blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: canon

Doorbroken patronen op Praagse Perspectieven 7

Op donderdag 24 en vrijdag 25 maart 2011 vindt het jaarlijkse colloquium van de Sectie Nederlands van de Karelsuniversiteit in Praag (Tsjechië) plaats. Thema: Doorbroken patronen.

Locatie: Oostenrijks Cultureel Forum
Jungmannovo Náměstí 18, Praag 1
Bibliotheek, 1e verdieping
(metro Můstek, lijn A).

Programma
Donderdag 24 maart 2011
Doorbroken patronen in de taalkunde

9.00-9.30 Ontvangst met koffie
9.30-9.45 Opening
9.45-10.30 1e lezing: Jan Stroop (UvA), Waar gaat het Nederlands naar toe?
10.30-11.00 Koffiepauze
11.00-11.45 2e lezing: Matthias Hüning (FU Berlijn), Doorbroken patronen in de morfologie.
11.45-13.30 Middagpauze.
13.30-14.15 3e lezing: Ewa Jarosinska (Univ.Warschau), Buiten de tang – regel of regeldoorbreking?
14.15-15.00 4e lezing: Frank Jansen (UU), Helpen kettingpatronen om spannender te schrijven?
15.00-17.00 workshop voor studenten door Marcel Ištván (KU Praag).
Sluiting

.

Vrijdag 25 maart 2011
Doorbroken verwachtingen in de letterkunde

9.00- 9.30 Ontvangst met koffie
9.30 Opening
9.30-10.15 1e lezing: Elke Brems (KU Leuven), “Uw boek ligt in mijn kachel te branden”. Walschaps Adelaïde als splijtzwam van de katholieke literatuur.
10.15-11.00 2e lezing: Aad Meinderts (LM Den Haag), Anna Blaman en haar roman Eenzaam Avontuur onder vuur.
11.00-11.30 Koffiepauze
11.30-12.15 3e lezing: Ralf Grüttemeier (Univ.Oldenburg), Het proces n.a.v. Ik heb altijd gelijk en de autonomie van literatuur. Maar welke?
12.15-14.15 middagpauze.
14.15-15.00 4e lezing: Michiel van Kempen (UvA) [foto rechts], Champagne tussen de melkflessen; Robert Vuijsje  en de boze buitenwereld.
15.00-17.00 workshop voor studenten van Michiel van Kempen over het verschil tussen de westerse en niet-westerse canon.
17.00 Sluiting

Het literair canon; Over westerse en niet-westerse canonvorming


De Surinaamse dichter Shrinivási (Martinus Lutchman) in zijn huis in Paramaribo

 

Bijzondere lezing voor de Illustere School door prof. dr Michiel van Kempen

Nederlandse uitgevers weten het maar al te goed: de beste garantie voor een goede boekverkoop is positieve recensies in minstens NRC Handelsblad, de Volkskrant en Vrij Nederland. Daar begint de lange weg die er uiteindelijk toe kan leiden dat een boek op enig moment deel gaat uitmaken van de literaire canon, de collectie geijkte ‘klassieke’ teksten. Literatuurgeschiedenissen, bloemlezingen en schoolboeken moeten vervolgens hun werk doen.

Maar in niet-westerse landen met een beperkte literaire infrastructuur volgt de canonvorming heel andere wegen. Literaire kritieken doen er niet zoveel toe en eigen schoolboeken zijn er nauwelijks. Maar wat wel belangrijk is, is uit wat voor een familie een auteur komt. Welke omstandigheden brengen een boek in de aandacht? Hoe moeten die factoren worden gewogen? En waarom is er tegenwoordig wel aandacht voor een verschijnsel dat tot voor kort zelfs totaal niet bestond: de niet-westerse canon. Suriname en de Nederlands-Caraïbische koninkrijksdelen vormen de casus voor deze vragen.

Over de spreker
Prof. dr Michiel van Kempen is bijzonder hoogleraar West-Indische letteren aan de Universiteit van Amsterdam, vanwege de Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS).

Datum: donderdag 10 maart 2011
Tijd: 17.15 – 18.30 uur
Locatie: Centrum SPUI25, Spui 25, Amsterdam
Toegang gratis
Wel vooraf aanmelden door hier te klikken

Website SPUI25 http://www.spui25.nl/

Boeken in Suriname vaak beneden de maat?

 

door Ruth San A Jong

[Bezocht de discussieavond tijdens het literaire festival Wan tru puwema na wan skreki sani! in Paramaribo op vrijdag 4 november en schreef onderstaande impressie.]

Ruth San A Jong

Ruth San A Jong

Hoewel ik alleen het tweede deel van de discussie heb meegemaakt, vond ik het jammer dat de discussieleider de discussie niet in de juiste banen leidde. Er werd m.i. niet goed geluisterd naar elkaar (door zowel panel als publiek). Vragen werden gesteld die helemaal en alleen maar over de Surinaamse situatie gingen. En dan zaten de gasten erbij en keken ernaar. Ik had liever geluisterd naar de ervaringen met die meertaligheid van Curaçao en België, dan praten over beïnvloeding van Nederlandse fondsen en het wel of niet verkopen van Surinaamse kinderboeken! En wel of niet opgenomen zijn in de literaire canon in Suriname. Het ministerie (curriculumontwikkeling) heeft wel degelijk een literaire canon, alleen zijn er HEEL weinig boeken van de nieuwe generatie auteurs in opgenomen.

Waarom? Vanwege de literaire eisen waaraan de boeken niet voldoen. En daar is met geen woord over gerept. Wat is de thematiek die kinderen van nu boeit? Zijn de verhalen spannend genoeg? Hoe zit het met de illustraties en vormgeving? Waarom grijpen kinderen niet naar de Surinaamse boeken en wel naar de buitenlandse? Laten we onszelf niet voor de gek houden: je vult geen bibliotheek met alleen Surinaamse boeken, en willen kinderen alleen maar de bekende verhalen horen?

Het is misleidend om steeds te zeggen dat Suriname overspoeld wordt met boekenschenkingen vanuit Nederland. Zijn we niet allen groot geworden met deze boeken? Er is wel degelijk verandering in beleid van schenkingen. Het Cultureel Centrum Suriname heeft haar collectie compleet veranderd met de steun van Ontwikkelingssamenwerking. De universiteitsbibliotheek heeft regelmatig afwijzingen van schenkingen uit privécollecties of bibliotheken die hen regelmatig benaderen. Men vraagt gericht en alle oude boeken die stamden uit de jaren zeventig zijn vervangen. Het is bekend dat er in Suriname veel boeken worden gelezen van niet-westerse auteurs. Heeft men ook niet door dat zoveel boeken over en geschreven door Surinaamse auteurs in Nederland worden gepubliceerd en dan hier terecht komen? Waarom worden de boeken die hier worden geproduceerd en geschreven minder gelezen? Omdat de originaliteit en de doorsnee thematiek ‘outdated’ is, omdat verhalen onrijp zijn. Waar zijn al de verrassende, vernieuwende ideeën? Geen wonder dat het ministerie van Onderwijs nog steeds de boeken van de vorige generatie op de lijst heeft; die zijn didactisch en literair verantwoord. Gaan we daarover ook een discussie hebben wat literair verantwoord is?

Astrid Roemer, Bea Vianen, Shrinivási, Leo Ferrier ˗ allen auteurs van de vorige generatie ˗ komen nog steeds voor op de verplichte lijsten. De enige namen die in de canon voorkomen zijn Cynthia McLeod, Clark Accord en Karin Amatmoekrim. Gaan jullie voorbij aan de in eigen beheer uitgegeven boeken die zo uit de laserprinter komen, gecorrigeerd door een taaljuf, met laminaat erom? De enige uitgever in Suriname, VACO Press, geeft geen fictie meer uit, om de simpele reden, dat het aanbod aan fictiemanuscripten niet voldoet aan de minimale conventies voor publiceren.

Is de oorzaak hiervan de meertaligheid? Ja, en ook! We praten allemaal Surinaams-Nederlands en schrijven ook zo. Als ik schrijf: ‘zak de tv’ gaat de juf er met een rode pen doorheen. Waarom is het fout? Omdat ik vanuit het Sranan ‘Saka a tv’ die vertaalslag in mijn hoofd heb gemaakt. Is er een Surinaamse taalwet die hier iets over zegt? NEE! Geen behoorlijk taalbeleid en eenduidigheid van wat Surinaams-Nederlands precies is en wat de regels van die taal, of minimale conventies zijn. Jammer nogmaals dat het verband tussen het geringe aantal boeken van Surinaamse auteurs in relatie tot wat literair verantwoord wordt geacht door het ministerie van Onderwijs niet zijn besproken. Meertaligheid speelt zeker een rol hier in. Op school blijven we het ABN hanteren, maar de spreektaal is Surinaams-Nederlands. En dat is de consequentie van die meertaligheid. Ik vind dat we verder moeten denken dan alleen maar gillen dat onze boeken niet worden gekocht door Surinamers. De overheid gaat pas meer doen als de boeken van hier de moeite waard zijn.

Rondetafelconferenties over Surinaamse literatuur

Op initiatief van het Directoraat Cultuur en de Trefossastichting worden momenteel voorbereidende gesprekken gevoerd met stakeholders in het literaire veld om te komen tot rondetafelconferenties over Surinaamse literatuur. De initiatiefnemers hebben een breed gezelschap uitgenodigd om te brainstormen over de inhoud van de conferenties. Hierbij zijn vertegenwoordigers uit het veld van deskundigen op het gebied van verschillende Surinaamse talen, neerlandici, bibliothecarissen, boekhandelaren, culturele groepen die zich bezig houden met literaire kunst. S’77 wordt vertegenwoordigd door Rappa. Een van de eerste onderwerpen die aan bod zal komen is een Surinaams literair canon.

[Bericht van Schrijversgroep ’77]

.

Foto: kanon Fort Nieuw Amsterdam

De West in Hongarije

door Michiel van Kempen

 

De Néderlandisztika Tanszék, oftewel de afdeling Nederlands van de Universiteit van Debrecen in Oost-Hongarije, huist in een monumentaal gebouw dat in de nadagen van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie werd neergezet. Ongetwijfeld voelen de studenten – de universiteit telt er 30.000 in totaal – op hun royale campus dat ze bij de onderwijstop van hun land horen. In de nazomerzon slenteren ze graag langs de grote fonteinenpartij of zitten op de trappen een sigaretje te roken (mijn indruk is dat er veel straffer gerookt wordt dan in Nederland). Toch zijn de studenten allerminst verwende rijkeluiskinderen: de colleges beginnen om 8 uur ’s ochtends en gaan met enkele kortere pauzes non stop door tot 8 uur ’s avonds.

Onlangs is er nieuw Erasmus-uitwisselingsverdrag tussen de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit van Debrecen gesloten, dat het mogelijk maakt dat docenten over en weer voor een periode komen doceren. En zo gewerd mij de eer als eerste een uitnodiging te mogen ontvangen van Dr. Gábor Pusztai, die de afdeling Nederlands leidt. Verschillende keren kreeg ik de verbaasde vraag als ik vertelde dat ik in Debrecen een cursus Nederlands-Caraïbische literatuur ging geven: ‘Maar zijn ze daar in Hongarije in geïnteresseerd dan?’ Jazeker, juist in kleinere landen waar ook Nederlands gestudeerd kan worden, is er een bijzonder belangstelling voor de ‘randgebieden van het Nederlands’; voor de koloniale literaturen van Nederland dus. Mogelijk omdat men vanuit de eigen positie in de neerlandistiek extra muros veel van de relatieve marginaliteit van de koloniale literaturen tegenover het ‘centrum’ Nederland herkent.
Een vakgroep Nederlands als die in Debrecen hoort natuurlijk tot de kleinere afdelingen van Hongarijes tweede universiteit. Dat verschaft de colleges direct een bijzondere intimiteit. We scharen ons rond een tafel in de bibliotheekruimte waar een video staat opgesteld. De groepen die ik college moet geven, zijn klein en dan ook nog enigszins uitgedund omdat sommige studenten stage lopen in Nederland. Ik realiseer me maar al te goed hoe razend moeilijk het Nederlands moet zijn voor iemand uit de Finnisch-Oegrische taalfamilie. De voordehandliggende wijze waarop in veel andere westerse landen praktisch iedereen zich van het Engels bedient, is in Hongarije vrijwel afwezig. Oudere taxichauffeurs spreken een mondje Duits, maar hippe jongeren die ik op straat de weg vraag in het Duits en het Engels, halen onverschillig de schouders op en lopen door. ‘Wij zijn een trots volk,’ verklaart een Hongaar met wie ik de lange busreis van Boedapest naar Debrecen maak.
De taal- en cultuursituatie van Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba is complex, en ik betwijfel of de braaf jaknikkende tweedejaarsstudenten, die net één jaar Nederlands gehad hadden, het hele relaas kunnen volgen. Een gelukkige greep is dan weer de film Brokopondo, verhalen van een verdronken land van John Albert Jansen. De Saramakaanse dichter/schrijver Dorus Vrede vertelt daarin hoe de Saramakaner marrons van hun geboortegrond werden verdreven, toen het stuwmeer in midden-Suriname werd aangelegd. Ik snap maar al te goed hoe ‘exotisch’ een tropenkolonie met enthousiast dansende marrons moet overkomen voor dit publiek uit centraal Europa. Maar voor Dorus Vrede is het Nederlands óók een aangeleerde taal en hij praat langzaam en plechtig, staande in zijn korjaal midden op het van Blommesteijn-stuwmeer op de plaats waar ooit zijn geboortedorp Lombe lag.
De dagen vliegen om. Ik vertel over de slavernij en ja, natuurlijk over die ene Hongaar die de geschiedenisboeken van de West heeft gehaald: Frans Pavel Killinger die in 1910 een poging tot staatsgreep deed in Suriname. De derdejaars lezen de allereerste tekst van een migrant uit de West die naar Europa trok: Mijn aap schreit van Albert Helman. En de tweedejaars mogen zien hoe de vorming van de canon van klassieke teksten heel anders in zijn werk gaat in de West dan hier in Hongarije – ze hebben trouwens enorme moeite om zelf met de naam te komen van een Hongaarse winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur.
Het is 8 uur ’s avonds, ik heb beamer en laptop ingepakt, papieren geordend en merk tot mijn stomme verbazing dat er helemaal niemand meer aanwezig is. Ik doe de lichten uit, draai de deur op slot en een seconde gaat de gedachte door me heen dat ik als allerlaatste vlaggendrager van de Nederlandse cultuur en haar voormalige koloniën hier, bijna in Transsylvanië, het allerlaatste betoog heb afgestoken. Maar maandagochtend om 8 uur staan de studenten weer vol goede moed voor de deur van het instituut Nederlands in Debrecen.

Trefossa en de canon

De informatie die de Surinaamse Schrijversgroep ’77 dankzij de altijd nijvere Ismene Krishnadath maandelijks rondstuurt, is een belangwekkende bron van informatie over activiteiten die in Suriname plaatsvinden. Iets merkwaardigs staat er echter in de aflevering van 31 mei j.l. Onder de kop ‘Trefossalezing gepubliceerd’ wordt gemeld:

Hein Eersel verzorgde in de aula van Self Reliance de eerste Trefossalezing in 2009, Canon, Cultuur en Vertaling. Hierin betoogde Eersel het belang van een eigen canon voor Suriname, omdat de culturele invalshoek van waaruit literatuur beoordeeld en gewaardeerd erg belangrijk is. Een canon is belangrijk omdat het richtinggevend is voor het literatuuronderwijs. In Suriname bestaat er veel onduidelijkheid over de literaire canon. De publicatie van de lezing mag dan ook gezien worden als een belangrijke bijdrage tot realisatie van een canon.

Het staat er allemaal reuze serieus en het lijkt logisch – lijkt, want er is hier toch een misverstand in het spel. Wie horen er tot de canon van de Surinaamse letteren (d.w.z. de groep teksten die wordt beschouwd als vaste waarden in de Surinaamse letteren en die erkenning hebben gekregen in bloemlezingen, literatuurgeschiedenissen en in het onderwijs). Voor het proza zou je kunnen zeggen: Albert Helman, en zeker nog een handvol: Leo Ferrier, Bea Vianen, Edgar Cairo, Astrid Roemer. En voor de poëzie: laat ik nu eens geen namen noemen, maar een weddenschap afsluiten: als 10 mensen die iets afweten van de Surinaamse literatuur elk een lijstje zouden moeten samenstellen van de 5 belangrijkste dichters, dan zou op GEEN van die lijstjes Trefossa staan. Hoeveel onduidelijkheid er misschien ook mag bestaan over de literaire canon in Suriname: er is geen zinnig mens die zal beweren dat Trefossa daar niet bij hoort. Dus wat de tekst van Eersel ook mag zijn, “een belangrijke bijdrage tot realisatie van een canon” kan het niet zijn, want Trefossa is misschien wel het hart van die canon.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter