blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Coco Rais

Coco Rais – There, for the grace of God …

Gedichten voor Boeli van Leeuwen
Boeli van Leeuwen
Op 17 mei 2013 verschenen op Caraïbisch uitzichtvoor het eerst gedichten die geïnspireerd waren op Boeli van Leeuwen, van de hand van Helen Lashley en Coco Rais. Later zijn er nog twee hommages bij gekomen. Shrinivási en Hans Vaders schreven er elk één .
Coco Rais voegt daar nu een gedicht aan toe. Aanzetten tot dit gedicht werden al eerder geschreven, maar deze versie ontstond recent. Zijn herinneringen aan gesprekken met Van Leeuwen en de lezing van diens werk blijven leven voor Rais. De dichter laat zien hoe het mede – lijden, het tegelijkertijd lijden ontstaat. En ook hoe de ‘hij’ zijn werk doet ‘tot hij kan gaan’. Tot het moment van zelfstandigheid is aangebroken. Alhoewel deze  versregel in het licht van het overlijden van Van Leeuwen ook anders gelezen kan worden. In de derde strofe wordt duidelijk dat de schrijverBoeli van Leeuwen zijn mensen voor altijd laat bestaan.
(kdg)
  
Van onder
zijn heel grote hoed
ziet hij
zijn mensen aan.
Hoe daar
zo velen van
onderste boven gaan.
Hij volgt
ze op de voet
en brengt ze
steeds opnieuw
tot staan.
Houdt ze
heel voorzichtig
bij de hand
tot hij kan gaan.
Of zij nu
vallen of staan,
vanuit
zijn woorden
kijken zij
ons aan.
(30-01-2014)
Rembrandt – Moeder

 

Twee gedichten voor Boeli van Leeuwen

door Klaas de Groot

In de maanden januari en februari van dit jaar liet Caraïbisch Uitzicht vijf gedichten van Boeli van Leeuwen zien. Behalve die vijf en de gedichten uit de bundel Tempels in Woestijnen uit 1947 is er niet meer poëzie van Van Leeuwen bekend. Maar wie weet, wat er nog opduikt.
Uit zijn proza spreekt ook nu nog een krachtig poëtisch gevoel. Dat is goed te zien aan de fragmenten die gebruikt werden in het fotoboek met teksten In dit licht van Carlos E. Tramm en Boeli van Leeuwen (Leersum: CIS, 1995). En wie ziet de poëzie niet in de tweede alinea van ‘The rest is silence’, die eindigt met de verzuchting: ‘Corossol, curacan, corazón, curacao, wie kan vandaag de oorsprong van je naam nog vinden?’ Dergelijke parels zijn makkelijk te vinden in Geniale Anarchie (Haarlem: In de Knipscheer, 1990), waarin ook het bovengenoemde verhaal staat.

Boeli van Leeuwen © foto: Klaas de Groot, 1986

Van Leeuwen heeft ook mensen aan het dichten gekregen. In 1963 bijvoorbeeld publiceerde Helen Lashley het gedicht ‘verloren zoon’ in de Culturele Kroniek, het blad van het Cultureel Centrum Curaçao. Het is één jaar na de verschijning van Een vreemdeling op aarde, de tweede roman van Van Leeuwen. Lashley moet Van Leeuwen bewonderd hebben, want ze geeft haar gedicht de opdracht “octavo real voor boeli” mee. En een octavo real is een dichtvorm die vooral als eerbewijs gebruikt werd. Een gedicht voor een ‘koninklijk’ persoon. Het gedicht gaat over iemand die met zijn zuiverheid worstelt en misschien is dat wel een zuiverheid met hoofdletter Z. Maar de worsteling is nog niet beslist, zie daarvoor de constatering in de laatste regel: Ach – Wat ik wilde heb ik niet gedaan. De vorm van het gedicht staat dichter bij de omschrijving van het ‘octavo real’. De achtregelige strofevorm klopt en het rijmschema is ook in orde.

Rembrandt Harmensz. van Rijn (1606-1669), De terugkeer van de verloren zoon (1936), ets, 16 x 14 cm.

Helen Lashley

Verloren zoon

octavo real voor boeli

Een worm zal mij doorkruisen als een woud
en voer voor vogels zal mijn afbraak wezen
bij stinkend wier, dat ’t vochtig zand vasthoudt
waar ’t water tot de vloedlijn is gerezen.
Het rillend schuim verwaait er, goor en oud;
geen nieuwe morgen zal zijn smet genezen.
Het kerend tij spoelt mij als wrakhout aan.
Ach – Wat ik wilde heb ik niet gedaan.

Ik reed de branding. In mijn overmoed
dacht ik rechtop de brekers te trotseren.
Bedrogen ben ik door mijn bonzend bloed
en geen erbarmen kon mijn val nog keren.
Wat eens bedorven werd wordt nooit meer goed;
het schuldig lijf moet aan zijn rot kreperen.
Mijn vlekkeloos verlangen was een waan.
Ach – Wat ik wilde heb ik niet gedaan.

Ik weet niet wie er uit mijn ogen ziet
of waar ik in mijn leden zit gevangen.
Maar ‘k weet wie ik moest zijn – en ‘k was het niet.
En naar de wormen moet ik nu verlangen:
o, vreet me schoon van ’t etterend verdriet;
dat er geen vezel van mijn vuil blijft hangen.
Want zuiver moet ik naar mijn Vader gaan.
Ach – Wat ik wilde heb ik niet gedaan

[Culturele Kroniek, III-2, juni 1963, p. 7]

De tweede dichter die zich door Van Leeuwen liet inspireren is de op Curaçao geboren Coco Rais. Dit pseudoniem koos de maker in het besef dat zijn vrienden dan toch wel zullen weten wie erachter schuilgaat. Het gedicht stamt uit 1987 en is geschreven na het lezen van het manuscript van de roman Het teken van Jona, dat Van Leeuwen aan Rais stuurde. Zij kenden elkaar en de literatuur was altijd een vast onderdeel van hun gesprekken. Het gedicht is duidelijk anders dan dat van Helen Lashley. Het is interessant om te zien met hoe weinig woorden hier een beeld van Van Leeuwen wordt opgebouwd. Deze dichter vindt kort lang genoeg, wat ook te zien is aan zijn andere, nog in portefeuille verkerende, poëzie. ‘Boeli’s Job’wordt hier voor het eerst gepubliceerd. Maar ook nu geldt: wie weet wat komen gaat …

Coco Rais

Boeli’s Job

slacht
offer
zijn

mede
delen
van pijn

het
Paard
ver
dragen

JHW
aan
klagen;

met behoud
van
de Mens
zijn rechten

steeds
opnieuw
onze Vete
beslechten.

P.S.
De opsteller van dit bericht is zeer nieuwsgierig naar informatie over Helen Lashley. Als iemand iets weet over haar en haar eventuele andere gedichten, dan hoort hij daar graag over. Klaas de Groot, Haarlem; tel. nr. 023 5245028.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter