleidsmakers wordt omgegaan met traditionele ideeën over grondbezit, bestuur en ander gewoonterecht in tribale gemeenschappen. De schrijver zet, met het aanhalen van onder anderen Afrikaanse wetenschappers, uiteen, hoe eurocentrisch er tot de dag van vandaag wordt gedacht door beleidsmakers, zelfs als ze zelf uit het binnenland afkomstig zijn. Volgens hem zijn ‘traditionele structuren’ op zich geen belemmering voor ontwikkeling’.

Contact, Marrons en de transport- en communicatierevolutie in het Surinaamse binnenland
`Als je geen voeten hebt, heb je ook geen schoenen nodig` verkondigde een minister niet zo heel lang geleden toen hij op een krutu de vraag kreeg, wanneer ook het binnenland de mogelijkheid zou krijgen om mobiel te telefoneren. Dat was niet erg aardig van die minister en het werd hem dan ook niet in dank afgenomen. Maar gelukkig, deze uitspraak is allang achterhaald. Uit de bijdrage van Alex van Stipriaan blijkt de ´vooruitgang´ op dat gebied overduidelijk. Hij noemt de komst van de buitenboordmotor en de cellulair als meest revolutionaire veranderingen. En hij voorspelt nog veel meer veranderingen (en meer migratie naar de stad!) met de aanleg van meer wegen.

Overleven in de Wayanajungle
‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’, is het motto, en meteen de ondertitel, van het artikel van Karin Boven. Daarmee slaat ze de spijker op de kop van de thematiek. Karin Boven is dé deskundige op het gebied van onderzoek naar het inheemse Wayanavolk in het zuiden van Suriname. Door enkele jaren in het dorp Kawemhakan met de mensen te leven, heeft ze veel essentiële kennis opgedaan.
Overleven is altijd dé kunst voor volken die in het wilde bos in het binnenland leven. Maar tegenwoordig zijn er heel wat problemen bij gekomen. Vooral de overlast die veroorzaakt wordt door vreemdelingen die in groten getale, meest illegaal, aan goudzoeken doen, nog afgezien van de goudmijnen. Het Wayanagebied is niet meer van de Wayana, waardoor de situatie totaal ongecontroleerd is geworden. Criminaliteit stijgt onrustbarend en de gezondheid van de bewoners wordt bedreigd door het kwik in het rivierwater. Behalve een militaire post aan de grens met Frans-Guyana doet de Surinaamse overheid niets om de chaos op vele gebieden op te heffen.
Karin Boven heeft een informatief en zeer overzichtelijk artikel geschreven over deze problematiek in ‘de jungle’. Ikine Makalena, een van haar informanten uit Kawemhakan zegt het mooi: ‘Aan de Franse zijde zijn planten en dieren beschermd. Maar wie of wat zijn wij, de Wayana dan?’ )

Ontwikkelingshulp bij de Trio en de Wayana. De wetten van interculturele communicatie
Dit artikel van Eithne B. Carlin (foto links) was een van de inleidingen op het colloquium van de stichting IBS in november 2010. Ik was erbij en verbaasde me steeds meer. Het begint al met de uitspraak: ‘Als onafhankelijk toeschouwer ben ik tot de conclusie gekomen dat de pogingen om van ontwikkelingshulp tot ontwikkelingssamenwerking te komen, op een enkele uitzondering na, mislukt zijn. Dat klopt in gevallen van buitenlandse projecten wel, maar vanuit Suriname en met name het project ‘Change for Children’ zijn ontwikkelingsprojecten vaak tot echte samenwerking uitgegroeid. Carlin baseert haar theorie voor een groot deel op het niet begrijpen van elkaars taal. ‘Wij’ en ‘moeten’ bijvoorbeeld, hebben een totaal andere inhoud in het Trio dan in de westerse talen. Dat zou tot miscommunicatie leiden. Maar de projecten zijn meestal praktisch, samen met kinderen spelenderwijs bezig zijn met onderwijs in de moeilijke schooltaal, samen aan sport doen en aan kunst, landbouw en gezondheidszorg. De taal is echt niet het enige middel om elkaar te begrijpen en samen te gaan werken. En wetenschap is ook werkelijk niet hét middel om aan ontwikkeling te werken. Samen creatief en inventief aan een ontwikkelingsdoel werken, vanuit de eigen omgeving, daar gaat het om!

Recensies
De Oso bestaat zoals altijd uit een aantal recensies, berichten en In Memoriams. Verder is de signalementenlijst erg belangrijk voor mensen die willen weten wat er over een bepaald onderwerp in het afgelopen half jaar is gepubliceerd. Van de recensies kunnen we met trots zeggen dat het overgrote gedeelte al is besproken op deze pagina. De boekselectie verbaast soms: er zijn uitgaven bij uit 2007.
De inhoud is vaak informatief, maar helaas soms ook onjuist. In de recensie van Tinde van Andel staan enkele storende fouten: black eyed peas zijn geen djar’pesi, en callaloo is geen klaroen maar tayerblad. Even googelen en je weet het. Of: kom weer eens hier eten meisje, we maken het voor je neus klaar en yu man tes’ ing.

[Hilde Neus, met aanvullingen van Christine Samsom (‘The making of Ronnie Brunswijk in de Nederlandse media’ , ‘De mystificering van de Marrongemeenschappen in Suriname’ en ‘Contact en de transport- en communicatierevolutie in het Surinaamse binnenland’) en Els Moor (‘Overleven in de Wayajajungle’en ‘Ontwikkelingshulp bij de Trio en de Wayana’).

OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied. KITLV, Leiden, april 2011.

Augusta & Anna Curiel & Suriname

.
Wateroverlast in de Domineestraat circa 1930, foto boekband.

Augusta Curiel, ‘fotografiste’ zoals op haar uithangbord aan de Domineestraat # 28 stond, heeft –met haar zus Anna als trouwe & levenslange handlanger– haar eigen ‘vlekkeloze’ visie gegeven op Suriname in het algemeen en Paramaribo in het bijzonder gedurende de eerste helft van de vorige eeuw: ondernemend, geordend, schoon, multicultureel, koningsgezind, maar vooral: b e e l d s c h o o n.

Noorderkerkstraat Paramaribo omstreeks 1908, helaas is alleen de Noorderkerk van de Hervormde Gemeente, hier in het einde te zien, nog in volle glorie behouden, # 57.

Lezend & kijkend in het magistrale fotoboek*) dat eind 2007 uit haar nalatenschap is samengesteld is als het ware haar levensopdracht terug te lezen uit de aanbeveling die werd meegegeven aan het in 1923 aan Koningin Wilhelmina bij haar 25ste ambtsjubileum aangeboden & opgedragen foto-album over Suriname. Het was een persoonlijk cadeau van Augusta & Anna aan Hare Majesteit. In een begeleidende brief van gouverneur Van Heemstra staat dat de dames “ijverige en fatsoenlijke mensen zijn, die hun uiterste best hebben gedaan omdat het immers voor de Koningin is” (cursivering van mij, RvdM).

De auteurs van het fotoboek zeggen hierover: “Het was ongetwijfeld de bedoeling van de dames Curiel om de koningin, die nooit in Suriname was geweest –en er ook nooit zou komen– met deze foto’s een indruk van de kolonie te geven. (…) Het album geeft niet alleen een beeld van wat de Curiels zelf hun mooiste en meest interessante foto’s vonden, ze schiepen hiermee ook een beeld van Suriname zoals het in hun ogen aan een hooggeplaatst persoon moest worden getoond. Bij het bekijken van de foto’s kan de koningin niet anders dan een positief beeld hebben gekregen van dit overzeese rijksdeel, dat in werkelijkheid in een permanente staat van economische malaise verkeerde, zeker in vergelijking met het veel bloeiender Nederlands-Indië.”

Erfwoningen Paramaribo omstreeks 1920, # 43.

Anna, heb ik zon? Wolkje, wolkje!
Het was aan de Domineestraat # 28 dat Augusta Curiel in 1904 haar zaak vestigde. De foto op de boekband laat een onder water gelopen Domineestraat zien zoals wij die tot op de dag van vandaag bij hevige regens nog kennen. Via een deur in de schutting naast het voorhuis bereikte men het achtererf waar Augusta en Anna vanaf 1904 tot de dood van Augusta in 1937 woonden en hun bedrijf uitoefenden. Daarna zette Anna de zaak op bescheiden voet voort tot 1952.

Augusta was de fotografe, Anna haar assistente. Samen gingen ze op het werk af, samen sjouwden ze door het warme Paramaribo met de zware houten camera: “die twee dames met hun affuit”. Hadden ze eenmaal de juiste locatie en het beste standpunt gevonden, dan installeerde Augusta statief en camera en verdween onder de zwarte doek. Op het matglas bepaalde ze de compositie en stelde scherp –ze zag het beeld op z’n kop en spiegelverkeerd. Dan stelde ze de belichtingstijd vast. Vervolgens schoof ze de gevoelige plaat in de camera en bepaalde het moment van afdrukken. Augusta, eenmaal opgesteld voor de camera, vroeg dan dikwijls vanonder de zwarte doek: “Anna, heb ik zon?” Zo niet dan antwoordde Anna: “Wolkje, wolkje.” Dan duurde het enige tijd voordat er iets gebeurde.

Augusta fotografeerde met een platencamera en gebruikte glasnegatieven van het formaat 18 x 24 cm en 13 x 18 cm. Welk merk camera –en of ze wellicht verschillende camera’s gebruikte– is niet bekend. Zij fotografeerde altijd vanaf een houten statief en nooit uit de hand. Zo was haar stijl, en met het zware type platencamera dat ze gebruikte was dit ook ondoenlijk. De weinige foto’s waarop ze fotograferend staat afgebeeld laten dit zien. Het gebruik van een statief blijkt ook uit de scherpte en de helderheid van de foto’s. Het is opvallend hoe haarscherp alles erop staat, tot in de hoeken van het beeld. Bewegingsonscherpte komt zelden voor, ook niet bij een vermoedelijk lange belichtingstijd. Niet voor niets vroeg ze aan Anna: “Heb ik zon?” Hoe meer licht, des te korter kon de belichtingstijd zijn.

Malebatrumstraat Paramaribo omstreeks 1930, met gezicht op filmtheater Tower, nu kantoor van Self-Reliance Verzekeringen, rechts op de hoek met de Wagenweg het voormalig woonhuis van Elisabeth Samson, bekend van Cynthia McLeod’s boek Elisabeth Samson, een vrije, zwarte vrouw in het 18e eeuwse Suriname, dat nu het Ministerie van Arbeid huisvest, # 41.

Het belang van Curiel’s werk
Het is uniek in de Surinaamse geschiedenis dat twee vrouwen, geboren en getogen in Paramaribo, zich zo intensief hebben beziggehouden met het visualiseren van hun eigen Surinaamse samenleving. Uniek is ook de onafgebroken periode van ruim 30 jaar waarin ze hun vak uitoefenden. Augusta en Anna waren van 1904 tot de dood van Augusta in 1937 bijna dagelijks met de camera in de weer. Ze moeten duizenden opnamen hebben gemaakt. Een deel daarvan is bewaard gebleven in diverse archieven en particuliere collecties in Suriname en Nederland; naar schatting zo’n 1200 foto’s, waarvan een groot deel in het Surinaams Museum te Paramaribo. Misschien zijn het er meer, misschien zijn het er minder, want niet alle foto’s kunnen met zekerheid aan de Curiels worden toegeschreven. Ook is het niet bekend hoeveel materiaal zich nog in particulier bezit bevindt.

Met hun registrerende blik, met hun documentaire fotografie over zoveel verschillende onderwerpen, hebben August & Anna een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbeelding van de geschiedenis van Suriname, waarvan dit prachtige fotoboek op indrukwekkende wijze getuigt.

———

*) Janneke van Dijk, Hanna van Petten-van Charante en Laddy van Putten, Augusta Curiel Fotografe in Suriname 1904-1937, KIT Publishers, Amsterdam 2007, € 29,50.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter