blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Berbice

Bouwen aan de Wilde Kust: infrastructuur in Suriname deel 1

door Jerry Dewnarain

Inleiding

Marcel Meyer was als jongen al geïnteresseerd in de geschiedenis van Suriname en tijdens zijn studie in Delft werd zijn interesse gewekt voor het ontstaan van de plantagepolders en de kanalen in Suriname. De interesse van Hillebrand Ehrenburg in de historie van de infrastructuur van Suriname ontstond tijdens zijn dienstjaren bij het Ministerie van Openbare Werken door gesprekken met vooral John Thijm, met wie hij toen een kamer deelde en met Marcel Meyer. Omdat er weinig bekend was over dit onderdeel van de Surinaamse geschiedenis besloten Ehrenburg en Meyer hierover een boek te schrijven.

read on…

Schotten in Suriname

Heeft u onder uw vooroud­ers per­so­nen met de namen Cruik­shank, Cameron, Fer­rie, Mac­In­tosh, Mac­Don­ald of MacLeod, om maar enkele Schotse namen in Suri­name te noemen? read on…

Een donjuan in de West

Het nieuwe Lees het NA magazine dat vanaf 21 augustus in de winkel ligt, opent met de reiservaringen van de Amsterdammer Pieter Groen (1773-1830). Als jongeman leidt Pieter Groen een spannend leven. Hij maakt een lange reis naar West-Indië, waar hij onder andere veel minnaressen heeft. Na zijn terugkeer in Nederland kan hij maar moeilijk zijn draai vinden. Het Nationaal Archief bewaart een serie reisverslagen van deze jonge Amsterdammer. Die zijn vanaf 16 oktober te zien op de tentoonstelling Het geheugenpaleis – met je hoofd in de archieven.
Het Journaal
Het reisverslag van Pieter Groen, dat hij zelf Journaal noemt, bestaat uit 7 chronologisch geordende schriftjes en bestrijkt de jaren 1792-1794. In het 1e deel beschrijft Groen zijn heenreis vanuit de Nederlandse Republiek naar West-Indië. De volgende 4 schriftjes van het Journaal verhalen over zijn ervaringen in West-Indië. Pieter geeft een uitgebreide beschrijving van de plantages die hij bezoekt en van zijn wandelingen door koloniale nederzettingen.
De binnenlanden in
Ook doet hij verslag van een aantal meerdaagse tochten door de binnenlanden die hij onderneemt. Groen verbaast zich voortdurend over de zeden en gewoonten van de inheemse indianen waarmee hij op zijn verkenningstochten in aanraking komt. In het 6e deel van zijn reisverslag legt Pieter Groen minutieus de terugreis naar Nederland in 1794 vast.
Amoureuze belevenissen
Daarmee is het feitelijke reisverhaal tot het einde verteld. Maar Pieter kan het niet laten om nog een extra schriftje toe te voegen. Daarin beschrijft hij onverbloemd de seksuele avonturen die hij tijdens zijn bezoek aan West-Indië heeft beleefd.
Het doel van de reis?
Waarom Pieter precies op reis gaat naar het andere eind van de wereld, blijft in nevelen gehuld. Hijzelf geeft daar in zijn Journaal geen heldere verklaring voor. Misschien moest hij zich op de West-Indische plantages voorbereiden op een toekomstig bestaan als koopman. Zelf lijkt hij zijn reis vooral als een initiatie voor het volwassen leven te beschouwen. Zijn omzwervingen en amoureuze escapades wekken in ieder geval de indruk dat Groen vooral zichzelf en de wereld wil ontdekken.
Dit nieuwsitem is gebaseerd op een artikel van Jacoo Hogeweg uit het nieuwe nummer van het Lees het NA magazineLees het NA magazine 6/2013 is vanaf 21 augustus 2013 te koop in de boekhandel. Het Lees het NA magazine is een uitgave van Het Genootschap voor het Nationaal Archief.
Meer weten over Pieter Groen?
De geschiedenis van Pieter Groen is een van de 11 verhalen die worden gepresenteerd op de tentoonstelling Het geheugenpaleis – met je hoofd in de archieven, die vanaf 16 oktober 2013 tot en met 29 juni 2014 in de nieuwe publieks– en tentoonstellingsruimte van het Nationaal Archief is te zien. Lees meer over Het geheugenpaleis of bekijk het persbericht.Jacco Hogeweg heeft een hertaling gemaakt van het reisverslag van Pieter Groen. Die publicatie, Een donjuan in de West. Het reisverslag van koopmanszoon Pieter Groen (1792-1794) verschijnt op 5 september 2013 bij Uitgeverij Balans. Het boek is te bestellen via de webwinkel.

 

Pieter Groen gaat naar de Barbiesjes

Op zondag 16 juni 2013 ging het stuk Pieter Groen gaat naar de Barbiesjes in première op het Oerolfestival, Terschelling. Deze objecttheatervoorstelling van Jaime Ibanez en Jornt Duyx is een coproductie van het Nationaal Archief, Hotel Modern en Feikes Huis. De voorstelling is gebaseerd op de 18e-eeuwse reisverslagen van Pieter Groen die zich in het Nationaal Archief bevinden.

Op avontuur in Berbice
Pieter Groen gaat naar de Barbiesjes is een historische tragediekomedie en vertelt het verhaal van de 19-jarige koopmanszoon Pieter Groen. Hij vertrekt in de zomer van 1792 naar Berbice, een toenmalige Nederlandse kolonie ten westen van Suriname. De kolonie heeft een omstreden reputatie; wie naar de Barbiesjes gaat, gaat zijn ondergang tegemoet, is de overtuiging. Maar voor Pieter lonkt het avontuur. Tijdens zijn verblijf in Berbice trekt hij door de binnenlanden met indianen, inspecteert plantages, bezoekt stadjes en leidt een losbandig leven. Met alle gevolgen van dien.
De voorstelling
Jaime Ibanez bewerkte de belevenissen van Pieter Groen tot een primitieve animatie: een mix van gesproken woord, bewegende machines en illustraties. De voorstelling wordt muzikaal begeleid door Jornt Duyx.
Het geheugenpaleis
Het verhaal van Pieter Groen is een van de 11 verhalen die onderdeel uitmaken van de expositie Het geheugenpaleis – met je hoofd in de archieven. Na een grondige verbouwing bij het Nationaal Archief zal deze tentoonstelling vanaf 16 oktober 2013 de openingstentoonstelling zijn. Op de webexpo is al een voorproefje te zien van deze tentoonstelling.
Nationaal Archief

 

Slavernijgeschiedenis centraal in Summerschool Boekgeschiedenis

 

Van 19 t/m 30 augustus bij de Bijzondere Collecties UvA

De Leerstoelgroep Boekwetenschap en Handschriftenkunde en de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam organiseren deze zomer voor de vierde keer een summerschool over de geschiedenis van het boek. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar Suriname en West-Indië/ het Caraïbisch gebied.
Speciale aandacht krijgt de geschiedenis van de slavernij in Nederland en de Nederlandse koloniën. Zoals men intussen toch wel zal weten, wordt dit jaar herdacht dat de slavernij in de Nederlandse koloniën 150 jaar geleden werd afgeschaft. De Bijzondere Collecties sluiten bij de officiële herdenking aan met de tentoonstelling Slavernij verbeeld. Deze tentoonstelling, te zien van 16 juni t/m 22 september, belicht slavernij van de oudheid tot en met de afschaffing van de Nederlandse slavernij in 1863, met nadruk op slavernij in de Nederlandse cultuur en de voormalige kolonie Suriname.
Deelnemers aan de summerschool kunnen een keuze maken uit een ‘à la carte’-programma. Naast cursussen en workshops is er een openingslezing met rondleiding in de UvA-Artisbibliotheek en is er een excursie naar erfgoedinstellingen in Antwerpen.
Het Summerschool UvA programma biedt o.a. de volgende programma’s waarin slavernijgeschiedenis, Suriname, West-Indië/ Caraïbisch gebied centraal staan.
Het verzamelen van bronnenmateriaal over Suriname, West-Indië & slavernij
In deze workshop wordt stilgestaan bij boeken die verband houden met slavernij. De belangstelling voor de Europese koloniale geschiedenis, in het bijzonder de Trans-Atlantische slavernij, is de afgelopen jaren sterk gegroeid. Tot voor kort werd er door musea en bibliotheken weinig aandacht aan besteed. Het is onmogelijk een volledig beeld te geven van het ‘corpus’ slavernij. In deze workshop worden verschillende ideeën en thema’s belicht. Op basis van twee bijzondere particuliere verzamelingen zal worden ingegaan op het verzamelen van boeken rond het thema slavernij; bibliofilie en slavernij; slavernij & kinderboeken; reisverhalen en ooggetuige-verslagen; schrijvende (ex-)slaven; slavernij in fictie; emancipatie en boeken. Bij deze thema’s zal de focus vooral liggen op West-Indië en Suriname. DocentenCarl Haarnack en Kenneth Bouman
Representing slavery: a visit to the exhibition Slavernij verbeeld
Images of chattel slavery remain largely limited to book illustrations. To commemorate the 150th anniversary of the abolition of slavery in the Dutch colonies, the Special Collections of the University of Amsterdam has devoted a major exhibition to this theme with loans from two distinguished private collections. On display are books, prints and maps from 1600 to 1900. The exhibition highlights the important role books and prints have played in distributing ideas about slavery. In the 17th century the distribution of knowledge about the plantation industry prevailed. At the end of the 18th century books and prints became the most important vehicles for the opponents of slavery. The 19th century saw the rise of picturesque images of colonial life. In this meeting we will visit the exhibition to study the relation between ideas and images. Docent:
Elmer Kolfin
Geschreven bronnen over de Caraïben in de National Archives in Londen
Voor de bestudering van de geschiedenis van Nederlanders in het Caraïbisch gebied is de vondst van 40.000 Nederlandse brieven uit de zeventiende en achttiende eeuw in de National Archives in Londen van groot belang. Ongeveer 60 procent heeft betrekking op Suriname, Demerary, Essequibo, Curaçao en Sint Eustatius. Verreweg de meeste brieven dateren uit de periode 1775–1815. Ze werden niet alleen geschreven door hogere bestuurders, plantage-eigenaren en kooplieden, maar vooral ook door klerken op plantages en handelskantoren, door soldaten, matrozen en ambachtslieden, en door hun vrienden en verwanten in Nederland. Deze brieven werpen een uniek beeld op het leven in Paramaribo en op de plantages. Tijdens de workshop zal worden ingegaan op de herkomst van dit materiaal en, aan de hand van enkele concrete voorbeelden, op het gebruik dat onderzoekers ervan kunnen maken. Docent: Roelof van Gelder
De slavenopstand van 1763 in Berbice
Van de plantagekoloniën aan de Wilde Kust, ook wel de Guianas genoemd, is Suriname voor Nederlanders wel het meest bekend, eenvoudigweg omdat dat gebied het langst onder Nederlands gezag heeft gestaan. Echter, de drie gebieden van het buurland Guyana waren tot de overdracht aan de Engelsen in 1814 ook Nederlandse wingewesten. Van de drie riviergebieden, Berbice, Demerary en Essequibo, werd de eerste sinds 1720 beheerd door de Sociëteit van Berbice, gevestigd in Amsterdam. De situatie in deze kolonie was in de jaren vijftig afschuwelijk. Dat gold voor de Europese militairen die bij bosjes stierven aan de gele koorts (vandaar de uitdrukking ‘naar de Barrabiesjes gaan’). Gebrekkig voedsel en vooral de slechte behandeling op de particuliere plantages leiden op 23 februari tot een uitbarsting, gevolgd door een algemene opstand in Berbice. Alleen dankzij de aanvoer van militairen uit andere West-Indische gebieden en uit Nederland kon de opstand in april 1764 definitief worden bedwongen.
De workshop wordt toegelicht met behulp van boeken uit de verzameling van de Bijzondere Collecties. Omdat veel hiervan deel uitmaaktvan de tentoonstelling Slavernij verbeeld, wordt ook gebruik gemaakt van reprints en heruitgaven. Docent: Lodewijk Wagenaar

Slavernij bij de Bijzondere Collecties
In deze workshop wordt aandacht besteed aan de bijna achtduizend titels uit de collectie Surinamica van de Bijzondere Collecties die verwijzen naar ons gedeelde slavernijverleden. Daarbij staan de titels uit de zeventiende en achttiende eeuw centraal. Na een korte inleiding wordt een bezoek aan de tentoonstelling Slavernij verbeeld gemaakt. Daarna wordt geprobeerd om aan de hand van een aantal beschikbare boektitels een beeld te krijgen van de denkwereld van geletterde inwoners van de Republiek. Welke informatie kreeg men destijds over de wereld buiten Nederland? Hoe werd slavernij en slavenhandel beschreven in boeken, pamfletten, kranten? Hoe kan het dat men – ogenschijnlijk – zonder enige terughoudendheid deel ging nemen aan de internationale handel in mensen? Was er dan geen kritiek? Docent: Dirk J. Tang

Inschrijving kan via deze link:
Alle illustraties: @ Buku Bibliotheca Surinamica

Verzet tegen slavernij

door Sandew Hira
Ik ben onlangs gedoken in de Encyclopedia of Slave Resistance and Rebellion, een tweedelige uitgave onder de redactie van Junius Rodriquez, in totaal 743 pagina’s. De encyclopedie bevat een enorme hoeveelheid detailgegevens over verzet tegen slavernij in de Amerika’s.
Rodriguez heeft een geweldige job gedaan. Hij laat met veel gedetailleerde verhalen zien dat het beeld dat historici uit het wetenschappelijk kolonialisme schetsen over slavernij als zouden Afrikanen gedwee slavernij hebben geaccepteerd, volledig vals is. Maar nog belangrijker is de manier waarop hij dat gedaan heeft. Hij toont de Afrikanen als strategische analisten die heel goed nadachten over hoe ze een machtig systeem van Europese slavernij konden bevechten. Het systeem dat ze bevochten was een wereldsysteem. De kolonie was te allen tijde onderdeel van een machtig leger in Europa dat klaar stond met een geweldige vuurkracht en onmetelijke militaire capaciteiten om iedere opstand neer te slaan.
Het verzet begon al in Afrika. Toen ze eenmaal aan bood waren gebracht van de schepen, was de geest van verzet nog niet gebroken. De Afrikanen waren geketend in het ruim van de schepen. Ze spraken elkaars talen niet. Ze wisten niet waar ze naartoe gingen. Er waren geen mogelijkheden om te vluchten. Vanuit een strategisch opzicht zijn er twee mogelijkheden: zelfmoord of moord. De getraumatiseerde Afrikaan koos voor de eerste optie. De zelfbewuste Afrikaan koos voor de tweede optie. Maar die optie was niet altijd beschikbaar. De mogelijkheid tot verzet kwam van vrouwen en kinderen die meer bewegingsvrijheid hadden op de schepen.
Neem het geval van de opstand op het schip Bristol. Op dat schip had Captain Tomba, een Afrikaan die getekend was in het ruim, het plan opgevat om het schip te veroveren. Maar de meeste mannen waren te bang om hem te joinen. Eén man en een vrouw deden mee. Op een avond zag de vrouw dat vijf matrozen die op wacht stonden, lagen te slapen. Zij gaf Tomba een hamer waarmee hij zijn ketenen kapot sloeg. Hij wist drie matrozen te vermoorden, maar in dat proces werd alarm geslagen.Tomba werd gevangen genomen. De kapitein executeerde hem en liet zijn medestrijder zijn hart en lever opeten als straf. Daarna werd hij op wrede wijze vermoord. De vrouw werd gezweept en met een mes over haar hele lichaam bewerkt totdat ze stierf. Intussen moest de rest van de tot slaaf gemaakte Afrikanen toekijken naar dit alles.
Voor de getraumatiseerde Afro’s is de nederlaag het belangrijkste feit om te herdenken. Voor de assertieve en zelfbewuste Afro’s is de daad van verzet het belangrijkste feit om te herdenken.
In de kolonie nam het verzet tegen slavernij verschillende vormen aan. De belangrijkste vorm was de algehele opstand. Twee opstanden hebben de aandacht getrokken. De opstand in de Nederlandse kolonie Berbice (Guyana onder Nederlands bestuur) onder leiding van Coffy en Accara en de opstand op Haïti onder leiding van Toussaint Louverture.
Beide opstanden brachten de kolonie langere tijd onder controle van Afrikanen. In Berbice hadden de vrijheidsstrijders een belangrijk deel van de kolonie gedurende 14 maanden onder controle. In Haïti hebben ze definitief een onafhankelijke zwarte staat weten te vestigen. Het verschil tussen nederlaag en overwinning werd bepaald door leiderschap. In Berbice was er een splitsing in de leiding. Coffy hoopte door onderhandelingen met de Nederlanders een situatie te bereiken waarbij een deel van het land in Nederlandse handen bleef en een ander deel een vrije zwarte staat zou worden. Acara geloofde het niet en trok zijn eigen lijn van verzet. De Nederlanders kregen steun van troepen uit Suriname en wisten de opstand uiteindelijk neer te slaan. De Nederlandse criminelen executeerde 128 Afrikanen op wrede wijze en herstelden slavernij in Berbice. Ze werden geradbraakt (de botten gebroken met ijzeren staven), opgehangen en levend verbrand.
In Haïti hadden ze al vroeg geleerd dat een compromis over slavernij niet mogelijk was. De Franse criminelen zouden geen onafhankelijke zwarte staat tolereren. L’Ouverture wist dat zonder een groot en goed getraind leger het niet mogelijk was om stand te houden. Zijn grote verdienste is dat hij wist hoe je zo’n leger moest opbouwen en onderhouden. Hij trainde de soldaten en wist een strak management van het leger op te zetten. Door zijn strategisch inzicht was hij in staat het Franse leger – en ook de Engelsen die de Fransen kwamen helpen – te verslaan.
Deze twee algemene opstanden brachten een heel land voor kortere of langere tijd onder controle van zwarten die slavernij afschaften in hun gebied. Ze vormen waardevolle lessen in de strijd voor vrijheid.
[van Starnieuws, 24 juni 2013]

Pieter Groen gaat naar de Barbiesjes

Op zondag 16 juni is het stuk Pieter Groen gaat naar de Barbiesjes in première gegaan op het Oerolfestival, Terschelling. Deze objecttheatervoorstelling van Jaime Ibanez en Jornt Duyx is een coproductie van het Nationaal Archief, Hotel Modern en Feikes Huis. De voorstelling is gebaseerd op de 18e eeuwse reisverslagen van Pieter Groen die zich in het Nationaal Archief bevinden.
Op avontuur in Berbice

Pieter Groen gaat naar de Barbiesjes is een historische tragediekomedie en vertelt het verhaal van de 19-jarige koopmanszoon Pieter Groen. Hij vertrekt in de zomer van 1792 naar Berbice, een toenmalige Nederlandse kolonie ten westen van Suriname. De kolonie heeft een omstreden reputatie; wie naar de Barbiesjes gaat, gaat zijn ondergang tegemoet, is de overtuiging. Maar voor Pieter lonkt het avontuur. Tijdens zijn verblijf in Berbice trekt hij door de binnenlanden met indianen, inspecteert plantages, bezoekt stadjes en leidt een losbandig leven. Met alle gevolgen van dien.
De voorstelling
Jaime Ibanez bewerkt de belevenissen van Pieter Groen tot een primitieve animatie: een mix van gesproken woord, bewegende machines en illustraties. De voorstelling wordt muzikaal begeleid door Jornt Duyx.
Het geheugenpaleis
Het verhaal van Pieter Groen is een van de 11 verhalen die onderdeel uitmaken van de expositie Het geheugenpaleis – dwalen door de archieven. Na een grondige verbouwing bij het Nationaal Archief zal deze tentoonstelling vanaf 16 oktober 2013 de openingstentoonstelling zijn. Op de webexpo is al een voorproefje te zien van deze tentoonstelling.
Nationaal Archief

 

Berbice Dutch

Albertha Bell, the Last Speaker of Berbice Dutch, was interviewed by Jamiekan Langwij Yuunit in 2004, a few years before her death


door Silvia Kouwenberg

Known to its speakers as di lanshi (= the language), Berbice Dutch is officially extinct, after the death of its last fluent speakers, Albertha Bell and Arnold King, a few years ago.
They were cousins who had grown up together after Arnold King’s parents died in the flu pandemic of 1918 which reached even the very remote tributaries of the Berbice River in Guyana, in South America; having survived that deadly flu as children, they both lived to around 90.

Berbice Dutch: language of the Berbice colony

Like other creole languages in the Caribbean region, Berbice Dutch was once the language of a plantation colony. But Berbice was no typical colony: located on the infertile banks of the Berbice River, most plantations remained small, and
grew crops such as anatto (a natural dye) and cocoa rather than sugar. Planters relied heavily on friendly relations with the neighbouring Arawak indians, who provided them with food supplies, sexual favours, and tracking services in the bush – including the tracking of runaway slaves, a practice which has contributed to a certain level of distrust between Afro-Guyanese and Amerindian Guyanese which persists to this day.

The author interviewing Arnold King

Although enslaved Africans constituted the majority of the colony’s population, close relationships appear to have existed between all three groups present in the colony, Africans, Arawak Indians, and (mostly Dutch) Europeans. Guyanese have a special term for their mixed off-spring: “bovianders”, a word which is thought to derive from Dutch “bovenlander” (= upriver dweller). In my visits to the former plantation areas of the Berbice River, I encountered many a young Berbician whose brown skin and dark curls combined with startlingly green eyes.
The last speakers of Berbice Dutch, although without green eyes, were certainly of similarly mixed descent. Albertha Bell and Arnold King could identify both Arawak indians and Afro-Guyanese among their forebears, and reference was also made to “white” ancestors – although this may have meant light-skinned rather than European white.

The story of Justus Gerardus Swaving

guyana_map
A former Dutch colony, Guyana was ceded to the UK in 1815, after the Napoleon Wars. It won its independence in 1966.

In 1806, Justus Gerardus Swaving, an adventurous Dutchman, married Wilhelmina Balk; the two had met at a dance where they fell in love at first sight. She was the daughter of a Dutch planter in Berbice, and had been sent to Holland by her father. When news came of the death of papa, the newly-weds decided to take possession of the plantation in Berbice. In his autobiography, Swaving describes his first morning in Berbice as follows:

“While sitting on the verandah at a breakfast of toasted cassava bread and boiled goat’s milk, my chore consisted in the learning of several creole words, so that I would be able, on arrival at the plantation, to greet my black mother-in-law appropriately” (1827, p. 207).

Swaving’s sojourn in Berbice lasted only a few years: wife and baby died the next year in child-birth, Swaving’s financial affairs deteriorated steadily, and he finally left Berbice poorer than he had arrived there, having lost the plantation to his debts. What happened to his black mother-in-law is not known.

WestandEastBerbicemap
The Berbice River flows into the Atlantic Ocean with New Amsterdam at its mouth. Notice the typical Dutch polder engineering along the coast. Click for higher resolution.

The “creole” which Swaving refers to is, of course, Berbice Dutch, of which his wife was undoubtedly a native speaker, it being the language that her mother spoke. At the time of Swaving’s adventures in Berbice, that colony was well on its way to its final demise. It had been battered by a serious slave uprising during 1763-1764 and was under continuous threat of alternating French and English attempts to take the colony (the English were ultimately successful).
Moreover, the colony had been established on soil which could not sustain long-term farming practices; it was located on the upper reaches of a river whose mouth was made impassable for sea-worthy ships by sand banks (a serious drawback for an export-oriented economy); was run by unscrupulous individuals whose unhealthy life-style moreover meant a quick succession of owners. In all, the colony suffered much instability and long-term prospects were poor.
Its end came when, during the nineteenth century, an impressive feat of Dutch hydraulic engineering made coastal lands available for planting. The upriver plantations of the Berbice were abandoned in favour of coastal locations, taking advantage of the fertile alluvial soil and accessibility for sea-shipping of the coastal locations.

Berbice River view. Photo © Silvia Kouwenberg

Reverend Dance and his flock

Around that same time, Reverend Charles Daniel Dance was assigned to minister to the remaining folks on the Berbice River. As part of his duties in Berbice, he started a programme of education in English:

“As there was no banab [= thatched hut] yet prepared for me at Cumaka, I resided for a month with a woodcutter’s family, a few miles down the river. I opened a school here, and taught the woodcutter’s children and the children of the Indians in the neighbourhood (…) The children all talked a patois called creole Dutch, and their own Arawak tongue, and scarcely any English. A rule was made, to which they all readily agreed, that no language but English should be spoken in school. It was sometimes amusing to observe the attempts a little boy or girl would make to report a grievance, or express a wish, – importing into his speech a mixture of the three languages.” (Dance 1881 p.58).

Rev. Dance’s efforts are in no small measure responsible for the stigma which became associated with “di lanshi”. When I carried out my field work in Berbice between 1986 and 1990, I encountered a generally negative view of the traditional cultural practices of Berbicians. Adherence to animist religious practices, living in thatched wattle-and-daub houses, eating certain “bush meats”, and, of course, speaking a language unrelated to English, were all considered signs of backwardness. Not that these had been completely abandoned: animist beliefs were held by everyone in the area, bush meats were much appreciated, and thatched roofs have some advantages over expensive, rusty, heat-trapping zink; but the fatal blow had been dealt both to Berbice Dutch (then already almost extinct) and to the Arawak language of the indian population (no longer learned by children).

Guyana-sprog

The languages of (Northern) Guyana. Aboriginal Amerindian lgs: Arawak is in green, Carib lgs in red and Warao striped. Creole lgs are yellow, Berbice Dutch included (lower right quarter of the map). The country’s official/national language is English, but the common language is Guyanese English Creole (yellow). Most of Guyana’s 215.000 km² are uninhabited (white on the map) and the population is only 3/4 million, almost all living along the Atlantic coast, 44 % of East Indian, 30 % of West African, 9 % of aboriginal Amerindian and 17 % of mixed descent. A majority of the population are Hindu, (Map: www.ethnologue.com)

The African, Dutch and Arawak elements in Berbice Dutch

Ijo
About one-third of Berbice Dutch words derive from Eastern Ijo languages, Kalabari in particular, spoken along the coast of Southeastern Nigeria. The current president of Nigeria, Goodluck Jonathan, is Ijo. (Map: Wikimedia)

Albertha Bell and Arnold King, proud as they were of their predominantly Arawak ancestry, would have been shocked to learn that the language of their childhood years is of special interest to linguists because of its African linkages, with a group of languages spoken in the Southern coastal delta area of Nigeria, the Eastern Ijo languages. Thus, Berbice Dutch words such as wari ‘house’, toko ‘child’, jefi ‘to eat’, mangi ‘to run’, kali ‘small’, bifi ‘speak’, are all decidedly un-Dutch: these are words that derive from Eastern Ijo.
Essentially, Dutch and Eastern Ijo appear to have competed in the composition of the Berbice Dutch lexicon. Thus, we find Dutch-derived man ‘man’ and Eastern Ijo-derived jerma ‘woman’; Dutch-derived feshi ‘fish’ and Eastern Ijo-derived feni ‘bird’; Dutch-derived grun ‘green’ or ‘unripe’ and Eastern Ijo-derived bjebje ‘yellow’ or ‘ripe’; Dutch-derived hemdu ‘shirt’ and Eastern Ijo-derived bita ‘clothes’, and so on.
Arnold King tells of his younger years:

eke papa mete eke mama doto-te, an da eke grui-te mete en man,
my father and my mother died, and so it is that I grew up with a man,
pote Howard Hope, an shi jerma nam Alice Hope.
old Howard Hope, and his wife whose name was Alice Hope.
wel eke drai-te jungu man eni bara ben,
well I became a young man in their care (literally: in their hand)
an eke deki-te jerma an trou-te.
and I chose a woman and married.
Berbice Dutch mini vocabulary:
an ‘and’, bara ‘hand’, ben ‘inside’, da ‘be’ or ‘it is’, deki ‘take’, doto ‘die’, drai ‘become’, eke ‘I’ or ‘my’, en ‘a’, eni ‘they’ or ‘their’, grui ‘grow’, jerma ‘woman’ or ‘wife’, jungu ‘young’, mama ‘mother’, man ‘man’, mete ‘with’, papa ‘father’, pote ‘old’, shi ‘his’, -te (perfective), trou ‘marry’

Of even more interest to linguists is the grammar of this language: Berbice Dutch has incorporated elements of the grammars of both Dutch and Eastern Ijo, but is nonetheless quite different from both.

arawak

The aboriginal language Arawak is dying, no children are learning it anymore. It is still spoken/remembered/known by some 2.000 elderlies in a handful of pockets across Guyana, Surinam, French Guyana and Venezuela. (Map: LL-Map)

The Arawak language, too, has made its contributions to the Berbice Dutch lexicon. But words such as anwanwa ‘carrion crow’, kurheli ‘smoke’, sarapa ‘three-pronged arrow’, jaluku ‘ghost’ are clearly not as essential to every-day communication as those contributed by Eastern Ijo and Dutch.

Lessons from Berbice Dutch

So this language is no more spoken. But it lives in recordings, video, and publications. Its special combination of elements from three different source languages continues to be of interest to linguists who study language contact: it teaches us about the human capacity for resourcefulness, where people had to communicate across language barriers under very challenging circumstances. It also teaches us something about language death.

HILDA-ADOLPHE_ALBERTHA-BELL

Barefooted Bertha Bell (right) with friend Hilda Adolphe. Photo © Silvia Kouwenberg.
Albertha Bell and Arnold King grew up in a changing world, one where the isolation of the deep interior bushland of Guyana was breaking down. The outside world entered in the form of pastors, school teachers, traders, and members of their community travelled to work elsewhere – and brought back money, the deadly flu which killed Arnold King’s parents, and the culture and language of coastal Guyana. The integration of communities along the Berbice River with the rest of the country of Guyana provided the motivation to speak English Creole and abandon Dutch Creole. Their children had hardly ever heard di lanshi until my arrival, in the late 1980s.
People have an uncanny ability to treat their language and cultural heritage as a commodity, to be discarded when it seems to be of little use to them or their children—only to regret the loss later in life. Many languages around the world are facing a similar fate. We had better hurry and record these languages before they are gone without a trace.
[from Sprogmuseet, 29-12-2011]

A Voyage to the Demerary (1807)

door Carl Haarnack

A Voyage to the Demerary, Containing a Statistical Account of the Settlements There, and by those on the Essequibo, the Berbice, and other Contiguous Rivers of Guyana. By Henry Bolingbroke, Esq, Deputy Vendue Master at Surinam. London: Richard Phillips, 1807.

Wie belangstelling heeft voor de geschiedenis van Suriname moet vaak verder kijken dan de eigen landsgrenzen. Het buurland Guiana (Brits-Guyana) behoorde vroeger ook tot het Nederlandse koloniale rijk. Tot 1814 was dit gebied in handen van Nederland. Het bestond uit Demerary, Essequibo en Berbice. Aan het eind van de 18e eeuw bezetten de Engelsen de Nederlandse koloniën op het Zuid-Amerikaanse vaste land.

Henry Bolingbroke werd gedurende dit zg. Engelse Tussenbestuur in 1807 tot vendumeester in Paramaribo benoemd. Een vendumeester organiseerde en leidde openbare verkopingen van slaven.

Deze afbeelding komt niet uit het besproken boek, maar uit Daenisch Westindien.

Bolingbroke heeft naar alle waarschijnlijkheid zo’n zeven jaar in Demerary geleefd. Gezien zijn werk als velingmeester was Bolingbroke geen voorstander van de afschaffing van de slavernij. Volgens Wolbers genoot hij een jaarsalaris van maar liefst fl. 10.000,–. Hij schrijft veel over de eigenaardigheden van Nederlandse planters in Demerary. Als de planter opstaat kleedt hij zich aan en vraagt hij zijn foetoe-boi om een washand om gezicht en handen mee te wassen. Bolingbroke schrijft dat hij in Nederlandse plantage-huizen vrijwel nooit een wasbak zag, ook als er blanke vrouwen woonden. Dit stond in schril contrast met de properheid van de huizen. Deze werden iedere morgen met citroen geschrobt wat een heerlijke geur verspreidde.

Interessant is ook zijn beschrijving van een markt waar ‘the negroes’ hun waren aanbieden zoals fruit, groente, gevogelte en eieren. Hij maakt melding van vrije zwarte vrouwen die naast zoutvlees, vis, varkensvlees, brood, kaas en tabak ook Europese manifacturen in kleine hoeveelheden verkopen; ‘to enable the negroes to supply themselves agreeably to the length of their purse’. Deze vrouwen kopen hun waren weer in grotere hoeveelheden van kooplieden met een krediet van twee of drie maanden. Veel van deze vrouwen (hij spreekt over ‘hucksters’) zijn volgens Bolingbroke rijk en bezitten soms tien, vijftien of twintig slaven die ze allemaal in zetten bij de kleinverkoop. Het is gebruikelijk dat de verkopers gedurende een aantal weken van plantage naar plantage trekken om hun waren bij de ‘negerhuizen’ te verkopen. De goedkeuring van de plantage-directeur is hiervoor wel een vereiste.

Wie geen geld heeft kan via ruilhandel aan de spullen komen die men nodig heeft. Vooral de gekleurde vrouwen zijn dol op kleding. Het boek van Bolingbroke is met name interessant omdat het voor een belangrijk deel betrekking heeft op de veelal onbekende geschiedenis van Demerary, Essequibo en Berbice. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het leven aan het begin van de 19e eeuw in deze gebieden wezenlijk verschilt met dat van Suriname.

[van Buku Surinamica]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter