blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Boni

Op zoek naar Boni, Suriname maart/april 2016

door Nico Eigenhuis
Inleiding

 

In de Suriname was ten tijde van de slavernij Boni onbetwist de grootste verzetsstrijder. Anders dan bij tijdgenoot Tula op Curacao is van de invloed van Boni in het hedendaagse Suriname weinig zichtbaar. De tijd lijkt rijp om daar nu definitief verandering in te brengen, vandaar staat onderstaand het een en ander over hem vermeld. read on…

Veel kwaliteit weinig volk bij Boni Puwema Neti

door Donovan Mijnals

Paramaribo – Iwan Wijngaarde ziet er ietwat teleurgesteld uit; maar niet gebroken. De Puwema Neti die zaterdag in verband met de herdenkingsdag van de Surinaamse verzetsheld Boni werd gehouden, was veel minder druk dan de voorzitter van de organiserende Feydrasi Fu Afrikan Srananman had verwacht. read on…

Geschiedenis kan je weerbaar maken!

door Els Moor

De geboorte van Boni is een toneelstuk van Eddy Bruma dat hij nooit heeft uitgegeven, maar dat wel verschillende keren is opgevoerd. Het instituut voor kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking, Matoekoe in Lelydorp, speelde een eigen versie van De geboorte van Boni’ter gelegenheid van ‘Keti Koti’ in 2007, pupillen samen met hun begeleiders. read on…

Boekpresentatie Boni, Meester der Slaven in Bibliotheek Rotterdam

Dit jaar wordt in Nederland en Suriname 150 jaar afschaffing van de slavernij herdacht. In het kader hiervan wordt op 22 juni a.s. het boek Boni, meester der slaven gepresenteerd aan het publiek.

Dit boek neemt de lezer op avontuurlijke wijze mee naar 1776, de tijd van de Boni oorlogen tussen plantagehouders en weggelopen slaven in Suriname. De auteur, U.J.H. Cairo, brengt de geschiedenis van de strijd tegen de slavenmeesters door Aguso Boni en zijn gevolg (Baron en Soliceur) in beeld. Daarbij krijgt de lezer ook een kijkje in de Surinaamse mystiek, Winti. Het verhaal laat de lezer ervaren hoe de werkelijkheid van de slaven en de drang naar vrijheid verbonden werd door de krachten uit de mystieke wereld.
De avond zal op Afro-Surinaamse wijze met de drum worden ingeleid door master drummer André Mosis. Daarna volgt dans, poëzie, een voordracht uit het boek en een kort interview met U.J.H. Cairo. Daarop volgt een signeersessie. De avond zal worden afgesloten met een drankje.
De boekpresentatie vindt plaats op 22 juni 2013 van 19:00 – 21:00 in de Centrale Bibliotheek Rotterdam aan de Blaak. Toegang is gratis.

Vandaag 220ste sterfdag Boni

Held die niet vergeten mag worden

 
door Eric Mahabier
 
Den Haag – Boni was een held en mag niet vergeten worden. In tegenstelling tot vele andere ondergedoken slaven heeft Boni zich niet laten omkopen door de koloniale machthebbers, maar hij bleef vechten voor de vrijheid van marrons. Dit is een heel bijzondere prestatie, zegt schrijver Nizaar Makdoembaks. Vandaag is het 220 jaar geleden dat Boni stierf. Makdoembaks doet een onderzoek naar deze vrijheidsstrijder. Hij is in de archieven van het Nationaal Archief in Den Haag gedoken.
De schrijver, die eerder andere boeken heeft geschreven, zegt dat uit de archiefstukken blijkt dat Boni niet doodgeschoten is. Hij is doodgeslagen in zijn hangmat. Vandaag zouden Surinamers en Nederlanders moeten herdenken dat 220 jaar geleden de leider van de marrons, de weglopers, sneuvelde in de strijd tegen troepen van de prins van Oranje, de stad Amsterdam [de Sociëteit van Suriname (SS)] en anderen, zegt de onderzoeker.
Uitroeiing
De marrons werden volgens Makdoembaks als Untermenschen beschouwd en mochten in opdracht van de prins van Oranje en de SS door eenieder worden uitgeroeid, met als beloning een premie van vijftig Hollandse guldens. Boni was lange tijd hun leider en werd door het koloniale gouvernement en de Nederlandse troepen zeer gevreesd. Dit soort bloedige acties, de doodstraffen die veelvuldig werden uitgevoerd (vaak zonder rechtspraak overigens), de zware arbeid bij het omvormen van oerwouden van hardhout tot ruim 400 vlakke plantages, de ondervoeding en de ziekten verklaren in belangrijke mate waarom van de bijna 600.000 tussen 1660 en 1860 geïmporteerde Afrikanen in Suriname, er in 1863 nog amper 50.000 in leven waren, zegt Makdoembaks verder.
Boni doodgeslagen
Opperhoofd Boni is het ondanks zijn verwoede strijd niet gelukt het tij te keren voor zijn lotgenoten. Op 19 februari 1793 werd Boni in zijn hangmat doodgeslagen, waarna zijn hoofd en hand werden afgehakt. De invasie van het leger van Oranje en de daaropvolgende oorlog in de binnenlanden duurden ruim dertig jaar en ging ten koste van vele mensenlevens. Het zou nog tot 1863 duren voordat de slavernij in Suriname afgeschaft kon worden, blijkt verder uit de archiefstukken zegt Makdoembaks. Hij vindt dat Suriname bewust gemaakt moet worden van haar eigen geschiedenis en van de heldendaden als die van Boni. Hij hoopt met zijn boek, dat later dit jaar uitkomt, een bijdrage daartoe te kunnen leveren.
[uit de Ware Tijd, 19/02/2013]

Algemene Surinaamse geschiedenis tot begin 2012

door Jerry Egger

Mijn eerste reactie is een diepe zucht. Daar gaan we weer. Op het omslag is er een tafereel uit het binnenland. Kinderen zitten bij elkaar en hebben zo weinig mogelijk kleren aan. Het gaat immers om een maagdelijke en onschuldige wereld. Dat verkoopt. Het boek heet dan ook DE geschiedenis van Suriname, want dit is uiteraard het standaardwerk en we zullen het weten ook. Het woordje ‘een’ gebruiken zou een beetje te voorzichtig zijn en dat hoort niet in een dergelijk boek. Hans Buddingh’, journalist bij NRC Handelsblad in Nederland, heeft een herschreven en aangevulde versie uitgegeven van zijn boek dat voor het eerst verscheen in 1995. Toen was de ontwerper van het omslag wat terughoudender. Een tafereel, getekend door Benoit uit het begin van de 19de eeuw werd geplaatst tegen een lichtgroene, zachte kleur. Nu staan de Marronjongeren groot en duidelijk de lezer recht in het gezicht aan te staren. Het kader erom heen is een harde, zwarte kleur. Titel en auteur zijn in schreeuwerige rode, groene en gele letters. Een journalist die in het verleden goede, degelijke en analytische stukken in de krant over Suriname heeft gepubliceerd, laat zich kennelijk verleiden door de uitgeverij om op een dergelijke manier zijn boek aan de mens te brengen. Voor sommigen is dit misschien een reden om met een grote bocht om het boek heen te lopen. Dat zou jammer zijn. Bij het lezen wordt al gauw duidelijk dat de meest recente historische werken zijn geraadpleegd. Het is de enige publicatie met een algemene geschiedenis van Suriname vanaf de komst van de eerste Inheemsen tot de verkiezingen van 2010, inclusief ontwikkelingen tot begin 2012. Vandaar dat het goed is voorbij het onterechte omslag te kijken.
Enkele positieve zaken worden al direct duidelijk bij het voorwoord: Buddingh’ gebruikt in deze druk het woord Inheemsen voor de oorspronkelijke bewoners en het wordt met hoofdletter geschreven. Dat geldt trouwens ook voor de andere bevolkingsgroepen. Dus Creool en Hindostaan krijgen een hoofdletter en de spelling is Ndyuka en geen Djoeka. Maar dan beginnen de tenen weer te krommen wanneer op de eerste bladzijde van het eerste hoofdstuk het woord ‘ontdekken’ wordt gebruikt. Hij schrijft: ‘De ontdekking van Guyana…’. (p. 13) Wat valt er te ontdekken als al enkele duizenden jaren mensen in het hele gebied hebben gewoond en bij de komst van de eerste Europeanen dat nog steeds doen, zoals hij zelf schrijft? Maar goed ook deze horde moet worden genomen voordat het verhaal op gang komt.     
Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck
De beginperiode van de Europese aanwezigheid in Suriname geeft een goed beeld van een periode,toen het niet snel lukte om er een wingewest van te maken. De Engelsen hadden redelijk succes, totdat in 1667 de Zeeuwen kwamen opdagen om hen te verjagen. Buddingh’ baseert zich vooral op het werk van Van der Meiden om aan te geven dat er constant strijd is geleverd om de macht. Inheemsen en Marrons speelden daarbij een belangrijke rol, maar ook de tegenstand vanuit de eigen blanke groep die gouverneurs ondervonden om hun gezag te doen gelden. Het beeld in de geschiedenisboeken dat bestaat over Van Sommelsdijck, wordt onderuit gehaald. ‘Een man van goede beginselen’, zoals Van Dijk en Getrouw hem beschrijven, blijkt een opportunist te zijn, die aan zijn eigen belangen in de kolonie denkt en niet vies is van het plegen van frauduleuze handelingen. Buddingh’ heeft de meest recente werken geraadpleegd naast de klassieke en standaardwerken en presenteert de laatste opvattingen over belangrijke tijdvakken in de Surinaamse geschiedenis. Dit maakt het boek ook geschikt voor het onderwijs.
De strijd van de Marrons – een andere belangrijke periode – is in de decennia na de Tweede Wereldoorlog vaker eruit gelicht om aan te geven dat slaven niet zonder meer slachtoffers waren van een onmenselijk systeem. Hij staat uitgebreid stil bij diverse aspecten van marronage zoals het tot stand brengen van de vrede met enkele groepen. Daarbij zegt hij: ‘De Marrons toonden zich zelfbewuste en intelligente onderhandelaars’ (p. 133). Met de Boni werd geen vrede gesloten. Gebruikmakend van Hoogbergens publicaties, schrijft hij uitgebreid over de strijd die tussen 1770 en 1793 woedde om de Boni te verslaan. Recent werk stelt hem in staat om een beeld te geven van Marrongemeenschappen die in de binnenlanden van Suriname werden gevormd. Hij concludeert terecht dat de Marrons hun eigen samenleving konden inrichten in de Surinaamse binnenlanden. De koloniale overheid probeerde wel greep te krijgen op deze groepen, maar het lukte niet. Hier en daar maakt hij vergelijkingen met andere Caraïbische landen zoals Jamaica, waar ook op grote schaal marronage is geweest. Daar zijn Marrons veel meer dan in Suriname en ook sneller opgenomen in de koloniale, Engelse maatschappij aangezien zij veel minder ruimte (grond) hadden om zich af te zonderen; iets wat in Suriname gemakkelijker was door de uitgestrekte bossen. Dat neemt niet weg dat ook hier Marrons afhankelijk waren van de koloniale economie voor sommige van hun producten en voor de afzet van het hout dat zij produceerden.
Buddingh’ gaat ook in op de vraag wat de economische betekenis was van de kolonie voor het moederland. Het interessante is dat hij daarbij de studie van Armand Zunder gebruikt. Zunder maakte duidelijk dat het vooral kooplieden-bankiers, slavenhandelaars en administrateurs waren die profiteerden van de opbrengsten. Bovendien werden de plantageproducten in Nederland verwerkt en doorverkocht. Er werd dus wel degelijk geprofiteerd en het beeld van een armlastige kolonie kan zonder meer onderuit worden gehaald. Zunder berekent niet alleen wat er aan winsten naar Nederland is gegaan, maar hij stelt ook herstelbetalingen voor. In de Nederlandse academische wereld wordt er nauwelijks aandacht besteed aan het werk van Zunder; dus het is zonder meer een compliment waard aan Buddingh’ dat hij dit wel doet.
De periode na de afschaffing van de slavernij komt het uitvoerigst aan de beurt. Aangezien hij ook hier kijkt naar recente opvattingen, beschrijft hij de neergang van de Creoolse kleinlandbouw, wanneer aan het eind van de 19de eeuw de krullotenziekte toeslaat bij de cacao-aanplanten. Het beeld dat de voormalige tot slaaf gemaakten direct na 1863 de landbouw verlieten, klopt dus niet.
Boni-vrouw uit het dorp Cottica ten tijde van de Gonini-expeditie, 1903-1904. Foto: C.H. de Goeje.
De introductie van contractarbeid om de plantagelandbouw te redden is een andere episode in de Surinaamse geschiedenis. De grootlandbouw kon uiteindelijk niet van de ondergang worden gered, maar de landbouw van de kleine boeren zou een belangrijke impuls geven aan het voeden van de eigen bevolking. Het besluit in 1895 om vooral Hindostanen grond te geven zonder het recht op terugkeer te verliezen, heeft heel goed gewerkt. Het zorgde ervoor dat velen uiteindelijk besloten in hun nieuwe vaderland te blijven.
De verdere ontwikkelingen in de 20ste eeuw zijn wat bekender. Problemen in de jaren dertig met als gevolg arbeidsonlusten, Anton de Kom en zijn pogingen tot organisatie, de Tweede Wereldoorlog en de opkomst van het nationalisme en uiteindelijk de onafhankelijkheid worden allemaal behandeld met gebruikmaking van de boeken en artikelen van deskundigen. Een punt wordt hieruit gelicht. In 1935 verklaart de minister-president van Nederland, Hendrik Colijn, dat alles wat geprobeerd is in Suriname gedoemd was te mislukken. Tegelijkertijd beschrijft Buddingh’ hoe Nederland de toen bekende bauxietvoorraden voor een habbekrats overdeed aan de Amerikaanse maatschappij ALCOA. Deze maatschappij wist daar wel raad mee. Buddingh’ concludeert: ’De investeringen die het bedrijf tussen 1916 en 1935 had gedaan waren zo in één jaar reeds terugverdiend’ (p. 277). Nederland wist zich geen raad met Suriname, anderen wel.
De meeste aandacht zal wel uitgaan naar de militaire coup van februari 1980 en daarna. Buddingh’ heeft het bewust meegemaakt. Hij schreef rapportages in NRC Handelsblad en enkele boeken. De vraag is of nu al een afgewogen oordeel over 1980-2010 kan worden geschreven. In elk geval geeft hij de contouren aan van wat nu bekend is. Nederlandse vertegenwoordigers hebben een rol gespeeld bij de coup, de ‘revo’ is uit de hand gelopen en dat heeft geleid tot moorden in 1982 en een binnenlandse oorlog van 1986 tot de officiële vrede in 1992. Het land raakte betrokken in het hele netwerk van drugssmokkel en de economie ontaardde compleet, totdat drastische maatregelen voor verbetering zorgden. Toch is er ook een ander verhaal. Op pagina 467 geeft de auteur aan de hand van cijfers van het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) het aantal banen per sector. In 2000 waren er bij de overheid 34.206 mensen in dienst en in 2010 41.414. In de landbouw bleef het aantal in dezelfde periode stabiel; in 2000 11.646 en in 2010 11.643. Deze cijfers geven meer dan welke gegevens dan ook aan waarom de ontwikkeling van Suriname zo moeizaam verloopt. We slagen er niet in onze menselijke hulpbronnen productief in te zetten. Ook tijdens de ‘revo’ lukte dat niet.
Op basis van het omslag zou je verregaande (negatieve) conclusies kunnen trekken. Dat is onterecht want het boek zelf biedt een degelijk en nuttig overzicht van de Surinaamse geschiedenis. Daarbij gebruikt Buddingh’ ook werken die in Suriname in de laatste twee decennia werden geschreven en geproduceerd zoals stukken van Jack Menke, publicaties van Stichting Wetenschappelijke Informatie (SWI), verder Maurits Hassankhan, Hans Breeveld, gedenkboeken van André Loor, Marten Schalkwijk, Lila Gobardhan-Rambocus, Armand Zunder en nationale en internationale rapporten. Hij staat ook stil bij begrippen die hier zijn ontwikkeld,zoals natiecreatie van Menke. Dat is niet altijd het geval bij buitenlandse wetenschappers die soms ‘vergeten’ dat in Suriname zelf ook belangrijke kennis wordt geproduceerd. Kortom, haal desnoods het omslag van het boek, maar lees het wel.
span>
Hans Buddingh’: De Geschiedenis van Suriname. Nieuw Amsterdam/NRC Boeken, 2012. ISBN 978 90 468 1103 0.
Het citaat van Van Sommelsdijck komt uit W. van Dijk en C.F.G Getrouw: De ontwikkeling van de Surinaamse geschiedenis, 10de druk, p. 17. Zeist: Dijkstra Uitgeverij, 1978

Geschiedenis vanuit Marronoogpunt

door Karwan Fatah-Black

Samen beschikken de auteurs van Een zwarte vrijstaat in Suriname; De Okaanse samenleving in de achttiende eeuw over zo’n driekwart eeuw aan expertise op het gebied van de Marronsamenlevingen in Suriname. In Een zwarte Vrijstaat brengen ze de omvangrijke literatuur, hun veldwerk en archiefonderzoek over de Okaanse samenleving bijeen. In maar liefst dertien hoofdstukken worden verschillende aspecten van de Okaanse geschiedenis in kaart gebracht. Er is voor gekozen om de citaten die in het vele veldonderzoek zijn verzameld per onderwerp achter elkaar te zetten. Zo bestaat het hoofdstuk over de vlucht (Lonten) uit citaten die tussen 1962 en 2008 zijn opgetekend en waarin een veelheid aan Marronhistorici aan het woord komen. Voor het archiefonderzoek kunnen de auteurs sterk leunen op het eerdere werk van Wim Hoogbergen en op het onderzoek van Frank Dragtenstein.

Kutuu, © Nicolaas Porter

De introducerende hoofdstukken gaan in op algemene kenmerken van de Okaanse cultuur, de inrichting van politiek en verwantschapsbanden. Ook wordt er aandacht besteed aan woordgebruik. In plaats van Marrons spreekt men bijvoorbeeld liever over Lowéman. Verder is er gekozen voor woorden die de Okanisi zelf gebruiken met een fonetisering van schrijfwijze: Aukaners is Okanisi, granman gaaman, en bakra wordt in het boek bakaa.

Het resterende deel van het boek beschrijft voor een groot deel de achttiende-eeuwse geschiedenis van de Okaanse samenleving. Dat levert onherroepelijk een bronnenprobleem op. ‘Natuurlijk zijn er ook ideologische en partijdige uitspraken in de overlevering verpakt. Bovendien is niemand bereid de gehele geschiedenis met al zijn conflicten en verschrikkingen, uit de doeken te doen … Iemand lichtte zijn weigering aldus toe: “Daar is een moeder van onze clan om het leven gekomen, ik mag je dat verhaal niet vertellen.”’ Na de citaten van de informanten volgt soms commentaar of een samenvatting. Hierin komt de lange vertrouwdheid van de schrijvers met het onderwerp goed tot zijn recht.

Voor de Okanisi, die het materiaal voor de schrijvers aanleverden, zijn vier onderdelen van hun geschiedenis van groot belang, de jaren van slavernij op de plantages, de vlucht naar het bos, de periode van vrede met de bakaa, en de strijd met de andere Marrongroep onder leiding van Boni. De geschiedenis van de overtocht uit Afrika blijft vrijwel onbesproken.

Over de periode dat de Okanisi vrede sloten, er onderhandelingen plaatsvonden en posthouders werden gestationeerd is veel materiaal uit de koloniale archieven te halen.

Opvallend is hoe belangrijk de positie van de historicus is voor het verhaal dat wordt geschreven. Terwijl vanuit de Europese kolonie gezien de militaire posten belangrijk waren, en het ‘cordon’ (een verdedigingslinie) op iedere achttiende-eeuwse Europese kaart te vinden is maakte dit op de Okanisi duidelijk zo weinig indruk dat het niet een vermelding waard was. Slechts eenmaal, bij het overlijden van de illustere Boston Band bij post Kruispad wordt er een onderdeel van de Europese verdediging genoemd. Plekken als Gelderland, Victoria of het door Marrons overrompelde Zwitserse dorpje Carolinenburg komen niet voor.

Time Travel, © Nicolaas Porter

De Marronhistorici worden door Thoden-Van Velzen en Hoogberken geprezen: ‘Okaanse geschiedverhalen munten uit door afkeer van overdrijving’. De verhalen van de Marronhistorici die de auteurs selecteerden gaan over politieke verwikkelingen, gewapende strijd en genealogie. De ontwikkeling van de relatie tussen de Marrons en hun goden zit door al deze thema’s heen geweven. Zonder veel moeite kan men deze onderwerpen vergelijken met de verhalen die in de vroege nummers van de West-Indische Gids begin jaren 1920 over de Europese kolonisatie van Suriname werden opgetekend. Nadat de oude Surinaamse archieven waren geïnventariseerd kwam een stroom publicaties op gang waarin het bestuur van bepaalde gouverneurs werd uitgeplozen, genealogische verwantschap van centrale figuren werden getraceerd en de gebeurtenissen rond militaire confrontaties werd geprobeerd te reconstrueren.

Deze thematische overeenkomst zou bij hedendaagse historici alarmbellen moeten laten afgaan. Wat wordt niet verteld? Wat zijn de stiltes in de Okaanse geschiedenis? Wat deden kinderen in de achttiende-eeuwse oorlogen tegen de bakaa? Hoe veranderde patronen van mannelijkheid en vrouwelijkheid na de vlucht van de plantages? Wat betekende de opkomst van houtexport richting de kolonie voor de sociale verhoudingen binnen gemeenschappen? Waarom blijven de Inheemsen nagenoeg onbesproken? Is hier niet naar gevraagd, of wordt materiaal hierover niet doorgegeven? En wat zegt dit over de Marronhistoriografie? Het is een kracht van het boek dat de auteurs dicht bij de bron blijven, maar dit zorgt ook voor opvallende omissies en weinig kritische vragen. De illustraties in het boek zijn wat dat betreft veelzeggend: portretten van mannen waarop vrouwen enkel als decor lijken te figureren. Vrouwennamen worden in de onderschriften niet vermeldt en zijn gereduceerd tot de toevoeging ‘en echtgenote’ (p.63).

De verhalen beperken zich nu tot kronieken over de achttiende-eeuwse Okaanse samenleving en het is al heel wat dat we die hebben. Toch lijken Marronsamenlevingen hierdoor erg statisch. De schrijvers van het boek benadrukken vooral maatschappelijke continuïteit tussen de achttiende eeuw en de huidige tijd. Verhalen die zijn opgetekend over een periode van vijftig jaar worden probleemloos naast archiefstukken van 250 jaar geleden geplaatst.

Ondanks deze kritiek is het boek een uitstekend naslagwerk voor iedereen die op zoek is naar de geschiedenis van de Okaanse samenleving. Er wordt verwezen naar waardevolle toegangen en inventarisnummers in het Nationaal Archief voor iedereen die verder op onderzoek wil. Het streven naar volledigheid door de auteurs levert een rijke schat aan opgetekende verhalen op die van deskundig commentaar zijn voorzien. Kortom, een standaardwerk dat ruimte geeft om nieuwe vragen te stellen, en uitdaagt om er mee aan de slag te gaan.

H.U.E. Thoden-Van Velzen & Wim Hoogbergen, Een zwarte vrijstaat in Suriname; De Okaanse samenleving in de achttiende eeuw. Leiden: KITLV Press, 2011. 360 p., ISBN 978 90 6718 373 4, prijs € 24,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Zijn we allemaal Boni’s?

door Els Moor

Op 29 juni was het weer zover: de toneelvoorstelling van Matoekoe ter gelegenheid van 1 juli, de dag van ‘ manspasi’. Vanaf die datum in 1863 waren de slaven in Suriname geen ‘bezit’ meer van een meester. Hun eigen vrije wil kon hun leven gaan mee-bepalen, maar … dan moet je wel weten wat goed voor je is, wat je werkelijk wilt. Dat is ‘manspasi’ écht en dat is een ontwikkeling.
Op deze feestelijke woensdagavond speelden pupillen en medewerkers van Matoekoe opnieuw De geboorte van Boni, een stuk van Wie Eegie Sanie-auteur Eddy Bruma (foto rechts) uit 1952. Op 27 juni 2008 was dit stuk ook al gespeeld door Matoekoe, met veel succes, zo zelfs dat het op 17 oktober herhaald werd in de Stadszending in Paramaribo.

Het stuk gaat over slavin Nora die zwanger is van haar wrede meester. Haar geliefde, een medeslaaf, wordt van haar gescheiden en ze besluit het bos in te trekken om haar kind in vrijheid geboren te laten worden. Ze wordt gevonden door twee marrons, jagers, die haar naar hun hoofdman brengen. In het marrondorp wordt het kind geboren. Granman en de wintipriester zien dat dit kind, anders van kleur, in het bos in vrijheid geboren, opgevoed moet worden tot het leiderschap van de Marrons, ook in hun strijd tegen het koloniale bewind.
Een opstandige marron die smaalt om deze ‘halfbloed’, wordt het zwijgen opgelegd.

Met de inhoud van dit stuk ben je er nog niet op de planken van Matoekoe. De tekst van Bruma is nogal zwaar, woorden…woorden…woorden. Matoekoe heeft het stuk bewerkt, naar de pupillen toe, met weinig woorden, leuk spel, rollen voor iedereen, veel muziek en ook dans en herkenbare grapjes erin. Een aap die bengelend vanuit een boom een scène afsloot, bracht de hele zaal aan het lachen. Het stuk werd uitstekend gespeeld. De grote rollen waren voor ‘ grote spelers’ en wie niet zo goed kan onthouden of veel spreken, had een groepsrol, bij de slaven, of de marrons en had volop de gelegenheid om mee te zingen en zelfs te dansen. De ´meester’ van de slaven en verwekker van Boni, was met zijn houding van ‘geweldig doen’ een wrede macho en dus ook om te lachen. Een meesterlijk gespeelde rol. Iedereen vond dus zijn grote of kleine rol in De geboorte van Boni en dat is een duidelijk stuk invulling van de pedagogie van Matoekoe.

De symboliek in verband met de pupillen van Matoekoe zelf komt ontroerend duidelijk naar voren in het stuk: Boni is ‘anders’, zij zijn ook ‘anders’, maar zowel Boni als zij hebben mogelijkheden tot ontwikkeling in zich die ze kunnen verwezenlijken als ze goed begeleid worden. Het stuk werd met veel verve gespeeld onder de knappe leiding van Maureen Calli en Robby Karijoredjo. Het publiek was enthousiast en het zou leuk zijn als het stuk ook nog een keer in de stad gespeeld werd, na de vakantie.

The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media (5 en slot)

door Ellen de Vries

Begin Binnenlandse Oorlog

Toen de militaire posten in de nacht van 21 op 22 juli 1986 werden overvallen – algemeen wordt die datum gezien als het begin van de Binnenlandse Oorlog – was aanvankelijk onduidelijk wie daarachter stak. Het NRC publiceerde – gebaseerd op een bericht van Associated Press (AP) – op 23 juli een vrij neutraal berichtje met als kop: ‘Aanval kazernes in Oost-Suriname’. Ook de Volkskrant van 23 juli plaatste een klein bericht. Het Parool – een avondblad – kwam met een uitgebreider artikel en meldde dat het al enkele maanden onrustig was in dit deel van Suriname, waar enkele bank- en roofovervallen waren gepleegd.

De autoriteiten verdenken Ronnie Brunswijk, een vroegere lijfwacht van legerleider Desi Bouterse van deze overvallen. Brunswijk heeft de beschuldigingen echter altijd ontkend. Hij heeft slechts toegegeven goederen en transporten uit Frans Guyana bestemd voor het Surinaamse leger, te hebben onderschept. De goederen heeft hij volgens eigen mededelingen ‘als een moderne Robin Hood’ verdeeld onder de veelal arme bevolking van Moengotapoe, een dorp niet ver van Albina, waar hij zich schuilhoudt.

In de periode vanaf 21 juli tot en met 31 juli gebeurde er veel. Nieuwsberichten volgden elkaar in snel tempo op. Niet alleen overviel Brunswijk – naar later bleek – de militaire posten in Stolkertsijver en Albina, Brunswijk gaf ook een communiqué uit waarin hij het Surinaams Nationaal Bevrijdingsleger proclameerde. Bovendien gijzelde hij twaalf militairen. Ten slotte werd een groep huurlingen die van plan was de macht in Suriname over te nemen in de VS gearresteerd. [xv] Over die zaken verschenen in vier grote kranten, De Telegraaf, de Volkskrant, het NRC en Het Parool (toen nog een landelijke krant) in die tien dagen ten minste 29 artikelen (niet alle edities van de kranten werden bekeken). Al deze kranten namen de beschrijving van Brunswijk als Robin Hood – al dan niet tussen aanhalingstekens – over.[xvi]

Ook een regionale krant als de Leeuwarder Courant deed dat (zie editie van 24 juli 1986). Omdat in het begin vooral werd geleund op het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), de Gemeenschappelijke Pers Dienst (GPD) en AP is het waarschijnlijk dat ook andere (regionale) kranten dergelijke berichten publiceerden. In de Volkskrant van 25 juli en 31 juli 1986 en in Het Parool van 25 juli 1986 en het NRC van 2 augustus werd Brunswijk bovendien vergeleken met Boni.[xvii]

Opvallend is dat Haakmat (foto links) in Het Parool, de Volkskrant, het NRC en De Telegraaf in de genoemde 29 artikelen maar liefst negen keer als bron werd opgevoerd. Dat hij zo vaak aangehaald werd, had ongetwijfeld ook te maken met vragen over de relatie tussen het verzet en de in de VS opgepakte huurlingen. Het verzet en Brunswijk ontkenden daarmee iets van doen te hebben. Haakmat – en ook andere vertegenwoordigers van het Surinaamse verzet – namen de gelegenheid te baat om hún verhaal te vertellen. In het interview met de Volkskrant van 25 juli 1986 sprak Haakmat over de strijd van Boni en legde hij uit: ‘De tactiek van toen wordt nu herhaald door de Brunswijkguerrilla’s.’ In Het Parool van 30 juli vergeleek hij in een ingezonden brief Brunswijk wederom met Boni die streed tegen de blanke kolonisator.

Curieus is dat de rolverdeling krijgskundig nu zo is, dat het zich revolutionair noemend regiem Bouterse de positie inneemt van de koloniale huurlingenlegers in hun strijd tegen de marrons van Boni. Interessant is dat Herrenberg later – zoals we hierboven zagen – beweerde dat juist Brunswijk de huurling was. De figuren uit het koloniale verleden werden gebruikt als symbolen in de (media)strijd. Boni was de good guy, de vrijheidsstrijder; de ‘redi musu’ en ‘huurlingen’ waren de bad guys.

De aanduiding van Brunswijk als een Surinaamse, zwarte Robin Hood was in Nederlandse media in die eerste week na de overvallen op militaire posten in Oost-Suriname populairder dan de vergelijking met Boni. Vóór de overvallen op Stolkertsijver en Albina in de nacht van 21 op 22 juli waren Brunswijks acties al geïnterpreteerd als een ‘guerrillastrijd’. In de Leeuwarder Courant van 27 mei 1986 – die zich baseerde op GPD- en ANP-berichten – werd Brunswijk aangeduid als een ‘gedeserteerde’ sergeant die sinds april een guerrilla-oorlog tegen het Bouterse-regime voerde. Het was de Raad voor de Bevrijding van Suriname van wie de informatie klaarblijkelijk afkomstig was. Het is twijfelachtig of de acties van Brunswijk op dat moment als zodanig geïnterpreteerd moeten worden. Was er niet eerder sprake van een ‘wraakmotief’ en deed niet pas later een politiek motief, herstel van de democratie, zijn intrede (Volker 1998:166)? In het interview dat ik met hem had zei Brunswijk letterlijk, dat het Surinaams verzet hem vroeg de democratie te helpen herstellen. Edwin Marshall, die ook betrokken was bij het Surinaams verzet, bevestigde tegenover mij: ‘In 1985 begon Brunswijk hier en daar met overvalletjes; hij deelde geld uit. Er was toen nog geen sprake van een ideologische strijd (De Vries 2005:16, 20).’

 

Al te gemakkelijk namen media (in navolging van De Telegraaf en Nieuwe Revu) aan, dat Brunswijks streed tegen de ‘dictatuur’ of de gevestigde macht. De kranten stonden weinig kritisch tegenover de aanklachten die Brunswijk ten laste waren gelegd en schreven dat Brunswijk gestolen geld en goederen uitdeelde zonder iemand aan het woord te laten die dat kon bevestigen. De Volkskrant van 24 juli en Het Parool van 25 juli 1986 stelden dat Brunswijk destijds geschorst werd, omdat hij kritiek had op ‘de revolutie’ en de ‘verwording’ ervan afkeurde. Ook dat is dubieus. Daar stond tegenover dat Nieuwe Revu als eerste naar Moengotapoe toog om te kijken welke schade daar was aangericht. Artikelen daarover waren niet eerder verschenen.

Het is níet zo dat media Brunswijk blind geloofden. De Volkskrant van 29 juli 1986 belde inwoners van Moengo om te verifiëren hoe men daar over Brunswijk dacht. Brunswijk – zo bleek – werd gezien als een ‘misdadiger die wegens criminele activiteiten uit het leger is gezet en die zijn voormalige collega’s nu uit rancune bestrijdt.’ Men zag het militaire regime graag verdreven worden, maar dan wel door iemand anders. Romeo Hoost, woordvoerder van het Surinaams verzet in Nederland, ontkrachtte de beschuldigingen: ‘Brunswijk heeft geen bankovervallen gepleegd. Hij is een idealist die een einde wil maken aan de corruptie van de militaire machtskliek, een idealist die het voor het volk opneemt.’ In dezelfde krant werd de ‘oude’ politieke leider Lachmon geciteerd die namens het Topberaad zijn ernstige bezorgdheid uitsprak. ‘Wij hebben gekozen voor democratisering langs de weg van de dialoog en niet langs die van geweld.’

NRC-journalist Van Klaveren kaartte op 2 augustus 1986 in een achtergrondartikel aan dat Suriname zelden zo dicht bij herstel van de onontbeerlijke ontwikkelingshulp was geweest, nu de ‘oude’ politieke partijen in het machtscentrum waren teruggekeerd. Nederland stelde als eis voor hervatting van de hulp herstel van de democratie. De oude politieke partijen eisten vrije verkiezingen. Van Klaveren wees erop dat de acties van Brunswijk onderdeel vormden van de nieuwe strategie van het Surinaams verzet in Nederland ‘dat met de hulp van een boze bosneger een wig tussen beide landen heeft weten te drijven’.

Het beeld (frame) van Brunswijk als vrijheidsstrijder overheerste echter die eerste week de berichtgeving. Door Brunswijk te vergelijken met Boni, maar vooral met Robin Hood, werd dat imago versterkt. Nederlandse media kopieerden elkaar, zo lijkt het. Daarnaast – zou je kunnen zeggen – slaagde het Surinaams verzet in Nederland er goed in om het frame van Brunswijk als vrijheidsstrijder te propageren en te bevestigen.

Terechte kritiek?

Onmiskenbaar speelden Nederlandse media een rol in de making of Ronnie Brunswijk. De Telegraaf verzon de naam Robin Hood, Pieter Storms van Nieuwe Revu bracht het verzet in Nederland in contact met Brunswijk. Ruim voor de proclamatie van het Surinaams Nationaal Bevrijdingsleger merkte De Telegraaf op 10 juni 1986 op, dat Brunswijk nog ‘geen steun van de verzetsbeweging’ in Nederland had gekregen. En Nieuwe Revu (nr. 29, week 11 t/m 18 juli 1986) – wist die soms meer? – beweerde dat Brunswijk als hij terugkeerde naar Suriname in zijn eentje een grotere bedreiging voor de militairen in Paramaribo vormde dan ‘tien pelotons getrainde commando’s’. Het kan goed zijn dat media ingingen op suggesties van het Surinaams verzet, zoals eerder gedaan in de Leeuwarder Courant van 27 mei 1986, in plaats van, zoals Herrenberg beweerde, zelf een ‘burgeroorlog’ te propageren. Het is een nadere analyse waard.

Waarom het NRC, Het Parool, de Volkskrant en De Telegraaf die eerste week minder oor hadden voor bijvoorbeeld de visie van Lachmon is gissen. Interviews met journalisten en sleutelfiguren uit die periode zouden licht kunnen werpen op deze kwestie. Achteraf leek de scepsis van het Surinaams verzet terecht. In 1990 grepen militairen opnieuw de macht tijdens de zogenaamde telefooncoup. Maar doet dat iets af aan Lachmons opvatting een gewapende strijd af te keuren? Bij Karskens en Burlage – en wie weet ook bij andere journalisten – bestond als het om Suriname ging al een beeld, namelijk van Bouterse als bad guy die nog steeds aan de touwtjes trok. Bovendien wisten ze zich in hun persvrijheid beknot. Niet alleen Pieter Storms en Gerard Wessel, ook Telegraaf-journalist Guido van de Kreeke was al eens in de cel beland.[xviii]

Brunswijk was zich er al snel van bewust dat je voor een ‘moderne guerrilla’ niet alleen wapens, maar vooral ‘bezoekende journalisten’ nodig had.[xix] Hij slaagde er beter in dan Bouterse de Nederlandse pers voor zich te winnen. Ook de ‘mythische jungle’ zal ongetwijfeld tot de verbeelding van de Nederlandse journalisten hebben gesproken. Oorlog wordt in de media vaak gepresenteerd als een spannend verhaal, drama, de strijd tussen goed en kwaad (Wieten 2002:21). Brunswijk paste daar uitstekend in. Bovendien mag verondersteld worden dat Nederlandse media al voor Brunswijk op de proppen kwam, contacten hadden met het Surinaams verzet in Nederland. Volgens Schalkwijk (1994:173) zocht die groep ‘grif’ de media en had belang bij ‘gekleurde reportages’.

Frames zijn behoorlijk stabiel, maar niet onveranderbaar (Vasterman 2004:43). In het eerste nummer van 1987 plaatste Nieuwe Revu misschien voor het eerst (?) ook vraagtekens bij Brunswijks strijd. Er waren inmiddels doden gevallen. Ronnie werd omringd door ‘ex-politici’ die wel wisten wat goed was voor Ronnie, de ‘bosnegers’ en Suriname. ‘Mensen die de macht per se terug willen.’ Storms en Karskens hadden heimwee naar het begin van 1986, toen Ronnie nog geknipt leek voor de rol van ‘charmante hoofdpersoon voor een leuk en spannend jongensboek’: De Nederlandse pers heeft overwegend partij gekozen voor Ronnie, maar als het zo doorgaat krijg je zo’n hopeloze oorlog. Zonder good guys en bad guys. Niemand noemt Ronnie nog een kwajongen. Of Robin Hood.

Nieuwe gebeurtenissen of onverwachte ontwikkelingen kunnen leiden tot reframing (Vasterman 2004:43). Niet alleen bij journalisten maar ook bij actiegroepen of bewegingen. Zo bekende Romeo Hoost (foto rechts) in Vrij Nederland van 16 juni 2010 naar aanleiding van het zojuist beklonken politieke bondgenootschap tussen Bouterse en Brunswijk: ‘Als ik zeg dat ik nooit een grotere opportunist dan Brunswijk ben tegengekomen, dan druk ik me voorzichtig uit.’

Verder onderzoek moet uitwijzen waarom bepaalde frames wel en andere niet doordrongen tot de media. Had dat behalve met al bestaande opvattingen over Suriname soms te maken met de tijdgeest, met de journalistieke cultuur in Nederland destijds? Het was de tijd dat Nederlandse journalisten ook naar Nicaragua en El Salvador trokken om daar de ‘vrijheidsstrijd’ te verslaan. Hoe ‘neutraal’ of geëngageerd waren bladen toen? Andere interessante kwestie is: wie had toegang tot welke bronnen en welke relaties bestonden er precies tussen Nederlandse journalisten en Surinaamse bronnen in Nederland én in Suriname. Wie gingen er schuil achter anonieme zegslieden die werden opgevoerd als ‘betrouwbare bron uit Paramaribo’?

[i] http://www.rnw.nl/suriname/article/karskens-binnenlandse-oorlog-suriname-mooie-reis, laatst geraadpleegd 30 oktober 2010.

[ii] Zie voor verschillende meningen De Vries 2005:20-24.

[iii] Media zouden er de oorzaak van zijn geweest dat de VS zich terugtrokken uit de oorlog.

[iv] Gesprekken met Burlage vonden plaats op 30 september en 19 oktober 2010.

[v] De juiste spelling van zijn roepnaam is Ronnie.

[vi] Zie noot 4.

[vii] De Surinaamse media en met name De West waren naar de mening van Hoogbergen en Kruijt (2005:136) ‘fel anti-Brunswijk’.

[viii] http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article630012.ece/Nationale_amnesie_redt_Brunswijk_niet, laatst geraadpleegd 30 oktober 2010.

[ix] Gebaseerd op ANP- en GPD-berichten.

[x] Als bron werd het ANP genoemd.

[xi] Nieuwe Revu nr. 26, 20 t/m 27 juni 1986.

[xii] Nieuwe Revu nr. 27, 27 juni t/m 4 juli 1986.

[xiii] Nieuwe Revu nr. 28, 4 t/m 11 juli 1986.

[xiv] Later zouden ook andere verslaggevers, onder wie Albert de Lange van Het Parool, Frans van Klaveren van het NRC en Arnold Karskens van Nieuwe Revu in hun reportages de magische krachten van Brunswijk en de rituelen die hij en zijn medestrijders, Jungle Commando’s, ondergingen kleurrijk beschrijven. Verslagen van de strijd kregen het aureool van een spannend jongensboek. Karskens begon zijn artikel in Nieuwe Revu nr. 44, week 24 t/m 31 oktober 1986 letterlijk met de woorden: ‘Het leest als een oorlogsroman.’

[xv] Op 28 juli arresteerde de FBI nabij New Orleans twaalf Amerikaanse huurlingen die op weg waren naar Suriname. Hun leider, Tommy Lynn Denley, verklaarde tijdens verhoren dat hij door de Nederlandse overheid en de Ansus Foundation – in casu de Surinaamse Nederlander George Baker –was ingehuurd. Baker ontkende iedere betrokkenheid. Brunswijk cum suis ook. Nederland idem dito. Hoogbergen en Kruijt (2005:126) vermoeden dat er ondanks de ontkenningen wel contacten waren tussen Brunswijk/het Surinaams verzet en de Ansus Foundation.

[xvi] Zie Het Parool van 23 en 24 juli, de Volkskrant van 24, 25 en 31 juli 1986; De Telegraaf van 29 juli 1986 en het NRC van 2 augustus 1986.

[xvii] In Nieuwe Revu nr. 35, 22 t/m 29 augustus 1986 vergeleek Brunswijk zichzelf met Boni en werd hij door zijn medestrijders Boni II genoemd.

[xviii] Zie noot 4.

Literatuur

Beek, F. van der, 1987 – Ronnie Brunswijk. Dagboek van een verzetstrijder. Weesp: Centerboek.

Haakmat, A., 1987 – De revolutie uitgegleden. Politieke herinneringen. Amsterdam: Jan Mets.

Herrenberg, H.F., 1988 – Het verschijnsel Ronnie Brunswijk. Lezing gehouden in het IVP gebouw, centrum VFB, 20 september 1986. S.l.: s.n.

Hoogbergen, W. & D. Kruijt, 2005 – De oorlog van de sergeanten. Surinaamse militairen in de politiek. Amsterdam: Bert Bakker.

Leurdijk, A., 1999 – Televisiejournalistiek over de multiculturele samenleving. Amsterdam: Het Spinhuis.

Mc Quail, D., 2000 – Mass Communication Theory. An Introduction. London: Sage. [4th edition]

Meel, P., 1993 – ‘The March of Militarization in Suriname.’ In: A. Payne & P. Sutton (eds.), Modern Caribbean politics. London: The Johns Hopkins University Press, pp. 125-147.

Polimé, T. & B. Thoden van Velzen, 1988 – Vluchtelingen, opstandelingen en andere bosnegers van Oost-Suriname, 1986-1988.Utrecht: Universiteit Utrecht.

Ramcharan, N., 2008 – ‘Het donkerste tijdperk voor de persvrijheid. De media tijdens de militaire dictatuur, 1980-1987.’ In: A. Sumter, A. Sens, M. de Koninck & E. de Vries (red.), K’ranti! De Surinaamse pers 1774-2008. Amsterdam: KIT-Publishers/Persmuseum, pp. 173-191.

Schalkwijk, M., 1994 – Suriname. Het steentje in de Nederlandse schoen. Van Onafhankelijkheid tot Raamverdrag. Paramaribo: Firgos.

Scholten, O., N. Ruigrok & P. Heerma, 2002 – In Sarajevo wordt geschoten, in Genève wordt gepraat. Een onderzoek naar de berichtgeving in vier landelijke dagbladen over het conflict in voormalig Joegoslavië van januari tot en met december 1993. Amsterdam: The Amsterdam School of Communications Research/NIOD.

Scholtens, B., 1994 – Bosnegers en overheid in Suriname. De ontwikkelingen van politieke verhoudingen 1651-1992. Paramaribo: Afdeling Cultuurstudies/Minov.

Sedney, J., 2010 – De toekomst van ons verleden. Democratie, etniciteit en politieke machtsvorming in Suriname. Paramaribo: Vaco. [2e herziene druk]

Vasterman, P., 2004 – Mediahype. Amsterdam: Aksant.

Volker, G., 1998 – ‘De Surinaamse burgeroorlog 1986-1992’. Oso, Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied 17 (2):157-168.

Vries, E. de, 2005 – Suriname na de Binnenlandse Oorlog. Amsterdam: KIT-Publishers.

Wieten, J., 2002 – Srebrenica en de journalistiek. Achtergronden en invloed van de berichtgeving over het conflict in voormalig Joegoslavië in de periode 1991-1995. Een onderzoek naar opvattingen en werkwijze van Nederlandse journalisten. Amsterdam: The Amsterdam School of Communications Research/NIOD.

Ellen de Vries studeerde Massacommunicatie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Ze bereidt – met steun van onder andere het NiNsee en de Treubmaatschappij – een dissertatie voor aan de UvA. Onderwerp: de rol van media in de postkoloniale verhouding tussen Nederland en Suriname (1975-2000).

Dit artikel is ook gepubliceerd in: Oso, Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied nummer 30 jaargang nummer 1

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter