blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Condé Maryse

Meet Maryse Condé, Winner of New Academy Prize 2018

“After two years in Guinea I discovered this was a myth. There is no unity among people simply because their skin has the same colour.”

by Kirian Manral

Born at Pointe-à-Pitre, Guadeloupe, in 1937, Maryse spent most of her life in West Africa (Guinea, Ghana and Senegal), France and the US, where she taught at the University of California, Berkeley, UCLA and Columbia. She is now based in Paris. The publication of her bestselling third novel, Segu (1984), established her pre-eminent position among Caribbean writers.  read on…

Maryse Condé substantiates black identity with human traits

by Aart G. Broek

The New Academy Prize in Literature is meant to fill the void left by this year’s cancellation of the Nobel Prize for Literature. Recently the Afro-Caribbean novelist Maryse Condé (b. Guadeloupe, 1937) was announced winner of this interim prize. She will be honoured with due respect in Stockholm, Sweden, this December. read on…

Maryse Condé geeft zwarte identiteit een menselijk gezicht

door Aart G. Broek

Dit jaar werd de Nobelprijs voor Literatuur niet uitgereikt. Als alternatief werd een respectabele prijs in het leven geroepen: the New Academy Prize for Literature. Deze prijs werd toegekend aan de Afro-Caribische Maryse Condé, geboren op Guadeloupe in 1937. Condé is een weldaad voor de Cariben én de rest van de wereld. read on…

Alternative Nobel literature prize goes to Maryse Condé

by Alison Flood

Guadeloupean novelist Maryse Condé has been announced as the winner of the New Academy prize in literature, a one-off award intended to fill the void left by the cancellation of this year’s scandal-dogged Nobel prize for literature. read on…

Het belang van de geschiedenis en het fundamentalistisch secularisme

door Willem van Lit

[Deel 4 van “Ze zijn er. En nu”, een serie over de migratiecrisis]

De vonk van het verzet en de woede zit volgens Knoope tevens in het idee dat wij westerlingen te weinig respect en aandacht hebben voor de geschiedenis van volkeren. Dat is eerder besproken in dit opstel. We zijn alleen maar bezig met de toekomst en we hebben te weinig oog voor de wordingsgeschiedenis van het (spirituele) verleden. Hij zegt dat we het fundamentalistisch secularisme beoefenen. Daarmee ontkennen we de waarden en normen van andere – meer op de traditie ingestelde – volkeren. Dit maakt hen razend, zeker omdat wij hen onze fundamentele oriëntatie op een seculiere toekomst willen opdringen. read on…

De God van de liefde

door Jeroen Heuvel

‘En waar is in dit alles de God der liefde?’ Dit vraagt de hoofdfiguur in Schilden van leem zich af, nadat hij heeft geconstateerd dat er veel onrecht in de wereld is, veel leugens in dit vuil bestaan. Jean Claude, zo heet de hoofdpersoon, geeft God de schuld van de ellende die mensen elkaar aandoen.
We zijn begonnen aan de repetitieperiode van Schilden van leem, beter gezegd van de bewerking van deze roman uit 1985 van Boeli van Leeuwen. Of nog beter gezegd van de aanpassing van de bewerking van. Volgt u het nog? Laat me op een andere manier beginnen. read on…

Lezen is een reis langs het onbekende

Kunsthistoricus Adi Martis

 

door Quito Nicolaas

Dr. Adi Martis (San Nicolas, Aruba, 1944) vertrok op vijftienjarige leeftijd naar Nederland, studeerde  aan de Kweekschool in Zeist. Na drie jaar in het onderwijs op Aruba werkzaam te zijn geweest, keerde hij in 1972 terug naar Nederland, studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam in 1990 op het proefschrift Voor de Kunst en voor de Nijverheid. Het ontstaan van het kunstnijverheidsonderwijs in Nederland. Martis was eind 2001 curator van o.a. de expositie ARTE “Di nos e ta”in TENT. Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam. Hij publiceerde onder meer over het kunstonderwijs, het postmodernisme, primitivisme, fotografie en het Caribisch gebied en heeft tal van publicaties op zijn naam staan, waaronder Die Verantwortung der Bilder (1987). Vandaag een nadere kennismaking met de boeken die hij leest.

Hoeveel boeken telt uw collectie?
Lastige vraag! Sinds een jaar of twee ben ik mijn bibliotheek aan het uitdunnen. Op dit moment heb ik in Nederland iets meer dan 5000 boeken en ongeveer 200 op Aruba, schat ik.


In hoeveel tijd is deze verzameling opgebouwd?

Mijn collectie boeken is in ruim 50 jaar tot stand gekomen. In de loop der jaren is de samenstelling regelmatig gewijzigd. Maar de hoofdcategorieën zijn ongeveer dezelfde gebleven met uitzondering van een onderdeel. Toen ik  20 jaar geleden een belangrijk deel van mijn verzameling Nederlandse literatuur kwijtraakte, heb ik dat niet meer aangevuld. De laatste tien jaar zijn de deelcollecties antilliana, arubiana en caribiana met gerichte antiquarische aankopen sterk uitgebreid.

Wat is uw favoriete boek?

Ik heb geen absolute voorkeur. Sinds 1988 behoort De morgen loeit weer aan van Tip Marugg tot een van mijn favorieten: een juweeltje in de Nederlandstalige literatuur. Van zijn Weekendpelgimage bezit ik een tweede druk uit 1966 die ik vaak herlezen heb. Ik ben ook een liefhebber van Joseph Sickman Corsen. Zijn ‘Atardi’ is heerlijk om bij weg te zwijmelen, maar blijft een prachtig gedicht. De Arubaan Martein Lopap, die in zijn korte verhaal ‘Palabra kla’ figureert, beschouw ik als een postmodernist-avant-la-lettre. Traversée de la Mangrove (Tocht door de Mangrove) van Maryse Condé behoort ook al ruim twintig jaar tot mijn favorieten.
Adi Martis aan het werk

Welke zijn de overwegingen die u neemt bij het kopen van een boek?

Ik verzamel boeken niet als objecten. De avond dat het mij lukte om een kopie van Girolamo Benzoni’s Historia del Nouvo Mundo uit 1565 als PDF-bestand te downloaden, voelde ik mij gelukkiger dan op de dag waarop ik een paar honderd euro moest overmaken voor A.J.C. Krafft, Historie en oude families van de Nederlandse Antillen, dat al jaren op mijn verlanglijst stond. Meestal bestel ik boeken om mijn bibliotheek aan te vullen. Zo bezit ik inmiddels – op de eerste na – alle catalogi van de Biënnales van Havana en zoek ik al jaren naar Millefiori di Aruba van pater R.H. Nooyen, van wie ik verder bijna alle publicaties bezit.

Welke indeling hanteert u om uw boeken te categoriseren?
Ik heb een paar hoofdcategorieën: architectuur, beeldende kunst, design/kunstnijverheid, fotografie, geschiedenis, historiografie, ICT, kookboeken, kunstonderwijs, kunsttheorie, literatuur, nieuwe media, et cetera. Maar ik ben verre van consequent. Mijn collecties antilliana, arubiana en caribiana staan apart. En daarbinnen bestaan diverse ‘bulten’, bijvoorbeeld: bronnen, judaica, papiamento, slavernij, transcripties en andere subcategorieën.
Zijn er ook andere plekken in huis, waar boeken worden verzameld?
In Nederland leef ik tussen de boeken. Bijna alle muren van mijn appartement zijn opgevuld met boeken. Alleen in mijn slaapkamer heb ik aan mijn rechterhand een kale muur  en links van mijn bed staat een klerenkast. Op bed ligt meestal een paar boeken en naast mijn bed op de grond liggen verschillende stapels.

Leest u naast fictie ook non-fictie of andersom? Geef enkele voorbeelden van boektitels.

Ik lees meestal non-fictie. De laatste jaren betreft het steeds meer literatuur over de Cariben. Dat kan variëren van geschiedenis van de oorspronkelijke bevolking tot die van de flora en fauna. Mooie voorbeelden van de eerste zijn publicaties van Esteban Mira Caballos, bijvoorbeeld El Indio Antillano: repartimiento, encomienda y esclavitud (1492-1542), Sevilla 1997. Genoten heb ik van Judith A. Carney, Richard Nicolas Rosomoff, In the shadow of slavery: Africa’s botanical legacy in the Atlantic world, Berkeley / Los Angeles 2009.

 

Antilliaanse auteurs

Leest u meestal  op een bepaald tijdstip, waar en welke genre leest u dan ?

Lezen doe ik zo’n zes à acht uur per dag, vaak in bed en meestal non-fictie: kunsthistorische literatuur of boeken over de geschiedenis van Aruba en de Cariben. Als ik aan fictie begin, dan ben ik geneigd achter elkaar meerdere boeken van een auteur te lezen. Zo was het lezen van Tikkop aanleiding om een vijftal boeken van Adriaan van Dis te (her)lezen. De wandelaar blijf ik een van zijn mooiste boeken vinden. De thematische ordening gaf zijn essays in Leeftocht nieuwe dimensies.

Leest u door de week andere boeken dan in het weekend?
Ik lees van alles door elkaar: ik lees mijn vermoeidheid weg. Als ik het ene boek zat ben, dan kan ik met frisse moed aan een ander genre beginnen.
Ik ben het koken een beetje zat en eet veel buitenhuis. Ik neem dan altijd een boek mee van een van de stapels ‘Nog te lezen’.

Zijn er bepaalde tijdschriften die tot de door u gelezen lectuur behoren?
Ik heb een jaar of vijf geleden al mijn abonnementen opgezegd, uitgezonderd de VPRO-gids. Overigens gooi ik die ongeopend weg. Want als ik TV kijk, dan is het meestal op mijn Macbook via Uitzending Gemist of www.wwitv.com. En als ik niet kan slapen en niet wil lezen, dan luister ik in bed naar Radio 1. ’s Nachts zijn er mooie herhalingen en kun je de meest maffe mensen aanhoren in Nederlandse varianten van ‘Pueblo na Palabra’.

.
Welk boek zou u voor een tweede keer willen lezen?
Ik bezit veel bundels van Pierre Lauffer. Begin dit jaar heb ik bij Mensings op Curaçao de biografie van Bernadette Heiligers gekocht. Sindsdien voel ik een aandrang om zijn bundels te herlezen. Ik heb Lauffer altijd bewonderd; om zijn beheersing van het Papiamento, om zijn ritme en zijn beeldend taalgebruik. Ik denk dat hij overeind zal blijven, al ben ik het laatste decennium een beetje allergisch geworden voor folklore; de ziekte die onze cultuur bedreigt.

Welk boek beschouwt u als een miskoop en waarom?
Op een van mijn stapels ‘Nog te lezen’ liggen al jaren twee boeken: Dimitri Verhulst, Godverdomsedagen op een godverdomse bol, Amsterdam /Antwerpen 2008 en Frank Martinus Arion, De Deserteurs, Amsterdam 2006; met boekleggers op respectievelijk pagina 27 en 37.
Van Verhulst heb ik verder niets gelezen en dat zal ik waarschijnlijk niet meer doen. De eerste druk van Frank Martinus Arion, Dubbelspel, Amsterdam 1973 heeft een ereplaats in mijn bibliotheek in Utrecht. Zijn dissertatie The Kiss of a Slave. Papiamentu’s West-African Connections, Amsterdam 1996 siert mijn nog bijna lege boekenrek in San Nicolas.

Wie is uw favoriete schrijver?
De Arubaan Martein Lopap, verder Joseph Sickman Corsen, Tip Marugg en Maryse Condé.
Wat is zo bijzonder aan de Caribische literatuur?

Ni Européens, ni Africains, ni Asiatiques, nous nous proclamons Créoles. Cela sera pour nous une attitude intérieure, mieux: une vigilance, ou mieux encore, une sorte d’enveloppe mentale au mitan de laquelle se bâtira notre monde en pleine conscience du monde, Jean Bernabé, Patrick Chamoiseau, Raphaël Confiant, Élogue de la Créolité, Parijs 1989.

De Cariben worden van oudsher gekenmerkt door migratiestromen: het continentale en interinsulaire verkeer in de prekoloniale tijd; de komst van veroveraars, kapers, piraten, kolonisten en passanten uit Europa; de gedwongen immigratie uit Afrika; de stroom van arbeidsmigranten uit onder andere Azië; de emigratie naar Europa, de VS en Canada en de remigratie naar het (ei)land van herkomst. Identiteits- en ‘roots’-vragen zijn daarom belangrijke thematische constanten in de literatuur en door de oude orale traditie zijn Caribische auteurs boeiende vertellers.

Hoe kijkt u naar de wereld der wetenschap?
Op mijn leeftijd ga je steeds meer terugkijken. De wetenschappelijke en literaire wereld (de laatste samen met de beeldende kunst) vertegenwoordigen twee kanten van mijn persoonlijkheid. Als wetenschapper ben ik soms, ver van mijn ‘roots’ maar met veel voldoening, bezig geweest met vrij theoretische zaken. In moeilijke tijden kon ik mij laven aan de Caribische literatuur en beeldende kunst.
Christopher Cozier, een kunstenaar uit Trinidad die ik sinds 1993 persoonlijk ken en ook als theoreticus erg waardeer, is 11 december a.s. een van de laureaten van het Prins Claus Fonds. Met  de ‘Castaway’– op zijn gelijknamige, schitterend blad uit de Tropical Night Series (2006-heden) – hoop ik terug te vliegen naar de Cariben om op mijn oude dag onder mijn mangobomen te werken aan een geschiedenis van mijn eiland.

De Caribische literatuur neigt naar onafhankelijkheid

door Quito Nicolaas

Dr. Artwel Cain promoveerde in 2007 op een studie naar de sociale mobiliteit van etnische minderheden in Nederland. Daarnaast is hij lange tijd directeur van het Ninsee, het Nationale Instituut voor het Slavernijverleden geweest. In 2009 verscheen onder zijn redactie het boek Tula, de slavenopstand van 1795 op Curaçao met bijdragen van verschillende auteurs. Tegenwoordig zwaait hij de scepter bij de Institute of Cultural Heritage and Knowledge. Vandaag een interview met hem over zijn leesgedrag en de boeken die hij leest.

Hoeveel boeken telt uw collectie?
Ik ga er van uit dat wij meer dan zo’n 1000 boeken hebben, dat zijn inclusief studieboeken en dan geschreven in vijf talen: Engels, Nederlands, Spaans, Frans en Papiaments.

In hoeveel tijd is deze verzameling opgebouwd?
Deze boeken zijn in een periode van ruim 35 jaar verzameld.

Wat is uw favoriete boek?
Mijn favoriete boek is moeilijk te noemen, omdat ik veel boeken ontzettend goed vind, maar als ik toch een moet noemen dan wordt het: Song of Solomon van Toni Morrison. Dat boek heb ik eind jaren zeventig gekocht. Op dat moment was ik vooral een muzikant die belangstelling had in boeken, vooral boeken geschreven door schrijvers uit het Caribische gebied en zwarte Amerikanen.

Ik begon het boek te lezen en was uit het lood geslagen. Ik had nooit eerder zoiets moois gelezen. Zij had ook stukjes van liederen in de tekst opgenomen en zij liet haar karakters praten net alsof ze bezig waren muziekinstrumenten te spelen. Daarna heb ik tot nu toe al haar boeken gekocht en gelezen. Tot dat moment had ik Richard Wright (bekend van Notes of a native son) en James Baldwin (bekend van Go tell it on the mountain) als mijn favoriete schrijvers. Toni Morrison is nog steeds mijn favoriete schrijfster. Uiteraard heb ik ook een aantal van haar essays.

Welke zijn de overwegingen die u neemt bij het kopen van een boek?
Ik ga af van een aantal punten; ken ik de schrijver en haar/zijn werk? Is hij/zij al door vrienden gelezen en hebben ze die aanbevolen? Wat was de toon en inhoud van de recensie die ik in een krant of een tijdschrift gelezen heb? Is deze schrijver een goede verhalenverteller? En tot slot wil ik mijn tijd met deze schrijver doorbrengen?

Welke indeling hanteert u om uw boeken te categoriseren?
Die bestaat in mijn collectie op dit moment niet. Ik ben ruim zes jaren geleden op onze tweede verdieping van een studeerkamer naar de andere verhuisd. Sindsdien heb ik geen tijd vrij gemaakt om alles op de juiste plek terug te zetten net hoe ik dat had in de eerste kamer. Er zijn trouwens in de tussentijd veel meer boeken bij gekomen en die zijn gewoon op de boeken planken voor de anderen gelegd. Wanneer wij na zo veel jaren uit dit huis verhuizen ben ik dan bereid de nieuwe studiekamer netjes in te richten en de boeken nogmaals te categoriseren.

Zijn er ook andere plekken in het huis, waar boeken worden verzameld?
Ja, er zijn andere boeken in de zolderkamer vanwaar ik verhuisd ben. Mijn vrouw Alida Kock heeft ook een werkstudio in huis en daarin zijn ook weer vele boeken.

Leest u naast fictie ook non-fictie of andersom?
In de laatste tien jaar lees ik meer non-fictie dan fictie. Dit vanwege studie en mijn werk. Het zou ondoenlijk zijn op dit moment om ze allemaal te gaan benoemen. De laatste goede fictie dat ik recentelijk heb gelezen is van Maryse Conde: Windward heights. Tussen de bedrijven door lees ik op dit moment Miles een autobiografie van Miles Davis samen met Quincy Troupe. Dat is non-fictie. Het leest ook lekker.

Wanneer leest u meestal, waar en wat (genre) leest u dan ?
Studieboeken lees ik overdag en fictie in het weekeinde of in de avonduren, indien ik thuis ben.

Leest u in het weekend andere boeken dan door de week?
Ja, dat doe ik. Door de week gaat het om wetenschappelijke literatuur en in het weekend leuke boeken, meestal romans.

Behoren tijdschriften ook tot de door u gelezen lectuur?
Op dit moment niet. Ik heb geen tijd ervoor in de laatste jaren vrij gemaakt. Dit is een bewuste keus.

Welk boek zou u voor een tweede keer willen lezen en waarom?
Dat zal Black skin White masks van Frantz Fanon zijn. Ik heb dit boek ruim veertig jaar geleden gelezen. Ik zal het nu beter begrijpen en kunnen analyseren. Intussen heb ik ontzettend veel studies hierover en citaten ervan gelezen. Wellicht is dat een van de redenen dat ik het nog niet herlezen heb. Ik gebruik de tijd om ander werk dat ik nog niet gelezen heb te lezen.

Welk boek beschouwt u als een miskoop en waarom?
Dat heb ik niet. Een boek dat wel in de buurt komt is A Bend in the River door V.S. Naipaul. In dat boek heeft hij een fictief Afrikaans land dat net onafhankelijk was geworden en haar inwoners op een beestachtige wijze neergehaald. Dat was in 1979. Daarvoor had ik al zijn boeken gelezen. Na het lezen van A Bend in the River, kwam ik tot de conclusie dat V.S. Naipaul niet schrijft voor mensen zoals ik en die op mij lijken. Een aantal jaren geleden heb ik A House for Mister Biswas nog een keer gelezen voor een boekenclub die wij in Capelle aan de IJssel hadden, maar daarna heb ik geen boeken meer van hem gekocht en gelezen, behalve Een half leven dat ik in 2001 gratis bij een boekwinkel gekregen heb.

Wie is uw favoriete schrijver/auteur en waarom?
Toni Morrison. Zij weet een verhaal te vertellen en zij heeft veel kennis van zaken. Een van haar boeken, Jazz, vond ik in eerste instantie moeilijk te lezen vanwege de wijze waarop het geschreven is, maar daarna dacht ik het boek niet voor niets Jazz heet.

Wat is zo bijzonder aan de Caribische literatuur?
De Caribische literatuur neigt naar onafhankelijkheid. Men houdt zich niet bezig met “the single story” Dat wil zeggen, datgene wat men denkt dat de lezers in het Westen over het Caribische volk willen lezen. De verhalen zijn meestal herkenbaar. Ze brengen je weer thuis. George Lamming en Maryse Conde zijn twee goede voorbeelden van schrijvers die dit doen. Het zijn twee schrijvers die trouwens nog levend zijn. In het geval van gedichten gaat dat ook op voor wat betreft het werk van Lasana Sekou en Derek Walcott. Uiteraard zijn er veel meer goede schrijvers in de diverse landen en eilanden. Ik kan mij met deze schrijvers identificeren. Ik voel mij thuis bij hun werk.

Hoe kijkt u naar de wereld der wetenschap/letteren?
Zowel bij de wetenschap als bij de letteren dienen Caribische mensen hun eigen verhalen in alle tonen en kleuren zelf te vertellen. Men moet niet meer de fout maken om zich slechts bezig te houden met de ‘master’s narrative’. Men dient de ruimte te nemen en te vullen met de eigen fictie en non-fictie.

Vreemdelingen in het paradijs (18)

door Willem van Lit

In deze een na laatste aflevering passeert Aart Broek met bespreking van onder andere Carl Phillips en Maryse Condé met mogelijkheden om uit de ziekmakende omstrengeling tevoorschijn te komen.

Brandende identiteiten
Abuso en abusado. De verdrukte en de onderdrukker. Voor altijd. In deze omhelzing is men met elkaar smeulend versmolten. Ieder heeft zijn identiteit die gloeiend is van danigheid: men is onaanraakbaar en tóch met elkaar verstrengeld. Deze verhouding bepaalt het humeur en de structuur van de samenleving; hij bepaalt zelfs de structuur van nationale en zelfs supranationale verbanden en samenwerkingsvormen.

Aart Broek. Foto @ Michiel van Kempen

Broek laat een Caribische schrijver (Caryl Phillips) zeggen: “Interetnische acceptatie is een sine qua non voor een menswaardiger bestaan”[1]. Het is een conclusie die hij trekt bij een korte essayistische studie en kritiek over Caribische literatuur. Het veronderstelt, zo zegt hij verder, dat men om te beginnen moet afstappen van het idee dat “zwarte mensen alleen over hun eigen wereld kunnen schrijven en blanken alleen over die van hen”[2].In feite staat er dat zowel de abuso als de abusado moeten afstappen van het idee van mystificatie: wees niet elitair en hautain over je eigen leefwereld, betekenis en veronderstelde identiteit. Maar zo gemakkelijk is dat niet. Indien deze constatering voldoende zou zijn, dan konden we heel gemakkelijk het monumentale complex en gedrocht van boetedoening, moraliteit, mythevorming, het fluïdum van het veroveringsdelirium en van woedebestendiging, bloedeloze onverschilligheid, ziekmakende stereotypering, angst en fatale afgunst over en weer achter ons laten en de poorten ophalen; we zouden de sleutels tot dat horrorkasteel weggooien en elkaars wereld gaan ontdekken. “De gekoesterde wederzijdse acceptatie veronderstelt het vermogen om zich in elkaars leef- en belevingswereld in te leven[3]”, zo zegt Broek verder. Het draait om dat vermogen, het vermogen tot demystificering van de brandende collectieve ego’s, de identiteiten, geheugens en verhalen, die wederzijds de aard van de onbenoembare verstrengeling uitmaken. Sommigen noemen dit ressentimenten en dat klinkt alsof het gaat om schijnbaar te verwaarlozen resten van een gemankeerd geheugen waar men toch wel gemakkelijk omheen zou kunnen lopen, asresten van een historische brandstapel. Veel schrijvers en onderzoekers scharrelen door deze oude puinhopen en ze ontdekken steeds weer nieuwe vaste bestanddelen die nog niet verteerd zijn of ze vinden overblijfselen van oude kwalificaties die nog steeds brandstof blijken te zijn. Het vuur vlamt regelmatig op. Het vermogen om deze rommel te ruimen, ressentimenten onherkenbaar te vernietigen en te verstrooien én daarbij de oude bodem van solide menselijke vermogens opnieuw vorm te geven en bouwrijp te maken – dát vermogen lijkt nog steeds onvoldoende bewerkt.

Broek vindt in de Caribische literatuur wel schrijvers terug die op zoek zijn naar sporen van dat vermogen. Zijn vertrekpunt is Anil Ramdas en zijn ideeën; een gedachtegoed dat we hier ook al eerder hebben besproken. Ramdas ziet alleen maar de overblijfselen uit de sintelhoop en die zijn steeds weer het centrum om in wrok of arrogantie naar te verwijzen. Broek stelt dat het dan gaat om het achterlaten van de “traditionele beklemming en de hiërarchische gehoorzaamheid” tegenover “een westerse levensstijl, mondigheid en vrijheid c.q. een veel grotere mate van eigen verantwoordelijkheid”[4]. Voor de Antillen verwijst hij onder andere naar de Papiamentstalige schrijvers Pierre Lauffer en Elis Juliana die in hun werk niet stil willen blijven staan in het Afro-Caribische kringetje als “enige identificatie – en referentiepunt”[5]. Hij constateert ook dat buiten deze twee er voor de Nederlandse Antillen weinig anderen zijn die dit willen doen.

En Broek kijkt verder. Hij bespreekt ook de situatie in andere Caribische gebieden: de Spaans- Frans- en Engelstalige eilanden en landen. Hij laat zien wat er onder andere op Cuba, Haïti, Puerto Rico, Martinique, Gouadeloupe, Trinidad en St. Kitts gebeurt. Hij noemt verschillende literatoren die wel kunnen ontsnappen aan die besloten ééndimensionale identiteit, die voor anderen onveranderbaar zou zijn. Hij somt hierbij een serie Cubaanse schrijvers op die bijvoorbeeld in staat zijn een nieuwe constructie te maken van “een deel van het verleden, i.c. de slaven- en plantagesamenleving”[6] en die daarbij ingaan tegen de traditioneel (soms door “officiële” geschiedschrijving) vastgestelde standaard van de Afro-Caribische identiteit (o.a. Reinaldo Arenas).

Voor de Franssprekende eilanden noemt hij onder andere de ook voor Nederland welbekende schrijfster Maryse Condé, die volgens Broek passages creëert “in identificeerbaar menselijk handelen, denken en voelen in plaats van fabricage van stereotypische slachtoffers, martelaars en uitbuiters en/of helden”[7] . Condé is wel in staat buiten de fatale kring van verwurging te stappen want “ze begaat niet de fout om alle Afro-Caribische mensen uit het verleden tot willoze slachtoffers of zondeloze martelaars van een systeem te maken en daarmee die van het heden en de toekomst op de koop toe. Bij Condé zijn intriges, haat, begrip, liefde lafheid, vooroordelen, veroordelingen, moed, afgunst en al het andere aan menselijke eigenschappen geen selectief etnisch gebonden grootheden maar aspecten van complexe mensen en complexe samenlevingsvormen en – processen”[8]. Condé leert dat Caribische mensen los komen van hun voedingswortel als ware dat “één ongedifferentieerde zuil” en dat deze te zoeken zou zijn in een “veronderstelde essentie exclusief in Afrika”. Broek schrijft dat zij het volgende aantoont (bijvoorbeeld in haar roman Het valse leven): “De geschiedenis van de Caribische mensen heeft meer overeenkomsten met het onontwarbare wortelenstelsel van mangroven”. En deze herkomst – leert men dan – is vaak grillig en weinig verheffend “wortels in het modderige verleden[9]”. Ik denk hierbij ook weer willekeurig aan de wederwaardigheden van mijn eigen grootvader, die – ook niet verheffend en uiterst triest – in zijn jonggetrouwde leven zijn vier kinderen en zijn jonge vrouw moest begraven in korte tijd. Dat soort kleine geschiedenissen zijn bijna nooit groots en meeslepend, nobel of getuigend van enorme kracht en trots. Mensen waren in die armoedige en bedrukte tijden blij dat ze het leven hadden. Deze perceptie van historische realiteit is ontnuchterend en staat ver af van de zoektochten en toon van onder andere Rose Mary Allen, die naarstig op zoek is naar verzet, opstandigheid en mythisch kleinheldendom: om de weerbarstige persoonlijkheid in onder te dopen, die dan druipend van nationalistische trots weer boven kan komen. Het miljoenenproject van Paula die een onderzoek wil laten uitvoeren naar de identiteit en de voedingswortel van het Curaçaose volk en de persoonlijkheid van de yu’i Korsou zou wel eens erg teleurstellend kunnen zijn als men er zo naar kijkt.

Broek noemt in deze context de ontwikkeling van de beweging die Antillanité wordt genoemd op de Frans Caribische eilanden. Deze beweging zoekt naar een Caribische identiteit in een vorm van veelheid van invloeden. De stroming plaatst zich tegenover de Créolité die zich voornamelijk beperkt tot de Afrikaanse afkomst en de vermenging van talen, afkomst en culturen vanuit het Afrikaanse continent. Antillanité zoekt brede en mondiale verbanden en invloeden en erkent dat de Caribische identiteit niet alleen van het “gesloten systeem” Créolité vorm wordt gegeven. Dit geeft in elk geval mogelijkheden het vermogen van transparantie te gebruiken om elkaars werelden te gaan ontdekken: culturen zijn geen gesloten complexen die voor anderen niet doordringbaar zijn. Ze zijn open en ieder moet er bij kunnen en er iets over kunnen zeggen. Geen mystificatie of ongrijpbare mythevorming.

Dergelijke stromingen in de literaire wereld komen op verschillende eilanden tot ontwikkeling. Broek noemt onder andere nog Jamaica, Guyana, St. Lucia, Trinidad en St. Kitts. Hier openen schrijvers een breder panorama van mogelijkheden dan tot nu toe.

Hij haalt in het bijzonder het werk van Phillips aan waarover hij zegt: “De wisselingen in perspectief, toon en stijl onderstrepen de noodzaak om historische aangelegenheden – zo niet alles uit het heden en verleden – vanuit een veelvoud van invalshoeken te benaderen. Phillips maakte de keuze vóór een genuanceerde presentatie van zeer uiteenlopende deelnemers in complexe maatschappelijke structuren en tégen een grote expliciete betrokkenheid bij een van zijn personages en hun belevingswereld.

Het zicht dat men uiteindelijk krijgt op het verleden geeft geen garantie ‘de’ waarheid in woorden te hebben gevangen. Phillips toont zich overtuigd van het gegeven, dat, hoe professioneel we een bepaalde reeks van voorbije handelingen ook mogen benaderen, historische aangelegenheden kunnen absoluut niet door woorden worden op- en teruggeroepen. Geschiedschrijving – literair of anderszins – is op voorhand een vaardigheid die het verleden niet reconstrueert, ook al wordt dit woord hiertoe veelvuldig gebezigd door literatoren, historici en hun lezers. Het verleden kan niet opnieuw worden neergezet. Literaire auteurs en geschiedkundigen projecteren een hedendaagse visie op het verleden en construeren een hedendaagse visie van het verleden – steeds opnieuw. In feite presenteren beide een ‘verhaal’ over een stukje uit het verleden”.

Dergelijke ontwikkelingen geven in elk geval hoop te kunnen ontsnappen aan eenzijdige en monolithische denkstructuren en opvattingen die een basis vormen voor de kennelijk onwrikbare stellingen en verstrengeling die door voortdurende neurotische beschaming, wederbeschaming en beschuldiging op hun plaats blijven: de eeuwige patstelling. Het geeft in elk geval hoop de mogelijkheden te bezien op open samenlevingen met de dynamiek van wederzijdse beïnvloeding, ruimte en kracht en met acceptatie van die interetnische acceptatie die zo nodig is voor een menswaardiger samenleving, zoals ook Phillips bedoelt.

(wordt vervolgd)

[1] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag. 13.

[2] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag 13.

[3] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag. 13.

[4] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag. 3.

[5] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag. 5

[6] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag. 6

[7] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag. 8

[8] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag. 9

[9] Broek, Aan de poorten van het rottende paradijs, pag. 10.

Gens de la Caraïbe et Maryse Condé

Maryse Condé

Les sociétaires de Gens de la Caraïbe ont choisi pour l’année 2011, à l’image d’une soirée léwoz de mettre l’écrivaine Maryse Condé au centre d’une ronde de danseurs et joueurs de gwoka. Ce léwoz s’entendrait dans tous les grands fonds de Guadeloupe, les mornes de la Martinique, les ravines de Cuba, les campagnes de la Jamaïque mais aussi dans les imaginaires de ceux qui résident en Afrique, en Europe, en Asie, en Amérique latine et d’autres ailleurs.

Ses romans de Heremakhonon (1976) à En attendant la montée des eaux (2010) nous emmènent de l’empire malien aux villes et communes réelles imaginaires de Guadeloupe, Cuba, Jamaïque ou du Panama pour aborder des questions sensibles de société.
Fidèle à son image « d’auteure qui dérange », Maryse Condé aime « mettre en lumière ce que les gens aiment cacher » et se défend d’écrire des romans militants, même si elle se présentait aux élections régionales en 1992 sur la liste du parti indépendantiste. Elle confiait à Françoise Pfaff dans une série d’entretiens parus chez Karthala en 1993 que ses personnages étaient « des anti-héros, des gens pas très sûrs d’eux et pas très sympathiques, pensant qu’il ne faille pas que les gens soient parfaits pour qu’on les aime. Ils sont ce qu’ils sont. »
Parmi les thèmes de prédilection de Maryse Condé, figurent les préjugés de couleurs, les conséquences de l’esclavage, les absurdités de nos sociétés et ses romans n’oublient jamais de parcourir notamment la Caraïbe des petites aux grandes Antilles avec toujours une mention au peuple haïtien.
Pour ces raisons et d’autres encore, Gens de la Caraïbe consacrera plusieurs pages de son site à Maryse Condé en 2011 pour vous donner, entre autres, envie de la lire ou la relire.
Etape 1. Mise en ligne de témoignages
Gens de la Caraïbe publie des témoignages de personnes qui ont croisé Maryse Condé ou ont été touché es par son oeuvre.
Etape 2. Maryse Condé en langues
Maryse Condé a été traduite en douze langues- sauf le créole! (allemand, brésillien, espagnol, italien, anglais, japonais, hollandais, américain, suédois, polonais, roumain, hébreu). Parmi les derniers romans parus en langue étrangère vient de paraître la traduction de « Victoire, les saveurs et les mots » en allemand (« Victoire, ein Frauenleben im kolonialen Guadeloupe », janvier 2011).
Le mois de mai vibre au rythme des commémorations de la mémoire de l’esclavage et des traites négrières, et la date du 10 mai a par ailleurs été proposé par Maryse Condé et le CPMHE qu’elle présidait en 2001. Nous avons donc choisi, avec l’autorisation de son éditeur allemand Litradukt de publier sur notre site, un extrait de « Victoire, les saveurs et les mots » qui aborde la question de la relation Noirs/Blancs, autrement dit, du racisme, thème récurrent dans les écrit de Maryse Condé.
Lire le portrait de Maryse Condé rédigé par Anais Jones pour GdC en 2007
Dernier ouvrage paru en France : « En attendant la montée des eaux », Editions Lattès, 2010 – Lire la chronique d’Ayelevi Novivor, en français , en español.
Merci à Gerty Dambury, Valérie Eugène, Philippe Calodat, Louis-Philippe Dalembert, Céline Guillaume, Fraucke Gewecke, Karole Gizolme, Milan Lescot, Ayelevi Novivor, Ineke Phaf-Rheinberger, Peter Trier, les Editions Mercure et Laffont qui ont apporté leur contribution à ce dossier. Merci également à tous ceux qui ont apporté leurs témoignages.
Credit photo : © Mercure
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter