blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Ashetu Bernardo

Stijlvol sterven (1)

Wat betekent een huis. De muren rond een holte. Het betekent binnen, het beschermt je tegen buiten. Nu stond binnen op het punt buiten te worden.


door Peter Meel
.
Een van de attracties van de roman Caesarion van Tommy Wieringa is de overdonderende aanwezigheid van de vader van hoofdpersoon Ludwig Unger. De uit Oostenrijk afkomstige Bodo Schultz is een conceptueel kunstenaar, die visionaire en groteske projecten realiseert die doordrenkt zijn van haat en vernietigingsdrang. De misantropische en gewelddadige kanten van deze duistere figuur worden door Wieringa met veel stilistische brille geschilderd. Als vader heeft Schultz voor Ludwig nooit echt bestaan. Hij was afwezig in het gezin waarin Ludwig alleen met zijn moeder opgroeide. Met deze vrijgevochten vrouw onderhield hij een obsessieve relatie. Voor Ludwig bestaat Schultz uit fragmentarische herinneringen die hij vooral aan anderen ontleent. Omdat zijn verwekker hem in de geest blijft achtervolgen, kan de rusteloze Ludwig niet anders dan naar hem op zoek gaan. Zijn Vatersuche brengt hem naar de Panamese jungle waar hij zijn vader inderdaad weet op te sporen. Nadat Schultz hem tot het uiterste heeft uitgedaagd, gesard en vernederd, slaat de zoon hem in een vlaag van onbedwingbare woede in elkaar. Bij het verlaten van diens woning laat Ludwig de as van zijn overleden moeder achter. De vader, overvallen door dit gebaar, heeft niet het minste vermoeden dat hij voor de gek wordt gehouden. Ludwig glorieert. Voor hem heeft de wraakneming een louterend effect. Hij slaagt erin zich van zijn complexen te bevrijden en een nieuw leven beginnen.

 

Wieringa is niet de eerste auteur die over een problematische vader-zoon relatie schrijft. De wereldliteratuur – Caesarion verwijst er frequent naar – is er vol van. Ook in de Caraïbische letteren is het een veel voorkomend thema. Een mooi voorbeeld hiervan is het werk van de Surinaamse dichter Bernardo Ashetu, schrijversnaam van Hendrik George van Ommeren (1929-1983). Ashetu was de zoon van de arts (gepromoveerd gynaecoloog), (eigenzinnig) volksvertegenwoordiger en (korte tijd) parlementsvoorzitter Hendrik Carel van Ommeren (1896-1996). Ter inleiding bij Yanacuna (1962) – de eerste (en enige bij zijn leven verschenen) bundel van Ashetu – schreef Cola Debrot enigszins ontwijkend dat de hierin opgenomen gedichten grotendeels geschreven waren ‘uit het klimaat van onzekerheid, die men ook als crisis of schemertoestand pleegt aan te duiden.’ Hij stelde dat Ashetu’s ‘sensitief registrerende’ poëzie betrekking had op ‘de vervreemding en ontheemding van het steeds meer toenemende aantal displaced persons uit de twintigste eeuw’.
Inmiddels weten we dankzij de inspanningen van de grootste promotor van Ashetu’s werk, Michiel van Kempen, dat achter de crisis van de dichter behalve een maatschappelijk verhaal vooral een persoonlijke geschiedenis schuilging. Van Kempen benoemt het perspectief van waaruit Ashetu schreef zonder omhaal: zijn beleving van en identificatie met de geschiedenis en cultuur van de zwarte mens (als gemengd zwart-joodse man) en de getroebleerde relatie die de dichter met zijn vader onderhield. In een artikel in de Poeziëkrant (2000) – een tekst die in een licht herziene versie als nawoord in de prachtige bloemlezing Dat ik je liefheb (2011) is opgenomen – maakt Van Kempen duidelijk dat Ashetu’s vereenzelviging met de zwarte cultuur botste met de Eurocentrische opvattingen van zijn vader, voor wie assimilatie aan de Nederlandse cultuur en het verwerven van kennis van de Europese geschiedenis de sleutel waren voor persoonlijke ontplooiing en maatschappelijke vooruitgang. Dat vader Van Ommeren die levenshouding dwingend aan zijn omgeving oplegde, bleek onder andere uit zijn gewoonte om zijn kinderen de klassieke Griekse mythen en sagen te onderwijzen en deze streng te overhoren. Ook in het parlement kon hij onvermoeibaar over deze antieke verhalen uitweiden. Maat houden behoorde niet tot zijn sterkste eigenschappen en een dwingend verband tussen zijn verbale excursies en de Statenagenda was er zelden. Het kenmerkte de rechtlijnigheid en dominantie van vader Van Ommeren, die de affiniteit van zijn zoon met de expressies van zwarte taal en cultuur weghoonde en diens loopbaan als telegrafist en marconist met onverhulde minachting bezag. Diens dichterschap stuitte eveneens op zijn cynische afwijzing. Van Kempen: ‘Geen vers wilde Bernardo Ashetu na zijn debuut nog publiceren, omdat hij koste wat het kost wilde vermijden dat iemand hem nog ooit in relatie zou brengen met de naam Van Ommeren, die hij niet enkel associeerde met de gehate vader, maar ook met het slavenverleden.’ In 1975 werd bij Ashetu de diagnose schizofrenie vastgesteld. Hij overleed acht jaar later aan de gevolgen van darmkanker. Tot zijn nalatenschap behoren 31 ongepubliceerde dichtbundels.
Veel gedichten gaan bij Ashetu over ontheemding en vervreemding, over het bezweren van demonen en over ‘de uithoeken van zijn eigen complexe verhouding tot leven en dood’, zoals Van Kempen het kernachtig samenvat. Hugo Pos benadrukte in zijn inleiding tot de Surinaamse literatuur in Tirade (1973) treffend de psychedelische kanten van Ashetu’s poëzie. Hij sprak over ‘een zachte bedwelming van kleuren, dampende, brandende, aan de wiskunde verwante bloemen, klanken, veel klanken, Waripa, Tamassa, Asamar, dolken, onschatbare marihuana. Terwijl anderen bewust creëren lijkt het alsof het scheppingsproces bij hem onbewust geschiedt. Dit geeft aan zijn verzen iets onafs, iets van een droom, die bij het ontwaken al voor een deel vervluchtigd is. Wat overblijft is van een mateloze droefheid.’ Er is in Ashetu’s verzen inderdaad veel aandacht voor schoonheid, breekbaarheid en verfijning. Deze sensaties worden met chirurgische precisie opgeroepen en hebben in hun uitwerking op de lezer soms een hallucinerend effect. Meer dan eens echter nemen de door de dichter beschreven ervaringen een wending waardoor wonderen, beloften, verwachtingen en geluksgevoelens op zijn best tijdelijk blijken, maar vaker nog illusies zijn.
Nergens vinden al deze elementen mijns inziens een beter cumulatiepunt dan in het gedicht dat van alle poëzie van Ashetu het vaakst in druk is verschenen: ‘Marcel’. Ashetu nam het zelf op in Yanacuna, Van Kempen gaf het een plaats in Marcel en andere gedichten (2002) en in Dat ik je liefheb. Alleen in de bloemlezing die Gerrit Komrij uit het werk van Ashetu samenstelde, Dat ik zong (2007), ontbreekt het vers. ‘Marcel’ kan worden getypeerd als een volmaakt gedicht. Naar vorm, klank en ritme is het van een bijna beangstigende perfectie, maar ook inhoudelijk kan het worden gezien als een voltreffer. Van Kempen doet in het eerder geciteerde artikel de aanbeveling Ashetu’s poëzie vooral te lezen vanwege haar esthetische kwaliteiten. Veel verder dan associëren kom je volgens hem niet als je op zoek gaat naar de betekenis van de woorden die de dichter gebruikt. Komrij noemt in de inleiding van Dat ik zong Ashetu’s poëzie ‘surreëel symbolisme’ en kwalificeert het pad van de symboolduiding als ‘verdomd glad’, maar ook ‘verdomd verleidelijk’. Stellig: ‘Je hebt gewoon alle vrijheid.’ Die vrijheid neem ik graag in een poging Ashetu’s in zichzelf besloten poëtisch universum van een buitenwereld te voorzien (zie motto uit Caesarion hierboven). Dat is naar mijn mening mogelijk als bij het interpreteren van dichtregels biografische en historische gegevens worden betrokken, uiteraard met de terughoudendheid die daarbij past.
[vervolg, klik hier]

Bij de dood van Gerrit Komrij (1944-2012)

door Rolf van der Marck

Uit alle berichten in de media onmiddellijk na het bekend worden van Komrij’s dood spreekt één grote gezamenlijke mening: ons leven is een stuk armzaliger geworden. Zelfs mensen die nooit hebben opengestaan voor poëzie gaan nu wellicht beseffen dat ze iets hebben gemist, namelijk de mogelijkheid om met behulp van poëzie het leven dragelijk te maken, want dat is wat Komrij deed. Eerst en vooral voor zichzelf, maar hij heeft iedereen die maar wilde erin laten delen, en dat zijn er vele.

Sprankjes illusies, omkneld door illusieloze regels
Onvermijdelijk was een van mijn eerste herinneringen aan Komrij die bij mij boven kwam zijn bloemlezing van Bernardo Ashetu, onder de titel Dat ik zong uitgekomen in de Sandwich-reeks bij Van Gennep, later ook opgenomen in de Clubsandwich-reeks. De zin: “Sprankjes illusie, omkneld door illusieloze regels”, is misschien wel de meest wezenlijke en ter zake doende observatie van Komrij bij de gedichten van Ashetu. “De constatering van het geluk”, zegt Komrij, ”is tegelijk de ontkenning van het geluk.” En even verderop: “Krimpen en verdwijnen moet de dichter, zelf deel worden van een gong –
  Zo was ’t in
  één wegstervende toon
  dat ik zong –

“Je kunt”, zegt Komrij in zijn inleiding, “om meer te weten te komen over een dichter ook zijn gedichten lezen.” Hoe waar is dat, maar hoe blij zijn wij niet dat Komrij ons daarbij op weg heeft geholpen.

Ashetu en de anderen

Jij en nog een paar anderen… Deze zin, afkomstig uit het aan mij opgedragen gedicht Bekaris van Harjo Wong, maakt mij diep weemoedig, steeds opnieuw en nog altijd, 55 jaar na datum.
Harjo Coumans, 
De dood van de grote lijster (1971)
Bekaris
Ik wil niet in 

Een urn 

Ik wil gewoon 

Op tafel 

In een snuifdoos 

Zul je mij dan 

Inhaleren? 

Jij en nog een paar anderen 

Ik heb altijd 

Binnen in je 

Willen zijn 

En de rest strooi maar 

Met witte handen 

Op de witte wind……  


Harjo Wong
geplaatst in Nu. Bloemlezing gedichten (1957) onder de titel Crematie
In die tijd rookte ik Egyptische sigaretten van het merk Bekaris, die ik kocht in de sigaretten- en sigarenzaak van Sjra “van de Busjop” (Kemmelings), de chauffeur van de Roermondse bisschop. De zo specifieke geur van die sigaret ruik ik steeds weer wanneer ik dit gedicht lees, zoals die “paar anderen” dan direct herleven, Harjo & René Wong, Jan Hanlo en Willem K. Coumans, Harjo’s latere man. Het is geen trieste weemoed, integendeel, het is een diep verlangen naar alles wat ik koester en wat als dierbare herinnering binnen in mij ligt opgeslagen.
Harjo had Jan Hanlo zover gekregen dat hij poëzie-lessen zou geven. Met insluiting van Nf  5,00 konden wij een gedicht naar hem opsturen, dat hij analyseerde en van commentaar voorzien retourneerde (zie Hans Renders’ onvolprezen biografie van Jan Hanlo, Zo meen ik dat ook jij bent, 1998). Om welke redenen dan ook is dit initiatief een snelle dood gestorven, maar het geeft aan waarmee wij ons bezig hielden. Nu hadden Harjo en Willem het eigenlijk ook niet nodig en voor mij was het boter aan de galg gesmeerd, maar mijn liefde voor poëzie was toen en is nog onuitroeibaar.
Zo meen ik dat ook jij bent
Hoogst vreemd is het, dat ofschoon Jan Hanlo een van mijn favoriete dichters is gebleven, dat de publicatie van Renders’ biografie in 1998 volstrekt aan mij voorbij is gegaan, dit terwijl ik op de verzamelde Barbarber na bijna alles van Hanlo in mijn bezit heb. Door welk toeval weet ik niet meer, maar een jaar geleden deed ik die ontdekking en heb ik alle 672 pagina’s van Zo meen ik dat ook jij bent van voor naar achter en van achter naar voor gelezen, een van de meest fascinerende boeken die ik ooit heb gelezen.
Eenmaal in 2001 naar Suriname geëmigreerd ontdekte ik hier een voor mij tot dan toe onbekende Surinaamse dichter, Bernardo Ashetu, die leefde van 1929 tot 1982, en die bij leven slechts één bundel heeft gepubliceerd, namelijk Yanacuna(1962) als dubbelnummer van de door de Bezige Bij uitgegeven Antilliaanse Cahiers, met een voorwoord van Cola Debrot. Van die eerste ontmoeting met Ashetu bij de presentatie van Marcel en andere gedichten op het binnenhof van Fort Zeelandia te Paramaribo in januari 2003 heb ik eerder, bij de verschijning van de door Gerrit Komrij samensgetelde bloemlezing uit  het oeuvre van Ashetu, Dat ik zong, in 2007 op mijn Volkskrantblog (nu helaas verwijderd) verslag gedaan onder de titel Een onbekende, maar niet te vergeten dichter…De laatste in de reeks bloemlezingen van Ashetu is Dat ik je liefheb (2011), samengesteld en van commentaar voorzien door Michiel van Kempen, de hoeder van Ashetu’s poëzie-erfenis.
De sprong van Hanlo naar Ashetu werd mij ingegeven door de titel van Hanlo’s biografie Zo meen ik dat ook jij bent, die als het ware resoneert in de titels van Ashetu’s laatst veschenen bundels Dat ik zong en Dat ik je liefheb. Die titels vinden hun oorsprong in beider werk, alle drie vormen namelijk de eerste regel van een hunner gedichten, en dat is geen toeval, want het werk van Ashetu evenals dat van Hanlo geeft daartoe aanleiding. Beider oeuvre bestaat uit kleine maar zeer intieme gedichten, die de lezer onmiddellijk absorberen, die de lezer naar binnen zuigen om hem niet meer los te laten. Ashetu heeft zich wat mij betreft onlosmakelijk verbonden met bovengenoemde “paar anderen”.
Dat ik je liefheb 
Aan Michiel van Kempen ben ik het verschuldigd hier aandacht te besteden aan de door hem samengestelde verzameling Dat ik je liefheb, waarmee hij mij heeft “beglückt” vanwege mijn passionele liefde voor Ashetu. Maar de eerlijkheid gebiedt mij om te zeggen dat ik dat evenzeer zou hebben gedaan als ik de bundel had moeten kopen, want zoals ik op 3 januari 2011 hier op Caraïbisch Uitzicht onder de titel Wanneer mogen we de “Verzamelde Ashetu” verwachten? heb geschreven, dit is opnieuw een schreeuw om gerechtigheid: laat in godsnaam eindelijk de verzamelde en geannoteerde Ashetu verschijnen, het is een blamage voor de Nederlandse literatuur dat die er nog altijd niet is.
Nadrukkelijk zeg ik erbij “geannoteerd”, omdat in het nawoord van Van Kempen, treffend getiteld Poëzie als graf voor demonen, een voorproef wordt gegeven hoeveel meerwaarde annotaties kunnen geven. Neem bijvoorbeeld de titel van Ashetu’s eerste bundel, Yanacuna. Cola Debrot stelt in zijn inleiding dat deze titel zou zijn ontleend aan de naam van de indiaanse klasse van horigen, de Yanacuna, waarbij er volgens deze interpretatie niet enig verband zou bestaan met Suriname en het Caraïbisch gebied. Hier tegenover stelt Van Kempen de vraag of Debrot niet aan het meest wezenlijke van de titel is voorbijgegaan, zeggend: “De betekenis van yana bij de Indianen van Midden-Amerika is namelijk zwart, of een zwarte, of een neger, terwijl yanacuna de aanduiding is voor een collectiviteit van negers, het land van de zwarten, wij negers, de negerstam enz.”
Van Kempen plaatst ook een interessante kanttekening bij de vermelding van de redacteuren van Antilliaanse Cahiers, Cola Debrot en Henk Dennert, achterin het nummer: “Bernardo Ashetu, geboren 4 maart 1929 te Paramaribo, heeft zijn ervaringen voornamelijk opgedaan als een van de varensgezellen in het Caraïbisch gebied die halsstarrig hopen op een betere toekomst, waarin zij niet geloven.” Zegt Van Kempen: “Dat is een tekst die geen nuchtere redacteur zou schrijven: wie schuift een dichter in de schoenen dat hij hoopt op iets waarin hij niet gelooft?” De paradox maakt helder dat alleen de dichter zelf het tekstje kan hebben opgesteld.”
Tot slot een niet eerder gepubliceerd gedicht van Ashetu uit Dat ik je liefheb:
Narcissen
Iedereen
staat er bij stil.
Bij die gekke narcissen.
Ze hangen over
lentewater en verliezen
wat ze meer hebben
dan verstand in een
droom over zichzelf.
Die gekke narcissen.
Iedereen
staat er bij stil.

Bernardo Ashetu

Portret van de Surinaamse dichter Bernardo Ashetu, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 31 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Bernardo Ashetu – Olijf

In kleine kring
maakten wij de
dag tot een olijf.

Miljoenen felicitaties
bereikten ons.

Het zachte groen
van de vrucht
hield aan  tot
de fonkelende avond.

In de nacht baadden wij ons in
wonderlijke olie en
aten goudkleurige appels.

[uit de ongepubliceerde bundel Impala]

Gevonden door niet te zoeken

door Ezra de Haan

Vanaf het moment dat ik de gedichten van Bernardo Ashetu leerde kennen, was ik door hem gefascineerd. De door Michiel van Kempen verzorgde bloemlezing Dat ik je liefheb was van een uitzonderlijke klasse. Het nawoord waarin Van Kempen het leven van Ashetu schetste maakte de gedichten van deze Surinaamse dichter nog raadselachtiger. Wie was Ashetu en waarom stopte hij met publiceren? Niet alleen van Kempen maar ook andere kenners beweerden dat er geen slecht gedicht zat onder de duizend die hij schreef. Binnen een paar dagen wist ik de onder redactie van Gerrit Komrij verschenen bundel Dat ik zong van Ashetu te pakken te krijgen. Maar ook daarmee had ik slechts vijftien procent van de meester in handen. Tweedehands boekverkopers schudden wijs hun hoofd als ik de naam Ashetu noemde en ook de Antilliaanse Cahiers van Debrot waarin hij debuteerde zag je de laatste tijd weinig. Ik besloot blij te zijn met dat wat er verschenen was. Met de in de Knipscheer uitgave Dat ik je liefheb had ik immers een rijke keuze die steevast om herlezing vroeg…

Tijdens een druilerige dag in Den Haag zocht ik een vestiging van De Slegte op. Ik stroopte zoals ik dat gewoon ben de schappen af maar vond niets van mijn gading. Tot ik in de kast voor secundaire literatuur een dun, wit kaftje zag staan. Ik trok het tussen de andere boeken vandaan en las: Poëzie, Poesía en Antilliaanse Cahiers Jaargang V. Te lui om mijn leesbril te pakken kon ik de lijst van medewerkende auteurs in blauw op blauw gedrukte lettertjes niet lezen. Ik besloot het boekje te kopen.
Pas uren later, tijdens een rijsttafel in restaurant Garuda, zette ik mijn bril op en sloeg ik het tijdschrift open. Ik las de namen Pína, Everey, Debrot, Martina, Dennert en veerde op bij het lezen van Frank Martinus. Acht gedichten in het Papiaments vormden zijn bijdrage aan het tijdschrift. Maar wat nog mooier was: het nummer bevatte ook acht gedichten van Ashetu. Door niet naar hem te zoeken had ik hem gevonden. Verstopt in een Antilliaans Cahier dat niet eens zijn naam op de omslag of het titelblad droeg.
Net als in Dat ik je liefheb zijn ook deze gedichten stuk voor stuk origineel, typerend voor de dichter en zijn ze lekker op het randje van dat wat kan geschreven. Twee van de gedichten zal ik niet voor mijzelf houden, daar zijn ze te mooi voor. Ik deel ze graag me u.

Herfst

Het is dagen
en dagen
en eeuwen geleden
dat in warmte
kou voelbaar werd.
Het is lang, lang
en lang geleden
dat in goud, rood
en bruin herfst
ontstond, sluierend
jaargetij,
sluipend aartsgeheim, –
het is lang, lang en
lang geleden.

 

Sanne Landvreugd, herfst. Foto © Michiel van Kempen

Niets

Ach,
Vandaag
was er niets
op de berg,
zelfs geen snipper
van een vod.
Daarom bevind ik
mij hier op de
hoge toren bij de
gepolijste vlaggestok.-
En ik hijs de vlag
en ik strijk de vlag
en hijs de vlag
en strijk de vlag
en ik woeker met
haar kleuren.

 

Bernardo Ashetu – Zand

Een waas voor de ogen
terwijl zand meer zand wordt,
niets dan zand nog zichtbaar is.

En het spinnen van de dood in de laatste oase.

 

Ashetu: grote, onbekende dichter


In Nederland en Vlaanderen wordt donderdag 26 januari de dertiende Gedichtendag gehouden. Ook één van de grote Surinaamse dichters, Bernardo Ashetu, behoort tot de beste Nederlandstalige poëzie. Toch is hij vrij onbekend. In december werd er opnieuw een bundel van hem uitgegeven: Dat ik je liefheb, samengesteld door de Surinaamse literatuurdeskundige Michiel van Kempen.

Ashetu, pseudoniem van Hendrik van Ommeren, leefde van 1929 tot 1982 en werkte onder andere als radiotelegrafist op een schip. Uit zijn gedichten blijkt dat de verstoorde relatie met zijn vader, dokter Van Ommeren, veel invloed op hem had. “Hij is voor veel mensen vrij onbekend geweest”, zegt Van Kempen. Er is tijdens zijn leven maar één gedichtenbundel van hem verschenen: “En dan blijf je onbekend.”

Na zijn dood kwamen er meer gedichten van Ashetu naar buiten, die in twee bundels zijn opgenomen. Volgens Van Kempen is de kwaliteit van zijn gedichten uitzonderlijk. “We hebben over een van de allergrootste Nederlandstalige http://www.blogger.com/img/blank.gifdichters in het Caribisch gebied. Hij is grensoverschrijdend goed.” Als hij nog zou leven dan zou Van Kempen hem hebben voorgedragen voor Prijs van de Nederlandse Letteren.

Oom leren kennen
Van Kempen werkte voor de samenstelling van de nieuwe bundel samen met Ashetu’s zus Liesje. Haar dochter Anky vindt het een erkenning van haar oom. “Hij was een gevoelig mens, heel stil. Je kon hem moeilijk peilen.” De nieuwe bundel brengt hem weer dichterbij, zodat ze hem beter leert kennen.

De bundel Dat ik je liefheb is verschenen bij uitgeverij In de Knipscheer.

[RNW, 25 januari 2012; voor een reportage van Peggy Brader klik hier]

Chitra Gajadin over Bernardo Ashetu

Foto © Nicolaas Porter

Na zijn eerste bundel, Yanacuna in 1962, heeft de Surinaamse dichter Ashetu (ps. van H.G. van Ommeren, 1929-1982) niets meer zelf gepubliceerd. Kenner van de Surinaamse literatuur Michiel van Kempen heeft nu een bloemlezing samengesteld van honderd gedichten. De samensteller heeft zich als een pionier een weg moeten banen in de nalatenschap van meer dan duizend ongepubliceerde gedichten. Ashetu ontwikkelde zich als scheepsmarconist op de grote vaart tot schrijver. Zijn taalgebruik blijft gecodeerd, er valt geen eenduidige betekenis te ontlenen aan zijn woorden. Rusteloos verlangen blijkt ook een halve eeuw aan wal (in Den Haag) niet te stelpen – ‘ Moeder waar ben je / want ik kantelde zo / op de trap / Er is iets gebroken maar / ik weet niet wat.’ De striemen van slavernij blijven branden op zijn afkomst, het uitzicht buiten zijn meeuwen. Een bundel waarin het Surinaamse gemoed geen voltooide tijd kent. Met een substantieel informatief nawoord. – C.H. Gajadin

[van Biblion]

Bernardo Ashetu, Dat ik je liefheb. Haarlem: In de Knipscheer, 2011. ISBN 978 90 6265 676 9.

‘Plotseling brak ’t koord waarop je danste’

Over Dat ik je liefheb van Bernardo Ashetu

door Ezra de Haan

Bernardo Ashetu heeft slechts een klein deel van zijn omvangrijke oeuvre tijdens zijn leven kunnen publiceren. Hij debuteerde in 1959 met een reeks van veertien gedichten in het driemaandelijkse tijdschrift Antilliaanse Cahiers, onder redactie van o.a. Cola Debrot. Dit tijdschrift is vaker het begin van een schrijverscarrière geweest. Zo debuteerden Frank Martinus Arion en ook Aletta Beaujon er ooit met poëzie. Dat ik je liefheb is wederom een prachtig staaltje van uitgeven. Net als De schoonheid van blauw, het in 2009 verschenen verzameld werk van Aletta Beaujon, brengt het een deel van de Antilliaanse literatuur in kaart. Dat uitgeverij In de Knipscheer koos voor een gebonden editie met leeslintje is niet overdreven. Met een zorgvuldige keuze uit 31 ongepubliceerde poëziebundels door Bijzonder Hoogleraar West-Indische Letteren Michiel van Kempen is er eindelijk een monument opgericht voor de unieke dichter die zichzelf Bernardo Ashetu noemde.

Badeendje, @ Nicolaas Porter

Als Ashetu in 1959 debuteert wordt hij als volgt omschreven: ‘Bernardo Ashetu heeft zijn ervaringen voornamelijk opgedaan als een van de varensgezellen in het Caraïbisch gebied die halsstarrig hopen op een betere toekomst, waarin zij niet geloven.’ Waarschijnlijk schreef hij deze korte kenschets met dichterlijke vrijheid. Drie jaar na zijn eerste publicatie verschijnt de bundel Yanacuna (1962), waarin 205 gedichten zijn opgenomen.

De werkelijke naam van Ashetu was Hendrik George van Ommeren. Hij werd op 4 maart 1929 geboren in Paramaribo. Eenmaal volwassen volgt hij een telegrafistenopleiding op het vliegveld Zanderij, vindt werk op de kustvaart tussen Paramaribo en Nickerie en gaat later als scheepsmarconist op de grote vaart. Als een Slauerhoff bezoekt hij de havens van Japan, India, Brazilië, Afrika en het Caraïbische gebied. Tijdens die zeereizen begint het schrijven. Helaas is de zeer negatieve houding van zijn vader bepalend voor de rest van Ashetu’s schrijfcarrière. Na Yanacuna wil hij geen gedichten meer publiceren. Rond 1975 wordt hij als telegrafist afgekeurd. De diagnose luidt schizofrenie. Sommige tongen beweren dat het wellicht het gevolg was van zijn afkomst: een mix van een joodse en een creoolse familie. Pas twintig jaar na zijn dood verschijnt er weer een publicatie van zijn werk bij uitgeverij Okopipi, de bundel Marcel en andere gedichten (2002). In de Sandwich-reeks van Gerrit Komrij komt vervolgens Dat ik zong (2007) uit. Met Dat ik je liefheb komt wederom een aanvulling op het in druk verschenen oeuvre van Bernardo Ashetu.

De gedichten van Ashetu zijn melancholiek van toon. Eenzaamheid en verdriet klinken erin door. Hij probeert voor zijn droefheid, zoals Gorter dat ooit voor zijn liefde deed, woorden te vinden. In de wetenschap dat er geen woorden voor zijn. Juist die onmacht, dat zoeken, maakt deze poëzie tijdloos.

Droefheid

Het was de droefheid
dichtbij een glimlach,
de droefheid waarvoor
men geen woorden vindt. –
Vaag, stil, langzaam
Naderen lichten en
de wind draait nu
voor eeuwig naar het
Oosten. Alsof Allah zou
komen, alsof een grote,
trotse vogel zich neer-
vlijt nu in oneindige rust.
Alsof Allah zou komen,
de god der goden, –
om een droefheid te
stelpen waar men geen
woorden voor vindt.

‘Droefheid’ is een gedicht dat rust uitademt. Een eenzame rust. De langgerektheid door de korte regels doet aan de gedichten van Jan Arends denken. Al schreef die nog dunner. Toch hebben deze dichters meer gemeen, en dat is de taal waarmee ze hun wereld bezweren. In ‘Droefheid’ zie je de cirkelgang van gedachten die ontstaat door het openen met droefheid en het eindigen ermee. En ook Allah, die twee keer genoemd wordt, kan daar blijkbaar weinig aan veranderen.

Veel gedichten van Bernardo Ashetu roepen beelden op. Of je wilt of niet, je ziet het voor je. Neem een gedicht als ‘Herinnering’. Je leest het en meteen ben je terug in Suriname. Wie dat bij een lezer oproept, is een echte dichter.

Herinnering

Spin met rode nagels, heet het kleine
lied dat ik zing. Voor ’t eerst heeft
het geklonken lang geleden toen ik
zat bij een zwarte kreek naast
mijn zuster, een negerin. Blauwe
vlinders vlogen rond en vlogen langs
de duist’re boom waarin zij zat
met haar rode nagels, de spin,
die aan mijn zuster ’t lied ontlokte,
dat naklinkt in mijn herinnering.

Weer komen we de cirkelvorm tegen. De spin vormt begin, einde, ontlokt de herinnering zoals ooit het lied van zijn zuster. En ook die zuster, haar zwart zijn en het donkere in alles komen we vaker tegen. De kreek is zwart, de boom is duister. Identiteit was belangrijk voor Ashetu, een thema dat vaker in de Caraïbische literatuur voorkomt. Zo schreef Cola Debrot Mijn zuster, de negerin. Het kan haast geen toeval zijn dat de dichtregel in ‘Herinnering’ met slechts één woord afwijkt…

Een keuze maken uit een leven lang schrijven, uit 31 ongepubliceerde dichtbundels, laat ook een ontwikkeling zien. Zo heeft Ashetu gedichten in zijn oeuvre die surrealistisch te noemen zijn. Even bekijken we de wereld zoals hij dat deed. Dat kan gruwelijk mooie beelden opleveren zoals in het gedicht ‘Als sneeuw’. Het begint met de regel: Van vele winterjassen zijn de/ hoofden afgesneden en de benen// Blijven staan onder de takken/ zonder blâren. Opmerkelijk vond ik ook een momentopname van Ashetu in het gedicht ‘Tasarta’ waar na een wat romantische opening de dichter eensklaps toeslaat.

Albino, @ Nicolaas Porter

Tasarta

Nooit hield je mij staande,
hoewel je mij gemakkelijk had
kunnen doen stilstaan op een
plek met de kleur van blauwe
druiven. Daar had je mij als
een ouderwetse fotograaf van
achter een zwarte doek kunnen
hypnotiseren om mij dan lachend
aan twee rode linten mee te
voeren naar ’t mulle zand
waar je de god der mensen
spelend verschalkt en je scherpe
messen diep verbergt.

Het is een gedicht dat dromerig aandoet, alsof de dichter is opgegaan in zijn fantasie. Bij Ashetu kom ik dat vaker tegen. Het gedicht ‘Anarti’ lokt je en stoot je vervolgens weer af. Zodra je weet wat je leest, schrik je.

Anarti

Nu ben je mij vergeten.

Maar eenmaal was het
Dat je je ogen ophief alsof
Je nog op de schoolbanken zat.

En mij herkende toen ik naar
je toeliep en je vastbond
en met een donkere glimlach het
vreemde water uit je lichaam stak.

His little sister, @ Nicolaas Porter

Veel van de gedichten van Bernardo Ashetu tonen de wereld van een eenzame man. Ontluisterend eerlijk weet hij dat in zijn poëzie vast te leggen. Het schrijven van gedichten moet zijn reddingsboei zijn geweest. Even kon hij zichzelf zijn, zonder dat iemand het wist of kon lezen. Even werden zijn woorden waarheid in een wereld waar hij zichzelf waarschijnlijk niet thuis voelde. Neem het gedicht ‘Thuis’ dat gaat over zwijgen, over het kauwen op woorden tot je het juiste woord hebt gevonden. Als in veel van zijn gedichten hangt er onheil in de lucht.

Thuis

Om niets meer
te hoeven zeggen
bleef ik thuis.

Zwijgend peinsde
ik in vele uren.

Opeens-
het was al laat-
zei ik: vogel…

En toen iedereen
sliep begon
ik met citroenen
en messen
een fijn berekend,
kokend spel.

Ashetu blijkt een meester van de suggestie. Zo Hollands als zijn achternaam was, zo Zuid-Amerikaans zijn z’n pseudoniem en poëzie. Heel even betrekt hij de lezer in zijn wereld, draait er vervolgens omheen en stoomt er dan op af. Hij manipuleert je met zeer weloverwogen woorden en neemt je dan te pakken. De bij vlagen sublieme poëzie van Bernardo Ashetu verdient steeds weer opnieuw gelezen te worden. Toch zullen vele gedichten in zijn oeuvre raadselachtig blijven. Misschien is dat wel het mooiste ervan.

Bernardo Ashetu, Dat ik je liefheb. Haarlem: In de Knipscheer, 2011. ISBN 978 90 6265 676 9.

[Bron Literatuurplein.nl]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter