blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Carlin Eithne B.

Grenzen en bruggen

door Hilde Neus

Taalcontact en tweetaligheid is het onderwerp van de Engelstalige bundel Boundaries and Bridges, Language Contact in Multilingual Ecologies, samengesteld door Kofi Yakpo en Pieter Muysken.

read on…

Kali’na-kenners bestuderen manuscripten van 100 jaar geleden

Kali’na-kenners zijn intensief bezig unieke manuscripten die na ruim honderd jaar teruggevonden zijn te bestuderen. “Werelderfgoed”, zo noemde dorpshoofd Pané de werken die de gebroeders Penard tegen het einde van de 19e eeuw met behulp van ondermeer Kali’na pyai’s hebben samengesteld. read on…

Irene Rolfes 25 jaar bij KITLV

Irene Rolfes met Reinder Storm

Irene Rolfes vierde deze week het feit dat zij 25 jaar is verbonden aan het KITLV in Leiden als documentaliste. Er zijn nauwelijks mensen die zich bezighouden met de Caraïbistiek, die Irene niet persoonlijk kennen, of die niet op directe of indirecte wijze van haar expertise en nauwgezetheid hebben geprofiteerd. Zij houdt de aanschaf en de on line-catalogus van het KITLV bij, stelde verschillende bibliografieën samen en tekent voor de Lijst van nieuw verschenen werken die in elk nieuw nummer van het tijdschrift Oso verschijnt. De Werkgroep Caraïbische Letteren brengt hulde aan deze bijzondere documentaliste!

Irene Rolfes met drie doorgewinterde Caraïbisten, geheel links Ellen Klinkers, en rechts Peter Meel en Eithne Carlin.

OSO: gemis aan warmte

door Hilde Neus, m.m.v. Christine Samsom en Els Moor

De nieuwe OSO, Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied, is uit. Meestal zijn we blij, vanwege de variatie aan artikelen en de inhoud die voor ons vaak bij onderzoek (op welk niveau dan ook) van belang is. Deze keer zijn we niet onverdeeld enthousiast. Dit heeft mede te maken met het feit dat Els Moor en ondergetekende aanwezig waren op het symposium van november 2010 met dezelfde titel, plus de aanvulling: ‘Het Surinaamse binnenland, obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden’. De meeste artikelen die op dat symposium zijn gepresenteerd, zijn ook opgenomen in dit themanummer van het tijdschrift.

Foto rechts: de dichter Sombra en Hilde Neus

Ik ben al lang abonnee van OSO en was erg benieuwd naar het symposium van de stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS), die het tijdschrift uitgeeft samen met het KITLV. Het werd een tegenvaller. In de benadering van de mensen miste ik de warmte van Suriname. Martina Amoksi stond te sukkelen met de techniek van haar powerpoint-presentatie, niemand schoot haar te hulp of stelde haar op haar gemak. Het maakte dat ze erg uit haar doen raakte. Voor ons duidelijk: ze had in het Nationaal Archief te Paramaribo deze presentatie ook gehouden, en dat verliep vlekkeloos. En als we bij de discussie vragen wilden stellen of opmerkingen wilden maken, werd ons op onvriendelijke wijze duidelijk gemaakt dat we het vanwege de tijd in twee of drie zinnen moesten doen.

De goudlijn
De documentaire De goudlijn van Hans Hylkema werd vertoond. Mijn ergernis over dit verhaal over de spoorlijn ‘van ergens naar nergens’ werd steeds groter. Recensente Elin Derks verwoordt het goed: ‘Ik vraag me af of hij überhaupt heeft nagedacht over wat hij zijn doelgroep wilde vragen (“Loopt u hier vaak?” vraagt hij aan zo’n vijf schichtige voorbijgangers, wanneer hij de spoorlijn te voet door het oerwoud volgt). De meest interessante verhalen ontstaan wanneer je de interviewer niets hoort vragen. Ook lijkt het of hij de inlanders meer irriteert dan grote betrokkenheid weet over te brengen. Dit komt vooral mooi tot uiting wanneer hij door de burgemeester van één van de dorpjes boos wordt toegesproken: “Jullie moeten ons nu helpen en niet gratis komen filmen…”’
Ik denkt dat veel van die irritatie ook ontstaat omdat de ondervraagden geen Nederlands spreken. Helaas bleef het debat over deze paternalistische insteek, dat ik op zo’n Oso-symposium verwachtte, uit.

Een deel van de IBS-medewerkers maakt zich schuldig aan bevoogding en kritiek op de situaties in Suriname. Iemand zei in de pauze: ‘Ik begrijp niet waarom alles zo moeizaam gaat in Suriname.’ Boosheid bekroop me over zoveel betweterigheid, en ik zei: ‘Simpel: twee redenen: het klimaat: mensen functioneren langzamer, wied groeit sneller, de houten huizen moeten extra goed onderhouden worden, enzovoort. Daarnaast zijn de mensen dun gezaaid, zeker in de districten. Dit betekent dat je voor alle nutsvoorzieningen veel meer geld per hoofd van de bevolking uit moet geven. Dus voor grote infrastructuurprojecten zoals bruggen of wegen moet de belastingbetaler per kilometer veel meer afdragen dan bijvoorbeeld in Nederland. Een simpele optelsom dus. Ik ben ervan overtuigd dat veel onderzoekers Suriname een warm hart toedragen. Daarom is het zo belangrijk dat ze zich goed laten informeren en niet steeds vergelijken met Nederland. Of, zoals een stagiaire in Suriname op haar blog schreef: ‘We sluiten de avond af met een glas wijn en een kaasje. Zoals ons is geleerd.’ Ik houd daar af en toe ook wel van. Maar hier, in Su, verkies ik Borgoe-cola en cassavechips.

De Caribische fotocollectie van de Fraters van Tilburg
In het artikel ‘De Caribische fotocollectie van de Fraters van Tilburg’ ordenen en beschrijven de auteurs Ton de Jong en Jeroen Ketelaars dozen vol met tienduizenden foto’s die van 1886 tot aan 2000 toe gemaakt zijn. Opmerkelijk is, dat er gezegd wordt dat er rond 1900 maar enkele tientallen studio’s in Suriname waren, en wel 450 in Nederlands-Indië. Dit wijten de auteurs aan economisch gewin. Ik zou denken dat het bevolkingsaantal zeker ook meespeelt. Het beeld van de West zou beperkt zijn gebleven hierdoor. Dat mag zo zijn. Maar het blijft nog steeds beperkt als de auteurs Augusta Curiel niet noemen, wier foto’s uit de collectie van het Surinaams Museum en het KIT in een prachtig boek zijn gepubliceerd (Augusta Curiel, Fotografe in Suriname 1904-1937, Van Dijk, Van Petten en Van Putten, Libri Musei Surinamensis 3, 2007). Zij heeft ook een aantal religieuze ordes vastgelegd op de gevoelige plaat. Diverse foto’s zijn te zien op de internet, site Flickr; u komt erop als u ‘Surinaams Museum’ invoert. De foto’s uit de collectie van de fraters worden ook gedigitaliseerd. Een goede zaak, want dan heeft eenieder toegang tot de mooie afbeeldingen. Klinkt het niet lichtelijk ironisch als de archivaris van de congregatie zegt dat de foto’s juridisch gezien aan de fraters behoren, maar moreel en gevoelsmatig ook aan de Antillianen? Jammer genoeg kunnen we vele gefotografeerde personen niet meer vragen of ze toestemming hebben gegeven om vastgelegd te worden op de gevoelige plaat, maar we kunnen ons wel voorstellen hoe dat in veel gevallen is gegaan. De foto’s komen vooral van de Antillen, vanwege een grotere aanwezigheid van de fraters daar, ook in het onderwijs. De afbeeldingen kunnen zeker een ondersteunende functie hebben bij het schrijven van de geschiedenis van de fraters in de West, waartoe hier een aanzet is gedaan.

The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media
De uitdrukking ‘De Wetten van de Jungle’ heeft net als het woord ‘bananenrepubliek’ naast een fysieke (hoe het werkt in de natuur) ook een denigrerende lading. Zo van: ‘wij in de beschaafde wereld, wij weten hoe het hoort….’ ‘O ja?’ zeg ik dan, ‘hoe lang is het geleden dat miljoenen joden werden vermoord in dat o zo beschaafde Europa, er koloniale oorlogen werden gevoerd met alle bijbehorende wreedheden om maar te zwijgen van huidige oorlogen?’
Sinds de artikelen en verslagen over de militaire machtsovername in 1980 en vooral ook over de Binnenlandse Oorlog sinds 1986 in Nederlandse kranten en weekbladen, vraag ik me af of het werk van journalisten niet ook soms/vaak onderhevig is aan die wetten van de jungle.
Daarom ben ik erg blij met het artikel ‘The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media’, waarin Ellen de Vries (foto links), auteur van het boek Suriname na de Binnenlandse Oorlog (2005, KIT Publishers), haar mening geeft over en vragen oproept ten aanzien van de gevolgen van de berichtgeving in Nederlandse media, de invloed daarvan op het verloop van de burgeroorlog door de verheffing van Ronnie Brunswijk tot Robin Hood, guerrillastrijder respectievelijk junglecommandoleider van de ‘good guys’, tegenover de ‘bad guys’ van legerleider D.D. Bouterse. De Vries komt met veel voorbeelden, vooral tijdens de eerste weken van de Binnenlandse Oorlog, uit onder andere de Volkskrant, de Telegraaf, NRC Handelsblad (ja, die ‘kwaliteitskrant’ deed ook mee), Het Parool en het weekblad de Nieuwe Revu. Ik herken in dit artikel de mening van veel mensen in het binnenland die de oorlog van dichtbij hebben meegemaakt en eronder hebben geleden. Voor hen was het: ‘de duivel uitdrijven met Beëlzebub’, oftewel: iets ergs bestrijden met iets wat nog erger is! De schrijfster pleit voor meer onderzoek.

Demystificering van de Marrongemeenschappen in Suriname
De cultureel antropoloog Salomon Emanuels schrijft in zijn bijdrage ‘De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers’ over hoe in het verleden en in navolging daarvan ook door huidige beleidsmakers wordt omgegaan met traditionele ideeën over grondbezit, bestuur en ander gewoonterecht in tribale gemeenschappen. De schrijver zet, met het aanhalen van onder anderen Afrikaanse wetenschappers, uiteen, hoe eurocentrisch er tot de dag van vandaag wordt gedacht door beleidsmakers, zelfs als ze zelf uit het binnenland afkomstig zijn. Volgens hem zijn ‘traditionele structuren’ op zich geen belemmering voor ontwikkeling’.

Contact, Marrons en de transport- en communicatierevolutie in het Surinaamse binnenland
`Als je geen voeten hebt, heb je ook geen schoenen nodig` verkondigde een minister niet zo heel lang geleden toen hij op een krutu de vraag kreeg, wanneer ook het binnenland de mogelijkheid zou krijgen om mobiel te telefoneren. Dat was niet erg aardig van die minister en het werd hem dan ook niet in dank afgenomen. Maar gelukkig, deze uitspraak is allang achterhaald. Uit de bijdrage van Alex van Stipriaan blijkt de ´vooruitgang´ op dat gebied overduidelijk. Hij noemt de komst van de buitenboordmotor en de cellulair als meest revolutionaire veranderingen. En hij voorspelt nog veel meer veranderingen (en meer migratie naar de stad!) met de aanleg van meer wegen.

Overleven in de Wayanajungle
‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’, is het motto, en meteen de ondertitel, van het artikel van Karin Boven. Daarmee slaat ze de spijker op de kop van de thematiek. Karin Boven is dé deskundige op het gebied van onderzoek naar het inheemse Wayanavolk in het zuiden van Suriname. Door enkele jaren in het dorp Kawemhakan met de mensen te leven, heeft ze veel essentiële kennis opgedaan.
Overleven is altijd dé kunst voor volken die in het wilde bos in het binnenland leven. Maar tegenwoordig zijn er heel wat problemen bij gekomen. Vooral de overlast die veroorzaakt wordt door vreemdelingen die in groten getale, meest illegaal, aan goudzoeken doen, nog afgezien van de goudmijnen. Het Wayanagebied is niet meer van de Wayana, waardoor de situatie totaal ongecontroleerd is geworden. Criminaliteit stijgt onrustbarend en de gezondheid van de bewoners wordt bedreigd door het kwik in het rivierwater. Behalve een militaire post aan de grens met Frans-Guyana doet de Surinaamse overheid niets om de chaos op vele gebieden op te heffen.
Karin Boven heeft een informatief en zeer overzichtelijk artikel geschreven over deze problematiek in ‘de jungle’. Ikine Makalena, een van haar informanten uit Kawemhakan zegt het mooi: ‘Aan de Franse zijde zijn planten en dieren beschermd. Maar wie of wat zijn wij, de Wayana dan?’ )

Ontwikkelingshulp bij de Trio en de Wayana. De wetten van interculturele communicatie
Dit artikel van Eithne B. Carlin (foto links) was een van de inleidingen op het colloquium van de stichting IBS in november 2010. Ik was erbij en verbaasde me steeds meer. Het begint al met de uitspraak: ‘Als onafhankelijk toeschouwer ben ik tot de conclusie gekomen dat de pogingen om van ontwikkelingshulp tot ontwikkelingssamenwerking te komen, op een enkele uitzondering na, mislukt zijn. Dat klopt in gevallen van buitenlandse projecten wel, maar vanuit Suriname en met name het project ‘Change for Children’ zijn ontwikkelingsprojecten vaak tot echte samenwerking uitgegroeid. Carlin baseert haar theorie voor een groot deel op het niet begrijpen van elkaars taal. ‘Wij’ en ‘moeten’ bijvoorbeeld, hebben een totaal andere inhoud in het Trio dan in de westerse talen. Dat zou tot miscommunicatie leiden. Maar de projecten zijn meestal praktisch, samen met kinderen spelenderwijs bezig zijn met onderwijs in de moeilijke schooltaal, samen aan sport doen en aan kunst, landbouw en gezondheidszorg. De taal is echt niet het enige middel om elkaar te begrijpen en samen te gaan werken. En wetenschap is ook werkelijk niet hét middel om aan ontwikkeling te werken. Samen creatief en inventief aan een ontwikkelingsdoel werken, vanuit de eigen omgeving, daar gaat het om!

Recensies
De Oso bestaat zoals altijd uit een aantal recensies, berichten en In Memoriams. Verder is de signalementenlijst erg belangrijk voor mensen die willen weten wat er over een bepaald onderwerp in het afgelopen half jaar is gepubliceerd. Van de recensies kunnen we met trots zeggen dat het overgrote gedeelte al is besproken op deze pagina. De boekselectie verbaast soms: er zijn uitgaven bij uit 2007.
De inhoud is vaak informatief, maar helaas soms ook onjuist. In de recensie van Tinde van Andel staan enkele storende fouten: black eyed peas zijn geen djar’pesi, en callaloo is geen klaroen maar tayerblad. Even googelen en je weet het. Of: kom weer eens hier eten meisje, we maken het voor je neus klaar en yu man tes’ ing.

[Hilde Neus, met aanvullingen van Christine Samsom (‘The making of Ronnie Brunswijk in de Nederlandse media’ , ‘De mystificering van de Marrongemeenschappen in Suriname’ en ‘Contact en de transport- en communicatierevolutie in het Surinaamse binnenland’) en Els Moor (‘Overleven in de Wayajajungle’en ‘Ontwikkelingshulp bij de Trio en de Wayana’).

OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied. KITLV, Leiden, april 2011.

Taaldiversiteit in Suriname onderzocht door wetenschappers

door Robby Morroy

De indrukwekkende taaldiversiteit van Suriname is internationaal niet erg bekend en wordt niet echt gekoesterd door de lokale gemeenschap. Het is zo alledaags, dat wij er gewoonlijk niet bij stilstaan. Ook de internationale taalonderzoeksgemeenschap heeft niet veel aandacht geschonken aan de meer dan 20 talen die er in Suriname gesproken worden door een bevolking van rond een half miljoen. Hierin schijnt verandering te komen door een onderzoek dat verricht is door Dr. Bettina Migge van de Universiteit van Dublin in Ierland en haar collega Dr. Isabelle Léglise van het Frans National Centrum voor Wetenschappelijk onderzoek in Parijs.

De beide taalwetenschappers zijn reeds enkele jaren bezig de taaldiversiteit in de landen van het Guyanaschild te onderzoeken. Het Guyanaschild is een van de gebieden in Zuid-Amerika met de grootste taalkundige diversiteit. In Suriname worden er meer dan 20 talen gesproken. Naast het officiële Nederlands en Sranan als lingua franca zijn er talen die tot verschillende taalfamilies behoren waaronder verschillende inheemse talen zoals het Arowaks, het Kalinha en het Trio, creolentalen als het Saramaccaans, het Ndyuka, het Matawai, het Paramaccaans en het Kwinti en Aziatische talen als het Hindi en het van het Bhojpuri afgeleide Sarnami, het Surinaams Javaans en een aantal Chinese talen zoals het Hakka en Mandarijn. Recentere immigratie heeft ook andere talen naar ons land gebracht zoals het Braziliaans Portugees, het Guyanees Engels, Guyanees Creool, Spaans, Frans, Haïtiaans Creools and nieuwe varianten van het Chinees.

Op woensdag 23 februari zullen de taalwetenschappers Migge en Léglise hun bevindingen over de Surinaamse taalsituatie presenteren in een der lokalen van het IOL op het Universiteitscomplex aan de Leysweg. Het doel van de presentatie is om een stap te zetten naar de volledige verkenning van de taaldiversiteit in de Guyana’s. De inhoud is gebaseerd op een onderzoek dat tussen 2008 en 2010 onder meer dan 3000 5de en 6de klassers van lagere scholen over het hele land is uitgevoerd met medewerking van de Opleiding Engels van het IOL en het Lim A Po Instituut. De kinderen vertelden over hun taalachtergrond, de manier waarop zij taal gebruiken, hun taalattitudes en hun taalvaardigheid.

Het onderzoek toont aan dat veeltaligheid de norm is onder schoolkinderen in Suriname. Kinderen spreken dagelijks minstens twee, maar in veel gevallen drie en meer talen. Hoewel Nederlands de taal van de school is, hebben kinderen geen negatieve houding tegenover andere talen. Integendeel willen velen graag zowel nationale als internationale talen leren en gebruiken.
Het onderzoek wordt bekostigd door twee Franse organisaties die zich bezighouden met onderzoek op het zuidelijk halfrond. De toegang tot de presentatie is vrij, maar het aantal zitplaatsen is beperkt.

[uit Starnieuws, 6 februari 2011]

Reactie

door Franklin Jabini

Starnieuws publiceerde een artikel, afkomstig van de Surinaamse linguïst Dr. Robby Morroy. In dat artikel wordt onder andere gezegd dat door het onderzoek van twee taalwetenschappers verandering zal komen in de belangstelling voor onze taaldiversiteit. Het is toe te juichen dat deze twee taalwetenschappers onderzoek hebben gedaan over de taalsituaties in de Guyana’s.

Ik ben het met Dr. Morroy eens dat de diversiteit lokaal niet wordt gekoesterd. Men kan weleens de indruk krijgen in Suriname dat onze taalvaardigheid beoordeeld wordt op basis van onze kennis van het Nederlands. Ik heb bijvoorbeeld problemen met Nederlandse voorzetsels (een Saramaccaans voorzetsel kan je bijna overal gebruiken!). Het uitspreken van de letters ‘g’ en ‘k’ is voor mensen uit sommige Marron taalgemeenschappen een probleem, evenals ‘l’ en ‘r’. We zeggen maar niets over het gebruik van de lidwoorden ‘de’ en ‘het.’

Dat probleem lijkt dwars door al onze taalgroepen te gaan. Omgekeerd is het ook een probleem voor Nederlandssprekenden, om sommige letters in deze talen goed te uitspreken. Hopelijk zal de bijdrage van deze twee wetenschappers de belangstelling wekken voor onze eigen Surinaamse taalsituatie. Het zou geweldig zijn wanneer Surinaamse linguïsten meer zouden gaan doen met dit gegeven.

Ik moet echter van mening verschillen met het artikel, over de belangstelling voor onze talen als het om onderzoek gaat. Mogelijk is er hier sprake van een omissie. Dr. Morroy is zelf op de hoogte van onder andere het werk van het Instituut voor Taalwetenschap in Suriname, tussen 1966 en 2001. Ik kan slechts verwijzen naar de 32 pagina tellende bibliografie van Surinaams taalkundig onderzoek van SIL International www.sil.org/americas/suriname/index.htm

Ik zwijg over de verschillende artikelen die in tijdschriften zijn verschenen. Ik had graag gezien dat het werk van deze twee taalwetenschappers als complementair aan wat er eerder was gedaan, zou worden aangekondigd. Het probleem is niet dat er geen onderzoek wordt gedaan. Het probleem is, wij doen niets met de onderzoeksresultaten. En dat is een eigen Surinaams probleem, waar Surinaamse linguïsten een rol in te vervullen hebben.

[uit Starnieuws, 8 februari 2011]

Reactie redactie

Kent de heer Morroy echt niet de Atlas of the Languages of Suriname, edited by Eithne B. Carlin and Jacques Arends? Daarin komen beschrijvingen voor van zowat alle Surinaamse talen met bibliografieën van vele tientallen pagina’s lengte. Is het de heer Morroy echt niet bekend dat het Sranantongo tot de best bestudeerde creolentalen ter wereld behoort? Jan Voorhoeve en Antoon Donicie publiceerden een Bibliographie du négro-anglais du Surinam, dat was in 1963 en die lijst was toen al 116 pagina’s lang!

Colloquium Surinamistiek: een verslag

door Guus Kokx

Voor mij was het de eerste keer luisteraar te zijn bij het Colloquium Surinamistiek, in het Amsterdamse Tropentheater, het is me niet tegengevallen. Het kwaliteits- en presentatieniveau is hoog en uitnodigend, met het gevolg dat schrijver dezes goed voorzien is van specifieke informatie, door dit colloquium: De wetten van de jungle; Het Surinaamse binnenland: obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden.

Onderstaand volgt de korte, en daardoor onvolledige samenvatting, die ik van deze dag maakte:

De vlotte dagopening door de heer Peter Sanches, voorzitter van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek, gaf aan mw. Angretha Wongsowikromo (criminologe, foto rechts) de ruimte een uiteenzetting te geven met als titel “Is alles goud dat glinstert? De gevolgen van de goudmijnbouw in het district Brokopondo vanuit groen criminologisch perspectief.” De actoren in de goudmijnbouw (de kleine goudzoeker / grote bedrijven / de overheid): zij allen maken gebruik van ‘geïnternaliseerde neutralisatietechnieken’ (i.e. het eigen straatje schoonvegen), waardoor de cirkel van roofbouw moeilijk te doorbreken is. Ondertussen wordt er aanzienlijke schade aan het milieu gebracht: vervuiling van de waterwegen, wegtrekken van dieren, en bosdegradatie. Ook voor de volksgezondheid heeft het ernstige gevolgen, als gevolg van kwikgebruik. Er is een cyanide-meer, en tevens is HIV/Aids ook een vervolg op de goudmijnbouw. Oplossingen voor deze problematiek(en) worden gezocht in de richting van institutionele versterking, optimale bosexploitatie en social empowerment.

Mw. dr. Eithne Carlin (linguïste en cultureel antropologe) gaf een volgende verdieping aan het thema met haar voordracht: “De wetten van succes; Ontwikkeling(shulp) bij de Trio en Wayana.” Goedbedoelende ontwikkelingswerkers, die niet-bedoeld, moeizaam of niet communiceren en daardoor te weinig participatie verkrijgen bij de Trio en Wayana. Er is zelfs sprake van schade die veroorzaakt wordt door ontwikkelingswerkers. Een paradigma ontleend aan de literatuur van John Steinbeck vat dit dilemma samen: “Giving builds up the ego of the giver, makes him superior , higher and larger then the receiver.” Terwijl de ontwikkelingswerker vanuit zijn top-down-benadering zegt: “Wij helpen en jullie worden er beter van”, ziet hij niet wat hij aanricht, en dat komt omdat hij niet kijkt en niet luistert. Westerse ontwikkelingswerkers projecten zijn vaak heel gesloten en communiceren onvoldoende met de mensen, i.c. de Trio en de Wayana. Een gelijkwaardige behandeling, waarbij alle informatie in alle talen beschikbaar is vergroot de mogelijkheid op empowerment van de Trio en de Wayana.

De heer Salomon Emanuels, cultureel antropoloog aan de Anton de Kom Universiteit te Suriname, gaat dieper in op: “De demystificatie van de Marrongemeenschap; De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers om marrongemeenschappen tot ontwikkeling te brengen.” Salomon is heel duidelijk: hij wordt “misselijk” van de goede bedoelingen van “het ontwikkelingswerk”. Hij erkent er zelf ook deel van te zijn door zijn opleiding in Nederland, anderzijds heeft hij een Marronachtergrond. De Marrongemeenschap is heel belangrijk: je identiteit, waar kom je vandaan, wie is je vader en moeder? En daaraan gekoppeld het orale, levende recht. Als mythes over de Marrons wijst Emanuels aan: 1. Er is geen individueel grondbezit. 2. De Marrons hebben een zwakke structuur, en 3. Het voorgaande belemmert vooruitgang. De grond waarop de Marrons wonen is verworven in de tijd dat zij zich vrijmaakten van de slavernij. Deze gemeenschapsgrond is het territorium van de families en stichters van het dorp, en dit wordt door iedereen gerespecteerd. Grondbezit of huisbezit is echter individueel. Overerving gaat via mondelinge overdracht. Vrouwen hebben een belangrijke positie in de Marrongemeenschap. De woongemeenschap heeft een traditioneel hiërarchische structuur met een kapitein en een of meerdere basya’s. Deze hebben na ruggenspraak tijdens de krutu, overleg met de Surinaamse overheid, waarin met name de veranderingen die nodig zijn worden gestimuleerd, bijvoorbeeld op het gebied van communicatie. Deze verloopt nu veel via cellulairs (mobiele telefoons). Het gaat erom van binnen uit dingen te veranderen.

Mw. Ellen Ombre (onder meer auteur van: Wie goed bedoelt; Zin en onzin van ontwikkelingshulp), overhandigde aan Prof. Dr. Gert Oostindie de Surinamistiekprijs 2010, met een oorkonde, en met een prachtig schilderij van Vincent Jong Tjien Fa (zie: www.vincejtf.com). Zie apart verslag door hier te klikken.

Het middagprogramma werd opgepakt met de vertoning van de film De Goudlijn van Hans Hylkema (Pieter van Huystee Film & TV, 2002. De film volgde de restanten van de spoorlijn die door Gouverneur Cornelis Lely (civiel ingenieur) werd ontworpen van Paramaribo tot Dam. De spoorlijn was van 1912 tot 1986 operationeel, voor personen en goederenvervoer. In de documentaire kwam het filmteam op allerlei manieren in contact met de Marrons, tot en met een Krutu-bijeenkomst toe. Het vervoer vindt nu voor een belangrijk deel per korjaal plaats. Zeer behendig worden stroomversnellingen genomen. Plannen om de infrastructuur met goede wegen te voorzien zijn in ontwikkeling.

De heer Alex van Stipriaan (hoogleraar Erasmus Universiteit Rotterdam en conservator Tropen Museum Amsterdam; foto rechts) sloot aan met een kijk- en luisterpresentatie: “Marrons en de communicatie- en transportrevolutie in het binnenland van Suriname”. Het stuwmeer van Brokopondo omschrijft Alex als een sterfhuis van de Marroncultuur (eerder dan van de natuur). Ontwikkelingen gaan snel. De orale cultuur maakt nu intensief gebruik van digitaal mobiele telefoon. Moeders hebben zo contact met hun dochters, enz. Zitten de Marrons in een isolement: Neen. Wel sluit Alex sluit af met de vraag: waar blijven de vrouwen?

Deze vraag wordt door mw. Martina Amoksi (onderzoekster Universiteit te Suriname) beantwoordt, in haar voordracht: “Een meisje is de rijkdom van de bee; De veranderde positie en het nieuwe zelfbeeld van de Marronvrouw anno 2010.” De Marronvrouw heeft een sterke, zo niet de belangrijkste positie binnen de Marrongroep. Overerving geschiedt matriarchaal. Er zijn rituelen waarbij de Marronvrouw essentieel is, bijvoorbeeld bij overlijden en geboorte. Ook in krutu’s (dorpsvergaderingen) wordt de vrouw geraadpleegd, en oudere vrouwen worden geëerd. Ook zijn Marronvrouwen kapitein of basya. Maatschappelijke veranderingen, zoals urbanisatie (en de binnenlandse oorlog), onderwijs en christendom, industrialisatie en modernisatie hebben invloed op de positie van de Marronvrouw. Als draagster van de Marroncultuur beslist de Marronvrouw zelf welke keuze zij maakt in het ontmoetingsproces met de Westerse cultuur.

Spijtig dat op dit interessante colloquium klaarblijkelijk veel minder mensen waren afgekomen dan in andere jaren.

Surinamistiekprijs 2010 voor Gert Oostindie

Op het colloquium Surinamistiek in Amsterdam is op zaterdag 6 november 2010 de prijs voor Surinamistiek 2010 uitgereikt aan prof. dr. Gert W. Oostindie. De prijs wordt om de vijf jaar toegekend door het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek aan iemand die grote betekenis heeft gehad voor het wetenschappelijk bedrijven van de Surinamistiek. De prijs omvat een oorkonde, een schilderij en een bedrag van 1000 euro. De jury die de prijs toekende, bestond uit mevr. Ellen Ombre, schrijfster, de historicus dr Peter Meel en de linguïste en cultureel antropologe dr Eithne Carlin.

Foto rechts:
Gert Oostindie en prinses Maxima bij de aanbieding van zijn boek
De parels en de kroon.

In haar toespraakje memoreerde Ellen Ombre dat zij op een dag met grote ogen van bewondering keek naar een man in een sportbroek op een trainingsband en dat dat Gert Oostindie bleek te zijn. “Brains and body”, aldus Ombre.

Gert Oostindie (Ridderkerk, 4 juli 1955) is een Nederlands historicus, Surinamist en Antilleanist. Hij is directeur van het KITLV. Van 1993 tot 2006, was hij als hoogleraar Caraïbische Studien verbonden aan de Antropologie-faculteit van de Universiteit van Utrecht. In september 2006 werd hij benoemd tot hoogleraar Caraïbische Geschiedenis aan de Geschiedenis-faculteit van de Universiteit Leiden.

Oostindie studeerde geschiedenis en sociale wetenschappen en specialiseerde zich in Latijns-Amerikaanse geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde daar cum laude af in 1982 en promoveerde cum laude aan de Universiteit van Utrecht in 1989 met een proefschrift over slavernij en de plantage-economie in Suriname. Hij werd hoofd van de afdeling Caraïbische Studien van het KITLV in 1983. Dit bleef hij totdat hij in 2000 directeur van het instituut werd.

Oostindie’s voornaamste onderzoeksgebieden zijn de Caraïbische en Nederlandse koloniale geschiedenis. Hij publiceerde meer dan 20 boeken en ruim 100 artikelen over de koloniale geschiedenis en dekolonisatie van de Nederlandse koloniën in het Caraïbisch gebied, over geschiedenis, etniciteit en migratie in het Caraïbisch gebied en in Latijns-Amerika in zijn algemeenheid, en over de betekenis van de koloniale geschiedenis voor de Nederlandse nationale identiteit.

Radio Nederland Wereldomroep stelde Oostindie enkele vragen:

Westerse bril
Op de vraag of hij de Surinamistiekprijs verwacht had, zei Oostindie dat hij mensen kon bedenken die zich meer met Suriname bezighouden dan hij, dus, zo zei hij het zelf, ‘met gepaste bescheidenheid’ heeft hij de prijs aangenomen.

Maar er was dus ook kritiek. Kijkt hij inderdaad met een westerse bril? Dat is waar, erkent Gert Oostindie. Hij is in Nederland opgegroeid en is ongetwijfeld getekend door zijn achtergrond. Toch vindt hij de verwijten ook jammer, omdat hij als wetenschapper juist gaat voor het voortbrengen van kennis die die lokale beïnvloeding ontstijgt.

Bakra
Oostindie ziet zichzelf ook als lid van de school die heel tolerant en heel liberaal is. Stelt zichzelf juist de vraag: wat levert anders kijken op? Hij heeft de indruk dat mensen soms te snel etiketten gaan plakken en denken ‘Een bakra? Dat kan niks zijn.’

Aan de andere kant merkt hij dat mensen veel gewicht aan zijn woorden hangen. Dat is iets waar hij nu meer rekening mee houdt. Eerder kon hij sneller iets roepen, nu denkt hij even na over de impact voor hij iets zegt. Als voorbeeld noemt hij de onthulling van het monument voor de slavernij. Toen riep hij in NRC dat dat monument niet voor één groep, maar voor iedereen was. Hoewel hij daar nog steeds achterstaat, zou het nu anders aanpakken. Nu Suriname binnenkort 35 jaar onafhankelijkheid viert, krijgt hij misschien vragen over Bouterse. “Dan weeg ik mijn woorden wel.”

Colloquium Surinamistiek 6 november 2010

Het IBS Colloquium heeft dit jaar plaats op zaterdag 6 november 2010, zoals altijd in het Tropentheater in Amsterdam. Het vindt dit jaar plaats onder de noemer De wetten van de jungle; Het Surinaamse binnenland: obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden.

Ochtendprogramma

Dagvoorzitter: Yvon van der Pijl

10.15 – 10.45 uur
Ontvangst en koffie

10.45 uur
Opening door Peter Sanches, voorzitter IBS

11.00 – 11.25 uur
Angretha Wongsowikromo: ‘Is alles goud dat glinstert?’ De gevolgen van de goudmijnbouw in district Brokopondo vanuit groen criminologisch perspectief

11.25 – 11.50 uur
Eithne B. Carlin: De wetten van succes. Ontwikkeling(shulp) bij de Trio en Wayana

11.50 – 12.15 uur
Martina Amoksi: ‘Een meisje is de rijkdom van de bee.’ De veranderde positie en het nieuwe zelfbeeld van de Marronvrouw anno 2010

12.15 – 12.40 uur Vragenronde

12.40 – 13.00 uur Uitreiking Surinamistiekprijs 2010

13.00 – 14.00 uur: Lunchpauze

Middagprogramma

Dagvoorzitter: Maayke Botman

14.00 – 14.50 uur
Filmvertoning! Hans Hylkema: De Goudlijn, Pieter van Huystee Film & TV Camera, 2002

14.50 – 15.15 uur
Alex van Stipriaan: Verbinding met het binnenland. De transport- en communicatie-revolutie onder Marrons in het Surinaamse binnenland

15.15 – 15.40 uur
Salomon Emanuels: De demystificatie van de Marrongemeenschap. De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers om marrongemeenschappen tot ontwikkeling te brengen

15.40 – 16.00 uur: Vragenronde

16.00 uur: Afsluiting

16.00 – 17.00 uur: Informeel samenzijn

Entree: 10 euro
Locatie: Het Tropentheater, Linnaeusstraat 2, Amsterdam
(vanaf CS Amsterdam tramlijn 9)
Zie voor meer informatie: http://www.surinamistiek.nl/colloquium/index.htm

Bovenste foto: inheemse hoofdtooi, @ Michiel van Kempen

Indianen & Marrons

In de schaduw van de tijger & Marrons van Suriname

Op donderdag 26 november 2009 worden twee nieuwe Suriname-boeken gelanceerd, beide uitgebracht door KIT Publishers. De presentatie vindt plaats in boekhandel Pied à Terre te Amsterdam, met een drankje en hapje in stijl.

Eithne B. Carlin geeft in In de schaduw van de Tijger in woord en beeld actuele informatie over het leven van de acht overgebleven inheemse gemeenschappen in Suriname. Sommige zijn klein en weinig bekend; zij leven diep in het binnenland van Suriname. Ook besteedt Carlin ruime aandacht aan het spirituele wereldbeeld van de indianen, dat door het leven in de natuur radicaal anders is gevormd dan wat wij in de westerse wereld als normaal en logisch zien.

In Marrons van Suriname laat Toon Fey de geschiedenis van de marroncultuur zien. Al snel na aankomst in Suriname ontvluchtte een deel van de uit Afrika aangevoerde slaven het zware en vernederende leven op de plantages. In het binnenland bouwden zij hun eigen leefgemeenschappen op. Dit rijk geïllustreerde boek vertelt de complete geschiedenis van een cultuur waarvan de meesten alleen de buitenkant kennen, vanaf het vertrek uit Afrika tot heden. Een aanrader voor het snelgroeiende aantal liefhebbers van het Surinaamse binnenland, de bakermat van de marroncultuur.
Datum: donderdag 26 november 2009
Tijd: 16.30 uur – 18.00 uur
Locatie: Geografische boekhandel Pied à Terre, Overtoom 135-137, Amsterdam
Bereikbaar met tram 1, 3 en 12

Natuurlijk is er volop gelegenheid de boeken aan te schaffen en te laten signeren.
De boekhandel is op donderdag geopend tot 21.00 uur.
RSVP*Wilt u aangeven of u komt? Dat kan bij KIT Publishers door een bericht te sturen naar Fleur Pakker. Wij verheugen ons op uw komst!
Met vriendelijke groet, namens

Meer boekinformatie over In de schaduw van de tijger

Meer boekinformatie over Marrons van Suriname

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter