blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Boerboom Harmen

Partij van Bouterse hekelt de rechterlijke macht

door Harmen Boerboom

Fractievoorzitter André Misiekaba van de Nationale Democratische Partij van president Bouterse heeft fel uitgehaald naar de rechters in het Decembermoordenproces. Die hebben volgens hem ten onrechte de Amnestiewet uit 2012 naast zich neergelegd. read on…

‘Seksfilmpje van SFB is geen kinderporno’

door Harmen Boerboom

Het is druk bij het zwembad van het gerenommeerde Hotel Torarica in Paramaribo. De Surinaamse elite en de hotelgasten, voornamelijk uit Nederland en Frans-Guyana, genieten op zonnebedden van een pina colada of drinken kokoswater met een rietje uit een vers gekapte kokosnoot. read on…

De Surinaamse ‘Schone Slaper’ die niet sliep

door Harmen Boerboom

In Nederland mag het vandaag de dag van Dafne Schippers zijn, in Suriname zijn de ogen gericht op Sunayna Wahi. De 25-jarige zal vandaag, net als Schippers, starten op de 100 meter sprint. In Suriname roept het hardlopen op de Olympische Spelen niet alleen gevoelens van nationale trots op. Dat heeft te maken met een incident rond een atleet die de boeken inging als de ‘Schone Slaper’. read on…

Bouterse praat met rechters en leger over proces Decembermoorden

door Harmen Boerboom

In Suriname staat het functioneren van de rechtsstaat ter discussie nadat president Bouterse wat hij noemt ‘constitutioneel overleg’ heeft gepleegd met de rechterlijke macht, de voorzitter van het parlement en de leger- en politietop. Daarnaast zijn vrijdag de manschappen van leger en politie geïnformeerd over de zogenoemde ‘constitutionele crisis’ waarin het land zich bevindt. read on…

Surinaams erfgoed gered door particulieren

door Harmen Boerboom

 

Vanuit de lucht kun je het goed zien: een groene vlakte waarin een lijnenspel aangeeft waar de grenzen van de plantages hebben gelopen. Het was onder meer hier dat Nederlanders in de slaventijd hun geld verdienden met de verbouw van koffie, cacao en suiker. read on…

Hijn Bijnen: Ik eis mijn prijs!

Hijn Bijnen. Foto © Hijn Bijnen
Een hoogtijdag voor een journalist: de uitreiking van de jaarlijkse Journalistenprijs, ook als je die prijs met iemand anders moet delen. Zo voel ik dat althans. Al ben ik dan fotojournalist, het blijft de waardering voor de beste journalistieke productie van het jaar. Iets om trots op te zijn.

Raar is dat: je kijkt ‘s morgens op internet, leest dat jouw productie over de zoektocht naar fort Boekoe de beste was maar jouw naam wordt helemaal niet genoemd. Er was nog de avond tevoren een feestelijke uitreiking, maar ik wist van niets.

De Journalistenprijs is een prijs die jaarlijks wordt uitgereikt voor de beste publicatie of productie. Ik wist niet dat ons artikel was ingestuurd voor de prijs. Waardering is belangrijk, maar waarom
uitsluitend voor de schrijver van het artikel? Was ik daarvoor dagenlang, in de voetsporen van John Stedman door de zwamp getrokken, tot de schouders door de prut? Had ik mij daarvoor zo uitgeput dat uiteindelijk door dehydratie mijn bloed zo dik werd dat het ging klonteren en het hart niet goed meer functioneerde? Werden daarvoor alle instanties in de stad benaderd om de kosten voor vacuatie per helikopter te dragen? De Stichting Wetenschappelijke Informatie, de Nederlandse Ambassade en uiteindelijk het kabinet van de President dat zich garant stelde voor de kosten? (Iedereen alsnog nogmaals hartelijk bedankt.)

Ben ik daarvoor onder alle omstandigheden doorgegaan met fotograferen, in de zwamp, in het kampje met uitputtingsverschijnselen, vanuit de helikopter, in de ambulance, in het ziekenhuis
met zes cardiologen om het bed….? Ben ik daarvoor financieel als freelancer aan de grond geraakt en lichamelijk nog steeds niet de oude?

Ik ben mee geweest voor eigen rekening. Ik ben dol op dit soort avontuur. John Pel , de organisator vroeg me om mee te gaan om de expeditie en evt. resultaten daarvan fotografisch vast te leggen maar had geen budget daarvoor. Er ging ook een archaeoloog, prof.Menno Hoogland (what’s in a name?) mee. Mijn tegenprestatie naar de organisator van de expeditie was het kosteloos beschikbaar stellen van mijn foto’s voor wetenschappelijke doeleinden. Maar ook ik kan niet
van de wind leven: ik ging er wel van uit dat ik de foto’s nog wel op een andere manier te gelde kon maken.

V.l.n.r. John Pel, Hijn Bijnen, Harmen Boerboom. Foto Tom van Moll
Begrijp mij goed, ik zeg niet dat ik die prijs moet krijgen vanwege de ontberingen en de ellende, het is een prijs voor het resultaat dat het heeft opgeleverd, al staat het wel in schril contrast tot het
bureauwerk waartoe vaste kracht Tom van Moll zich heeft kunnen beperken. Tom heeft goed werk afgeleverd, waarvoor ik hem ook heb gefeliciteerd. Tom feliciteerde mij ook, vanuit het buitenland. Maar toen realiseerde hij zich misschien nog niet dat hem dat de helft van de geldprijs (SRD 7500,-) zou kunnen kosten.

Wat is nu eigenlijk het probleem? Parbode heeft het artikel ingestuurd met als maker Tom van Moll en mijn naam niet genoemd. Waarom? Hoofdredacteur Iwan Brave: ‘niet aan gedacht’, in de haast erdoor geslopen…. Iwan heeft via Facebook al zijn excuses naar mij gemaakt. Maar Iwan zijn handen zijn gebonden. Tom van Moll is ook om zijn mening gevraagd, toekomstig hoofdredacteur Armand Snijders ook en last but not least de nu in Nederland verblijvende eigenaar Jaap Hoogendam. En daar kwam de volgende jezuïtische renenering uit: Parbode had slechts de tekst ingediend, niet de hele publicatie. Alsof je van een televisieproductie alleen het geluid indient.

De vraag is: Wat heeft de jury beoordeeld? De tekst of de journalistieke productie?

V.l.n.r. John Pel, Harmen Boerboom, Tom van Moll, Peter Van Maele en de motorist; foto Hijn Bijnen

Dan nog wat: Hoe moet dat met mijn medewerking aan Parbode? Ik leverde graag aan hen, want ik vind het best een goed blad. Vraag is of na dit verhaal eigenaar Jaap Hoogendam nog wel met mij in zee wil. Maar ik heb nog een ander probleem. Er kleeft namelijk een zware smet aan Parbode. Parbode heeft namelijk onlangs excuses aangeboden voor publicatie van een foto die zou tonen hoe scholieren zich zouden prostitueren voor smartphones. Mensen op die foto hebben zichzelf herkend en dit ontkend. Deze misleiding van de lezer is ernstig en tast de geloofwaardigheid van het blad, en daarmee van haar medewerkers aan. Ik zou zoiets nooit doen, omdat ik als fotojournalist mij gebonden acht aan dezelfde ethische normen als schrijvende journalisten. Voor ik bij Parbode verder ga zal er dan toch wel eerst een goed gesprek plaats moeten vinden.

Tot slot

Die prijs komt mij minstens voor de helft toe. De grani helemaal, want die hoef je niet te delen. Het is ook een smet op de Journalistenprijs als degeen die de prijs toekomt hem niet krijgt.

Hijn Bijnen, fotojournalist

Stedman: Het leger van Fourgoud op zoek naar Fort Boekoe
Jaap Hoogendam, uitgever van de Parbode heeft gereageerd op dit persbericht:

Hijn Bijnen verdient zeker geen prijs

Dat is mijn conclusie na lezing van zijn Facebook- en persberichten, die niet netjes zijn en getuigen van slordig denken. Bijnen wil een prijs – voor omgangsvormen krijgt hij deze alvast niet. Als hij vindt dat hij ook recht heeft op de prijs van Tom vanMoll, dan had hij meteen contact moeten opnemen met de prijswinnaar, de redactie of de uitgever van Parbode om dat kenbaar te maken. Hij koos er echter voor eerst publiciteit te zoeken via Facebook en een persbericht, daarbij niet nalatend Parbode (-medewerkers) zwart te maken. Onze hoofdredacteur heeft de fotograaf vervolgens persoonlijk geschreven, zoals het hoort, maar een ontevreden Bijnen antwoordde met een persbericht. Zo ga je niet met collega’s om en het getuigt van ondoordacht en onvolwassen handelen. Dan weten de media nu dat je door deze fotograaf onder druk gezet wordt via Facebook als hem iets niet bevalt.

Geen prijs voor omgangsvormen en zeker geen prijs voor journalistiek, dat legt Bijnen in het laatste persbericht gelukkig haarfijn uit. Zeldzaam hoe iemand zijn eigen verhaal ondergraaft. Eerst rondbazuinen dat het prijswinnende artikel zijn coproductie met Parbode was, nu beschrijft hij uitvoerig dat het helemaal anders zat. Dat hij deze foto’s maakte in een coproductie met expeditieleider John Pel, met wie hij op pad was naar Fort Boekoe. Bijnen had een deal met Pel, niet met ons. Hij vervolgt onbekommerd dat hij daarna deze klus te gelde wilde maken door foto’s te koop te zetten. En zo ging het. Hij kwam langs en we kochten een paar, dat doen we elk nummer, van zoveel fotografen. Verder had Bijnen geen bemoeienis met, of invloed op, het artikel in Parbode. Een leverancier is nog geen producent.

Samengevat: de feiten worden door Bijnen zelf naar voren gebracht. Maar dan moet hij daaraan wel de juiste conclusies verbinden : hij was coproducent bij John Pel en ging de boer op met wat foto’s. Waar ik aan toevoeg: hij deed verder niets voor Parbode, maar hij wil desondanks ‘tenminste’ de helft van 7500 SRD. Inderdaad een jaloersmakend bedrag, maar laat die gevoelens niet zo blijken.

Het is bij ons wel een coproductie geweest, zoals altijd. Van de winnaar Tom van Moll, met de hoofdredacteur, de eindredacteur, de corrector, de opmaker en de kantoormanager. Een prachtig team, waarmee we straks een feestje vieren, als Tom terug is.

Parbode, best een goed blad.” Dank voor het compliment, Bijnen.

Groeten, Jaap Hoogendam, uitgever

De grenzen van de Surinaamse zelfcensuur

door Harmen Boerboom

“Berichten jullie in Nederland geen nonsens over Suriname hoor! Ze weten je te vinden en slaan je in elkaar.” Ik ben in het centrum van de stad bezig met het maken van straatinterviews naar aanleiding van de omstreden amnestiewet. Een man met zonnebril hangt op zijn scooter tegen een muur en praat met een andere man die al anderhalf uur achter zijn flesje bronwater op een terrasje zit.

De man met de zonnebril en ik kennen elkaar ‘van de straat’. Ik weet niet wie hij is maar wel wat hij doet. Hij is fanatiek aanhanger van President Bouterse en hij is ‘overal’. Ook nu is hij ‘aan het werk’, zo vertelt hij mij. Het inlichtingennetwerk van Bouterse is fijn gemaasd en begint tussen het volk.

Gevoel van de jaren ’80
Kritiek op Nederlandse berichtgeving over Suriname is van alle tijden en bovendien vaak terecht. Maar een ‘waarschuwing’ over bestraffen van ‘nonsens’-berichtgeving door Nederlandse journalisten had ik persoonlijk al sinds het einde van de jaren ‘80 niet meer gehoord. De opmerking van de man met de zonnebril tekent de sfeer in een land waar de meningen van de voor- en tegenstanders van de omstreden amnestiewet polariseren. De discussie over dit onderwerp zorgt voor onrust en bij sommigen zelfs voor angst. “Het gevoel van de jaren ’80 komt terug,” vertelt een oudere vrouw die in de koffiebar haar pasteitje eet. “Bouterse voelt zich bedreigd door het aanstaande vonnis van het 8 decemberstrafproces, en dus moet de amnestiewet er snel komen. Hoe? Dat maakt niet uit.”

Strikte scheiding
Er is veel weerstand tegen de wet, niet in de laatste plaats in verband met de timing en de snelheid waarmee de wet in de Nationale Assemblee in behandeling is genomen. Ook internationale rechtsdeskundigen en politici hebben kritiek. Hun argumenten zijn helder: mensenrechtenschendingen kunnen volgens het internationaal recht niet onder amnestie vallen, lopende processen kunnen niet doorkruist worden door nieuwe wetgeving en een strikte scheiding tussen het politieke en het justitiële apparaat is een voorwaarde in een democratische rechtsstaat.

Zwaar op de korrel
Maar de voorstanders van de wet willen dat niet horen. En dus worden er vanuit het kabinet van de president telefoontjes gepleegd met redacties van televisieprogramma’s en kranten. Het actualiteitenprogramma ‘Panorama’ dat wordt uitgezonden op de staatszender ATV kreeg te horen dat er alleen voorstanders van de wet aan het woord gelaten moeten worden. En een ochtendblad kreeg een telefoontje naar aanleiding van een bericht over kritische geluiden in het Europees Parlement. De berichtgeving moest wat positiever zijn. Intussen is via de staatsmedia een regeringsgezinde campagne bezig en worden de oppositie en buitenlandse media zwaar op de korrel genomen door de chef voorlichting van het kabinet van de president.

Grenzen
De tijd waarin censors van de militairen de persvrijheid in Suriname belemmerden ligt ver achter ons. Maar zelfcensuur is in Suriname een bekend verschijnsel en nooit helemaal verdwenen. Bijna iedereen blijft binnen de ongeschreven grenzen, op straffe van het weigeren van medewerking bij interviews of te terugdraaien van de overheidsadvertenties. Die grenzen worden nu opnieuw bepaald en dat zet te denken.
Het effect van de telefoontjes is voor de betrokken journalisten vervelend, maar de meesten blijven hun werk zo goed mogelijk doen. De sturende telefoontjes proberen ze te negeren. Erover klagen kan juist averechts werken.

Mediawerkers
Wilfred Leeuwin van de Surinaamse Vereniging van Journalisten (SVJ) herkent zich niet in het beeld van opkomende intimidatie. Hij heeft slechts één klacht over staatsbemoeienis gekregen: die van ‘Panorama’. “Wij kunnen daar weinig tegen doen. Staatsmedia worden gevoed door de overheid en worden daarom door ons op een andere wijze bekeken. We noemen hun medewerkers ook geen journalisten maar mediawerkers. Van de zogenaamde ‘vrije media’ hebben wij geen klachten ontvangen. Maar als die er zijn dan zullen we die openlijk aanvechten. Staatsbemoeienis en intimidatie worden door de SVJ niet geaccepteerd.”

Revolutionaire machinerie
Ik ben intussen klaar met het opnemen van mijn straatinterviews. Veel mensen die ik aansprak liepen door en wilden niet praten. Maar ik heb een paar mooie quotes kunnen optekenen over polarisering in de maatschappij en een grimmiger wordende sfeer in het land. Voordat ik naar huis ga drink ik elders in de stad nog een biertje. Een man aan de tafel naast mij ziet mijn apparatuur en spreekt me aan. “Meneer, u bent journalist? U moet oppassen. Dit land lijkt misschien vrij voor u. Maar de revolutionaire machinerie van dertig jaar terug staat nog in het vet en kan binnen een dag operationeel zijn.”

[RNW, 1 april 2012]

Marron of bosneger?

door Harmen Boerboom

“De korjaal vaart ons over de soela’s naar Drietbabbetje. Een dorp midden in het gebied van de Marrons.” Ik spreek een jaar of tien geleden een tekst in voor een radioreportage uit het Surinaamse binnenland. Als ik klaar ben, vraagt de bootsman: “Meester, waarom noemen jullie in Nederland ons Marrons?” Ik ben in Suriname opgegroeid en de benamingen in dit multiculturele en vooral multi-etnische land werden vroeger met zorg gekozen.

De tenen zijn lang en al snel wordt iets in Suriname opgevat als belediging. En Hindoestaan is in de jaren ’60 van de vorige eeuw geen Koelie, een Creool geen Blakaman en een Boslandcreool noem je geen bosneger en al helemaal geen Djoeka. En ik, blond jongetje van amper 7 ben Harmen, en als het om mijn kleur gaat het liefste ‘Nederlander’. Bakra vind ik niet fijn , Boertje en Boeroe ook niet en Meester is helemaal uit den boze. Met mijn nickname ‘Boerie’, kan ik op school uiteindelijk goed leven, maar die is nu eenmaal zo gekozen omdat ik Boerboom heet.

Bekiokondre, Boven-Suriname. Foto © Michiel van Kempen

Sinds de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw zijn de etnische gevoeligheden in Suriname aanzienlijk minder dan vroeger. Een moderne creool noemt zichzelf nu zonder gène Blakaman, Koelie-poku is intussen een veelgebruikte benaming voor Hindoestaanse muziek. En de Aucaanse Boslandcreolen (Ndyuka of gewoon Djoeka) kennen dat woord inmiddels niet meer als scheldwoord maar hebben er een Geuzenbetekenis aan gegeven. Ooit, na flink wat flessen Parbo in het binnenland, hebben mijn Aucaanse vrienden en ik voor de ontwikkeling van het gebied zelfs een luchtvaartmaatschappij bedacht die zou gaan opereren onder de naam “Djoeka Airways.”

Boeroe
En ik zelf: ik vind het al lang niet erg meer om Bakra genoemd te worden. Meester neem ik op de koop toe. En wanneer ze hier denken dat ik een Boeroe ben, dan ben ik helemaal trots. De ‘enige echte’ witte Surinamers.

Wanneer ik voor het eerst het woord Marron hoor weet ik niet meer. Marroon ken ik wel, uit het Engels. Volgens Wikipedia komt het woord van het Haïtiaanse Mawon, maar mijn etymologie van de koude grond zegt mij dat het gewoon zoiets als ‘Bruintje’ betekent. Marron is zowel in het Spaans als in het Frans (behalve de benaming van kastanje) immers de benaming van de kleur bruin. Het woord ‘Maronnage’ (het weglopen van slaven) moet daar een afgeleide van zijn. Het moet in Nederland geweest zijn dat ik het begrip Marron voor het eerst als etnische aanduiding gebruikt zie. In Suriname wordt het woord in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw niet gebruikt.

Boslandcreolen
Als ik als verslaggever na jarenlang verblijf in Nederland naar Suriname terugkom, twijfel ik over de benaming van de zwarte binnenlandbewoner. In Nederland heeft men het dan steeds vaker over Marrons in plaats van Boslandcreolen. Dus het lijkt mij, hoe lastig ik het ook vind, beter om de nieuwe benaming ook maar in Suriname te gebruiken. “Meester, waarom noemen jullie ons zo? Vorig jaar waren hier onderzoekers van een Nederlandse universiteit en die hadden het ook altijd over Marrons.” Het voelt als een opluchting dat de boslandcreolen hetzelfde gevoel hebben als ik bij het woord Marron. Politiek (en ongetwijfeld historisch) correct, maar vervreemdend voor de mensen zelf.

De discussie over het gebruik van het woord Marron heb ik al een tijdje niet meer gevoerd. En ook in Suriname hoor je het woord steeds vaker. Tijdens een bijeenkomst met Boslandcreolen leg ik mijn dilemma weer eens voor. Marron? Het is minachtend. Vroeger gebruikte men het woord als naam voor weggelopen vee, weet iemand aan tafel. “Jullie hebben dat woord in Nederland bedacht. Jullie en vooral ook onze eigen mensen die daar gestudeerd hebben. Wij zijn Djoeka’s”, zegt een Aucaanse kennis vol trots. “Noh mang, wij zijn Saramaccaners, geen Djoeka’s!”, klinkt het vanaf een andere stoel. “Ok, boslandcreool dan?” Iedereen knikt tevreden. “Zelfs de politie noemt ons zo in de opsporingsberichten.”

Inheemsen
De A-Combinatie wordt in een aantal kiesdistricten uitgesloten. De A-C, een bundeling van boslandcreoolse partijen. Ik doe verslag vanuit Paramaribo en de wijk Sunny Point. “Nee, het zijn marrons en marronpartijen,”verbetert mijn eindredacteur in Hilversum. “Vanaf nu gebruiken we dat woord. En indianen zijn ‘inheemsen’.” Ook zo’n woord.

De discussie via de mail brandt los. Ik wil niet wereldvreemd overkomen, en kondig aan het woord Marron vooralsnog niet te gaan gebruiken. Tenzij we de Bakra’s in onze uitzendingen Kaukasiërs gaan noemen.

[column, overgenomen van de site van Radio Nederland Wereldomroep]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter