blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Bijnen Hijn

De totstandkoming van de expositie Kruderi van Erwin de Vries

Vanaf maandag 28 oktober 2019 tot half januari 2020 is in het sociëteitsgedeelte van Arti et Amicitiae in Amsterdam de tentoonstelling te zien van veelal Surinaamse kunstenaars uit twee privé collecties van Arti-leden: Carl Haarnack en Myra Winter (gezamenlijke collectie met Henry Strijk). Curator is de kunstenaar Harald Schole.

read on…

Tentoonstelling Brasa mi ori / Groet me met… in Arti et Amicitiae, Amsterdam

Vanaf maandag 28 oktober 2019 tot half januari 2020 is in het sociëteitsgedeelte van Arti et Amicitiae in Amsterdam de tentoonstelling te zien van veelal Surinaamse kunstenaars uit twee privé collecties van Arti-leden: Carl Haarnack en Myra Winter (gezamenlijke collectie met Henry Strijk). Curator is de kunstenaar Harald Schole.

read on…

Grand Prix Guyane/Suriname in beeld

Fotografie & tekst Hijn Bijnen

 

Ik kreeg een uitnodiging om de meerdaagse etappekoers Grand Prix Cycliste de la cooperation territorial Guyane/Suriname te fotograferen. Helaas kwam de uitnodiging zo laat dat ik alleen de laatste etappe Albina-Paramaribo kon volgen maar dan van achter op de motor. Dat viel tegen, de motor was er niet. ik moest het doen met een plaatsje in een van de volgauto’s die een vaste plek in de colonne had. Dus zag ik alleen de achterkant van het gebeuren. Volgende keer wel een helikopter, jongens! Om het goed te maken. Dus bij deze de foto’s die ik heb kunnen maken. Van de wedstrijd heb ik niets gezien. read on…

Regenweer

een fotoreportage door Hijn Bijnen

Het is weer zover, regentijd! Nu maar hopen dat de overheid geld heeft voor brandstof om de gemalen te laten draaien. Dan is de ergste wateroverlast in een halve dag wel weer voorbij. read on…

Zorg voor het erfgoed: het huis van Anton de Kom

Anton de Kom

Het monumentale straatnaambordje is eindelijk in overeenstemming gebracht met het geboortehuis van de Surinaamse revolutionair.

[met dank aan Hijn Bijnen en Tjebbe van Tijen]

Desi Bouterse and the legacy of Nelson Mandela

Portraits of Hope and Peace: Desi Bouterse and the legacy of Nelson Mandela, Gandhi, Martin Luther King and Malcolm X

Fotocollage © Tjebbe van Tijen, op basis van foto’s van Hijn Bijnen



House of Orange / Trophy hunters attending funeral Nelson Mandela the grandson of the 1954 Pro Apartheid Prince Bernhard King Willem Alexander will go to pay hommage… after his mother had herself photographed with Mandela while on a state hunting party to South Africa in 1996. Full article on the Dutch Prince and his successful visit to South Africa in 1954 during the Apartheid regime can be read here.

[From Imaginarymuseum]

Hijn Bijnen: Ik eis mijn prijs!

Hijn Bijnen. Foto © Hijn Bijnen
Een hoogtijdag voor een journalist: de uitreiking van de jaarlijkse Journalistenprijs, ook als je die prijs met iemand anders moet delen. Zo voel ik dat althans. Al ben ik dan fotojournalist, het blijft de waardering voor de beste journalistieke productie van het jaar. Iets om trots op te zijn.

Raar is dat: je kijkt ‘s morgens op internet, leest dat jouw productie over de zoektocht naar fort Boekoe de beste was maar jouw naam wordt helemaal niet genoemd. Er was nog de avond tevoren een feestelijke uitreiking, maar ik wist van niets.

De Journalistenprijs is een prijs die jaarlijks wordt uitgereikt voor de beste publicatie of productie. Ik wist niet dat ons artikel was ingestuurd voor de prijs. Waardering is belangrijk, maar waarom
uitsluitend voor de schrijver van het artikel? Was ik daarvoor dagenlang, in de voetsporen van John Stedman door de zwamp getrokken, tot de schouders door de prut? Had ik mij daarvoor zo uitgeput dat uiteindelijk door dehydratie mijn bloed zo dik werd dat het ging klonteren en het hart niet goed meer functioneerde? Werden daarvoor alle instanties in de stad benaderd om de kosten voor vacuatie per helikopter te dragen? De Stichting Wetenschappelijke Informatie, de Nederlandse Ambassade en uiteindelijk het kabinet van de President dat zich garant stelde voor de kosten? (Iedereen alsnog nogmaals hartelijk bedankt.)

Ben ik daarvoor onder alle omstandigheden doorgegaan met fotograferen, in de zwamp, in het kampje met uitputtingsverschijnselen, vanuit de helikopter, in de ambulance, in het ziekenhuis
met zes cardiologen om het bed….? Ben ik daarvoor financieel als freelancer aan de grond geraakt en lichamelijk nog steeds niet de oude?

Ik ben mee geweest voor eigen rekening. Ik ben dol op dit soort avontuur. John Pel , de organisator vroeg me om mee te gaan om de expeditie en evt. resultaten daarvan fotografisch vast te leggen maar had geen budget daarvoor. Er ging ook een archaeoloog, prof.Menno Hoogland (what’s in a name?) mee. Mijn tegenprestatie naar de organisator van de expeditie was het kosteloos beschikbaar stellen van mijn foto’s voor wetenschappelijke doeleinden. Maar ook ik kan niet
van de wind leven: ik ging er wel van uit dat ik de foto’s nog wel op een andere manier te gelde kon maken.

V.l.n.r. John Pel, Hijn Bijnen, Harmen Boerboom. Foto Tom van Moll
Begrijp mij goed, ik zeg niet dat ik die prijs moet krijgen vanwege de ontberingen en de ellende, het is een prijs voor het resultaat dat het heeft opgeleverd, al staat het wel in schril contrast tot het
bureauwerk waartoe vaste kracht Tom van Moll zich heeft kunnen beperken. Tom heeft goed werk afgeleverd, waarvoor ik hem ook heb gefeliciteerd. Tom feliciteerde mij ook, vanuit het buitenland. Maar toen realiseerde hij zich misschien nog niet dat hem dat de helft van de geldprijs (SRD 7500,-) zou kunnen kosten.

Wat is nu eigenlijk het probleem? Parbode heeft het artikel ingestuurd met als maker Tom van Moll en mijn naam niet genoemd. Waarom? Hoofdredacteur Iwan Brave: ‘niet aan gedacht’, in de haast erdoor geslopen…. Iwan heeft via Facebook al zijn excuses naar mij gemaakt. Maar Iwan zijn handen zijn gebonden. Tom van Moll is ook om zijn mening gevraagd, toekomstig hoofdredacteur Armand Snijders ook en last but not least de nu in Nederland verblijvende eigenaar Jaap Hoogendam. En daar kwam de volgende jezuïtische renenering uit: Parbode had slechts de tekst ingediend, niet de hele publicatie. Alsof je van een televisieproductie alleen het geluid indient.

De vraag is: Wat heeft de jury beoordeeld? De tekst of de journalistieke productie?

V.l.n.r. John Pel, Harmen Boerboom, Tom van Moll, Peter Van Maele en de motorist; foto Hijn Bijnen

Dan nog wat: Hoe moet dat met mijn medewerking aan Parbode? Ik leverde graag aan hen, want ik vind het best een goed blad. Vraag is of na dit verhaal eigenaar Jaap Hoogendam nog wel met mij in zee wil. Maar ik heb nog een ander probleem. Er kleeft namelijk een zware smet aan Parbode. Parbode heeft namelijk onlangs excuses aangeboden voor publicatie van een foto die zou tonen hoe scholieren zich zouden prostitueren voor smartphones. Mensen op die foto hebben zichzelf herkend en dit ontkend. Deze misleiding van de lezer is ernstig en tast de geloofwaardigheid van het blad, en daarmee van haar medewerkers aan. Ik zou zoiets nooit doen, omdat ik als fotojournalist mij gebonden acht aan dezelfde ethische normen als schrijvende journalisten. Voor ik bij Parbode verder ga zal er dan toch wel eerst een goed gesprek plaats moeten vinden.

Tot slot

Die prijs komt mij minstens voor de helft toe. De grani helemaal, want die hoef je niet te delen. Het is ook een smet op de Journalistenprijs als degeen die de prijs toekomt hem niet krijgt.

Hijn Bijnen, fotojournalist

Stedman: Het leger van Fourgoud op zoek naar Fort Boekoe
Jaap Hoogendam, uitgever van de Parbode heeft gereageerd op dit persbericht:

Hijn Bijnen verdient zeker geen prijs

Dat is mijn conclusie na lezing van zijn Facebook- en persberichten, die niet netjes zijn en getuigen van slordig denken. Bijnen wil een prijs – voor omgangsvormen krijgt hij deze alvast niet. Als hij vindt dat hij ook recht heeft op de prijs van Tom vanMoll, dan had hij meteen contact moeten opnemen met de prijswinnaar, de redactie of de uitgever van Parbode om dat kenbaar te maken. Hij koos er echter voor eerst publiciteit te zoeken via Facebook en een persbericht, daarbij niet nalatend Parbode (-medewerkers) zwart te maken. Onze hoofdredacteur heeft de fotograaf vervolgens persoonlijk geschreven, zoals het hoort, maar een ontevreden Bijnen antwoordde met een persbericht. Zo ga je niet met collega’s om en het getuigt van ondoordacht en onvolwassen handelen. Dan weten de media nu dat je door deze fotograaf onder druk gezet wordt via Facebook als hem iets niet bevalt.

Geen prijs voor omgangsvormen en zeker geen prijs voor journalistiek, dat legt Bijnen in het laatste persbericht gelukkig haarfijn uit. Zeldzaam hoe iemand zijn eigen verhaal ondergraaft. Eerst rondbazuinen dat het prijswinnende artikel zijn coproductie met Parbode was, nu beschrijft hij uitvoerig dat het helemaal anders zat. Dat hij deze foto’s maakte in een coproductie met expeditieleider John Pel, met wie hij op pad was naar Fort Boekoe. Bijnen had een deal met Pel, niet met ons. Hij vervolgt onbekommerd dat hij daarna deze klus te gelde wilde maken door foto’s te koop te zetten. En zo ging het. Hij kwam langs en we kochten een paar, dat doen we elk nummer, van zoveel fotografen. Verder had Bijnen geen bemoeienis met, of invloed op, het artikel in Parbode. Een leverancier is nog geen producent.

Samengevat: de feiten worden door Bijnen zelf naar voren gebracht. Maar dan moet hij daaraan wel de juiste conclusies verbinden : hij was coproducent bij John Pel en ging de boer op met wat foto’s. Waar ik aan toevoeg: hij deed verder niets voor Parbode, maar hij wil desondanks ‘tenminste’ de helft van 7500 SRD. Inderdaad een jaloersmakend bedrag, maar laat die gevoelens niet zo blijken.

Het is bij ons wel een coproductie geweest, zoals altijd. Van de winnaar Tom van Moll, met de hoofdredacteur, de eindredacteur, de corrector, de opmaker en de kantoormanager. Een prachtig team, waarmee we straks een feestje vieren, als Tom terug is.

Parbode, best een goed blad.” Dank voor het compliment, Bijnen.

Groeten, Jaap Hoogendam, uitgever

Fort Boekoe blijft ongrijpbaar

boekoe1.jpgdoor Tom van Moll
foto’s: Hijn Bijnen
Fort Boekoe was legendarisch om zijn onvindbaarheid in de onbegaanbare zwamp rondom de Cotticarivier, totdat de nederzetting in 1772 door de koloniale machthebbers werd opgespoord en met de drassige grond werd gelijkgemaakt. In 2004 was John Pel ervan overtuigd dat hij de plek opnieuw had gevonden, maar die zekerheid lijkt hem nu te ontglippen. Tijdens archeo-logische expedities, onder meer in augustus en november vorig jaar,  bleek de tocht nog steeds niet zonder risico; zelfs een spectaculaire evacuatie was nodig. Wil Fort Boekoe eigenlijk wel gevonden worden?
Het is geen jungle, maar de zwamp van het Cottica-gebied is minstens zo ondoordringbaar. De Boekoekreek is bij de monding in de rivier met enige inspanning nog wel bevaarbaar. Maar achter het bos, in de zwamp waar de kreek ontspringt, wordt de begroeiing verraderlijk. Op één van de eilanden ten oosten van de oorsprong van de Boekoekreek, in het noorden en het zuiden omgeven door diep moeras, maar in het noordwesten benaderbaar via een zand- en schelpenrits, moet ooit het legendarische Fort Boekoe hebben gelegen.
boekoe2.jpgHet fort fascineert de familie Pel al twintig jaar. De vreugde was dan ook groot toen de vijf broers en vader Pel, na diverse vruchteloze expedities, in april 2004 het fort eindelijk herontdekten. Althans, er werd een plaats gevonden die voldoet aan de beschrijvingen en kaarten die in de achttiende eeuw door het koloniale leger werden gemaakt. Wat aanvankelijk begon als de droom van een paar avonturiers, werd geadopteerd door de Stichting Wetenschappelijke Informatie (SWI) in Paramaribo. Inmiddels is Menno Hoogland, hoogleraar Caribische archeologie van de Rijks Universiteit Leiden, ingeschakeld om uitsluitsel te geven over de exacte locatie.
Met nieuw bronnenmateriaal, kan de geschiedenis van de Boni-oorlogen, en daarmee een stukje van de Surinaamse geschiedenis herschreven worden vanuit een niet-eurocentrisch perspectief. “Het is daarnaast de bedoeling dat er een heritage trail komt dat zal bijdragen aan capaciteits- en economische versterking van de omgeving in de vorm van toerisme en educatie”, zegt John Pel, initiatiefnemer van het project.
boekoe3.jpgIn de toekomst wil de SWI gedegen onderzoek doen om vanuit het eigen, Surinaamse perspectief nieuw licht op de geschiedenis van Fort Boekoe en het Cordonpad te werpen.
De eerste twaalf kilometer van de Boekoekreek is inmiddels door Aucaanse bewoners van het nabijgelegen dorp Pikin Santi vrijgekapt en bevaarbaar. Maar de laatste drie kilometers zijn weerbarstig. Tijdens de vele tochten die Pel de afgelopen jaren maakte, moest hij zich op dezelfde manier als de Boni’s en de huurlingen voortbewegen: met een korjaal voor het materiaal, maar zelf regelmatig ploegend door de dichte begroeiing.
Tijdens een van de eerdere expedities raakte hij eens voor 24 uur verdwaald in het bos. “Het terrein verandert continu. Het ene moment staat het gras tot je middel, een tijd later groeit het tot ver boven je hoofd. In de droge tijd moet er flink gekapt worden om door de begroeiing de bedding van de kreek te vinden. Na een erg natte periode staat het water zo hoog dat er helemaal geen onderscheid te maken is tussen kreek en moeras.”
Het onherbergzame gebied lijkt niet geschikt om te bewonen. De Boni’s hadden destijds echter weinig keus. Een groot deel van hen was het zware plantageleven ontvlucht en het gebied ingetrokken nadat de Franse zeeman Cassard in 1712 een aanval op de plantages langs de Cottica- en de Commewijnerivier had uitgevoerd. De tot slaaf gemaakten werden door de plantage-eigenaren het bos in gestuurd, in vertrouwen dat een groot deel terug zou komen. “Ze stonden echt niet allemaal te popelen om het bos in te gaan”, nuanceert Pel, “het leven in de natuur was zwaar, dat trok niet altijd. Niet dat het leven op de plantages zo’n pretje was, maar als ze overvallen werden, vocht de ‘slavenmacht’ soms net zo hard mee uit levensbehoud.” Ongeveer zevenhonderd van hen keerden niet meer terug.
De meest vruchtbare delen van het gebied werden echter al bewoond door de Aucaners. Die hadden tegen die tijd zelfs al vredesverdragen gesloten met de kolonisten. Daarin committeerden de Marrons zich om nieuwe weglopers terug te brengen naar de stad. In ruil daarvoor ontvingen ze onder andere voedsel en gereedschappen.
De nieuwelingen namen daarom hun toevlucht tot het moerasgebied. In 1760 was er al een generatie die in de zwamp was geboren. De Boni’s vormden als laatsten in Suriname een stam.

boekoe4.jpgEvacuatie
De Marrons uit de omringende dorpen wagen zich niet op eigen initiatief in het moeras. Hoewel ze een rivaliserende stam waren van de Boni’s, voelen de Aucaners zich volgens Pel wel aan hen verwant en koesteren ze respect voor het gebied. Voor de kreek wordt betreden, wordt daarom altijd een plengoffer gebracht bij een frakatiki, een totem. Eenmaal in het gebied moet men zich daarnaast aan een aantal trefu’s houden. Zo mag de naam Boekoe niet genoemd worden en mag er geen peper worden gemorst in het gebied. Ook is het verboden om de kaaimannen te ‘plagen’, omdat in hen de voorouders van de Boni’s zouden huizen. De voorzichtigheid van de Aucaners blijkt niet zonder reden. Tijdens een van de voorbereidingsexpedities voor het archeologische onderzoek, raakte fotograaf Hijn Bijnen in een delier. Na een paar dagen in de zwamp bleek dat zijn geheugen hem in de steek liet. Een ochtend wist hij zelfs niet meer waar hij was en kon hij zijn eigen foto’s niet meer plaatsen. “Hijn is wel een ausdauer”, vertelt Pel, “fysiek staat hij best zijn mannetje. Maar toen we kampement gingen maken, sloeg een soort oververmoeidheid toe. Hij had vreselijk dorst, kon geen ene voet voor de andere zetten. Hij was helemaal gedesoriënteerd, sloeg wartaal uit en was erg kortademig.” Archeoloog Hoogland was alert en herleidde de verschijnselen tot een zuurstoftekort in het bloed. Er volgde een zware nacht, waarbij Bijnen regelmatig hallucinerend zijn hangmat uit klom. Toen de verschijnselen de volgende ochtend niet waren verdwenen, werden de gidsen teruggestuurd met een briefje met daarop een verzoek om hulp. “Je wilt niet onnodig paniek zaaien, maar er stond toch iets meer dan ‘we zijn wat later’”, vertelt Pel. boekoe5.jpgPas laat die dag lokaliseerde een helikopter het bivak; Bijnen kon pas de volgende dag geëvacueerd worden. Volgens de gidsen deden de mysterieuze verschijnselen zich voor, omdat hij zich niet aan de trefu’s hield en de naam van de kreek zou hebben uitgesproken. Zelf is hij zich daar niet van bewust: “Ja, over het algemeen hou ik daar wel rekening mee, maar nou sluit ik niet uit dat je niet op ieder moment eraan denkt.” Pel erkent dat de naam Boekoe bij iedereen wel eens over de lippen kwam. “Iedereen verspreekt zich wel eens, maar dan voel je je betrapt. Hijn versprak zich nogal eens en door het volume van zijn stemgeluid, stoorden de gidsen zich aan zijn uitingen. Als die gidsen dan terugkomen en zo’n helikopter vliegt af en aan, dan wordt er gepraat natuurlijk: ‘dat hebben ze aan zichzelf te danken’. Dat heeft best impact op zo’n gemeenschapje van zestig, zeventig man. De dorpsgemeenschap zou een terugkomst van Hijn in het dorp daarom met gemengde gevoelens tegemoet zien.” Bijnen:“Ik kan niet bewijzen dat het niet zo is, maar ik geloof niet dat de trefu de oorzaak is geweest van de problemen. Al zou ik ze niet opgeroepen hebben als ik me ervan bewust was geweest.” De artsen constateerden een complex van oorzaken: een ontsteking aan zijn been leidde tot koortsverschijnselen, waardoor hij dermate uitdroogde dat zijn hart het dikker geworden bloed niet meer kon rondpompen. “Hoe minder er van mijn toestand bekend is, hoe meer ruimte dat geeft voor een eigen interpretatie”, meent Pel.
Het voorval illustreert hoe zwaar het bestaan in het moeras ook voor de Boni’s geweest moet zijn. “Er vond een soort natuurlijke selectie plaats. Mensen die het fysiek niet aankonden, stierven”, aldus Pel. Tegelijkertijd zorgde het moeras ook voor bescherming. Om het voortbestaan van de stam te waarborgen, werden verrassingsaanvallen op de plantages uitgevoerd, waarbij voedsel, gereedschap en vrouwen werden meegenomen. De kolonisten organiseerden regelmatig tegenexpedities, met wisselend succes. De zwaar beladen militairen waren niet bestand tegen het terrein en de Boni’s hadden zich noodzakelijkerwijs gespecialiseerd in snelle evacuatie. Bij een dreigende aanval werd een dorp simpelweg verlaten. Eén specifieke nederzetting bewees echter steeds haar nut. Door zijn onvindbaarheid kon het dorp Misalasi uitgroeien tot een versterkte nederzetting, van waar uit de aanvallen konden worden gecoördineerd. Later werd het omgedoopt tot Fort Boekoe.

boekoe6.jpgTegenaanval
Toch werd het fort in 1771 gevonden. Omdat de Marronstrijders op dat moment niet aanwezig waren, kon het kamp gemakkelijk worden ingenomen. Uit angst dat de terugkerende krijgers een tegenaanval zouden uitvoeren, werd de nederzetting echter snel weer verlaten, en zelfs niet platgebrand, zoals gebruikelijk.
In april 1772 keerden de militairen terug onder leiding van luitenant Jurriaan François de Friderici. Op de noordwestelijke zandrits sloegen zij een kamp op, van waar uit het fort voortdurend werd belaagd. Het duurde tot in september voordat het Korps Zwarte Jagers, de zogenoemde redi musus, de paden naar het fort vonden. Toen het dorp werd ingenomen, vonden negen Marrons de dood, vijftig anderen (vooral vrouwen en kinderen) werden gevangen genomen. De rest wist te ontvluchten. Dat betekende het einde van het fort, dat dit keer wel met de grond gelijk werd gemaakt. De strategische locatie werd nog wel gebruikt als uitvalsplaats voor de huurlingen, om het gebied uit te kammen. De Boni’s vluchtten in 1776 de grens met Frans-Guyana over; het gebied werd verlaten en nooit meer bewoond.
Enkele weken na de evacuatie van Bijnen, werd een tweede expeditie op touw gezet. De financiering kwam voor elkaar dankzij het Surinaamse bedrijfsleven, de overheid en de flinke duit die de Nederlandse ambassade in het zakje deed. “We hebben de begroting moeten omgooien. We wilden een week intensief archeologisch onderzoek kunnen doen en zo min mogelijk tijd kwijt zijn aan gedoe met logistiek en transport”, vertelt Pel. Ze werden gedropt in de zwamp, zo dicht mogelijk bij de plek waar De Friderici zijn kampement gehad moet hebben. Vanaf daar werden de rits, het eiland en de omgeving onderzocht.
boekoe7.jpgOndanks dat de archeoloog zijn werk goed heeft kunnen doen, leverde de expeditie niet het gehoopte resultaat op. “Nee, het is niet gelukt sluitend te bewijzen dat Fort Boekoe hier daadwerkelijk lag”, erkent Pel. Wel werden nog meer indirecte aanwijzingen gevonden, zoals restanten van kostgrondjes en kleine metaalresten op de zandrits. Houtresten van de palissaden bleken onvindbaar. “Het bewijs is karig. Op het eiland zelf hebben we niets gevonden.” Nieuw historisch bronnenonderzoek moet uitwijzen of er niet ergens de plank mis is geslagen. Maar Pel blijft vastberaden: “Ik sta open voor alternatieven, maar tot die tijd geloof ik dat het hier moet zijn.” Voorlopig blijft de legende van Fort Boekoe dus nog voortbestaan.

[uit Parbode, 1 februari 2012]

Huis van De Kom: Arte povera

Het huis van Anton de Kom. Foto @ Karwan Fatah-Black

door Tjebbe van Tijen

Zag zojuist een prachtige foto op de website van Onvoltooid Verleden over de deplorabele toestand van het Anton de Kom Monument in Paramaribo en hoe deplorabel ook, zie onderstaand citaat, de foto van het geheel met het verroeste golfplatendak en de verweerde gepotdekselde planken hebben hun eigen monumentaliteit ‘arte povera’ (armoedige kunst) heet dat in de kunstgeschiedenis. Ergens grijpt dit meer aan dan al dat van staatswege gemarmer en gebrons. Maar hoe dit onbewaarde voor later te bewaren? …

Ik citeer:
“Dat Anton de Kom niet voor iedere Surinamer een gevierde volksheld is bleek al toen we met onze Afro-Surinaamse taxichauffeur door de Anton de Komstraat in Paramaribo reden, maar hij ons niet kon vertellen of we het geboortehuis van deze revolutionair hier zouden moeten zoeken. Zoals veel straten buiten het directe centrum van Paramaribo rond het middaguur in de droge tijd is de Anton de Komstraat lang, breed, stoffig en rustig. Veel van de huizen staan los naast elkaar, met een tuin er om heen, en veel mensen hebben een hek. Aan de kant waar we de straat in komen lopen is een autowasbedrijf. De jongens die er werken begrijpen niet helemaal waar we naar vragen als we zeggen dat we het huis van Anton de Kom zoeken. Na een tijdje gaat er toch een lampje branden, ‘ja, daar verder zie je een monument, daar moet je vragen.’” (…) “We steken een straat over en zien onmiskenbaar het geboortehuis van De Kom. Er staat een monument voor, en het straatnaambord is niet van hout zoals in de rest van de stad, maar van metaal. Het huis is vervallen. De verf is, op een klein randje onder de dakgoot na, helemaal verdwenen. De meeste luiken zijn dicht, en uit een raam wappert een vaal roze gordijn. De golfplaten zijn van een andere generatie dan in de rest van de stad, helemaal verroest, en ze liggen scheef. Maar we schrikken vooral van het monument. Dat het plichtmatige plantenbakje uitgedroogd is kan gebeuren, en dat iemand een etensbakje laat liggen is niet zo gek, maar dat er plompverloren een WC-pot in een kartonnen doos voor staat verraadt een diepe desinteresse uit de buurt. We kunnen het maar moeilijk plaatsen, dus gooi ik het etensbakje in de kartonnen doos en sleur ik de WC-pot een eindje weg. Ruth pakt een ‘wet wipe’ uit haar tas en begint de tekst op het monumentje schoon te vegen. Het doet pijn om dit monument voor De Kom als symbool voor dekolonisatie, gelijkheid en trots in deze staat te zien.”

Slavernij naar Nieuw Amsterdam

Aspha Bijnaar bracht de NiNSee tentoonstelling Kind aan de Ketting naar het Openluchtmuseum Fort Nieuw Amsterdam in Suriname. DeSaN Productions deed de productie van de openingsact, bedacht het concept samen met toenmalig directeur Jean-Pierre de Keyzer. Liesbeth Peroti werkte dit concept artistiek en muzikaal uit.

Aspha Bijnaar

Foto’s door Hijn Bijnen van de nieuwe Facebookpagina Slavernij Online

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter