blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Aruba

Eerste Lampe-prijs voor Ryan Oduber

Oranjestad — Kunstenaar, videoartiest en mede-eigenaar van Suave TV, heeft afgelopen maandag de J.C. Lampe-prijs ontvangen. Het is de eerste keer dat deze culturele prijs – vernoemd naar Padu Lampe – werd uitgereikt. De prijs werd vorig jaar tijdens zijn verjaardag in het leven geroepen door Cultuur-minister Michelle Winklaar (AVP) om de Arubaanse cultuur te stimuleren. “Ik ben hartstikke blij om dit te mogen ontvangen”, reageert Oduber.

De kunstenaar is echter nog verheugder dat de prijs bestaat. “Liliana Erasmus verwoordde dat tijdens de uitreiking goed: Het gaat niet om het winnen, maar dat de kunstdisciplines gewaard worden en een positie krijgen in onze maatschappij.” Want Oduber vindt dat het nog steeds schort aan erkenning en waardering voor de kunst. “Je ziet die waardering wel voor muziek, maar voor de moderne kunst onvoldoende.” Een oplossing zou volgens hem kunnen zijn om een centrale denktank te creëren en de ‘vele leuke ideeën’ te bundelen, waaruit creatieve projecten ontstaan waaraan iedereen kan meewerken. Ook vindt de kunstenaar dat kunst veel beter geïntegreerd kan worden met het toerisme. “Waarom de ministeries van Toerisme en Cultuur hier niet een pot voor hebben, begrijp ik nog steeds niet. Wat is het product Aruba immers? Dat is ontstaan uit cultuur. Toerisme bestaat niet zonder cultuur. Je kan het niet gaan fabriceren, het was er altijd en dat is de kracht ook van het Arubaanse product; muziek, kunst, theater, caha di orgel. Dat is de Arubaan.”

Oduber verwijst in dit verband ook naar de studie van studenten van de faculteit Toerisme die onder leiding van professor Ryan Peterson inzichtelijk hebben gemaakt dat door meer aandacht en investeringen in de culturele sector en ‘creatieve industrie’ het mogelijk is om met toerisme meer dan 100 miljoen dollar op te brengen. “Dat is zelfs zonder de groei van het aantal toeristen mee te rekenen, de potentie om de kwaliteit van bestaande producten en diensten te verbeteren en een gespecialiseerde markt om de cruisetoerist die meer geld uitgeef te trekken. Het is aan ons om te bepalen welke kant we opwillen”, aldus Peterson. Hij is er dus van overtuigd dat investeringen in de cultuur met name het cruisetoerisme hier kan versterken.

Kunstenaar Oduber zegt verder gehoord te hebben van plannen van de overheid om met een museum voor moderne kunst (op de plek van het onlangs gesloopte Texas-pand in Oranjestad) te komen. “Ik hoorde ook dat ze een voorkeur hebben voor mijn ontwerp voor dat museum. Maar het is nog te bezien. Bovendien moet de overheid dan ook met een heel programma komen. Want Aruba heeft een kunstdepot. De werken zijn allemaal in bezit van particulieren, de kunstenaars zelf of bevinden zich in het buitenland doordat toeristen deze gekocht hebben. Heeft de overheid zelf wel een kunstwerk van Elvis Lopez, Osaira Muyale, Ciro Abath, noem maar op? Ik denk van niet.” Een museum, zegt Oduber, moet namelijk ook kunnen laten zien wat er is en is geweest aan Arubaanse kunst en het belang ervan in de regio en de rest van de wereld.

Toch is de kunstenaar blij met de Lampe-prijs als waardering. “Het is geen vetpot voor kunstenaars, je doet het vanuit je hart en ziel. En je hoeft er ook niets voor terug, maar wel waardering. Want als kunstenaar vraag je je toch al heel vaak af, waar doe ik het voor.” Behalve waardering heeft Oduber maandagavond ook een schilderij van Frank Croes – “die had ik nog niet” – en 5.000 florin gekregen. “Met het geld moet ik iets positief doen voor mezelf en het Arubaanse volk, is mij gezegd. Ik heb nog geen idee, maar misschien gebruik ik het voor een eigen atelier. Want dat heb ik nog niet. En een blijvende plek heb je toch nodig om te blijven creëren.”

Voor de Lampe-prijs waren ook muzikant en producer Michael Lampe (bekend onder meer van zijn band Datapanik), pianist Armand Simon, schrijfster Liliana Braamskamp-Erasmus en het dansechtpaar Oslin en Janice Boekhoudt van Pachanga genomineerd. De prijs wordt om de twee jaar uitgereikt.

[uit Amigoe, 27/28 april 2011]

Fikkie in de Caraïben (2)

door Fred de Haas


Eenzaam maar niet alleen

Het waren niet alleen de kinderen van de ABC eilanden die niet begrepen wat er met hen aan de hand was. Dezelfde problemen werden, bijvoorbeeld, ondervonden door de kinderen in de Frans-Caribische gebieden die in 1947 departementen van Frankrijk zouden worden. Van huis uit spraken die kinderen Krèyol (Frans Creools), maar op school kregen zij les in het Frans, dat voor hen praktisch een vreemde taal was. Alleen de allerbeste leerlingen begrepen de taal van de schoolboeken, haalden het eindexamen en konden in Frankrijk gaan studeren. Pas in 1984 was het wettelijk mogelijk om wat plaats in te ruimen voor onderwijs in het Creools, maar het bleef een keuzevak en het ‘normale’, door Frankrijk gedicteerde onderwijs mocht er in geen geval door worden ‘verstoord’. De meeste ouders gaven bovendien de voorkeur aan Engels boven het Creools als vreemde taal. Immers, net als het Nederlands op de ‘Nederlandse Antillen’ bood het Engels, net als het officiële Frans, een weg die naar een beter leven zou leiden.

Op het Franse eiland Guadeloupe ging het al niet veel anders. Je vond daar, net als op Curaçao, óók mensen die zich inspanden voor onderwijs in de moedertaal en die in dit streven door ‘hogerhand’ danig werden gefrustreerd. In 1957 werd Gérard Lauriette (foto links) door de Franse regering op non-actief gesteld en voor niet goed wijs verklaard omdat hij ernaar streefde het Creools officieel erkend te krijgen door het onderwijssysteem. Lauriette begon later zijn eigen school, dertig jaar vóór Frank Martinus op Curaçao.

In 1992 stelde het Europees Handvest de erkenning van minderheidstalen en regionale talen verplicht. ‘Regionale talen en culturen’ werd een ‘vak’ op de middelbare school en kon ook deel uitmaken van het eindexamen. Docenten konden officieel examen doen in het Creools. De resultaten van de leerkrachten waren bedroevend. Zij beschikten niet over voldoende creools vocabulaire en vercreoliseerden naar hartenlust dan maar bestaande Franse woorden.

Na de sociale onlusten van 2009 in de Caribische departementen (de ‘Franse’ eilanden verkeren op dit moment in een diepe sociale en geestelijke crisis, ook het Franse deel van Sint-Maarten) werd Frankrijk ineens wakker en begreep men dat er nodig iets moest worden gedaan aan de sociale, economische en taalkundige behoeften van de lokale Caribische bevolking. Overal in de Franse Départements en Collectivités (in het Caribische gebied waren dit Guyane, Martinique, St. Martin en Guadeloupe) werden er onder deskundige leiding workshops gehouden waar de deelnemers (specialisten en niet-specialisten) de balans op konden maken van wat er mis was en wat er moest worden gedaan om de situatie te verbeteren. Tal van plannen werden in de steigers gezet en verschenen, verpakt in de bekende, gezwollen Franse bewoordingen, in allerlei rapporten. De voorgestelde hervormingen waren voor een eiland als Martinique echter veel minder vergaand dan, bijvoorbeeld, de hervormingen die de Curaçaose regering – te snel en te onnadenkend – had doorgevoerd. In een officiële circulaire d.d. 24 juni 2010 van de Directeur van de Departementale diensten voor het Nationale Onderwijs stond dat volgens de (Franse) Wet op het Onderwijs ‘les kan worden gegeven in de regionale talen en culturen tijdens de hele schoolopleiding volgens modaliteiten die gemeenschappelijk zijn vastgesteld tussen de (Franse) Staat en de territoriale gemeenschappen waar die talen worden gebruikt’. Fraaie taal, maar de praktijk was dat het onderwijs in het Creools facultatief was en er per week voor de Creoolse taal of een andere (vreemde) taal maar drie lesuren beschikbaar waren. Creools werd geen taal van instructie. Het werd een ‘vak’. Het ‘normale’ onderwijs werd er niet door ‘verstoord’.

We moeten hierbij wel bedenken dat Martinique, net als de andere Frans-Caribische gebieden – bij Frankrijk horen en dat de Franse regering als een terriër het Frans als officiële onderwijstaal bewaakt en bevoordeelt. Voor Curaçao en Aruba is deze situatie anders. Nederland kan zich nauwelijks meer met het Onderwijs daar bemoeien. Beleid voeren en verantwoordelijkheid nemen voor dat beleid is daar de taak van de autonome regering. Voor de BES-eilanden gelden andere spelregels.

[Voor vervolg, klik hier]

Spancocho Dominicano

Oranjestad — Afgelopen dinsdag maakten Biblioteca Nacional di Aruba en het Instituto Pedagogico Arubiano, bij monde van respectievelijk Astrid Britten en Mirto Laclé bekend dat op 15 mei de Dominicaanse Republiek en haar cultuur centraal zullen staan in een mixture van muziek, zang, dans, film en literatuur. Dit onder de naam Spancocho Dominicano.

Hoewel het programma nog niet helemaal bekend kon worden gemaakt, is al wel zeker dat Banda Esquema, bestaande uit vier zangers en nog eens zes of zeven muzikanten, de hoofdrol zullen spelen in dit Dominicaanse eerbetoon op Aruba. Al sinds de opkomst van de olie-industrie begin vorige eeuw op Aruba kwamen veel mensen uit de Dominicaanse Republiek hun economische geluk zoeken op ons eiland. Velen bleven, een aantal vertrok weer, al of niet met hun Arubaanse geliefden. Vanuit de Dominicaanse gemeenschap op Aruba worden nog steeds veel activiteiten georganiseerd om hun cultuur te bewaren en te herscheppen. Naast Banda Esquema zal ook Club de Movimiento onder leiding van Samantha Westera acte de présence geven met hun folkloristische dansen.

Spancocho Dominicano – wat een bekend Dominicaans gerecht is, bestaande uit zeven verschillende soorten vlees, waarbij soep en rijst wordt gegeten – zal dus plaatsvinden op zondag 15 mei in Cas di Cultura. Het begint om vier uur ‘s middags. Kaarten kunnen worden besteld of gereserveerd bij Cas di Cultura en de entree kost 10 florin per persoon.

[uit Amigoe, 21 april 2011]

Aan de slag voor perfecte coverfoto


Voor de mei-editie van het tijdschrift Focus was Aruba even getuige van een glamour ‘fotoshoot’ waarbij model Shandeeh Arends mocht poseren in een klassieke open wagen uit 1971.

Om letterlijk de vaart in de sessie te houden werd de wagen onder meer op een trailer gezet zodat de fotograaf Angelo Trimon mooie actieplaatjes kon maken. Hard werken was het wel en het duurde uiteindelijk een hele werkdag voordat de perfecte voorpaginafoto werd geschoten. Het maken van de hele fotoreportage duurde overigens een week.

[uit Amigoe, 21 april 2011]

Belonging, bonding of bridging? Het is, zoals het is

door Giselle Marie Ecury

Wim Rutgers boeit mij altijd met zijn interessante wetenswaardigheden over de literatuur in het Caribisch Gebied. Geïnteresseerd heb ik alles gelezen over de auteurs van Aruba. Bijzonder, dat ik daartoe mag behoren. Tegelijkertijd zette het me aan tot nadenken. Op zijn vragen [zie artikel op deze blogspot, klik hier] is dit mijn antwoord.

Foto rechts: Giselle Ecury met de Nederlandse auteur Arthur Japin. Hij schreef onder meer het scenario voor de film Boy Ecury, een Arubaanse jongen in het verzet, die gemaakt werd door de cineast Frans Weisz.

In de jaren ’50 van de vorige eeuw werd ik geboren in Oranjestad uit een Arubaanse vader en een Nederlandse moeder. Daar aarzel ik al. Want mijn moeder was eveneens een kind uit een “gemengd” huwelijk. Háár vader was een zoon van een Duitse bosbouwer, die jong weduwnaar werd en zelf overleed, toen zijn kinderen 19 en 17 jaar waren. De economie in Duitsland was tanende. De jonge Franz Joseph Athmer verkocht in overleg met zijn zuster alle grondstukken, die zij erfden. De huishoudster van het gezin, Marie, werd aangehouden en kreeg een toelage. Franz ging studeren in Leipzig. Medicijnen en Tandheelkunde. Hij trouwde met de Groningse Marie-Antoinette Kessener. Zij gingen – met Marie – wonen in Wissen, waar mijn moeder in 1923 geboren werd als Anna Liese Athmer. Nog altijd was het economisch zeer moeilijk in Duitsland. Hitler liet van zich horen. Mijn grootvader keek vooruit en voorzag, dat het helemaal fout zou lopen. Hij wilde weg uit Duitsland, wilde zelfs geen Duitser meer zijn. Het gezin vertrok naar Nederland, waar nog 2 dochters werden geboren.

Mijn grootvader werd officieel Nederlander, sprak accentloos Nederlands, distantieerde zich van het Duitsland, zoals zich dat ontwikkelde: Nazi-Duitsland, hoofdrolspeler in de Tweede Wereldoorlog. In zijn praktijk hielp hij vaak voor niets patiënten die geen geld, maar wel kiespijn hadden. En gedurende het laatst jaar van de oorlog waren er zes Amerikaanse soldaten, o.a. betrokken bij het Ruhr-offensief, in zijn huis ingekwartierd.

.Met de Nederlandse auteur Eric Abbas, die drie jaar leraar Engels geweest is op Aruba, kreeg ik sinds begin 2007 in korte tijd een vriendschappelijke band. Hier ontvang ik in de Ruïnekerk te Bergen het eerste exemplaar van zijn roman Bruha? (2007, uitgeverij Servo). Kort daarna werd bij hem de ziekte ALS geconstateerd. In 2010 overleed hij. Ik hield tijdens de afscheidsdienst, wederom in een overvolle Ruïnekerk, een toespraak.

Maakte de afkomst van mijn moeder haar tot een Duitse, die vanaf haar tweede levensjaar in Nederland opgroeide? Of zijn die jaren te verwaarlozen en was zij een Nederlandse? En hoe zit dat dan met mij?

Toen ik ruim zes jaar was, vertrokken wij als gezin naar Holland. Mijn vader, geboren in 1911, was van de generatie die leerde, dat Nederland het heel goed met Aruba voorhad. Als je vooruit wilde komen, moest je de taal goed leren. Op alle Arubaanse scholen werd onderwezen in het Nederlands. Je kon in “het moederland” een vervolgopleiding doen.

Wij hebben altijd Nederlands gesproken, ook toen we nog op Aruba woonden. Mijn beide ouders waren zeer taalvaardig. Zij beheersten de grammatica en mijn vader heb ik nooit kunnen betrappen op enige vergissing in zijn Nederlands, bijvoorbeeld met de lidwoorden. Wel vond hij in het begin de lange a- en o-klanken lastig. Zo noemde hij in onze woonplaats Bergen de kolenboer, die meneer Akerboom heette steevast “meneer Akkerbom”.

Op school en later in mijn werkzame leven was ik altijd “één van de anderen”. Maar wél hadden wij een afwijkende achtergrond: een licht gekleurde vader, rijst en pittig gekruide gerechten op het menu, de ervaring van het reizen per vliegtuig en een verblijf in Amerika (Florida en New York) en London, terwijl toen de meeste Hollandse kinderen niet verder gekomen waren dan Amsterdam of de kust.

Nu komt de hamvraag. Mag ik mijzelf nog Arubaanse noemen? Of ben ik eigenlijk gewoon een Nederlandse met Arubaanse achtergrond?

Toen ik het manuscript voor de roman Erfdeel opstuurde naar diverse Nederlandse uitgeverijen, had ik er geen flauw benul van ooit terecht te komen tussen de West-Indische auteurs. Het is zéér moeilijk iets officieel uitgebracht te krijgen in Nederland. De eerste reactie van uitgeverij De Geus was dus bemoedigend: Twee redacteurs hadden getwijfeld aan uitgave. Men besloot uiteindelijk het niet te doen: “Het was té mooi.” Ik begreep direct wat bedoeld werd, heb een heleboel veranderd, weggelaten, toegevoegd. Uitgeverij Atlas vond het vervolgens “Een prachtig verhaal, met veel gevoel voor drama.” Ze dachten echter dat de markt er te klein voor was en wezen me af.

Mijn moeder was in die tijd zwaar dement geworden. Ze zou haar laatste maanden ingaan. Aan haar bed schreef ik gedichten, die ik onder leiding van grafisch vormgever Wil Schipper (Grafische Zaken, Den Haag) na haar overlijden uitgaf in eigen beheer. In 2005 verscheen er een prachtig artikel over Terug die tijd in De Telegraaf (zie www.sfeervoltrouwen.nl ), waarna ik werd uitgenodigd om bij Andries Knevel (EO) in zijn programma Het Elfde Uur over de totstandkoming van mijn dichtbundel te spreken. Diezelfde avond had ik een uitgever voor de handelseditie en voor de roman Erfdeel.

Tot mijn verrassing kwam ik terecht tussen de auteurs van het Caribisch Gebied. Het bracht me in contact met de cultuur die ik in me draag, alsof de slotwoorden van een van mijn gedichten bewaarheid werden: Vaarwel, je komt terug.

Maar Aruba heeft zich ontwikkeld, zoals ikzelf mij ontplooid heb in Nederland. De basale dingen zijn direct “eigen”: de zon, de wind, de geuren en die prachtige zee. Ik spreek de taal echter niet, herken de bouwstijl niet. Ik begrijp, dat men zich richt op de Amerikaanse toeristenmarkt, maar zie niet veel meer terug van “vroeger”. Ik geniet van de mensen, maar kán de huidige samenleving niet kennen. Hoe zou het zijn, wanneer de kaarten anders gelegen zouden hebben?

Toch is het goed, zoals het is. In Nederland voel ik me thuis. Op Aruba en Curaçao ook. Tóch. Het ontroert me, wanneer mensen zeggen: “Je bent één van ons.”
In zijn recensie van mijn roman Glas in lood bespreekt Wim Rutgers de beperkte manier, waarop ik de Arubaanse elementen aanhaal, als toeristische impressies. Allereerst zijn die omschreven vanuit het kinderperspectief van een personage, een Hollands kind. Zij beziet alles vanuit haar achtergrond en dus beperkt ze zich tot de attracties, waar haar Arubaanse moeder haar heenbrengt.

Soms realiseer ik me niet helemaal Hollands te zijn. Zoals mijn hoofdpersonage in Erfdeel zegt: “Ik ben niet van hier en niet meer van daar.” Door zo’n opmerking lijkt het, alsof ikzelf altijd met mijn ziel onder de arm rondloop. Dat is niet zo. Ik geniet van alle dagen en dingen, die mijn pad kruisen. Ik zou de duinen en de wandelingen door onze grote Schoorlse bossen niet willen missen – hé, zit daar dan toch nog iets van mijn Duitse overgrootvader, de bosbouwer? Ben ik daarom graag in Duitsland? Ik houd van de “Gründlichkeit” van de Duitser, zijn hoffelijkheid. Maar hoffelijk is de Arubaan ook. Ach, en ik houd eveneens van Curaçao, draag de mooiste herinneringen aan mijn logeerpartijen bij mijn tante Nydia aan de Carawaraweg.

Als lid van de Vereniging van Letterkundigen en van de Freelancers Association (FLA) ga ik naar veel bijeenkomsten toe, bijvoorbeeld over hoe je naamsbekendheid kunt verwerven (Geert Mak), over “Feiten of fictie” (Nelleke Noordervliet), over “Variatie en vernieuwing” (P.F. Thomese en Renate Dorrestein). De leden zijn Nederlandse journalisten, schrijvers, dichters, schrijvers van jeugdliteratuur. Het is altijd leuk om met hen van gedachten te wisselen en ook zij staan heel open voor mij. Zomaar wat voorbeelden: Ik spreek graag voor welk publiek dan ook, soms in samenwerking met bijvoorbeeld “kinderdichter” Theo Olthuis, auteurs Kester Freriks, Aliefka Bijlsma, Karel de Vey Mestdagh. Publicist Frits David Zeiler stuurde me een foto waaruit bleek, dat ik “deel uitmaak” van zijn boekenkast. Onlangs heb ik in Madrid gesproken voor een groep jonge zakenvrouwen die uit Nederland afkomstig zijn. Soms lees ik poëzie voor tussen het winkelende publiek in een boekhandel in Bergen. Iedereen is aangenaam verrast, net als ik.

Belonging, bonding of bridging? Ik hoef niets te overbruggen, voel me volkomen opgenomen tussen de Nederlanders. Me bewust van mijn bijzondere achtergrond, streef ik hier in Nederland niet naar het versterken van de samenhang binnen de groep Antillianen/Arubanen of Nederlanders. Wel ben ik altijd geïnteresseerd in wat ieder mens drijft, kom ik graag in het Arubahuis of in het Curaçaohuis.

In september wacht mij The 2011 Conference on Colonial and Post-Colonial Connections in Dutch Literature, georganiseerd door the University of California, Berkeley, en o.a. Michiel van Kempen. Ik citeer: “The Program Committee is pleased to inform that your paper proposal has been accepted for presentation. However, due to the literary character of your abstract, we would like to request you to inaugurate our conference on Sept. 15th, with a literary, autobiographical evening lecture.” Ik heb een rijke achtergrond, waaruit ik volop kan putten! Bijzonder, dat dit plaatsheeft vlak voordat mijn vader 100 zou zijn geworden.

Inmiddels heb ik een leuk platform via de oer-Hollandse website www.damespraatjes.nl . Glas in lood heeft vrijwel meteen gestaan in de agendatips van damesblad Margriet, dat mij ook geïnterviewd heeft, omdat in Erfdeel het onderwerp “ongewenste kinderloosheid” zo mooi naar voren kwam. En ik vind het heel leuk af en toe iets te schrijven voor het Antilliaans Dagblad en ben graag lid van Simia Literario.

Ben ik niet gewoon een wereldburger? Ben ik misschien zelf dat “island in-between”, zoals ik mij tijdens mijn presentatie voor de op Curaçao gehouden Islands-in-Between Conference 2008 afvroeg. Belonging, bonding of bridging? Het is, zoals het is. Ik ben er blij mee.
Foto links: Giselle Ecury signeert haar bundel Vogelvlucht in het Arubahuis, 28 januari 2011

[Eerder verschenen in Antilliaans Dagblad, 18 april 2011]

Bovenste foto: @ Usha Marhé, onderste: @ Max Prins

Bikinikalender Patriot cheerleaders

Oranjestad — De cheerleaders van New England Patriots, een American football team uit Boston, zijn volgende maand op ons eiland om foto’s te maken voor hun jaarlijkse cheerleader bikinikalender. Het Marriott hotel nodigt de grootste Patriots fans uit om ‘deel uit te maken van deze ervaring’.

Het hotel is daarom een wedstrijd begonnen via Facebook. Fans van het football team wereldwijd worden opgeroepen om een videoverklaring op te nemen waarom juist zij de ‘grootste Patriots fans’ zijn. De video mag maximaal 30 seconden duren en iedereen kan stemmen op hun favoriete video. De clip die aan het einde van de maand de meeste stemmen heeft, wint de hoofdprijs: twee retourtickets naar Aruba en een vierdaags verblijf in het Marriott hotel.

Antoinette van den Berg, Marketing en Verkoop directeur van Marriott Aruba, zegt dat inzendingen ‘creatief, leuk en meeslepend’ moeten zijn. Als voorbeelden noemt ze een levensgrote Patriot tatoeage, een groep mannen die de Patriots cheerleader dans doen of een enorme verzameling aan Patriots memorabilia. Om mee te dingen naar deze prijs moeten deelnemers een Facebook account hebben en fan zijn van de pagina van Marriott Aruba. De winnaar wordt op 15 mei bekendgemaakt. De Patriots cheerleaders zijn van 22 tot en met 29 mei op het eiland om foto’s te laten maken s voor de kalender.

Overigens is het niet de eerste keer dat de Patriots cheerleaders naar ons eiland komen voor een fotoshoot. Ook in 2009 waren de dames op het eiland voor hun befaamde bikinifoto’s. In 2008 kwamen de cheerleaders van het Redskins footballteam naar Aruba voor opnames voor hun jaarlijkse kalender.

[van Amigoe, rubriek Kunst & Cultuur, 20 april 2011]

 

 

Graf Betico Croes verwoest

Oranjestad – Het graf van politicus Betico Croes is in het afgelopen weekend door onbekenden ernstig geschonden. Het graf op de begraafplaats van Santa Cruz op Aruba werd opengebroken waarna de kist eruit getrokken en vervolgens zwaar beschadigd werd. De deksel van de grafkist werd gedeeltelijk gelicht waardoor de stoffelijke resten van Aruba’s belangrijkste politicus aan het daglicht werd blootgesteld. Betico Croes overleed in 1986.

,,Een laakbare daad”, zo noemde de huidige minister-president van Aruba Mike Eman de grafschending. Het is walgelijk. Hoe je ook over dingen denkt.Met de dood hoor je respectvol om te gaan. Dit is echt walgelijk.”

[uit Antilliaans Dagblad, 18 april 2011]

Status aparte: 25 jaar Arubaanse literatuur (3)


Wim Rutgers

Migratie als last of lust?
In hoeverre Arubaanse migranten-auteurs ‘A sense of Belonging’ eisen en krijgen, in hoeverre ze de ruimte tussen het land van herkomst en het land van aankomst overbruggen of in hoeverre ze zich in eigen kring isoleren is een thema dat sterk naar voren komt in de poëzie van twee Arubaanse dichteressen die al lange tijd in Nederland wonen: Frida Domacassé en Giselle Ecury.

In 2007 publiceerde Frida Domacassé (San Nicolas 1938) na de uitgave ‘Dans’ een tweede bundel poëzie onder de titel ‘Kurason kibrá Kurason hinté’ met vertalingen van de Papiamentse gedichten in het Nederlands door Fred de Haas: ‘Heel mijn gebroken hart’. Fred de Haas is een van de weinigen die gedichten niet alleen vertalen maar daar ook weer poëzie van weten te maken. In een uitvoerige inleiding karakteriseert hij de gedichten van Domacassé als poëzie over ‘volwassenheid en jeugd, de wisselvalligheden van de geschiedenis en het persoonlijk lot’.
De gedichten zijn een mooi voorbeeld van migrantenpoëzie waarin de bonding sterk overheerst in de vorm van nostalgie naar een verloren jeugd: ‘Het miezert / Verdwaald in een doolhof / Zoek ik / Naar de palmboom van mijn jeugd’. De structuur van de bundel versterkt dit thema nog. Na en naast de herinneringen aan Aruba en Bonaire worden persoonlijke jeugdervaringen van thuis met de ouders, over verloren contact, over ‘liefde angst en eenzaamheid’, ‘haat, trots en kracht’ in herinnering aan de slavernij beschreven, maar dan komt daarna toch de nostalgie naar een verloren tropische jeugd weer boven drijven in de vorm van allerlei dagelijkse details aan het ouderlijk huis en aan kinderspelletjes. Nederland lijkt in deze poëzie afwezig.

E pida tera seku aki
Kaminda m’a grita mira lus
Kaminda m’a kima plant’i pia den mèrdia
Pargata na man
Pa mi kore
Kai, raska rudia

E pida tera seku aki
Ku su tuna sin pardon
Su yatu brasa haltu
Pa prikichi sinta lusa
Den e solo shishi

Kaminda watapana n’ por nenga bientu
Kaminda roi ta yora pidi yobida
E pida tera seku aki
Mi Ruba

Dit droge stukje land
Waar ik met een vreugdekreet het licht begroette,
Waar ik in de middagzon mijn voetzolen
verbrandde,
Rende met mijn slippers in de hand
Tatdat ik viel,
Mijn knieën schaafde,

Dit droge stukje land
Met zijn genadeloze schijf- en staafcacteeën,
Met armen als zuilen zo hoog
Waar parkietjes op gaan zitten
Om te pronken in de onbeschaamde zon,

Waar de waaiboom wel móet buigen voor
de wind,
Waar greppel huilend smeekt om regenwater,
Dit droge stukje land is
Mijn Aruba.
(vertaling Fred de Haas)

Tur dia mi ta pèrdè
Tur dia un tiki mas
Holó dje kas
Kaminda m’a gatia
Lanta para na bentana
Mira nubia kambia
Bira ber
Baka brabu rabu largu
Mira mansa kambia
Bira pan kayente
Panlefi
Driguidèk
Tur dia mi ta pèrdè
Tur dia un pida mas
Kaminda frañá
Pa skol misa i trabou
Mira bida kambia
Bira mosa
Adulto
Pensionado
Tur dia mi ta pèrdè
Tur dia un pida mas

Elke dag verlies ik,
Elke dag een beetje meer:
Geur van het huis
Waar ik heb rondgekropen,
Waar ik opstond bij het raam
En keek hoe wolken veranderden
in beren,
in krullen krabbende katten,
En keek hoe deeg veranderde
In dampend brood,
Eierkoek en
Kruidkoek;
Elke dag verlies ik,
Elke dag een stukje meer:
De oneffen en onaffe weg
Naar kerk, naar school, naar werk;
Ik kijk hoe het leven mij veranderde
In jongedame en
Volwassen vrouw,
Gepensioneerde;
Elke dag verlies ik,
Elke dag een stukje meer.

(vertaling Fred de Haas)

In de eerste bundel poëzie van Giselle Ecury, Terug die tijd (2005) is er eerst nog sprake van de jeugd op het tropische eiland als een ‘verloren paradijs’: het vliegtuig vloog mij uit elkaar / nergens kwam ik aan / ik ben / alleen / niet van hier / niet meer van daar / ertussenin / ontdaan’ Waarbij ‘hier’ Nederland is en ‘daar’ Aruba is geworden. Maar dit gevoel van nergens bij te horen gaat direct vergezeld van een sterke wil tot bridging in het besef de rijkdom van een dubbele culturele erfenis te bezitten. In ‘twee zeeën’ over de Noordzee en de Caribische Zee heet het aan het eind: ‘de vrouw keek naar de kust (…) / in haar element (…) omdat haar Hollandse tropenhart / twee zeeën heeft gekend’.

Ook in het gedicht ‘dag zee’ in het vorig jaar verschenen Vogelvlucht (2010) eindigt een tegenstelling tussen deze twee locaties opnieuw positief met het slotvers: ‘dan neem je de dag in je hand’.In Vogelvlucht overheerst de thematiek van persoonlijke emoties als verlangen en vergeten, gevonden en verloren contact met iemand ‘met wie je niet de liefde / maar wel je leven deelt’. In deze individuele poëzie is de setting Nederland geworden met zijn duinen, voorjaar, wandelen in het bos, sneeuw en ijs. Zo verbindt Giselle Ecury in deze bundel het land van toen en het land van nu.

Giselle Ecury: Maal twee

moedertaal, vaderland,
ik wil het anders horen
ik wil mijn vaders woorden
in mijn moeders land
met de vrije hand
de palmen laten wuiven,
terwijl trupialen fluiten
in de ochtenddauw

de noordzee laten schuimen,
schitteren met licht
caribisch aquablauw,
een heel eigen gezicht
op de dam speelt de orgelman
het ritme van de rumba
de steelband in de wind
versnippert klank en kleur
in wisselend seizoen
ik dans weer, als dat kind
van toen,

met vlechten in de tropenzon
en lach verrast
terug is dat heilig uur,
waarin alles nog gebeuren kon
met beeld en klank en zand en zee
niets lag er vast
puur cultuur
maal twee

ik taal naar de passaat
Ik wil strand en land bezitten
schaatsen in de hitte
scheren over ijs
– bevroren, blauwe vlakte
waarnaast
einderloos de kunuku gaat
in mist —

ik ben nog steeds niet wijs

De poëzie van Giselle Ecury is een voorbeeld van innerlijke bridging in die zin dat ze een persoonlijke brug slaat tussen de herinneringen aan de jeugd in Aruba en de ervaringen als volwassene in Nederland, met een sterkere persoonlijkheid als positief resultaat.

Cultureel erfgoed onder water

De wetenschappelijke afdeling van het Archeologisch Museum Aruba heeft recentelijk om tafel gezeten met Cultuur-minister Michelle Winklaar (AVP) over het behoud van de sub-aquatisch nalatenschap van Aruba.Als inleiding voor de vergadering gaf archeoloog Raymundo Dijkhoff een korte toelichting op het onderwerp. Het aquatisch cultureel erfgoed omvat alle sporen van menselijke beschaving die onder water liggen of lagen en die een cultureel of historisch karakter hebben. Dijkhoff benadrukte het belang en de urgentie van het beschermen van onze onderwater-erfenis. Winklaar heeft volgens het museum de zorgen ter harte genomen en kwam met het voorstel tot oprichting van een commissie met verschillende belanghebbenden die samenwerken ter behoudt van ‘dit belangrijke onderwerp’.

Dijkhoff was recentelijk op de regionale Unesco-conferentie ‘Technische en juridische uitdagingen van sub-aquatische archeologie in Mexico, Centraal Amerika en het Caribisch gebied’ in Cozumel, Mexico. Hier hield hij een presentatie over de huidige stand van zaken op Aruba betreffende studies, documentatie en bescherming van het erfgoed onderwater op ons eiland. Voor meer informatie kunnen belangstellenden terecht op de website van Unesco: www.unesco.org/culture/en/underwater.

[uit Amigoe, 12 april 2011]

Status aparte: 25 jaar Arubaanse literatuur (2)

Quito Nicolaas en Wim Rutgers

Karakterisering
Is er met de migratie van Arubaanse auteurs naar Nederland nog wel sprake van een ongedeelde en ondeelbare Arubaanse literatuur of worden taal en thematiek intussen door de auteurs in de beide landen zodanig verschillend ingevuld dat we van een tweedeling in de Arubaanse literatuur of zelfs van twee literaturen moeten gaan spreken? Of met andere woorden: bewegen de in Nederland wonende Arubaanse auteurs zich nog steeds in het Arubaanse literaire circuit of zijn ze inmiddels deel geworden van het Nederlandse literaire leven? Geeft Nederland deze auteurs de ruimte van een warm welkom? Maar ook: willen de Arubaanse migranten daar wel bij horen of koesteren ze hun isolement?

Gert Oostindie: Postkoloniaal Nederland; vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen. (Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker 2010) hanteert de begrippen ‘belonging’, ‘bonding’ en ‘bridging’ als houding van migranten en inboorlingen ten opzichte van elkaar. Welke ruimte krijgen en nemen alle burgers, ongeacht hun onderlinge verschillen, om zich te vereenzelvigen met de nationale gemeenschap (belonging)? Of overheerst het streven naar het versterken van de samenhang binnen de eigen groep (bonding)? Of doen migranten-auteurs pogingen om verschillen met de ruimere samenleving te overbruggen (bridging)?

De diaspora van onze identiteit
De van herkomst Arubaanse auteurs zijn nog weinig geïntegreerd in het Nederlandse literaire leven en ze draaien hooguit mee in minderhedencircuits. Arubaanse auteurs blijven bovendien vaak over het thuisland schrijven; ze zijn wel lijfelijk maar in literair opzicht nog niet mentaal verhuisd. Dat is enerzijds een gevolg van uitsluiting door het literaire establishment in Nederland, anderzijds waarschijnlijk ook een bewuste keuze van de auteurs zelf. De auteurs organiseren zich immers in een vereniging als ‘Simia literario’ en blijven zich voornamelijk uitdrukken in het Papiamento.

De stichting ‘Simia Literario’ is een schrijversorganisatie die het schrijven van literatuur door Antillianen en Arubanen wil stimuleren om op die manier een nieuwe generatie schrijvers te vormen die bijdraagt aan het handhaven en de ontwikkeling van de taal Papiamento. ´De nieuwe generatie schrijvers houdt zich bezig met de diaspora van onze identiteit en verenigt de kleine wereld van het lokale met de grote wereld van het internationale, om op die wijze een nieuwe literaire stroming in het Papiamento te creëren,´ schrijft Joe Fortin in de Introductie van de bloemlezing Bentana habri (2004: 8/10)

Hoe gaan deze auteurs om met de spanning tussen de persoonlijke sfeer en de publieke sfeer, ervaren ze die als een last of zijn ze in staat er een postmodern feestje van te maken dat de ambiguïteit en de dubbele culturele identificatie ziet als een pluspunt in plaats van een minpunt? Wat is politiek correct: terugkeren of blijven? Een illustratief voorbeeld van dit dualisme vinden we bij een van de personages in Quito Nicolaas: Alameda (2008: 73-80) in het kerstverhaal ‘Plegaria di un yiu’ (Klaagzang van een kind) met een gesprek over het al dan niet teruggaan naar je eiland en het gevoel in twee werelden te leven: Thuis en met mijn vrienden ben ik Arubaan, maar op mijn werk moet ik denken en handelen als een Europeaan.”

Wie door de open vensters van Bentana habri (2004) naar binnen kijkt ziet voorbeelden van bonding en bridging in het werk van auteurs als Olga Orman, Tania Pietersz, Quito Nicolaas, Joyce Herry, Joan Leslie en Richard de Veer. Ter adstructie geef ik twee voorbeelden uit deze anthologie van volgens mij geslaagde bridging. Olga Orman kiest in ‘Resolucion’ voor een persoonlijke oplossing door domweg zichzelf te zijn, mooi uitgedrukt in de metafoor van kleding die je al dan niet past:

Kico mi ta haci cu mi mes,
pusha, preta mi mes
den un shimis straño,
den un corset stijf pa drenta,
boca habri,
sin por saca un pia di palabra,
ni un grito,
ni un suspiro,
mi yiu di palabra aborta,
prome cu e la nace.

No, mi ta cose
mi mes shimis,
crea mi mes modelo,
den cua mi por hala rosea,
duna lus na yiu di palabra,
salu,
bunita y desea

Un shimis,
kita bisti
ki ora cu ta.

Een ander voorbeeld is dat van de jongere dichteres Tania Pietersz (Aruba 1971) in het gedicht ‘Desnudá / Unveiled’ waarin ook de keuze blijkt van eigenheid en zelfbewustzijn.

Refleho di algu interno
Un pos di alimentashon
Derá asina hundu
Ku ya a yega ora pa koba saka
E kosecha di mi alma skondi

Un keho
Un gritu
Depositá pa eternidat
Bihando bou’i mi kueru
Un bos kuchikuchi
Kresendo f-f-f-fuerte ku kada gaga
Serka di sali na kla
Spièrtando mi fo’i soño

Pa basta tempu
Mi mente tabata na benta
Pero awe tin baratio
Pa sefta kada rumbo putri
I rechasá e baile imbalansá
Pa buska balor den e ritmo
Di mi propio refleho

Reflecting on something internal
A feeding ground
Buried deeply
It’s time to dig up
The wealth of my hidden soul

A wail
A scream
Sent to eternity
A whisper, alive beneath my skin
Grows st-st-st stronger with every stutter
Nearly surfacing
Awakening me

My mind used to be a begging hand
For a long time
But today there’s a rummage sale
To sift every rotten turn
And reject this imbalanced dance
To find the value in the rhythm
Of my own reflection

Het is de persoonlijke uitkomst uit het dilemma om enerzijds niet krampachtig te proberen ergens bij te willen horen, niet een je opsluiten in eigen zelfgenoegzaamheid maar de demonstratie van een autonome persoonlijkheid in elke omgeving en omstandigheid.

© Foto’s: Irene de Cuba/Betty Werleman

[Deel 3 van het artikel verschijnt op 15 april 2011.]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter