blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: canon

Slavernijverleden in het Onderwijs [2]

door Fred de Haas
Aan de hand van een aantal voorbeelden uit andere landen dan Nederland bestuderen we hoe het slavernijverleden daar wordt behandeld binnen het onderwijs. Voor deel 1, klik hier door.

read on…

Slavernijverleden in het onderwijs [1]

door Fred de Haas
In de afgelopen  decennia is er vanuit bepaalde gemeenschappen in Nederland, met name vanuit de assertieve Surinaamse bevolkingsgroep, een niet aflatende druk uitgeoefend om meer aandacht te besteden aan het slavernijverleden van Nederland. Dat heeft o.a. geleid tot een verandering in de samenstelling van informatie over dat verleden in de Canon van Nederland (2006), die in 2020 verrijkt is met ‘voortschrijdend inzicht’ op dat gebied. Een Canon is immers een product van tijdgebonden Vergeten en Herinnering.

read on…

Literatuuronderwijs in Suriname

Van de redactie van dWTL

Eind januari zijn aan de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur (IGSR) twee docenten afgestudeerd op een literair onderwerp. Diana Menke heeft gekeken naar wat het nut is van het invoeren van de leesniveaus van Dr. Witte binnen het voj-onderwijs en Sharon Veldkamp heeft de rol van Surinaamse schrijfsters bestudeerd binnen het onderwijs en hoe we die zouden kunnen uitbreiden. Er zijn veel vrouwelijke auteurs die een belangrijke rol zouden kunnen spelen middels de literaire canon bij de vorming van onze leerlingen. De dames vertellen zelf over hun werk.   

read on…

Anton de Kom een eigen venster in de herziene Canon van Nederland

door Alice Boots en Rob Woortman

Als biografen van Anton de Kom heeft het ons altijd verbaasd: in de uit 2006 daterende Canon van Nederland kreeg Multatuli met zijn boek Max Havelaar (een aanklacht tegen de bestuurders in Nederlands-Indië) een heel venster. Maar naar Anton de Kom, die met zijn boek Wij Slaven van Suriname (1934) de slavernij en het koloniaal bewind in Suriname aan de kaak stelde, zochten wij in diezelfde Canon tevergeefs. Die omissie is in de nu vernieuwde en vandaag gepresenteerde Canon van Nederland ruimschoots goedgemaakt.

read on…

Aruba: synergie van literatuur en taal

Van 22 tot en met 24 november is op de universiteit van Aruba een dubbelconferentie gehouden. Voor Suriname waren er vier mensen aanwezig: Helen Chang, Diana Menke, Jerry Dewnarain en Hilde Neus. Zo waren er de Cross over-bijeenkomst over literatuur en de Caran-bijeenkomst. Caran is het Caribisch platform voor Neerlandici, dat financieel wordt ondersteund door de Nederlandse Taalunie. De voormalige West, bestaande uit de Boven- en Benedenwindse Eilanden én Suriname, komen bij elkaar om de positie van het Nederlands in de verschillende gebieden te bespreken en een bijdrage te leveren aan de uitstippeling van beleid. read on…

Cross Over & CARAN 2017: een fotoreportage

Cross Over & CARAN 2017 organiseerden een Dubbelconferentie over Nederlandse taal- letterkunde in en van het Caribisch gebied van 22 tot en met 24 november 2017 in de Aula van de Universiteit van Aruba, J.E. Irausquinplein 4, Oranjestad. Een fotoreportage. read on…

Kraak de canon

De Nederlandse canon is overweldigend wit – eeuwen van migratie en (de)kolonisatie ten spijt. Hoe is dat zo gekomen en waarom verandert er zo weinig? read on…

Shifting the Compass

Shifting the Compass: Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, geredigeerd door Jeroen Dewulf, Olf Praamstra & Michiel van Kempen, is de bundeling van de belangrijkste teksten die werden gepresenteerd op het gelijknamige congres in het najaar van 2011 in Berkeley, California. De vijftien hoofdstukken geven niet een traditionele indeling naar de verschillende koloniale gebieden, maar kijken juist naar de verbindingslijnen tussen de voormalige koloniën. Zo schrijft Rudolf Mrázek over Boven Digoel in Indonesië en de Jodensavanne in Suriname. Ena Jansen neemt de slavernij in Zuid-Afrika en Curaçao onder de loep. Paul Hollanders bekijkt de animus manendi, de wil om zich permanent te vestigen, van koloniale planters (onder wie Paul François Roos).

Shifting the Compass: Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, edited by Jeroen Dewulf, Olf Praamstra & Michiel van Kempen.
Newcastle upon Tyne, Cambridge Scholars Publishing, 2013. ISBN (10): 1-4438-4228-1/ ISBN (13): 978-1-4438-4228-0
Met bijdragen van Jeroen Dewulf, Adriaan van Dis, Rudolf Mrázek, Olf Praamstra, Manjusha Kuruppath, Lodewijk Wagenaar, Adèle Nel, Phil van Schalkwyk, Luc Renders, Ena Jansen, Nicole Saffold Maskiell, Barry L. Stiefel, Britt Dams, Paul Hollanders, Michiel van Kempen en Giselle Ecury.

De bundel is samengesteld door drie hoogleraren, v.l.n.r. Michiel van Kempen, Olf Praamstra, Jeroen Dewulf. Foto Sanne Landvreugd

Canon moet Caribische ogen openen

‘Surinamers’ in ARC Magazine

door Tom van Moll

Paramaribo – De een is geboren in Paramaribo, maar woont en werkt in Rotterdam. De ander zag in Den Haag het levenslicht en vestigde zich in 1978 in Lelydorp. Beeldend kunstenaars Charl Landvreugd en Nicholaas Porter zijn op het eerste gezicht geen schoolvoorbeelden van Caribische artiesten. Toch heeft hun werk een plaats gekregen in het Caribische kunstmagazine ARC Magazine.

De vijfde editie van het blad, dat halfjaarlijks uitkomt, werd vorige week gepresenteerd in Fort Zeelandia tijdens het de conferentie van de Association of Caribbean Women Writers and Scholars (ACWWS). Landvreugd wordt daarin belicht met een uitgebreid interview, Porter met een kleinere showcase. Wat maakt hun werk volgens het tijdschrift tot Caribische kunst? Als er al zoiets bestaat.

Persoonlijke hybriden

Holly Bynoe, hoofdredacteur van ARC Magazine, motiveert na afloop van de presentatie haar keuze: “Er is niet één Caribische kunst, er zijn vele vormen. In de Cariben komen immers culturen uit alle windstreken samen.” Porter en Landvreugd belichamen wat zij noemt ‘persoonlijke hybriden’. Ze gebruiken in hun werk Afrikaanse onderwerpen vanuit een Surinaamse context en plaatsen die in een Westerse kunsttraditie. Daarom passen zij in het thema ‘Concepts of power, identity, interpretations of creolisation and belonging’.

Juist de exponenten van de Afrikaanse diaspora in Europa, zoals Landvreugd, zijn in die context bijzonder, volgens Bynoe. “Zwarten in Europa identificeren zich met het land waarin ze leven, in tegenstelling tot in de rest van de wereld, zoals in de Verenigde Staten, waar ze hun zwart-zijn voorop stellen.” Dat beeld bevestigt Landvreugd: “Ik ben eerst Nederlander, dan zwart.” Hoewel hij zelf de term Caribische kunst geografische definieert, herkent Landvreugd zich weldegelijk in Bynoes beschrijving. “Ik denk dat mijn kunst past in de grotere lijn van Afrikaanse diaspora en daar maken de Cariben een deel van uit.”

Nicolaas Porter

Referentiekader

Porter is juist blank in Suriname, maar gebruikt ook veelvuldig de zwarte man als onderwerp. Hij verafschuwt het echter als zijn kunst Surinaams of Caribisch wordt gezien. “Kunst moet universeel zijn. De kunstenaar zelf is het referentiekader. Je moet van jezelf uitgaan en van wat je wilt delen met een ander. “Maar dat is volgens Landvreugd een vrijheid die je alleen kunt nemen als je een witte heteroseksuele man bent. “Het maakt niet uit wat ik maak. A: het zal altijd gelezen worden als het werk door een zwarte man en B: het wordt zonder de culturele achtergrond van die zwarte man in acht te nemen, direct in de westerse canon geplaatst, om te kijken hoe het daar in past.”
Het hele principe ‘kunst’ is nu eenmaal een Europese uitvinding. “Want wat wij Afrikaanse kunst noemen, dat was geen kunst, dat waren gebruiksvoorwerpen. Pas als de danser zo’n masker op heeft en die raakt begeesterd, dan pas wordt dat masker wat. Tot die tijd is het een object, niet waardig om op een verhoging te zetten om ernaar te kijken. Dat is echt een westerse gedachte.”

Vrijheid

Omdat kunst van een niet-Europeaan altijd langs een Europese maatstaf gelegd zal worden, wordt de kunstenaar volgens Landvreugd altijd in zijn vrijheid beperkt, al heeft hij zelf het idee dat hij die vrijheid steeds meer kan nemen. Bynoe vult aan dat Caribische kunstenaars daarnaast ook nog eens moeten vechten tegen het stigmatiserende adagium Sun, rum, sea and sex, dat door de private sector en de overheid uit economische motieven gepropageerd wordt. Bynoe: “Door die politieke realiteit geven Caribische kunstenaars zichzelf nog niet de vrijheid, de toestemming om te scheppen.” Die beperkingen kunnen echter niet doorbroken worden door een inwaartse blik, die volgens haar de kunst in de regio domineert. “Ik heb het gehad met die zoektocht naar identiteit. Die houding leidt immers tot herhaling.” Of, zoals ze in de paper stelt die ze tijdens de conferentie presenteerde: “de regio kan alleen een belangrijke intellectuele toekomst tegemoet zien als het bewust de strijd aangaat en voortborduurt op die zelfformulering.”

Caribische ogen

Landvreugd denkt echter dat het daarvoor nog te vroeg is. Er moet immers eerst sprake zijn van een canon aan kenmerkende kunstwerken, waaraan men kan refereren om te bepalen wat nu typische en goede Caribische kunst is, voordat die zich kan ontwikkelen. “Na de afschaffing van de slavernij zijn we 150 jaar verder, voordat er met jongens als Marcel Pinas iets gebeurt waarvan je zegt, hé dit is specifiek Caribisch, specifiek Surinaams, wat zeg ik, specifiek Ndjoeka. Zo specifiek is het nog nooit geweest. Nu heb je referentiemateriaal. “Pas nu er een grotere productie is in de regio kan er volgens Landvreugd aan die canon gewerkt worden, waarmee bepaald kan worden of een werk goed is of niet. “Maar”, benadrukt hij, “kunst zoals wij kunst zien, wordt nooit niet-Europees. Het enige dat kan gebeuren is dat de manier waarop we naar kunst kijken kan veranderen. Dat is natuurlijk wat ARC probeert te doen, dat probeert de Caribische ogen te openen, om te weten op welke manier we dan wél naar dat werk moeten kijken.”.

[uit de Ware Tijd, 19/05/2012]

Wat Multatuli, Daum en Couperus ons niet vertelden

Alfred Birney maakt in De dubieuzen duidelijk dat de literaire canon dodelijk is geweest voor het beeld dat wij nu van de koloniale literatuur hebben en dus ook van de rol van de Indo in de geschiedenis.

door Ezra de Haan

Het valt Alfred Birney op dat onze geschiedenis, in het bijzonder de koloniale en postkoloniale geschiedenis, is verworden tot iets voor freaks, vooral waar verhalende literatuur als bronnenmateriaal gebruikt wordt. Alles wat voor de Tweede Wereldoorlog gebeurde lijkt in het vergeetboek terecht te zijn gekomen. Pijnlijk vooral voor bevolkingsgroepen in Nederland zoals de Indo’s. Birney wijst op de ‘minder fraaie episodes’ in onze geschiedenis en het feit dat Nederland geen postkoloniaal debat heeft gekend, in tegenstelling tot Frankrijk, Engeland en Amerika. Blijkbaar probeerde men zo de eeuwenlange moordpartijen in Indonesië en de vele andere zwarte bladzijden van de vaderlandse geschiedenis onder het tapijt te vegen.

Lees hier de hele recensie op Literatuurplein.nl

De Dubieuzen van Alfred Birney werd op 20 april 2012 gepresenteerd. Klik hier voor meer info.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter