blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Caprino Hans

Acteur en regisseur Mike Ho Sam Sooi overleden

In Amsterdam is op 69-jarige leeftijd overleden Mike Ho Sam Sooi, een van de bekendste gezichten in de wereld van acteurs met een Caraïbische achtergrond. Eind april werd hij ziek, op 15 mei werd kanker geconstateerd, hij overleed op vrijdag 2 juni 2023.

read on…

Theatermaker Errol Caprino overleden

door Michiel van Kempen

Hij was een van de vernieuwers van het Surinaamse theater aan het eind van de jaren ’60. Met bijzondere energie deed hij bijzondere dingen. Na die periode werd het stiller rond hem. Op 8 november j.l. overleed op Bonaire theatermaker Errol Caprino. read on…

Lachen, huilen, bevrijden

door Els Moor

Lachen, huilen, bevrijden is de titel van het onlangs verschenen boek met als ondertitel: De weerspiegeling van de Surinaamse samenleving in het werk van het Doe-theater, 1970-1983, geschreven door Annika Ockhorst met medewerking van Thea Doelwijt.

Annika had als studente geschiedenis aan de universiteit dit onderwerp voor haar afstudeerscriptie en bij haar onderzoek mocht ze gebruik maken van het persoonlijk archief van Thea Doelwijt. Van het een komt het ander: een aantrekkelijk boek dat naast de geschiedenis van het Doe-theater en de bespreking van alle voorstellingen veel foto’s bevat en teksten en liederen uit de verschillende cabarets, musicals en toneelstukken voor de jeugd die het Doe-theater in de loop van die dertien jaren in Suriname en andere landen op de planken zette.
Thea Doelwijt en Henk Tjon waren de oprichters van het Doe-theater. Zij ontmoetten elkaar via regisseur Hans Caprino die, door de Sticusa uitgezonden naar Suriname eind jaren zestig, een brug wilde slaan tussen het Surinaamse theater en de nog jonge generatie nationalistische schrijvers. Hij trainde leden van de schrijversgroep ‘Moetete’, onder hen Thea Doelwijt. Toen zij bezig was met het schrijven van haar eerste cabaret, Frrrek, bracht Caprino haar in contact met Henk Tjon. Het klikte meteen tussen de twee nog jonge theatermensen, creatieve geesten die samen iets nieuws van de grond tilden, op het juiste moment, het Doe-theater!
Het boek Lachen, huilen, bevrijden zit goed in elkaar. De lezers krijgen een duidelijk beeld van de Surinaamse maatschappij en politiek in de besproken jaren en hoe het Doe-theater daarop reageert met voorstellingen, positief, maar ook kritisch, met veel humor en vanuit de multiculturele werkelijkheid van Suriname. De stukken zijn niet alleen in het Nederlands; vele zijn een ‘moksi patu’ van Sranantongo, Nederlands en Engels. Dat hoort bij de taalsituatie van Suriname, maar er kwam ook wel kritiek op. Heel goed is het dat in het boek positieve zowel als negatieve reacties op de voorstellingen worden weergegeven!
De indeling: eerst een algemeen hoofdstuk over het Doe-theater, dan vier hoofdstukken over de verschillende periodes. Die hebben eerst een historisch overzichtje van die jaren en dan de bespreking van de voorstellingen die in die periode gebracht zijn, met aan het begin een overzicht van alle gegevens, dan de inhoudelijke bespreking van het stuk met bijzonderheden en reacties en ten slotte een aantal liederen uit de producties. De vier periodes zijn: ‘Het begin van het Doe-theater, 1970-1974’, ‘Onafhankelijkheid in zicht, 1974-1975’, ‘De falende opbouw, 1975-1980’ (duidelijke titel!) en ‘Het Doe-theater en de militaire staatsgreep, 1980-1983’.
De naam ‘Doe’ heeft betrekking op heden en toekomst: wat moeten we ‘doen’ om Suriname op te bouwen tot een werkelijk zelfstandig en goed leefbaar land in de nabije toekomst. Maar ook op het verleden, de 18de eeuw, toen toneelstukken werden opgevoerd met muziek, dans en spel door ‘Doe-gezelschappen’, waarin naast eigenaren van plantages ook slaven een rol speelden in stukken die toestanden hekelden en soms ook een middel waren om ruzies tussen verschillende plantage-eigenaren uit te vechten.
Belangrijke doelstellingen voor Thea en Henk waren dat er in Suriname toneel zou komen dat van professioneel hoge kwaliteit was, maar wel vanuit de Surinaamse werkelijkheid en culturen. Ze zetten zich af tegen de Nederlands georiënteerde werkwijze van bijvoorbeeld Sticusa. Het is interessant dat bij de bespreking van de verschillende voorstellingen in het boek ook kritiek weergegeven wordt, vanuit de Surinaamse media, maar ook vanuit Nederlandse critici, als er voorstellingen in Nederland waren. Daardoor wordt een verschil in perspectief duidelijk. Surinaamse journalisten die van binnenuit kijken, vanuit hun eigenheid en Nederlandse die verschillende keren vrij fel negatief reageren met woorden als ‘clichématig’, ‘ouderwets’, ‘te weinig kritisch’ en vooral ‘primitief’. Dit zegt veel over de manier waarop buitenlandse deskundigen, ook nu nog, vaak aankijken tegen Suriname en andere landen die in een ander ontwikkelingsstadium verkeren dan hun eigen land. Het succes dat de meeste stukken van het Doe-theater hier hadden, in de stad, maar ook in de districten en het binnenland, laat zien dat de stukken het publiek aanspraken vanuit de eigen leefwereld en hopelijk heeft het op een creatieve manier aangezet tot kritisch denken over de realiteit van het eigen land.
Bij de bespreking van ieder stuk worden ook de medewerkers genoemd. Die hadden het vaak niet makkelijk als er weer eens financiële problemen waren. Er werd veel steun geboden aan het Doe-theater, maar soms zat het financieel aan de grond, ook doordat de entreeprijzen heel redelijk waren om zoveel mogelijk Surinamers naar Thalia, het ‘huis’ van het Doe-theater, te laten komen. Er zijn vaste medewerkers, vanaf het begin, zoals René Recappé in de eerste jaren en Mariëtte Moestakim, Rieke Eersel en Mildred van Eer vanaf 1977. De drie dames bleven tot het eind van Doe-theater actief. Kijken we naar de cast van de verschillende producties, dan zien we soms ineens veel namen van bekende Surinamers. Aan Libi span ini na ati fu Sranan, een soort ode aan de verschillende Surinaamse culturen uit 1979, namen bijvoorbeeld ook Ilse-Marie Hajary en Marlène Lie A Ling deel. Ook Nardo Aluman en André Cirino, beiden uit de cultuur van de inheemsen. In latere stukken zien we ook Wilgo Baarn optreden, Chandra van Binnendijk, Hans en Borger Breeveld en Alida Neslo. Het Doe-theater was dus een echt Surinaamse onderneming waarbij zoveel mogelijk getalenteerden betrokken werden, ook op het gebied van het uiterlijk van de voorstellingen, zoals decors, kostuums en grime. Henk Tjon was verbonden aan het Doe-theater tot na de productie van Linkse Lucie, eind juli 1982, die hij regisseerde. Een stuk vol kritiek op de politieke situatie toen, enkele maanden voor de Decembermoorden. Er ontstond een verwijdering tussen hem en Thea en hij vertrok. In 2009 is hij overleden. Het is wel gek dat dat niet in het boek staat, dat van 2012 is.
Thea Doelwijt kreeg in 1983 van een relatie van de machthebbers te horen dat ze het land beter kon verlaten. Ze was toen bezig met een nieuw stuk, Beestachtig. De titel zegt al veel, maar van een opvoering is het nooit meer gekomen. Thea woont nog steeds in Nederland en is actief met theaterproducties gebleven, waarvan er vele in de afgelopen jaren hier zijn gebracht, in Thalia, het ‘huis’ van het Doe-theater dat toen helaas niet meer bestond. Thea kon de ‘Du’ niet loslaten. Met het Prépré-theater uit Amsterdam maakte ze voorstellingen van Na Gowtu Du en Na Dyamanti Du, die ook naar Suriname kwamen. Ook werd ter gelegenheid van 173 jaar Thalia Spokendansen / Land te koop vroeger en nu opgevoerd. En Stop je hoofd nooit in een Spinnenweb (naar een jeugdboek van Thea), een cabaretmusical met muziek van Eldridge Zaandam kwam tot stand in samenwerking met het Kinderboekenfestival Suriname 2007 en werd daar ook opgevoerd.
Het is niet mogelijk hier alle stukken van het Doe-theater de revue te laten passeren. Ik beperk me tot één per periode. Hopelijk zet dat onze lezers aan om het boek zo snel mogelijk in bezit te krijgen. Land te koop is uit 1973, de eerste periode dus. Het stuk bestaat uit liedjes en sketches. Op een van de foto’s zien we dat ook Helen Kamperveen meewerkte. De thematiek heeft steeds weer te maken met de onzelfstandigheid van Suriname. In het lied ‘The land nobody knows’ wordt de gebrekkige kennis van Surinamers van hun eigen land belicht. Het onderwijs is immers op Nederlandse leest geschoeid! De titel van het volgende lied, ‘Dit is de tijd voor een nieuw geluid’ zegt al veel hierover. Het geringe vertrouwen in eigen land doet een grote drang tot emigratie ontstaan. Ook dat speelt een rol in Land te koop.
Libi span ini na ati fu Sranan is uit de tweede periode. Uiteraard speelt het thema ‘onafhankelijkheid’ een grote rol erin, maar het stuk is ook een duidelijke ode aan de verschillende Surinaamse culturen die een rol erin spelen. Daardoor heeft het veel weg van een ‘kulturu neti’.
En dan de derde periode, ‘De falende opbouw’ van 1976-1980′. Wie deze periode bewust meegemaakt heeft, herinnert zich de politieke blunders, de ruzies tussen politici en vooral het ontbreken van een gemeenschappelijke visie op een positieve ontwikkeling van de jonge republiek. In deze periode wordt er onder andere een stuk over Anansi gespeeld, Anansi kontra masra Bobo, Masra babari, Misi Fes’koki, Misi Sabiman nanga Masra Konflaw. De verschillende karakters worden zichtbaar door sprekende maskers die door de kunstenaars Ron Flu en Paul Woei zijn gemaakt. Vooral slechte arbeidsverhoudingen worden gemanifesteerd, vol geweld van de kant van de ‘Masra’. Het lijkt werkelijk op de tijd van slavernij en contractarbeid.
Ba Uzi is hét stuk van de periode 1980 -1983. Het laat verschillende emoties zien die de coup van 25 februari 1980 oproept bij het publiek: enerzijds hoop op betere tijden en anderzijds vertwijfeling en angst. De ‘falende opbouw’ is voorbij, maar hoe zal het verder gaan na de ingreep van de sergeanten? Die vraag geeft veel onzekerheid. In het slotlied wordt de thematiek nog een keer samengevat:
‘heb je kans, mijn land / om een bloem te worden / een bloem die bloeit / uit de loop van een geweer / heb je kans mijn land?’
Marijke van Geest heeft het ‘Nawoord’ geschreven. Zij verzorgde lessen in dramaturgie aan de Doe-theateropleiding met het doel de medewerkers van de groep inzicht te geven in de achtergrond van theater, de geschiedenis, de theorie en de analyse van bekende stukken. Zij eindigt met de constatering dat het boek van Annika Ockhorst een belangrijke aanwinst is voor de theaterwereld in Suriname, maar ook in Nederland waar een theaterinstituut zich onder andere bezighoudt met het Doe-theater. Ik sluit me hierbij van harte aan, maar wil eraan toevoegen dat het boek niet alleen is voor theaterliefhebbers en -werkers, maar hier vooral ook voor lezers die de situatie in de verschillende Doe-periodes meegemaakt hebben en ‘last but not least’ voor jongeren hier die bijzonder weinig tot ‘neks’ weten van die tijd tussen 1970 en 1983. Op een leuke manier krijgen ze inzicht in essentiële zaken uit het nabije verleden, waar veel ouderen liever over zwijgen. Angst? Maar je moet wel inzicht hebben in het verleden om de huidige maatschappij te kunnen beoordelen!
Annika Ockhorst met medewerking van Thea Doelwijt: Lachen, huilen, bevrijden. De weerspiegeling van de Surinaamse samenleving in het werk van het Doe-theater, 1970-1983. Leiden: Brill, 2012, met steun van KITLV. ISBN 978-90-04-24881-6
Documentaire op dvd: Er is nog een extraatje voor de lezer bij het boek gevoegd: een dvd met een documentaire van Jan Venema van de Nederlandse televisie over het Doe-theater uit 1980, Libispan ini na ati fu Sranan. Een vrolijke documentaire die ook ernstige zaken over de toestand in het land aan de orde stelt. De documentaire bevat fragmenten uit de producties van het Doe-theater en veel gesprekken met en liederen door acteurs. Veel is opgenomen in de stad Paramaribo. Dat geeft vrolijke beelden, ook door de expressieve en beweeglijke manier waarop de acteurs communiceren, wan tru Sranan sani!

Het laatste hoofdstuk moet nog verschijnen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over het werk van Benny Ooft.

door Michiel van Kempen

Een hindostaanse modeshow wervelt voorbij op het toneel, gevolgd door een set’dansi door acht creoolsen. Het is 24 november 1989, vooravond van de viering van veertien jaar srefidensi. Achter in de zaal van de Vereniging Ons Surina­me aan de Amsterdamse Zeebur­ger­dijk is een boekenstand ingericht. Tot mijn vreugde ligt er ook Het laatste hoofdstuk, de docu­mentaire die Benny Ooft in 1976 pu­bli­ceerde over de laatste stappen naar de onafhankelijkheid van Su­riname. Ik ken het boek wel, maar ik heb het nooit kunnen kopen om­dat het in Suriname uitverkocht is. Ik weet op dat moment niet dat de schrijver van het boek die ik nog enkele weken eerder om een exemplaar gevraagd heb, enkele uren geleden dood op zijn bed is aangetroffen. Het laatste hoofdstuk in het leven van Benny Ooft werd in de loop van de morgen van 24 november 1989 afgesloten.

Benny Ooft was een exponent van de groep die zich in 1968 schaarde rond het tijdschrift Moetete: Thea Doelwijt, R. Dobru, Shrinivási, Jozef Slagveer, Ruud Mun­groo, P. Marlee. Met hart en ziel deel uitmakend van de Surinaamse gemeenschap, nationa­lis­tisch, idealistisch, verwoordde hij in zijn korte prozastuk `Shaante­devi’ in het eerste nummer van Moetete de eenheid van de Suri­naam­­se rassen: de liefde tussen een creoolse jongen (die Sarna­mi spreekt) en een hindostaans meisje. Hun liefde blijkt zo sterk te zijn dat donkere mannen met dreigend opgeheven stokken van het toneel ver­dwijnen zonder enige actie ondernomen te hebben.

Geboren op 3 februari 1941 te Paramaribo was Benny Ooft ook in zoverre exponent van zijn generatie dat het nog geheel op Neder­land­se leest geschoeide onderwijs een sterk stempel op zijn vorming drukte. Het eerste hoofdstuk van zijn ongepubli­ceerde roman Tus­sen palmen en dijken ver­haalt over de fraters van de Paulus­school (Mu­lo) en de koloniale brainwash die zij hun pupillen trachtten te laten ondergaan. Dat dit op velen uit de jaren zestig juist een ave­rechts effect sorteerde, moge inmiddels duidelijk zijn. Interes­sant was wel dat van dat onderwijs, waarin de huma­niora een belang­rij­ke plaats kregen toebedeeld, invloed uitging op jonge Surina­mers om zich als schrijvers en dich­ters te ontplooien, al was er eerst een Trefossa nodig om te laten zien dat dat ook kon in een andere taal dan het Neder­lands. Wat dan ook de implicaties geweest mogen zijn van het koloniale frateronderwijs, feit is dat de eerste generatie schrij­vers een voortreffelijke taalbeheersing kenden en het pleit voor de ernst waarmee zij hun taak opna­men, dat zij die lijn ook door­zet­ten voor het Sranantongo. Zo schrijft Benny Ooft in het twee­de nummer van Moetete een aantal persoonlijke notities over schrijven in het Sranan­tongo waarbij hij ondermeer opmerkt dat on­volledige beheersing van het Sranan, schrijven vanuit het Neder­lands en het zelf maar lukraak woorden scheppen uit den boze die­nen te zijn. De radio‑omroeper die het begrip voorzitter vertaalt door `amra­basi’ laat zien dat hij abso­luut geen moeite gemaakt heeft om te ontdekken dat er een veel adequater woord als `edeman’ bestaat.

Het frateronderwijs op Nederlandse leest heeft ook sterk zijn in­vloed doen gelden op beeldvorming en stijl van die eerste genera­tie schrijvers, men leze er de vroege verzen van Dobru en Shri­nivási maar op na. Verwonderlijk is dit niet, het is veeleer verwon­derlijk met welk een elan die generatie de eigen wereld onder woorden heeft weten te brengen. Benny Ooft was een van de weinigen van de­ze dichtersgeneratie die zich primair toelegde op het schrijven van proza. De zeven verhalen die hij in 1967 bij drukkerij Para­ma­ri­bo liet uitkomen onder de titel Silhouetten zijn geschreven in een nu wat traditio­neel aandoend proza, vol van wendingen die laten zien dat hij goed gekeken had naar ouder proza, maar die een eigen stijl in de weg stonden. Toch geven de zeven verhalen al een vlot verteller te zien die de sfeer van vooral het Surinaamse binnenland goed weet op te roepen.

Wat in Silhouetten nog een soort schrijfoefeningen waren, werd in de novelle Avonden aan de rivier met meer durf en kracht voort­ge­zet. Het boek verscheen bij Varekamp in 1969 en ondanks het feit dat het nooit werd herdrukt, is het altijd een veelgelezen uitgave ge­bleven. Avonden aan de rivier speelt zich af op een plantage aan de Surinamerivier. Door leegloop en verwaarlozing wordt de kleine ge­meen­schap met de ondergang bedreigd. De vraag is of het de moei­te loont de oude generator nog te vervangen, of dat de hele zaak maar beter opgedoekt kan worden. De uiteindelijke keuze voor een aanpassing aan de omstandigheden door een kleine­re generator te kopen, is de enige keuze die een natio­nalistische schrijver als Ben­ny Ooft de personen in zijn novelle kon laten maken.

Feit is dat Benny Ooft met die eerste twee boeken ver­wach­tingen wek­te en dat hij die verwachtingen als literator nooit heeft ingelost. Het `fragmentarisch dag­boek’ Pelgrim op zee had hij nog in porte­feuil­le en zou daar ook altijd blijven. In de bloemlezing Gelui­den/ Opo sten verscheen in 1984 een fragment uit de roman Tussen pal­men en dijken en nog een fragment waarvan het ondui­delijk is of het uit dezelfde aange­kondig­de roman komt. Wie die fragmenten leest, zal direct opmer­ken hoezeer Ooft lite­rair gegroeid is, maar ook dat hij toch net datgene mist wat Leo Ferrier, Bea Vianen en Ed­gar Cairo tot schrijvers met een unieke stem maakt.

Sinds de jaren zeventig heeft Benny Ooft zich vooral toege­legd op journa­listiek werk en filmen. Al in 1968 bun­delde hij in De vlucht opstel­len van hemzelf, Thea Doelwijt, Henk Her­renberg, Hen­­ny de Ziel en R. Dobru en het onder­werp van die bundel ‑ de mi­­gratie naar Nederland ‑ heeft hij ook uitgewerkt in films als Denk aan de dag van morgen (1970) en latere documentaires. De Suri­naamse politie­ke actualiteit becommenta­rieerde hij in het boek Het laatste hoofd­stuk, maar sterker nog in zijn boek Suriname 10 jaar re­publiek. Duidelijk spreekt uit dit boek zijn verontwaardiging over de hou­ding van Lachmon vóór 1975 en vervolgens over Arron vóór 1980, maar zijn onge­remde enthousiasme over de ontwikkelingen na 1980 maakt ook duidelijk dat zijn jarenlange verblijf buiten Su­ri­name de vorming van een evenwichtig oordeel in de weg was gaan staan.

Al deze werkzaamheden hebben ongetwijfeld een obstakel bete­kend voor een gestadige ontwikkeling als literator. Het moet een prikkel voor hem geweest zijn om bij de presenta­tie van mijn boek Su­rinaamse schrijvers en dichters te lezen dat ik hem `kampioen­‑aan­kondiger van nieuwe romans’ noemde, want enkele dagen later belde hij me op en zei me dat zijn roman Tussen palmen en dijken zo goed als af was, maar dat hij hem niet zelf meer wilde uittikken, want dat hij dan weer alles zou gaan omwerken. En inderdaad ligt hier nu een stapel van 415 pagina’s proza en dat is nog maar de helft. Het is nu nog niet te overzien in hoeverre deze roman het ge­hele beeld van het schrijverschap van Benny Ooft kan beïnvloe­den. Op ons rust hoe dan ook de plicht om als het even kan deze roman het licht te geven. Natuurlijk zit er veel tragiek in het feit dat een schrijver zijn levenswerk nooit zelf in druk zal zien. Maar meer nog dan in zijn stoffelijk omhul­sel leeft een schrijver bij gratie van wat de lezers wordt geboden en uit respect voor deze Sranan­man in hart en nieren mag de lezers niets onthouden blijven van wat Benny Ooft nog voor hen in petto had.

Weinig heeft Ooft in het Sranantongo geschreven. Ik besluit met een gedicht dat in Moetete nr. 2 verscheen en ik geef geen verta­ling, zodat wie het niet verstaat, gedwongen is, om in de geest van Benny Ooft, die andere Surinamers op te zoeken.

SHÁNTIDEVI
Mi no sabi joe

ete
soso leki wan fisioen
mi e tjari joe
na baka na grasi foe mi ai

Ma mi sabi
wan dé
joe sa djompo kon na mi fesi
dat mi sabi

Mi sa dansi nanga joe

pré
bosi joe
en safri mi singi
sa kon moksi nanga na pingi
foe na sitár
ham tumse mohabat kar baithi

[Dit stuk verscheen eerder in De geest van Waraku (1993).]


    [1]. Noot 1993: Inmiddels is een fragment uit Tussen palmen en dijken verschenen on­der de titel `Morgen zullen we ver­der zien’ in de door mij samenge­stel­de verhalenbundel Hoor die tori! (In de Knipscheer, Amsterdam 1990). Maar waar ik in 1989 bang voor was, is gebeurd: de complete roman­ma­nu­scrip­ten van Ooft zijn duistere wegen gaan volgen en nog steeds niet ge­publiceerd!

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter