blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Ashetu Bernardo

Bernardo Ashetu – Dood

Zoals ik je zei

                               van die zeilboot
we blijven niet eeuwig jong,
ik viel om
                               om
                                               en om
in bladeren schrikwekkend rood.
En zoals ik je zei
                               van die zeilboot
zijn de matrozen bleek
                               ze zijn bleek
                                               ze zijn dood.
[uit de ongepubliceerde bundel Tu-taf]
Portret van de waarheid – Nicolaas Porter

Bernardo Ashetu – Ciudad Bolívar 6-12-’57

Telkens kom je weer in andere plaatsen. Je wordt er moe van maar je merkt het zelf niet. Hier regent het en elders schijnt vrolijk de zon. In feite begrijp je er niets van. Ergens ga je dan ook maar zitten in het gras. Je voelt je zoals het zich met woorden haast niet zeggen laat. Je voelt je eindeloos verlaten. Je plukt om je heen twee bloemen en vergelijkt ze met elkaar. De ene is rood, de andere lila. Je plukt er nog twee. De ene geel, de andere wit. Je weet het niet. Je loopt moedeloos naar de rivier. Je beziet het stromende water. Je werpt er een kushand naar toe of je stoot er een vloek tegen uit. Hoe immers, in hemelsnaam, kan je wat weten. Tenslotte loop je naar een hut aan de rand van het stadje, een kleine hut van klei waarin een vrouw woont. Je duwt de deur open. Je gaat naar binnen. Haar groet beantwoord je niet. Je voelt haar vragende blikken. Je voelt de ontoereikendheid en machteloosheid van woorden. Je haat haar maar je wil niet haten. Je wilt vergeten. Je kust haar lippen. Je sluit je ogen.

[uit Yanacuna, 1962]

Otto Sterman leest Bernardo Ashetu

Bernardo Ashetu, geportretteerd door Nicolaas Porter

Op deze opname van Radio Nederland Wereldomroep leest de voordrachtskunstenaar Otto Sterman gedichten uit Ashetu’s enige, tijdens zijn leven gepubliceerde bundel Yanacuna (1962) in de radioserie ‘Surinaamse en Antilliaanse proza en poëzie’. Klik hier:

Let op: het downloaden van het bestand neemt enkele minuten voordat het geluid begint!

 

Bernardo Ashetu – Partisaan

Zal ik dan nooit meer
de partisanen spreken
Djiwa, Luala
en al die andere mannen
van de vliegende wapens?

Nog steeds is het land bezet
nog steeds overvallen mij dromen
van ‘t kleurige gif waarmee
oude koningen wisten te voorkomen
de val van mijn donker ras.

[uit de ongepubliceerde bundels Disso en Negro]

Stijlvol sterven (2)

door Peter Meel

 

Te midden van de schijngestalten en droomfiguren die Ashetu’s werk bevolken, zijn de contouren van de vaderfiguur het meest zichtbaar. Het is niet vaak dat hij herkenbaar op de voorgrond treedt. Dat doet hij mijns inziens nog het duidelijkst in het gedicht ‘Jij’, dat in de bloemlezing Dat ik zong een plaats kreeg.

Jij
Jij met
de gehaaide
gewatteerde trompetten
jij met
de haan en
de oranje vogel
jij die
ons gevoed hebt
met een witte bloem
jij bent
van de  natte kusten
en van ’t oerwoud
dat verging.

De vader – die niet bij naam wordt genoemd, want dat zou onverdraaglijk zijn voor de dichter – wordt hier in al zijn burgerlijke benepenheid getekend. Muziek bestaat voor hem alleen als instrumenten gelikt en omfloerst hun klanken voortbrengen en spontaniteit en uitgelatenheid zorgvuldig zijn weggepoetst. De haan kan moeilijk naar iets anders verwijzen dan naar de machogedaante waarin de vader zich aan de zoon openbaarde, de oranje vogel naar het Huis van Oranje en de monarchistische inborst waarmee de vader zich in het private en publieke domein wenste te onderscheiden. De witte bloem refereert naar mag worden aangenomen aan de cultuur en geschiedenis van Europa waarmee de vader zijn gezinsleden hoopte te begeesteren. Dat de vader van de natte kusten en het niet meer bestaande oerwoud is, laat zich lezen als diens vervreemd zijn van het wezen van zijn land en zijn gehechtheid aan de zoom van Suriname, die hem via de Atlantische Oceaan tastbaar met de kust van de Lage Landen verbond.

 

Bernardo Ashetu: Me and my father; fotoportret van Nicolaas Porter

 



Een ander gedicht waarin ik de vader meen te herkennen, zij het op een meer indirecte wijze, is ‘De historicus’ (uit Dat ik je liefheb).
De historicus
Mr. Lecky
is altijd de historicus,
nooit de partisaan.
Het kan ook niet anders;
hij wordt gekweld door
zoveel bange eeuwen.
Als hij naar me kijkt
klotst water tegen rotsen
aan in m’n zieke buik.
Eens, in zijn studeerkamer,
greep hij ontzet naar de
kop van een opgezette
koningstijger, toen ik op
gekrulde sandalen, gloeiend
in de ogen, zacht zijn
tergend vertrek met een
vuurwapen binnenschreed.
Heeft de dichter hier met opzet zijn vader, met diens belangstelling voor Griekse mythologie en Europese beschavingsgeschiedenis, het alias gegeven van een in zijn tijd befaamd Iers historicus en (conservatief) parlementariër? Speelde bij die voorkeur mee dat de gekozen naam tevens kan gelden als een verbastering van Leckie, een bekende Surinaamse familienaam? Evenals zijn vader was de historicus William Edward Hartpole Lecky een studeerkamergeleerde en politicus, die zijn wortels nooit verloochende, maar die het gewapenderhand nastreven van politieke doeleinden principieel afwees. ‘Zoveel bange eeuwen’ kan betrekking hebben op de tijdspanne van het oeuvre van de historicus Lecky, maar in overdrachtelijke zin ook verwijzen naar de twee wereldoorlogen die Van Ommeren senior meemaakte. Hoe dit ook zij, de dichter voelt zich duidelijk niet op zijn gemak in de confrontatie met de historicus. Omgekeerd is de historicus op zijn hoede in de omgang met de dichter. De historicus zoekt houvast bij ‘de kop van een opgezette koningstijger’ – hoe genadeloos kan je iemand als koloniaal wegzetten – als hij zich bedreigd voelt door de dichter. Diens wraakfantasie – verzorgd gekleed en soeverein het gehate studeervertrek binnensluipen en het object van afkeer en vijandschap naar het leven staan – komt in verschillende vormen in Dat ik je liefheb terug.
In ‘Marcel’ is de vader veel meer verstopt aanwezig, een stille kracht op de achtergrond, een presentie die de vormvaste geladenheid van het gedicht extra diepte geeft.
Marcel
Hij liep op de punten van
lichte schoenen het dak af.
Zijn zeden waren verkwikkelijk licht.
Hij viel op rode stenen
bij helder winters weer
en niemand begreep de vreemde
pauw tijdens zijn dure begrafenis.
Alleen God.
En dit was de zoete Marcel.
Nog meer dan in ‘De historicus’ voltrekt de hoofdfiguur in dit gedicht een daad die er niet om liegt. Hij schept er behagen in om deze handeling goed voorbereid en in stijl uit te voeren. Ashetu verbeeldt in dit vers niets minder dan de ultieme vergeldingsactie. Niet zijn vader uit de weg ruimen is het doel van de dichter, maar hem hard en langdurig treffen door zichzelf van het leven te beroven. Alles wat de vader veracht, heeft de dichter in zijn laatste handeling samengebald: de dandyeske uitrusting waarin hij zich heeft gehuld, de lichtzinnige en onbezorgde levenshouding die hij etaleert, en de weloverwogen enscenering van zijn daad in het door de vader zo gerespecteerde Nederland. Als alleen de dood ontsnapping biedt aan het regime van de vader dan moet deze in de ogen van de dichter groots worden gevierd en alle luister worden bijgezet. De overwinning dient grandeur te bezitten en naar een zinderende climax te leiden. Dat verklaart onder andere de dure begrafenis die het bravourestuk van de beminnelijke Marcel afsluit.
Maar die ‘vreemde pauw’, wat moeten we daarmee? Als alleen God de aanwezigheid van deze vogel kan begrijpen, zijn wij dan bij machte daar iets zinnigs over te zeggen? De pauw zou als een symbool van schoonheid en waarheid kunnen worden beschouwd en als zodanig een bestanddeel kunnen zijn van het zelfdodingproject van de hoofdfiguur. Maar de pauw zou evengoed kunnen verwijzen naar hoogmoed en trots. In die zin zou de vreemde pauw kunnen refereren aan de vaderfiguur, die eigendunkelijk en zelfvoldaan de wereld tegemoet trad, maar (verborgen wens van de zoon?) desondanks de moed bezat afscheid te komen nemen van zijn overleden vlees en bloed.
Anders dan voor de hoofdfiguur in Caesarion hebben de wraakoefeningen voor Ashetu nooit een louterend effect gehad. Daarvoor waren ze teveel het product van de verbeelding. Wel mag worden verondersteld dat zijn poëzie – die grotendeels in het verborgene tot stand kwam – voor hem lange tijd van rituele en esthetische betekenis is geweest. Een instrument ter beteugeling van al te heftige emoties en tegelijk een manier om gemoedsbewegingen te verkennen en schoonheid te creëren. Zou de zoon zich hebben gerealiseerd dat zijn vader – gepromoveerd op het onderwerp abortusbehandeling en als sociaal geneesheer op dit terrein een zekere faam genietend – op zijn manier zich eveneens op een complexe manier tot leven en dood verhield?
Rest ons na drie bloemlezingen uit het werk van de dichter de uitgave van de verzamelde poëzie van Bernardo Ashetu. Rolf van der Marck heeft hier al menigmaal hartstochtelijk voor gepleit en zelfs een ontwerp gemaakt voor een onderzoeksplan. Ik sluit mij graag bij zijn oproep aan.

Stijlvol sterven (1)

Wat betekent een huis. De muren rond een holte. Het betekent binnen, het beschermt je tegen buiten. Nu stond binnen op het punt buiten te worden.


door Peter Meel
.
Een van de attracties van de roman Caesarion van Tommy Wieringa is de overdonderende aanwezigheid van de vader van hoofdpersoon Ludwig Unger. De uit Oostenrijk afkomstige Bodo Schultz is een conceptueel kunstenaar, die visionaire en groteske projecten realiseert die doordrenkt zijn van haat en vernietigingsdrang. De misantropische en gewelddadige kanten van deze duistere figuur worden door Wieringa met veel stilistische brille geschilderd. Als vader heeft Schultz voor Ludwig nooit echt bestaan. Hij was afwezig in het gezin waarin Ludwig alleen met zijn moeder opgroeide. Met deze vrijgevochten vrouw onderhield hij een obsessieve relatie. Voor Ludwig bestaat Schultz uit fragmentarische herinneringen die hij vooral aan anderen ontleent. Omdat zijn verwekker hem in de geest blijft achtervolgen, kan de rusteloze Ludwig niet anders dan naar hem op zoek gaan. Zijn Vatersuche brengt hem naar de Panamese jungle waar hij zijn vader inderdaad weet op te sporen. Nadat Schultz hem tot het uiterste heeft uitgedaagd, gesard en vernederd, slaat de zoon hem in een vlaag van onbedwingbare woede in elkaar. Bij het verlaten van diens woning laat Ludwig de as van zijn overleden moeder achter. De vader, overvallen door dit gebaar, heeft niet het minste vermoeden dat hij voor de gek wordt gehouden. Ludwig glorieert. Voor hem heeft de wraakneming een louterend effect. Hij slaagt erin zich van zijn complexen te bevrijden en een nieuw leven beginnen.

 

Wieringa is niet de eerste auteur die over een problematische vader-zoon relatie schrijft. De wereldliteratuur – Caesarion verwijst er frequent naar – is er vol van. Ook in de Caraïbische letteren is het een veel voorkomend thema. Een mooi voorbeeld hiervan is het werk van de Surinaamse dichter Bernardo Ashetu, schrijversnaam van Hendrik George van Ommeren (1929-1983). Ashetu was de zoon van de arts (gepromoveerd gynaecoloog), (eigenzinnig) volksvertegenwoordiger en (korte tijd) parlementsvoorzitter Hendrik Carel van Ommeren (1896-1996). Ter inleiding bij Yanacuna (1962) – de eerste (en enige bij zijn leven verschenen) bundel van Ashetu – schreef Cola Debrot enigszins ontwijkend dat de hierin opgenomen gedichten grotendeels geschreven waren ‘uit het klimaat van onzekerheid, die men ook als crisis of schemertoestand pleegt aan te duiden.’ Hij stelde dat Ashetu’s ‘sensitief registrerende’ poëzie betrekking had op ‘de vervreemding en ontheemding van het steeds meer toenemende aantal displaced persons uit de twintigste eeuw’.
Inmiddels weten we dankzij de inspanningen van de grootste promotor van Ashetu’s werk, Michiel van Kempen, dat achter de crisis van de dichter behalve een maatschappelijk verhaal vooral een persoonlijke geschiedenis schuilging. Van Kempen benoemt het perspectief van waaruit Ashetu schreef zonder omhaal: zijn beleving van en identificatie met de geschiedenis en cultuur van de zwarte mens (als gemengd zwart-joodse man) en de getroebleerde relatie die de dichter met zijn vader onderhield. In een artikel in de Poeziëkrant (2000) – een tekst die in een licht herziene versie als nawoord in de prachtige bloemlezing Dat ik je liefheb (2011) is opgenomen – maakt Van Kempen duidelijk dat Ashetu’s vereenzelviging met de zwarte cultuur botste met de Eurocentrische opvattingen van zijn vader, voor wie assimilatie aan de Nederlandse cultuur en het verwerven van kennis van de Europese geschiedenis de sleutel waren voor persoonlijke ontplooiing en maatschappelijke vooruitgang. Dat vader Van Ommeren die levenshouding dwingend aan zijn omgeving oplegde, bleek onder andere uit zijn gewoonte om zijn kinderen de klassieke Griekse mythen en sagen te onderwijzen en deze streng te overhoren. Ook in het parlement kon hij onvermoeibaar over deze antieke verhalen uitweiden. Maat houden behoorde niet tot zijn sterkste eigenschappen en een dwingend verband tussen zijn verbale excursies en de Statenagenda was er zelden. Het kenmerkte de rechtlijnigheid en dominantie van vader Van Ommeren, die de affiniteit van zijn zoon met de expressies van zwarte taal en cultuur weghoonde en diens loopbaan als telegrafist en marconist met onverhulde minachting bezag. Diens dichterschap stuitte eveneens op zijn cynische afwijzing. Van Kempen: ‘Geen vers wilde Bernardo Ashetu na zijn debuut nog publiceren, omdat hij koste wat het kost wilde vermijden dat iemand hem nog ooit in relatie zou brengen met de naam Van Ommeren, die hij niet enkel associeerde met de gehate vader, maar ook met het slavenverleden.’ In 1975 werd bij Ashetu de diagnose schizofrenie vastgesteld. Hij overleed acht jaar later aan de gevolgen van darmkanker. Tot zijn nalatenschap behoren 31 ongepubliceerde dichtbundels.
Veel gedichten gaan bij Ashetu over ontheemding en vervreemding, over het bezweren van demonen en over ‘de uithoeken van zijn eigen complexe verhouding tot leven en dood’, zoals Van Kempen het kernachtig samenvat. Hugo Pos benadrukte in zijn inleiding tot de Surinaamse literatuur in Tirade (1973) treffend de psychedelische kanten van Ashetu’s poëzie. Hij sprak over ‘een zachte bedwelming van kleuren, dampende, brandende, aan de wiskunde verwante bloemen, klanken, veel klanken, Waripa, Tamassa, Asamar, dolken, onschatbare marihuana. Terwijl anderen bewust creëren lijkt het alsof het scheppingsproces bij hem onbewust geschiedt. Dit geeft aan zijn verzen iets onafs, iets van een droom, die bij het ontwaken al voor een deel vervluchtigd is. Wat overblijft is van een mateloze droefheid.’ Er is in Ashetu’s verzen inderdaad veel aandacht voor schoonheid, breekbaarheid en verfijning. Deze sensaties worden met chirurgische precisie opgeroepen en hebben in hun uitwerking op de lezer soms een hallucinerend effect. Meer dan eens echter nemen de door de dichter beschreven ervaringen een wending waardoor wonderen, beloften, verwachtingen en geluksgevoelens op zijn best tijdelijk blijken, maar vaker nog illusies zijn.
Nergens vinden al deze elementen mijns inziens een beter cumulatiepunt dan in het gedicht dat van alle poëzie van Ashetu het vaakst in druk is verschenen: ‘Marcel’. Ashetu nam het zelf op in Yanacuna, Van Kempen gaf het een plaats in Marcel en andere gedichten (2002) en in Dat ik je liefheb. Alleen in de bloemlezing die Gerrit Komrij uit het werk van Ashetu samenstelde, Dat ik zong (2007), ontbreekt het vers. ‘Marcel’ kan worden getypeerd als een volmaakt gedicht. Naar vorm, klank en ritme is het van een bijna beangstigende perfectie, maar ook inhoudelijk kan het worden gezien als een voltreffer. Van Kempen doet in het eerder geciteerde artikel de aanbeveling Ashetu’s poëzie vooral te lezen vanwege haar esthetische kwaliteiten. Veel verder dan associëren kom je volgens hem niet als je op zoek gaat naar de betekenis van de woorden die de dichter gebruikt. Komrij noemt in de inleiding van Dat ik zong Ashetu’s poëzie ‘surreëel symbolisme’ en kwalificeert het pad van de symboolduiding als ‘verdomd glad’, maar ook ‘verdomd verleidelijk’. Stellig: ‘Je hebt gewoon alle vrijheid.’ Die vrijheid neem ik graag in een poging Ashetu’s in zichzelf besloten poëtisch universum van een buitenwereld te voorzien (zie motto uit Caesarion hierboven). Dat is naar mijn mening mogelijk als bij het interpreteren van dichtregels biografische en historische gegevens worden betrokken, uiteraard met de terughoudendheid die daarbij past.
[vervolg, klik hier]

Bij de dood van Gerrit Komrij (1944-2012)

door Rolf van der Marck

Uit alle berichten in de media onmiddellijk na het bekend worden van Komrij’s dood spreekt één grote gezamenlijke mening: ons leven is een stuk armzaliger geworden. Zelfs mensen die nooit hebben opengestaan voor poëzie gaan nu wellicht beseffen dat ze iets hebben gemist, namelijk de mogelijkheid om met behulp van poëzie het leven dragelijk te maken, want dat is wat Komrij deed. Eerst en vooral voor zichzelf, maar hij heeft iedereen die maar wilde erin laten delen, en dat zijn er vele.

Sprankjes illusies, omkneld door illusieloze regels
Onvermijdelijk was een van mijn eerste herinneringen aan Komrij die bij mij boven kwam zijn bloemlezing van Bernardo Ashetu, onder de titel Dat ik zong uitgekomen in de Sandwich-reeks bij Van Gennep, later ook opgenomen in de Clubsandwich-reeks. De zin: “Sprankjes illusie, omkneld door illusieloze regels”, is misschien wel de meest wezenlijke en ter zake doende observatie van Komrij bij de gedichten van Ashetu. “De constatering van het geluk”, zegt Komrij, ”is tegelijk de ontkenning van het geluk.” En even verderop: “Krimpen en verdwijnen moet de dichter, zelf deel worden van een gong –
  Zo was ’t in
  één wegstervende toon
  dat ik zong –

“Je kunt”, zegt Komrij in zijn inleiding, “om meer te weten te komen over een dichter ook zijn gedichten lezen.” Hoe waar is dat, maar hoe blij zijn wij niet dat Komrij ons daarbij op weg heeft geholpen.

Ashetu en de anderen

Jij en nog een paar anderen… Deze zin, afkomstig uit het aan mij opgedragen gedicht Bekaris van Harjo Wong, maakt mij diep weemoedig, steeds opnieuw en nog altijd, 55 jaar na datum.
Harjo Coumans, 
De dood van de grote lijster (1971)
Bekaris
Ik wil niet in 

Een urn 

Ik wil gewoon 

Op tafel 

In een snuifdoos 

Zul je mij dan 

Inhaleren? 

Jij en nog een paar anderen 

Ik heb altijd 

Binnen in je 

Willen zijn 

En de rest strooi maar 

Met witte handen 

Op de witte wind……  


Harjo Wong
geplaatst in Nu. Bloemlezing gedichten (1957) onder de titel Crematie
In die tijd rookte ik Egyptische sigaretten van het merk Bekaris, die ik kocht in de sigaretten- en sigarenzaak van Sjra “van de Busjop” (Kemmelings), de chauffeur van de Roermondse bisschop. De zo specifieke geur van die sigaret ruik ik steeds weer wanneer ik dit gedicht lees, zoals die “paar anderen” dan direct herleven, Harjo & René Wong, Jan Hanlo en Willem K. Coumans, Harjo’s latere man. Het is geen trieste weemoed, integendeel, het is een diep verlangen naar alles wat ik koester en wat als dierbare herinnering binnen in mij ligt opgeslagen.
Harjo had Jan Hanlo zover gekregen dat hij poëzie-lessen zou geven. Met insluiting van Nf  5,00 konden wij een gedicht naar hem opsturen, dat hij analyseerde en van commentaar voorzien retourneerde (zie Hans Renders’ onvolprezen biografie van Jan Hanlo, Zo meen ik dat ook jij bent, 1998). Om welke redenen dan ook is dit initiatief een snelle dood gestorven, maar het geeft aan waarmee wij ons bezig hielden. Nu hadden Harjo en Willem het eigenlijk ook niet nodig en voor mij was het boter aan de galg gesmeerd, maar mijn liefde voor poëzie was toen en is nog onuitroeibaar.
Zo meen ik dat ook jij bent
Hoogst vreemd is het, dat ofschoon Jan Hanlo een van mijn favoriete dichters is gebleven, dat de publicatie van Renders’ biografie in 1998 volstrekt aan mij voorbij is gegaan, dit terwijl ik op de verzamelde Barbarber na bijna alles van Hanlo in mijn bezit heb. Door welk toeval weet ik niet meer, maar een jaar geleden deed ik die ontdekking en heb ik alle 672 pagina’s van Zo meen ik dat ook jij bent van voor naar achter en van achter naar voor gelezen, een van de meest fascinerende boeken die ik ooit heb gelezen.
Eenmaal in 2001 naar Suriname geëmigreerd ontdekte ik hier een voor mij tot dan toe onbekende Surinaamse dichter, Bernardo Ashetu, die leefde van 1929 tot 1982, en die bij leven slechts één bundel heeft gepubliceerd, namelijk Yanacuna(1962) als dubbelnummer van de door de Bezige Bij uitgegeven Antilliaanse Cahiers, met een voorwoord van Cola Debrot. Van die eerste ontmoeting met Ashetu bij de presentatie van Marcel en andere gedichten op het binnenhof van Fort Zeelandia te Paramaribo in januari 2003 heb ik eerder, bij de verschijning van de door Gerrit Komrij samensgetelde bloemlezing uit  het oeuvre van Ashetu, Dat ik zong, in 2007 op mijn Volkskrantblog (nu helaas verwijderd) verslag gedaan onder de titel Een onbekende, maar niet te vergeten dichter…De laatste in de reeks bloemlezingen van Ashetu is Dat ik je liefheb (2011), samengesteld en van commentaar voorzien door Michiel van Kempen, de hoeder van Ashetu’s poëzie-erfenis.
De sprong van Hanlo naar Ashetu werd mij ingegeven door de titel van Hanlo’s biografie Zo meen ik dat ook jij bent, die als het ware resoneert in de titels van Ashetu’s laatst veschenen bundels Dat ik zong en Dat ik je liefheb. Die titels vinden hun oorsprong in beider werk, alle drie vormen namelijk de eerste regel van een hunner gedichten, en dat is geen toeval, want het werk van Ashetu evenals dat van Hanlo geeft daartoe aanleiding. Beider oeuvre bestaat uit kleine maar zeer intieme gedichten, die de lezer onmiddellijk absorberen, die de lezer naar binnen zuigen om hem niet meer los te laten. Ashetu heeft zich wat mij betreft onlosmakelijk verbonden met bovengenoemde “paar anderen”.
Dat ik je liefheb 
Aan Michiel van Kempen ben ik het verschuldigd hier aandacht te besteden aan de door hem samengestelde verzameling Dat ik je liefheb, waarmee hij mij heeft “beglückt” vanwege mijn passionele liefde voor Ashetu. Maar de eerlijkheid gebiedt mij om te zeggen dat ik dat evenzeer zou hebben gedaan als ik de bundel had moeten kopen, want zoals ik op 3 januari 2011 hier op Caraïbisch Uitzicht onder de titel Wanneer mogen we de “Verzamelde Ashetu” verwachten? heb geschreven, dit is opnieuw een schreeuw om gerechtigheid: laat in godsnaam eindelijk de verzamelde en geannoteerde Ashetu verschijnen, het is een blamage voor de Nederlandse literatuur dat die er nog altijd niet is.
Nadrukkelijk zeg ik erbij “geannoteerd”, omdat in het nawoord van Van Kempen, treffend getiteld Poëzie als graf voor demonen, een voorproef wordt gegeven hoeveel meerwaarde annotaties kunnen geven. Neem bijvoorbeeld de titel van Ashetu’s eerste bundel, Yanacuna. Cola Debrot stelt in zijn inleiding dat deze titel zou zijn ontleend aan de naam van de indiaanse klasse van horigen, de Yanacuna, waarbij er volgens deze interpretatie niet enig verband zou bestaan met Suriname en het Caraïbisch gebied. Hier tegenover stelt Van Kempen de vraag of Debrot niet aan het meest wezenlijke van de titel is voorbijgegaan, zeggend: “De betekenis van yana bij de Indianen van Midden-Amerika is namelijk zwart, of een zwarte, of een neger, terwijl yanacuna de aanduiding is voor een collectiviteit van negers, het land van de zwarten, wij negers, de negerstam enz.”
Van Kempen plaatst ook een interessante kanttekening bij de vermelding van de redacteuren van Antilliaanse Cahiers, Cola Debrot en Henk Dennert, achterin het nummer: “Bernardo Ashetu, geboren 4 maart 1929 te Paramaribo, heeft zijn ervaringen voornamelijk opgedaan als een van de varensgezellen in het Caraïbisch gebied die halsstarrig hopen op een betere toekomst, waarin zij niet geloven.” Zegt Van Kempen: “Dat is een tekst die geen nuchtere redacteur zou schrijven: wie schuift een dichter in de schoenen dat hij hoopt op iets waarin hij niet gelooft?” De paradox maakt helder dat alleen de dichter zelf het tekstje kan hebben opgesteld.”
Tot slot een niet eerder gepubliceerd gedicht van Ashetu uit Dat ik je liefheb:
Narcissen
Iedereen
staat er bij stil.
Bij die gekke narcissen.
Ze hangen over
lentewater en verliezen
wat ze meer hebben
dan verstand in een
droom over zichzelf.
Die gekke narcissen.
Iedereen
staat er bij stil.

Bernardo Ashetu

Portret van de Surinaamse dichter Bernardo Ashetu, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 31 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Bernardo Ashetu – Olijf

In kleine kring
maakten wij de
dag tot een olijf.

Miljoenen felicitaties
bereikten ons.

Het zachte groen
van de vrucht
hield aan  tot
de fonkelende avond.

In de nacht baadden wij ons in
wonderlijke olie en
aten goudkleurige appels.

[uit de ongepubliceerde bundel Impala]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter