blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: canon

Canon moet Caribische ogen openen

‘Surinamers’ in ARC Magazine

door Tom van Moll

Paramaribo – De een is geboren in Paramaribo, maar woont en werkt in Rotterdam. De ander zag in Den Haag het levenslicht en vestigde zich in 1978 in Lelydorp. Beeldend kunstenaars Charl Landvreugd en Nicholaas Porter zijn op het eerste gezicht geen schoolvoorbeelden van Caribische artiesten. Toch heeft hun werk een plaats gekregen in het Caribische kunstmagazine ARC Magazine.

De vijfde editie van het blad, dat halfjaarlijks uitkomt, werd vorige week gepresenteerd in Fort Zeelandia tijdens het de conferentie van de Association of Caribbean Women Writers and Scholars (ACWWS). Landvreugd wordt daarin belicht met een uitgebreid interview, Porter met een kleinere showcase. Wat maakt hun werk volgens het tijdschrift tot Caribische kunst? Als er al zoiets bestaat.

Persoonlijke hybriden

Holly Bynoe, hoofdredacteur van ARC Magazine, motiveert na afloop van de presentatie haar keuze: “Er is niet één Caribische kunst, er zijn vele vormen. In de Cariben komen immers culturen uit alle windstreken samen.” Porter en Landvreugd belichamen wat zij noemt ‘persoonlijke hybriden’. Ze gebruiken in hun werk Afrikaanse onderwerpen vanuit een Surinaamse context en plaatsen die in een Westerse kunsttraditie. Daarom passen zij in het thema ‘Concepts of power, identity, interpretations of creolisation and belonging’.

Juist de exponenten van de Afrikaanse diaspora in Europa, zoals Landvreugd, zijn in die context bijzonder, volgens Bynoe. “Zwarten in Europa identificeren zich met het land waarin ze leven, in tegenstelling tot in de rest van de wereld, zoals in de Verenigde Staten, waar ze hun zwart-zijn voorop stellen.” Dat beeld bevestigt Landvreugd: “Ik ben eerst Nederlander, dan zwart.” Hoewel hij zelf de term Caribische kunst geografische definieert, herkent Landvreugd zich weldegelijk in Bynoes beschrijving. “Ik denk dat mijn kunst past in de grotere lijn van Afrikaanse diaspora en daar maken de Cariben een deel van uit.”

Referentiekader

Porter is juist blank in Suriname, maar gebruikt ook veelvuldig de zwarte man als onderwerp. Hij verafschuwt het echter als zijn kunst Surinaams of Caribisch wordt gezien. “Kunst moet universeel zijn. De kunstenaar zelf is het referentiekader. Je moet van jezelf uitgaan en van wat je wilt delen met een ander. “Maar dat is volgens Landvreugd een vrijheid die je alleen kunt nemen als je een witte heteroseksuele man bent. “Het maakt niet uit wat ik maak. A: het zal altijd gelezen worden als het werk door een zwarte man en B: het wordt zonder de culturele achtergrond van die zwarte man in acht te nemen, direct in de westerse canon geplaatst, om te kijken hoe het daar in past.”
Het hele principe ‘kunst’ is nu eenmaal een Europese uitvinding. “Want wat wij Afrikaanse kunst noemen, dat was geen kunst, dat waren gebruiksvoorwerpen. Pas als de danser zo’n masker op heeft en die raakt begeesterd, dan pas wordt dat masker wat. Tot die tijd is het een object, niet waardig om op een verhoging te zetten om ernaar te kijken. Dat is echt een westerse gedachte.”

Vrijheid

Omdat kunst van een niet-Europeaan altijd langs een Europese maatstaf gelegd zal worden, wordt de kunstenaar volgens Landvreugd altijd in zijn vrijheid beperkt, al heeft hij zelf het idee dat hij die vrijheid steeds meer kan nemen. Bynoe vult aan dat Caribische kunstenaars daarnaast ook nog eens moeten vechten tegen het stigmatiserende adagium Sun, rum, sea and sex, dat door de private sector en de overheid uit economische motieven gepropageerd wordt. Bynoe: “Door die politieke realiteit geven Caribische kunstenaars zichzelf nog niet de vrijheid, de toestemming om te scheppen.” Die beperkingen kunnen echter niet doorbroken worden door een inwaartse blik, die volgens haar de kunst in de regio domineert. “Ik heb het gehad met die zoektocht naar identiteit. Die houding leidt immers tot herhaling.” Of, zoals ze in de paper stelt die ze tijdens de conferentie presenteerde: “de regio kan alleen een belangrijke intellectuele toekomst tegemoet zien als het bewust de strijd aangaat en voortborduurt op die zelfformulering.”

Caribische ogen

Landvreugd denkt echter dat het daarvoor nog te vroeg is. Er moet immers eerst sprake zijn van een canon aan kenmerkende kunstwerken, waaraan men kan refereren om te bepalen wat nu typische en goede Caribische kunst is, voordat die zich kan ontwikkelen. “Na de afschaffing van de slavernij zijn we 150 jaar verder, voordat er met jongens als Marcel Pinas iets gebeurt waarvan je zegt, hé dit is specifiek Caribisch, specifiek Surinaams, wat zeg ik, specifiek Ndjoeka. Zo specifiek is het nog nooit geweest. Nu heb je referentiemateriaal. “Pas nu er een grotere productie is in de regio kan er volgens Landvreugd aan die canon gewerkt worden, waarmee bepaald kan worden of een werk goed is of niet. “Maar”, benadrukt hij, “kunst zoals wij kunst zien, wordt nooit niet-Europees. Het enige dat kan gebeuren is dat de manier waarop we naar kunst kijken kan veranderen. Dat is natuurlijk wat ARC probeert te doen, dat probeert de Caribische ogen te openen, om te weten op welke manier we dan wél naar dat werk moeten kijken.”.

[uit de Ware Tijd, 19/05/2012]

Wat Multatuli, Daum en Couperus ons niet vertelden

Alfred Birney maakt in De dubieuzen duidelijk dat de literaire canon dodelijk is geweest voor het beeld dat wij nu van de koloniale literatuur hebben en dus ook van de rol van de Indo in de geschiedenis.

door Ezra de Haan

Het valt Alfred Birney op dat onze geschiedenis, in het bijzonder de koloniale en postkoloniale geschiedenis, is verworden tot iets voor freaks, vooral waar verhalende literatuur als bronnenmateriaal gebruikt wordt. Alles wat voor de Tweede Wereldoorlog gebeurde lijkt in het vergeetboek terecht te zijn gekomen. Pijnlijk vooral voor bevolkingsgroepen in Nederland zoals de Indo’s. Birney wijst op de ‘minder fraaie episodes’ in onze geschiedenis en het feit dat Nederland geen postkoloniaal debat heeft gekend, in tegenstelling tot Frankrijk, Engeland en Amerika. Blijkbaar probeerde men zo de eeuwenlange moordpartijen in Indonesië en de vele andere zwarte bladzijden van de vaderlandse geschiedenis onder het tapijt te vegen.

Lees hier de hele recensie op Literatuurplein.nl

De Dubieuzen van Alfred Birney werd op 20 april 2012 gepresenteerd. Klik hier voor meer info.

De ‘zwarte canon’ is nergens voor nodig

door Elma Drayer

In oktober 2006 verscheen de Canon van Nederland. De toenmalig minister van onderwijs had aan de commissie-Van Oostrom de opdracht gegeven om nationale gebeurtenissen te verzamelen waarvan elk kind aan het eind van de basisschool weet moest hebben. Juist in die jaren stond ons gebrekkig historisch bewustzijn volop in de belangstelling. Zo’n canon, was de gedachte, zou dat euvel op termijn verhelpen.

De commissie kwam met vijftig zogeheten ‘vensters’ die bij elkaar ‘de goudgerande basiskennis omtrent de cultuurgeschiedenis’ bevatten. En uiteraard was de inkt nog niet droog of het gekrakeel barstte los. De een vond dat de canon te weinig vrouwen telde, de ander dat Annie M.G. Schmidt er niet in had gemogen, een derde meende dat Pim Fortuyn ten onrechte ontbrak, bèta’s misten bètawetenschappers, Limburgers eisten meer aandacht voor de Limburgers, Friezen voor de Friezen.

Voor zover ik me herinner was er evenwel destijds niemand die klaagde dat de canon ‘de zwarte bladzijden’ in onze geschiedenis opzettelijk verzweeg. Dat zou ook tamelijk mal zijn geweest. De commissie legde immers geen enkele preutsheid aan de dag: Jodenvervolging, slavernij, Srebrenica – ze kwamen keurig langs. Als de canon eenmaal was ingevoerd, kortom, zouden alle twaalfjarigen van Nederland voortaan weten dat ons verleden niet alléén glorieus was geweest.

Maar zie. Onlangs bleek dat de commisie-Van Oostrom broddelwerk heeft afgeleverd – althans volgens historicus Chris van der Heijden. Vorige week [tweede week maart 2012 – red CU]  publiceerde hij in De Groene Amsterdammer ‘De zwarte canon’, en haalde daarmee nog het nieuws ook. De officiële canon zorgt er volgens hem voor dat wij onze historie veel te rooskleurig bezien: die bevat ‘bijna uitsluitend’ gebeurtenissen waarop wij ‘trots’ kunnen zijn. ‘Een schadelijke leugen’ noemde hij dat in Het Parool. Een verklaring wist hij ook: wij kunnen namelijk ‘niet zo goed omgaan met de mindere kanten van onze geschiedenis’.

O nee? In 2008 hielden het Historisch Nieuwsblad en de Volkskrant de zogeheten ‘Geschiedenismonitor’ – een peiling die de historische kennis testte van een ‘representatieve’ groep Nederlanders. Interessant was niet zozeer dat de deelnemers bedroevend scoorden op feitenkennis; daarvoor werd per slot die canon in het leven geroepen. Interessant was dat zij zich uitbundig bleken te schamen over de zwarte bladzijden uit de nationale geschiedenis: de slavenhandel, het koloniale tijdperk, het gebrek aan verzet tegen de bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog. Netjes dus, zoals het volgens Van der Heijden hoort.

Nog curieuzer is wat hij in de toelichting op de zwarte canon betoogt. Daarin berispt hij op hoge toon zijn collega’s, die volgens hem te weinig beseffen dat geschiedschrijving ‘gemaskeerde actualiteit’ is. Geschiedenis gaat ‘slechts ten dele’ over het verleden en ‘misschien nog wel meer’ over het heden. Dat lijkt me, met alle respect, een open deur van jewelste. En zelf denkt hij op mysterieuze wijze aan deze verblinding te kunnen ontsnappen?

Het geestige is natuurlijk dat juist zijn onderneming de tijdgeest trouwhartig weerspiegelt: wij dienen ons diep te schamen over de misstappen onzer voorvaderen – tot in het zoveelste geslacht. Wie daar wat precies mee opschiet, blijft de interessante vraag.

[uit Trouw, 15-3-2012]

Historicus wil zwarte canon

Historicus Chris van der Heijden pleit voor een zwarte canon van de Nederlandse geschiedenis. Hij vindt dat de huidige canon van vijftig gebeurtenissen en zaken voorbijgaat aan gebeurtenissen waar Nederland niet trots op kan zijn.

Van der Heijden schrijft in de Groene Amsterdammer dat de lijst, die in 2006 werd opgesteld, een verkeerde indruk geeft. “Het verdonkeremanen of onder de pet houden van ongunstige informatie over onszelf is niet respectabel”, aldus de historicus.

Moorden

Van der Heijden benadrukt dat alleen slavernij en Srebrenica de canon hebben gehaald. Voor de rest komen er alleen gebeurtenissen aan bod “waarop ‘wij’ trots kunnen zijn”.
De historicus vindt dat ook bijvoorbeeld de politionele acties in Indonesië een plaats moeten krijgen op de lijst, net als de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh.
Ook de omgang van Nederlanders met joden zou deel moeten uitmaken van de canon. Van der Heijden wijst op het feit dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog relatief veel joden zijn weggevoerd en vermoord. Verder noemt hij het naoorlogse antisemitisme.

Kritiek

Van der Heijden is van plan zelf een boekje uit te brengen met gebeurtenissen die passen in een zwarte canon. Het boekje wordt op zijn vroegst eind dit jaar uitgegeven.
Professor Van Oostrom, die voorzitter was van de commissie die de canon heeft samengsteld, is het niet eens met de kritiek van Van der Heijden. Volgens hem staan er zeker niet alleen maar positieve gebeurtenissen en zaken in de canon. Een aantal negatieve gebeurtenissen zijn verwerkt in grotere thema’s, benadrukt Van Oostrom.

Conferentie Neerlandistiek in het Caribisch gebied

Op 22, 23 en 24 november 2011 vindt aan de Universiteit van Aruba in Oranjestad de conferentie Neerlandistiek in het Caribisch gebied plaats. De primaire doelstelling van deze conferentie is het oprichten van een platform van neerlandici in het Caribisch gebied die op regelmatige basis overleg voeren over hun onderwijs en onderzoek. Daarnaast beoogt de conferentie met een publicatie van bijdragen een canon te creëren die als basis kan dienen voor verder onderzoek. Het is de doelstelling deze conferentie elke twee jaar te herhalen op andere plaatsen binnen de regio.

De deelnemers aan de bijeenkomst zijn personen die Nederlands doceren aan een universiteit, hogeschool of lerarenopleiding. De onderzoeksgebieden omvatten literatuur, taalkunde, taalbeheersing en taaldidactiek.

Programma
Dinsdag 22 november 2011
15.00 – 16.30 registratie en ontvangst deelnemers
17.00 – 18.30 openingslezing Kadar Abdolah, aansluitend receptie
19.00 – diner in restaurant The Old Fisherman
Woensdag 23 november 2011
09.30 – 12.00 literatuur in Caribisch gebied
12.15 – 13.45 lunch
14.00 – 16.30 didactiek Nederlands als vreemde taal
17.30 – 19.30 culturele wandeling in Oranjestad
Donderdag 24 november 2011
09.30 – 12.00 taalkunde en taalbeheersing
12.15 – 13.45 lunch
14.00 – 15.30 oprichting platform Neerlandistiek in het Caribisch gebied
16.00 – 17.00 slotlezing Jan Renkema
19.00 – diner in restaurant Old Cunucu House

De deelnemers
Kader Abdolah
Lisette Agatha Universiteit van Curaçao
Bernadette Bérénos Universiteit van Curaçao
Helen Chang Instituut voor de Opleiding van Leraren Suriname
Eveliene Coenen Dienst Onderwijs Bonaire
Mariska Dias Universiteit van Sint Maarten
Elisabeth Echteld Universiteit van Curaçao
Lila Gobardan-Rambocus Instituut voor de Opleiding van Leraren Suriname
Hedy Goeldjar – IJvel Instituut voor de Opleiding van Leraren Suriname
Johannetta Gordijn Dienst Onderwijs Bonaire
Kitty Groothuijse Universiteit van Aruba
Elisabeth D’Halleweyn Nederlandse Taalunie
Preetema Jong A Lock – Pahladsingh Instituut voor de Opleiding van Leraren Suriname
Kitty Leuverink Nederlandse Taalunie
Eric Mijts Universiteit van Aruba
Hilde Neus Instituut voor de Opleiding van Leraren Suriname
Joyce Pereira Universiteit van Aruba
Carola Peeters Directie Onderwijs Aruba
Vanessa Pietersz Directie Onderwijs Aruba
Jan Renkema Internationale Vereniging voor Neerlandistiek
Tjits Roselaar Internationale Vereniging voor Neerlandistiek
Wim Rutgers Universiteit van Curaçao
Ronnie Severing Nederlandse Taalunie Curaçao
Audrey Tromp-Wouters Directie Onderwijs Aruba
Christa Weijer Nederlandse Taalunie Curaçao
Merlynne Williams Instituto Pedagogico Arubano (IPA)

Georganiseerd door de Universiteit van Aruba
Mede mogelijk gemaakt door de Nederlandse Taalunie & Vertegenwoordiging Nederland

Vooys over hoge en lage cultuur

Slauerhoff versus Stieg Larsson, Bach versus Bauer, Rothko versus graffitikunstenaar Laser 3.14. Hoge versus lage cultuur. Hoewel het onderwerp inmiddels wat uitgekauwd lijkt, kon de redactie van het literair-wetenschappelijk tijdschrift Vooys er goed mee uit de voeten. Er staat genoeg lezenswaardig in het jongste (dubbele) themanummer dat gaat over hoge en lage cultuur, over kwaliteit en populariteit. Bijzonder hoogleraar West-Indische letterkunde en kenner van de Surinaamse literatuur Michiel van Kempen vergelijkt puntsgewijs (en met veel voorbeelden) literaire canonvorming in Suriname en de Antillen met die in Nederland.

Lees hier verder op De Papieren Man

Doorbroken patronen op Praagse Perspectieven 7

Op donderdag 24 en vrijdag 25 maart 2011 vindt het jaarlijkse colloquium van de Sectie Nederlands van de Karelsuniversiteit in Praag (Tsjechië) plaats. Thema: Doorbroken patronen.

Locatie: Oostenrijks Cultureel Forum
Jungmannovo Náměstí 18, Praag 1
Bibliotheek, 1e verdieping
(metro Můstek, lijn A).

Programma
Donderdag 24 maart 2011
Doorbroken patronen in de taalkunde

9.00-9.30 Ontvangst met koffie
9.30-9.45 Opening
9.45-10.30 1e lezing: Jan Stroop (UvA), Waar gaat het Nederlands naar toe?
10.30-11.00 Koffiepauze
11.00-11.45 2e lezing: Matthias Hüning (FU Berlijn), Doorbroken patronen in de morfologie.
11.45-13.30 Middagpauze.
13.30-14.15 3e lezing: Ewa Jarosinska (Univ.Warschau), Buiten de tang – regel of regeldoorbreking?
14.15-15.00 4e lezing: Frank Jansen (UU), Helpen kettingpatronen om spannender te schrijven?
15.00-17.00 workshop voor studenten door Marcel Ištván (KU Praag).
Sluiting

.

Vrijdag 25 maart 2011
Doorbroken verwachtingen in de letterkunde

9.00- 9.30 Ontvangst met koffie
9.30 Opening
9.30-10.15 1e lezing: Elke Brems (KU Leuven), “Uw boek ligt in mijn kachel te branden”. Walschaps Adelaïde als splijtzwam van de katholieke literatuur.
10.15-11.00 2e lezing: Aad Meinderts (LM Den Haag), Anna Blaman en haar roman Eenzaam Avontuur onder vuur.
11.00-11.30 Koffiepauze
11.30-12.15 3e lezing: Ralf Grüttemeier (Univ.Oldenburg), Het proces n.a.v. Ik heb altijd gelijk en de autonomie van literatuur. Maar welke?
12.15-14.15 middagpauze.
14.15-15.00 4e lezing: Michiel van Kempen (UvA) [foto rechts], Champagne tussen de melkflessen; Robert Vuijsje  en de boze buitenwereld.
15.00-17.00 workshop voor studenten van Michiel van Kempen over het verschil tussen de westerse en niet-westerse canon.
17.00 Sluiting

Het literair canon; Over westerse en niet-westerse canonvorming

Bijzondere lezing voor de Illustere School door prof. dr Michiel van Kempen

Nederlandse uitgevers weten het maar al te goed: de beste garantie voor een goede boekverkoop is positieve recensies in minstens NRC Handelsblad, de Volkskrant en Vrij Nederland. Daar begint de lange weg die er uiteindelijk toe kan leiden dat een boek op enig moment deel gaat uitmaken van de literaire canon, de collectie geijkte ‘klassieke’ teksten. Literatuurgeschiedenissen, bloemlezingen en schoolboeken moeten vervolgens hun werk doen.

Maar in niet-westerse landen met een beperkte literaire infrastructuur volgt de canonvorming heel andere wegen. Literaire kritieken doen er niet zoveel toe en eigen schoolboeken zijn er nauwelijks. Maar wat wel belangrijk is, is uit wat voor een familie een auteur komt. Welke omstandigheden brengen een boek in de aandacht? Hoe moeten die factoren worden gewogen? En waarom is er tegenwoordig wel aandacht voor een verschijnsel dat tot voor kort zelfs totaal niet bestond: de niet-westerse canon. Suriname en de Nederlands-Caraïbische koninkrijksdelen vormen de casus voor deze vragen.

Over de spreker
Prof. dr Michiel van Kempen is bijzonder hoogleraar West-Indische letteren aan de Universiteit van Amsterdam, vanwege de Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS).

Datum: donderdag 10 maart 2011
Tijd: 17.15 – 18.30 uur
Locatie: Centrum SPUI25, Spui 25, Amsterdam
Toegang gratis
Wel vooraf aanmelden door hier te klikken

Website SPUI25 http://www.spui25.nl/

Boeken in Suriname vaak beneden de maat?

 

door Ruth San A Jong

[Bezocht de discussieavond tijdens het literaire festival Wan tru puwema na wan skreki sani! in Paramaribo op vrijdag 4 november en schreef onderstaande impressie.]

Ruth San A Jong

Ruth San A Jong

Hoewel ik alleen het tweede deel van de discussie heb meegemaakt, vond ik het jammer dat de discussieleider de discussie niet in de juiste banen leidde. Er werd m.i. niet goed geluisterd naar elkaar (door zowel panel als publiek). Vragen werden gesteld die helemaal en alleen maar over de Surinaamse situatie gingen. En dan zaten de gasten erbij en keken ernaar. Ik had liever geluisterd naar de ervaringen met die meertaligheid van Curaçao en België, dan praten over beïnvloeding van Nederlandse fondsen en het wel of niet verkopen van Surinaamse kinderboeken! En wel of niet opgenomen zijn in de literaire canon in Suriname. Het ministerie (curriculumontwikkeling) heeft wel degelijk een literaire canon, alleen zijn er HEEL weinig boeken van de nieuwe generatie auteurs in opgenomen.

Waarom? Vanwege de literaire eisen waaraan de boeken niet voldoen. En daar is met geen woord over gerept. Wat is de thematiek die kinderen van nu boeit? Zijn de verhalen spannend genoeg? Hoe zit het met de illustraties en vormgeving? Waarom grijpen kinderen niet naar de Surinaamse boeken en wel naar de buitenlandse? Laten we onszelf niet voor de gek houden: je vult geen bibliotheek met alleen Surinaamse boeken, en willen kinderen alleen maar de bekende verhalen horen?

Het is misleidend om steeds te zeggen dat Suriname overspoeld wordt met boekenschenkingen vanuit Nederland. Zijn we niet allen groot geworden met deze boeken? Er is wel degelijk verandering in beleid van schenkingen. Het Cultureel Centrum Suriname heeft haar collectie compleet veranderd met de steun van Ontwikkelingssamenwerking. De universiteitsbibliotheek heeft regelmatig afwijzingen van schenkingen uit privécollecties of bibliotheken die hen regelmatig benaderen. Men vraagt gericht en alle oude boeken die stamden uit de jaren zeventig zijn vervangen. Het is bekend dat er in Suriname veel boeken worden gelezen van niet-westerse auteurs. Heeft men ook niet door dat zoveel boeken over en geschreven door Surinaamse auteurs in Nederland worden gepubliceerd en dan hier terecht komen? Waarom worden de boeken die hier worden geproduceerd en geschreven minder gelezen? Omdat de originaliteit en de doorsnee thematiek ‘outdated’ is, omdat verhalen onrijp zijn. Waar zijn al de verrassende, vernieuwende ideeën? Geen wonder dat het ministerie van Onderwijs nog steeds de boeken van de vorige generatie op de lijst heeft; die zijn didactisch en literair verantwoord. Gaan we daarover ook een discussie hebben wat literair verantwoord is?

Astrid Roemer, Bea Vianen, Shrinivási, Leo Ferrier ˗ allen auteurs van de vorige generatie ˗ komen nog steeds voor op de verplichte lijsten. De enige namen die in de canon voorkomen zijn Cynthia McLeod, Clark Accord en Karin Amatmoekrim. Gaan jullie voorbij aan de in eigen beheer uitgegeven boeken die zo uit de laserprinter komen, gecorrigeerd door een taaljuf, met laminaat erom? De enige uitgever in Suriname, VACO Press, geeft geen fictie meer uit, om de simpele reden, dat het aanbod aan fictiemanuscripten niet voldoet aan de minimale conventies voor publiceren.

Is de oorzaak hiervan de meertaligheid? Ja, en ook! We praten allemaal Surinaams-Nederlands en schrijven ook zo. Als ik schrijf: ‘zak de tv’ gaat de juf er met een rode pen doorheen. Waarom is het fout? Omdat ik vanuit het Sranan ‘Saka a tv’ die vertaalslag in mijn hoofd heb gemaakt. Is er een Surinaamse taalwet die hier iets over zegt? NEE! Geen behoorlijk taalbeleid en eenduidigheid van wat Surinaams-Nederlands precies is en wat de regels van die taal, of minimale conventies zijn. Jammer nogmaals dat het verband tussen het geringe aantal boeken van Surinaamse auteurs in relatie tot wat literair verantwoord wordt geacht door het ministerie van Onderwijs niet zijn besproken. Meertaligheid speelt zeker een rol hier in. Op school blijven we het ABN hanteren, maar de spreektaal is Surinaams-Nederlands. En dat is de consequentie van die meertaligheid. Ik vind dat we verder moeten denken dan alleen maar gillen dat onze boeken niet worden gekocht door Surinamers. De overheid gaat pas meer doen als de boeken van hier de moeite waard zijn.

Rondetafelconferenties over Surinaamse literatuur

Op initiatief van het Directoraat Cultuur en de Trefossastichting worden momenteel voorbereidende gesprekken gevoerd met stakeholders in het literaire veld om te komen tot rondetafelconferenties over Surinaamse literatuur. De initiatiefnemers hebben een breed gezelschap uitgenodigd om te brainstormen over de inhoud van de conferenties. Hierbij zijn vertegenwoordigers uit het veld van deskundigen op het gebied van verschillende Surinaamse talen, neerlandici, bibliothecarissen, boekhandelaren, culturele groepen die zich bezig houden met literaire kunst. S’77 wordt vertegenwoordigd door Rappa. Een van de eerste onderwerpen die aan bod zal komen is een Surinaams literair canon.

[Bericht van Schrijversgroep ’77]

De West in Hongarije

door Michiel van Kempen

 

De Néderlandisztika Tanszék, oftewel de afdeling Nederlands van de Universiteit van Debrecen in Oost-Hongarije, huist in een monumentaal gebouw dat in de nadagen van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie werd neergezet. Ongetwijfeld voelen de studenten – de universiteit telt er 30.000 in totaal – op hun royale campus dat ze bij de onderwijstop van hun land horen. In de nazomerzon slenteren ze graag langs de grote fonteinenpartij of zitten op de trappen een sigaretje te roken (mijn indruk is dat er veel straffer gerookt wordt dan in Nederland). Toch zijn de studenten allerminst verwende rijkeluiskinderen: de colleges beginnen om 8 uur ’s ochtends en gaan met enkele kortere pauzes non stop door tot 8 uur ’s avonds.

Onlangs is er nieuw Erasmus-uitwisselingsverdrag tussen de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit van Debrecen gesloten, dat het mogelijk maakt dat docenten over en weer voor een periode komen doceren. En zo gewerd mij de eer als eerste een uitnodiging te mogen ontvangen van Dr. Gábor Pusztai, die de afdeling Nederlands leidt. Verschillende keren kreeg ik de verbaasde vraag als ik vertelde dat ik in Debrecen een cursus Nederlands-Caraïbische literatuur ging geven: ‘Maar zijn ze daar in Hongarije in geïnteresseerd dan?’ Jazeker, juist in kleinere landen waar ook Nederlands gestudeerd kan worden, is er een bijzonder belangstelling voor de ‘randgebieden van het Nederlands’; voor de koloniale literaturen van Nederland dus. Mogelijk omdat men vanuit de eigen positie in de neerlandistiek extra muros veel van de relatieve marginaliteit van de koloniale literaturen tegenover het ‘centrum’ Nederland herkent.
Een vakgroep Nederlands als die in Debrecen hoort natuurlijk tot de kleinere afdelingen van Hongarijes tweede universiteit. Dat verschaft de colleges direct een bijzondere intimiteit. We scharen ons rond een tafel in de bibliotheekruimte waar een video staat opgesteld. De groepen die ik college moet geven, zijn klein en dan ook nog enigszins uitgedund omdat sommige studenten stage lopen in Nederland. Ik realiseer me maar al te goed hoe razend moeilijk het Nederlands moet zijn voor iemand uit de Finnisch-Oegrische taalfamilie. De voordehandliggende wijze waarop in veel andere westerse landen praktisch iedereen zich van het Engels bedient, is in Hongarije vrijwel afwezig. Oudere taxichauffeurs spreken een mondje Duits, maar hippe jongeren die ik op straat de weg vraag in het Duits en het Engels, halen onverschillig de schouders op en lopen door. ‘Wij zijn een trots volk,’ verklaart een Hongaar met wie ik de lange busreis van Boedapest naar Debrecen maak.
De taal- en cultuursituatie van Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba is complex, en ik betwijfel of de braaf jaknikkende tweedejaarsstudenten, die net één jaar Nederlands gehad hadden, het hele relaas kunnen volgen. Een gelukkige greep is dan weer de film Brokopondo, verhalen van een verdronken land van John Albert Jansen. De Saramakaanse dichter/schrijver Dorus Vrede vertelt daarin hoe de Saramakaner marrons van hun geboortegrond werden verdreven, toen het stuwmeer in midden-Suriname werd aangelegd. Ik snap maar al te goed hoe ‘exotisch’ een tropenkolonie met enthousiast dansende marrons moet overkomen voor dit publiek uit centraal Europa. Maar voor Dorus Vrede is het Nederlands óók een aangeleerde taal en hij praat langzaam en plechtig, staande in zijn korjaal midden op het van Blommesteijn-stuwmeer op de plaats waar ooit zijn geboortedorp Lombe lag.
De dagen vliegen om. Ik vertel over de slavernij en ja, natuurlijk over die ene Hongaar die de geschiedenisboeken van de West heeft gehaald: Frans Pavel Killinger die in 1910 een poging tot staatsgreep deed in Suriname. De derdejaars lezen de allereerste tekst van een migrant uit de West die naar Europa trok: Mijn aap schreit van Albert Helman. En de tweedejaars mogen zien hoe de vorming van de canon van klassieke teksten heel anders in zijn werk gaat in de West dan hier in Hongarije – ze hebben trouwens enorme moeite om zelf met de naam te komen van een Hongaarse winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur.
Het is 8 uur ’s avonds, ik heb beamer en laptop ingepakt, papieren geordend en merk tot mijn stomme verbazing dat er helemaal niemand meer aanwezig is. Ik doe de lichten uit, draai de deur op slot en een seconde gaat de gedachte door me heen dat ik als allerlaatste vlaggendrager van de Nederlandse cultuur en haar voormalige koloniën hier, bijna in Transsylvanië, het allerlaatste betoog heb afgestoken. Maar maandagochtend om 8 uur staan de studenten weer vol goede moed voor de deur van het instituut Nederlands in Debrecen.

Trefossa en de canon

De informatie die de Surinaamse Schrijversgroep ’77 dankzij de altijd nijvere Ismene Krishnadath maandelijks rondstuurt, is een belangwekkende bron van informatie over activiteiten die in Suriname plaatsvinden. Iets merkwaardigs staat er echter in de aflevering van 31 mei j.l. Onder de kop ‘Trefossalezing gepubliceerd’ wordt gemeld:

Hein Eersel verzorgde in de aula van Self Reliance de eerste Trefossalezing in 2009, Canon, Cultuur en Vertaling. Hierin betoogde Eersel het belang van een eigen canon voor Suriname, omdat de culturele invalshoek van waaruit literatuur beoordeeld en gewaardeerd erg belangrijk is. Een canon is belangrijk omdat het richtinggevend is voor het literatuuronderwijs. In Suriname bestaat er veel onduidelijkheid over de literaire canon. De publicatie van de lezing mag dan ook gezien worden als een belangrijke bijdrage tot realisatie van een canon.

Het staat er allemaal reuze serieus en het lijkt logisch – lijkt, want er is hier toch een misverstand in het spel. Wie horen er tot de canon van de Surinaamse letteren (d.w.z. de groep teksten die wordt beschouwd als vaste waarden in de Surinaamse letteren en die erkenning hebben gekregen in bloemlezingen, literatuurgeschiedenissen en in het onderwijs). Voor het proza zou je kunnen zeggen: Albert Helman, en zeker nog een handvol: Leo Ferrier, Bea Vianen, Edgar Cairo, Astrid Roemer. En voor de poëzie: laat ik nu eens geen namen noemen, maar een weddenschap afsluiten: als 10 mensen die iets afweten van de Surinaamse literatuur elk een lijstje zouden moeten samenstellen van de 5 belangrijkste dichters, dan zou op GEEN van die lijstjes Trefossa staan. Hoeveel onduidelijkheid er misschien ook mag bestaan over de literaire canon in Suriname: er is geen zinnig mens die zal beweren dat Trefossa daar niet bij hoort. Dus wat de tekst van Eersel ook mag zijn, “een belangrijke bijdrage tot realisatie van een canon” kan het niet zijn, want Trefossa is misschien wel het hart van die canon.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter