blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Corsen Joseph Sickman

Eer voor Joseph Sickman Corsen

door Klaas de Groot
Curaçao 24 april 2015

De nazaten van Joseph Sickman Corsen (1853-1911) mochten 23 april op de bovenverdieping in de Nationale Bibliotheek in Willemstad op Curaçao een hoek onthullen waar aandacht wordt besteed aan de man die als grondlegger van de Papiamentstalige literatuur wordt gezien. read on…

Atardi gezongen door Imara Thomas

In het TV-programma “Podium Witteman” van zondag 8 februari 2015, is er ook aandacht besteed aan de recente op initiatief van de Palm Music Foundation uitgebrachte CD “Danzas Caribeñas” met Marcel Worms als pianist. De uitvoering van het lied “Atardi” (een compositie van de Curaçaose componist Jacobo Palm) tijdens het TV-programma, heeft geleid tot een groot aantal enthousiaste reacties op Twitter.  read on…

Nieuw leven voor vergeten composities

door Otti Thomas

Otrobanda was in de eerste helft van de vorige eeuw net zo levendig als nu. Die bevestiging komt niet uit een geschiedenisboek, een expositie met sepia foto’s of een herinnering van een familielid, maar van de wals Otrobanda, geschreven door Albert T. Palm. Met de compositie vol variatie en tempowisselingen, lijkt hij te vertellen over het dagelijks leven in de stadswijk: kinderen die kattenkwaad uithalen, mensen die iets drinken tijdens een verhitte discussie of iemand die gewoon rustig geniet van de middagzon. Gebeurtenissen die geen verband met elkaar houden, buiten het feit dat ze allemaal in Otrobanda plaatsvinden. De compositie eindigt bijna plechtig, als de laatste akkoorden van een volkslied voor een volkswijk. read on…

Lezen is een reis langs het onbekende

Kunsthistoricus Adi Martis

 

door Quito Nicolaas

Dr. Adi Martis (San Nicolas, Aruba, 1944) vertrok op vijftienjarige leeftijd naar Nederland, studeerde  aan de Kweekschool in Zeist. Na drie jaar in het onderwijs op Aruba werkzaam te zijn geweest, keerde hij in 1972 terug naar Nederland, studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam in 1990 op het proefschrift Voor de Kunst en voor de Nijverheid. Het ontstaan van het kunstnijverheidsonderwijs in Nederland. Martis was eind 2001 curator van o.a. de expositie ARTE “Di nos e ta”in TENT. Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam. Hij publiceerde onder meer over het kunstonderwijs, het postmodernisme, primitivisme, fotografie en het Caribisch gebied en heeft tal van publicaties op zijn naam staan, waaronder Die Verantwortung der Bilder (1987). Vandaag een nadere kennismaking met de boeken die hij leest.

Hoeveel boeken telt uw collectie?
Lastige vraag! Sinds een jaar of twee ben ik mijn bibliotheek aan het uitdunnen. Op dit moment heb ik in Nederland iets meer dan 5000 boeken en ongeveer 200 op Aruba, schat ik.


In hoeveel tijd is deze verzameling opgebouwd?

Mijn collectie boeken is in ruim 50 jaar tot stand gekomen. In de loop der jaren is de samenstelling regelmatig gewijzigd. Maar de hoofdcategorieën zijn ongeveer dezelfde gebleven met uitzondering van een onderdeel. Toen ik  20 jaar geleden een belangrijk deel van mijn verzameling Nederlandse literatuur kwijtraakte, heb ik dat niet meer aangevuld. De laatste tien jaar zijn de deelcollecties antilliana, arubiana en caribiana met gerichte antiquarische aankopen sterk uitgebreid.

Wat is uw favoriete boek?

Ik heb geen absolute voorkeur. Sinds 1988 behoort De morgen loeit weer aan van Tip Marugg tot een van mijn favorieten: een juweeltje in de Nederlandstalige literatuur. Van zijn Weekendpelgimage bezit ik een tweede druk uit 1966 die ik vaak herlezen heb. Ik ben ook een liefhebber van Joseph Sickman Corsen. Zijn ‘Atardi’ is heerlijk om bij weg te zwijmelen, maar blijft een prachtig gedicht. De Arubaan Martein Lopap, die in zijn korte verhaal ‘Palabra kla’ figureert, beschouw ik als een postmodernist-avant-la-lettre. Traversée de la Mangrove (Tocht door de Mangrove) van Maryse Condé behoort ook al ruim twintig jaar tot mijn favorieten.
Adi Martis aan het werk

Welke zijn de overwegingen die u neemt bij het kopen van een boek?

Ik verzamel boeken niet als objecten. De avond dat het mij lukte om een kopie van Girolamo Benzoni’s Historia del Nouvo Mundo uit 1565 als PDF-bestand te downloaden, voelde ik mij gelukkiger dan op de dag waarop ik een paar honderd euro moest overmaken voor A.J.C. Krafft, Historie en oude families van de Nederlandse Antillen, dat al jaren op mijn verlanglijst stond. Meestal bestel ik boeken om mijn bibliotheek aan te vullen. Zo bezit ik inmiddels – op de eerste na – alle catalogi van de Biënnales van Havana en zoek ik al jaren naar Millefiori di Aruba van pater R.H. Nooyen, van wie ik verder bijna alle publicaties bezit.

Welke indeling hanteert u om uw boeken te categoriseren?
Ik heb een paar hoofdcategorieën: architectuur, beeldende kunst, design/kunstnijverheid, fotografie, geschiedenis, historiografie, ICT, kookboeken, kunstonderwijs, kunsttheorie, literatuur, nieuwe media, et cetera. Maar ik ben verre van consequent. Mijn collecties antilliana, arubiana en caribiana staan apart. En daarbinnen bestaan diverse ‘bulten’, bijvoorbeeld: bronnen, judaica, papiamento, slavernij, transcripties en andere subcategorieën.
Zijn er ook andere plekken in huis, waar boeken worden verzameld?
In Nederland leef ik tussen de boeken. Bijna alle muren van mijn appartement zijn opgevuld met boeken. Alleen in mijn slaapkamer heb ik aan mijn rechterhand een kale muur  en links van mijn bed staat een klerenkast. Op bed ligt meestal een paar boeken en naast mijn bed op de grond liggen verschillende stapels.

Leest u naast fictie ook non-fictie of andersom? Geef enkele voorbeelden van boektitels.

Ik lees meestal non-fictie. De laatste jaren betreft het steeds meer literatuur over de Cariben. Dat kan variëren van geschiedenis van de oorspronkelijke bevolking tot die van de flora en fauna. Mooie voorbeelden van de eerste zijn publicaties van Esteban Mira Caballos, bijvoorbeeld El Indio Antillano: repartimiento, encomienda y esclavitud (1492-1542), Sevilla 1997. Genoten heb ik van Judith A. Carney, Richard Nicolas Rosomoff, In the shadow of slavery: Africa’s botanical legacy in the Atlantic world, Berkeley / Los Angeles 2009.

 

Antilliaanse auteurs

Leest u meestal  op een bepaald tijdstip, waar en welke genre leest u dan ?

Lezen doe ik zo’n zes à acht uur per dag, vaak in bed en meestal non-fictie: kunsthistorische literatuur of boeken over de geschiedenis van Aruba en de Cariben. Als ik aan fictie begin, dan ben ik geneigd achter elkaar meerdere boeken van een auteur te lezen. Zo was het lezen van Tikkop aanleiding om een vijftal boeken van Adriaan van Dis te (her)lezen. De wandelaar blijf ik een van zijn mooiste boeken vinden. De thematische ordening gaf zijn essays in Leeftocht nieuwe dimensies.

Leest u door de week andere boeken dan in het weekend?
Ik lees van alles door elkaar: ik lees mijn vermoeidheid weg. Als ik het ene boek zat ben, dan kan ik met frisse moed aan een ander genre beginnen.
Ik ben het koken een beetje zat en eet veel buitenhuis. Ik neem dan altijd een boek mee van een van de stapels ‘Nog te lezen’.

Zijn er bepaalde tijdschriften die tot de door u gelezen lectuur behoren?
Ik heb een jaar of vijf geleden al mijn abonnementen opgezegd, uitgezonderd de VPRO-gids. Overigens gooi ik die ongeopend weg. Want als ik TV kijk, dan is het meestal op mijn Macbook via Uitzending Gemist of www.wwitv.com. En als ik niet kan slapen en niet wil lezen, dan luister ik in bed naar Radio 1. ’s Nachts zijn er mooie herhalingen en kun je de meest maffe mensen aanhoren in Nederlandse varianten van ‘Pueblo na Palabra’.

.
Welk boek zou u voor een tweede keer willen lezen?
Ik bezit veel bundels van Pierre Lauffer. Begin dit jaar heb ik bij Mensings op Curaçao de biografie van Bernadette Heiligers gekocht. Sindsdien voel ik een aandrang om zijn bundels te herlezen. Ik heb Lauffer altijd bewonderd; om zijn beheersing van het Papiamento, om zijn ritme en zijn beeldend taalgebruik. Ik denk dat hij overeind zal blijven, al ben ik het laatste decennium een beetje allergisch geworden voor folklore; de ziekte die onze cultuur bedreigt.

Welk boek beschouwt u als een miskoop en waarom?
Op een van mijn stapels ‘Nog te lezen’ liggen al jaren twee boeken: Dimitri Verhulst, Godverdomsedagen op een godverdomse bol, Amsterdam /Antwerpen 2008 en Frank Martinus Arion, De Deserteurs, Amsterdam 2006; met boekleggers op respectievelijk pagina 27 en 37.
Van Verhulst heb ik verder niets gelezen en dat zal ik waarschijnlijk niet meer doen. De eerste druk van Frank Martinus Arion, Dubbelspel, Amsterdam 1973 heeft een ereplaats in mijn bibliotheek in Utrecht. Zijn dissertatie The Kiss of a Slave. Papiamentu’s West-African Connections, Amsterdam 1996 siert mijn nog bijna lege boekenrek in San Nicolas.

Wie is uw favoriete schrijver?
De Arubaan Martein Lopap, verder Joseph Sickman Corsen, Tip Marugg en Maryse Condé.
Wat is zo bijzonder aan de Caribische literatuur?

Ni Européens, ni Africains, ni Asiatiques, nous nous proclamons Créoles. Cela sera pour nous une attitude intérieure, mieux: une vigilance, ou mieux encore, une sorte d’enveloppe mentale au mitan de laquelle se bâtira notre monde en pleine conscience du monde, Jean Bernabé, Patrick Chamoiseau, Raphaël Confiant, Élogue de la Créolité, Parijs 1989.

De Cariben worden van oudsher gekenmerkt door migratiestromen: het continentale en interinsulaire verkeer in de prekoloniale tijd; de komst van veroveraars, kapers, piraten, kolonisten en passanten uit Europa; de gedwongen immigratie uit Afrika; de stroom van arbeidsmigranten uit onder andere Azië; de emigratie naar Europa, de VS en Canada en de remigratie naar het (ei)land van herkomst. Identiteits- en ‘roots’-vragen zijn daarom belangrijke thematische constanten in de literatuur en door de oude orale traditie zijn Caribische auteurs boeiende vertellers.

Hoe kijkt u naar de wereld der wetenschap?
Op mijn leeftijd ga je steeds meer terugkijken. De wetenschappelijke en literaire wereld (de laatste samen met de beeldende kunst) vertegenwoordigen twee kanten van mijn persoonlijkheid. Als wetenschapper ben ik soms, ver van mijn ‘roots’ maar met veel voldoening, bezig geweest met vrij theoretische zaken. In moeilijke tijden kon ik mij laven aan de Caribische literatuur en beeldende kunst.
Christopher Cozier, een kunstenaar uit Trinidad die ik sinds 1993 persoonlijk ken en ook als theoreticus erg waardeer, is 11 december a.s. een van de laureaten van het Prins Claus Fonds. Met  de ‘Castaway’– op zijn gelijknamige, schitterend blad uit de Tropical Night Series (2006-heden) – hoop ik terug te vliegen naar de Cariben om op mijn oude dag onder mijn mangobomen te werken aan een geschiedenis van mijn eiland.

Katibu di Shon, de eerste Curaçaose opera én een universeel verhaal

door Henri Drost

Zijn betovergrootvader schreef het eerste gedicht in het Papiaments en won zo een weddenschap. Randal Corsen schreef de muziek voor de eerste Curaçaose opera. “Het is een klein eiland,” lacht de componist, maar dan, bewogen: “Verbijsterend om te bedenken hoe kort geleden dit allemaal is.”

Lange tijd werd er buitengewoon neerbuigend over het Papiaments gesproken. De eerste gouvernementsonderwijzer van de kolonie Curaçao schreef in 1818: “Het papiament (van pappiar, spreken) bestaat uit bedorven Spaansch, Indiaansch en Hollandsch, arm in woorden, zonder buiging, voeging of geslacht onderscheiden, maar rijk in hevig door de keel uitgesproken wordende schelle klanken, en vooral in scheldwoorden. Onverdragelijk is dit gekakel voor het fijnere oor van den Europeaan bij zijne eerste aankomst, en moeijelijk kan men aan dit kalkoenen geluid gewennen.”
Joseph Sickman Corsen

 

Tot aan het begin van de twintigste eeuw was dit de gangbare opvatting, zelfs al werd het Papiaments door alle lagen van de bevolking gesproken. “Maar poëzie in het Papiaments, dat zou onmogelijk zijn. Mijn betovergrootvader Joseph Corsen ging een weddenschap aan en schreef in 1905 ‘Atardi’ – nog altijd een beroemd gedicht op Curaçao – en bewees daarmee het tegendeel. Veel later ontdekte ik dat hij ook componeerde en op opmerkelijk hoog niveau. Ik besloot een aantal van zijn pianowerken op te nemen.”
In de mazurka’s en walsen van Randals betovergrootvader worden Zuid-Amerikaanse elementen toegevoegd aan de Europese traditie. Randal zelf vertrok van Curaçao naar Nederland, aanvankelijk om er bouwkunde te studeren, maar verruilde die studie al snel voor het conservatorium. Vooral als jazzmuzikant maakte hij furore, maar hij werkte ook met het Nederlands Blazers Ensemble en mezzosopraan Tania Kross.
Een Curaçaose opera
“Ik ken Tania al heel lang, nog van voor het conservatorium. Het lezen van de novelle Katibu di Shonvan Carel de Haseth bracht haar op het idee voor een Curaçaose opera, in het Papiaments, en gebaseerd op onze eigen muzikale traditie. We waren al een tijd bezig met de opera, toen Tania ontdekte dat haar voorouders op dezelfde plantage woonden als die van Carel – als slaven en meesters. Het is puur toeval, of misschien juist het lot, dat Carel en Tania deze geschiedenis delen.”
De novelle waarop de opera is gebaseerd, vertelt over de vriendschap tussen slaveneigenaar shon (meester) Wilmu en zijn slaaf Luis en hun gemeenschappelijke liefde voor de slavin Anita. Het loopt uit op een dramatische confrontatie, tegen de achtergrond van de slavenopstand die op 17 augustus 1795 op Curaçao uitbrak en die met veel geweld werd neergeslagen. “Daarom hebben we het koor, de slaven, een grote rol in de opera gegeven.”
Van de novelle naar de uiteindelijke opera bleek een lang proces. “Allereerst moest de novelle die uit zes monologen bestaat omgezet worden naar een sprekend verhaal. Carel en ik hebben geen opera-achtergrond, dus dat ging gepaard met veel trial and error. Uiteindelijk moet je gewoon gaan zitten en aftasten. Ik ontdekte gaandeweg dat ik bij het componeren juist veel meer vrijheid had dan in het schrijven voor jazzensemble, waarbij je meestal met vaste vormen en beperkt aantal maten werkt. Omdat ik nu voor klassiek getrainde stemmen schreef, kon ik in mijn notenkeus heel ver gaan met veel complexere harmonieën. Daarbij sturen klank, cadans, kleur en accenten van het Papiaments de muziek.”

 

Ook liet Corsen zich inspireren door het eiland zelf. “Ik ken het fort in Willemstad waar ooit de slaven werden opgesloten goed. Ze konden niets zien, louter het gebeuk van de golven op de muren horen. Dat heb ik gebruikt voor de prelude van de zee waarmee de vierde akte begint.”
De eerste scène van de opera staat in 12/8e, nou niet bepaald het meest voorkomend in opera’s. “Het is een maatsoort die in veel Curaçaose ritmes terug is te vinden. Maar swing schrijf je niet uit, maar interpreteer je. Het is een ritmische benadering die niet goed vast te leggen is notenschrift.”
Universeel
Corsen koos bewust niet voor een Antilliaanse instrumentatie. “Dat ligt te veel voor de hand. Ik wil de essentie en het bijzondere van de Antilliaanse muziek uitdragen. Die muziek gaat veel dieper dan exotische instrumentatie. Daarom is de opera geschreven voor universele instrumenten: dubbel strijkkwintet, klassiek slagwerk, klarinet, piano en (elektrische) bas.”
Carel de Haseth. Foto © In de Knipscheer

 

Het universele van de opera is zeer duidelijk in het libretto aanwezig. Niet alleen in de opbouw, met grote koorscènes, een liefdesduet en zelfs een heuse aria furioso, maar bovenal door de inhoud. Hoewel de première plaatsvindt in het kader van de herdenking van 150 jaar afschaffing van de slavernij, is de opera geen aanklacht. “Nee, zeker niet. De opera is onlosmakelijk verbonden met Curaçao, maar vertelt tegelijkertijd een universeel verhaal. Er zijn veel meer landen en eilanden met een vergelijkbare geschiedenis. Zoals Carel het zegt: ‘De opera vertelt het verhaal van mensen in een onmenselijke omgeving van slavernij, maar ook dat van de menselijke verhoudingen die dwars door alle sociale tegenstellingen heen lopen. De muziek en de taal laten zien dat juist uit het contact tussen mensen van heel verschillende afkomst iets moois kan ontstaan.’ Dat zou genoeg moeten zijn.”
Randal Corsen en Carel de Haseth – Katibu di Shon, Stadsschouwburg Amsterdam, 30 juni en 1 juli (première).

Joseph Sickman Corsen

Portret van de Antilliaanse dichter Joseph Sickman Corsen, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 55 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto is ook in verschillende uitvoeringen te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter