blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Anansi

Nansi wereldspin: opening Wereldspinmuseum

Op woensdag 21 oktober om 12.00 uur in  het Haagse theater De Vaillant het Wereldspinmuseum. read on…

Nederlands Openluchtmuseum zoekt Anansi vertellers

Afro-Caraïbische vertelcultuur krijgt plaats onder de Anansiboom

Vanaf april 2016 heeft de Anansiboom – en daarmee de Afro-Caraïbische vertelcultuur – een plek gekregen in het Nederlands Openluchtmuseum. Het museum is daarvoor op zoek naar vrijwillige verhalenvertellers uit de Afro-Caraïbische gemeenschap. Zij krijgen een training van meesterverteller Wijnand Stomp, alias Mister Anansi. read on…

Scarlet-Anansi-Ocloo

Vertrekkend vanuit het verhaal van Medea onderzoekt Gorges Ocloo in Scarlet-Anansi-Ocloo de link tussen deze mythische figuur en genocides. Voor hem kennen genocides hun oorsprong in dit verhaal: Medea brengt immers haar eigen kinderen om, ze doodt iets wat ze zelf voortgebracht heeft. Medea als de Oermoeder van de genocides? read on…

Anansi Masters in Curaçao

Painting by Lorraine Rosalia
 
Riffort Renaissance Curacao Resort & Casino in collaboration with Mon Art Gallery and Kas di Kultura is currently exhibiting a selection of paintings from ‘Anansi Masters’. Curaçao artists include Wendell Tielman, Lorraine Rosalia, Joan van Leeuwen, Merly Trappenberg, Nataly Pas and Morgaine Parris, as well as students of the Adriana Academy. The clever spider packs a moral punch and made its way to three different continents (Europe, Africa, Americas) over the past few centuries. Jean Hellwig’s Anansi Masters aims to connect these continents through their Anansi (or Kweku Ananse or Kompa Nanzi, Ananansa, even Aunt Nancy) stories. His website includes recordings of over 50 Kompa Nanzi stories – in Twi, Papiamentu and Dutch – keeping this oral tradition alive in our digital age.
Forgot the plot of your favorite story? You’ll find it on www.anansimasters.net

Tori’s tussen teloorgang en opleving

The end: Verhaaltraditie tussen teloorgang en opleving

 
Vertelavonden, wedstrijden, workshops: men zou kunnen denken dat tori’s nog op ieders lippen liggen. Maar afgezien van georganiseerde events die de vertelkunst levend houden: wie vertelt eigenlijk nog verhalen? Heeft de traditie een toekomst? Een speurtocht naar plaatsen en mensen die het kunnen weten.
Guillaume Pool. Foto © Parbode
Donderdag, 14 februari. Valentijnsdag. In Tori Oso, letterlijk ‘het verhalenhuis’, wordt het langzaam druk. Vooral dames van wie het haar al grijst, zoeken naar een vrije plaats. Soms onder begeleiding van jongere vrouwen. Hun dochters? Men kent elkaar, begroet elkaar met een luid ‘Hallo’ of bosi’s. Koppels zie je nauwelijks, terwijl vanavond toch echt de kracht van de liefde centraal staat. Zodra de voorstelling begint, luisteren de gasten gespannen wat ‘Hilli en Gilli’, een alias voor Hilli Arduin en Guilliaume Pool, te vertellen hebben: over een jongeman die verliefd wordt op de ‘Watramama’, bijvoorbeeld. Maar vooral wordt gelachen: hard en vanuit het hart. En gezongen. Als Pool twee traditionele liederen in het Sranan aanheft, zingen de bejaarde dames krachtig mee. De jongeren kijken verwonderd rond. “Ik vind het jammer, dat deze mooie volkszang verdwijnt. Ervoor in de plaats komt enkel ‘tsch… tsch…tsch…’”, schertst Pool, en imiteert een HipHop-performance. Een grap, maar wel een met een kern van waarheid. Hoe staat het eigenlijk met de orale traditie, en vooral met de verhaaltraditie?
Hilli Arduin. Foto © RNW
Verhalen verdwijnen
“Mijn ervaring is dat het vertellen van verhalen verdwijnt. Dat is jammer”, vindt Hilli Arduin. De vertelkunstenares, met als woonplaatsen Amsterdam en Paramaribo, geeft naast voorstellingen ook workshops waar mensen kunnen leren een boeiend verhaal te vertellen. Bovendien gebruikt Arduin als psycholoog en orthopedagoog haar verhalen bij het werken met kinderen en jongeren. Wat van de orale traditie blijft bestaan, is volgens haar een bijzondere manier van communicatie: “Terwijl ze in Europa informatie zakelijk doorgeven, brengt men in Caribische landen en in Suriname de boodschap vertellend door.” Volgens haar collega Guillaume Pool leeft de traditie alleen nog in het binnenland. “De verhalen zijn er noodzakelijk om kennis over te brengen aan volgende generaties.” De beroepsverteller weet dat sommige Inheemsen het vertellen nog gebruiken in hun opvoedingssysteem. “Er zijn stammen waarin kinderen niet bestraft worden bij gedragsproblemen. In plaats daarvan probeert men met verhalen het gedrag te corrigeren.” Dat geldt volgens hem echter niet voor Paramaribo. “Helaas! In de stad zijn er hier en daar nog oudere mensen of leerkrachten die verhalen vertellen. Soms ook ouders, die er nog tijd voor hebben. Maar de massa doet het niet meer.” Zowel Arduin als Pool kan zich nog goed de tijd herinneren dat het vertellen van tori’s in hun gezinnen een belangrijk ritueel was: “Mijn moeder en oma vertelden altijd verhalen. Altijd!”, benadrukt Arduin. Zij hebben haar de liefde voor verhalen met de paplepel ingegoten. Pools grootmoeder maakte van een verhaal een klein feestje: “Wij moesten daarbij zingen en spelletjes spelen.”
Schalen met lekkernijen staan klaar voor een Dede Oso (Avond voor de begrafenis) in het Surinaamse binnenland. Foto © Marco Bleeker
Rouwplechtigheden
Een grote rol speelde het vertellen ook bij de rouwbijeenkomsten, herinnert de verteller zich: “Acht dagen naar een begrafenis vond een sessie plaats, de aitidei, waarbij de hele nacht tot de ochtend door verhalen werden verteld. Vaak sliep ik als kind erbij in en wanneer ik weer wakker werd, waren ze nog steeds bezig met vertellen.” Het ritueel begon altijd met een vaststaande formulering, waarop een raadsel volgde. Daarna begon het eigenlijke verhaal, waarbij het publiek mocht interrumperen, op de manier van ‘ik was er ook’. “Daardoor ontstond een fantastische dialoog”, vertelt Pool in vuur en vlam. “Er waren professionele vertellers, die niets anders deden dan dat. Voor hun voordrachten kregen ze te drinken en te eten, en zo liepen ze van de ene naar de andere rouwceremonie.” Wilgo Baarn en Humbert Oosterwolde, beiden verbonden aan de Afro- Surinaamse vereniging Naks, weten dat er bij rouwfeesten in de stad nog wel eens verhalen worden verteld. Zowel op de singi neti als op de aitidei daarna.
Tegenwoordig kiezen families echter voor een kortere ceremonie op de vooravond. Vroeger begon de avond om acht uur, en ging door tot vijf uur in de ochtend. Tegenwoordig is het vaak al om twaalf uur voorbij. “Dat heeft te maken met fysieke omstandigheden: want op de dag van de begrafenis moet er nog zo veel worden gedaan en daarvoor willen de gezinsleden graag uitgerust zijn.” Juist na twaalf uur begint men traditioneel te vertellen, dus wordt het steeds vaker weggelaten. “Maar vooral in de districten staan de ouderen er nog op, dat de ceremonie tot vijf uur doorgaat”, aldus Oosterwolde. De aitidei moet de mensen afleiden en een gezellige sfeer brengen. “Dat is eerder een lekker feestje, en vertellen mag dan ook voor twaalf uur”, legt Oosterwolde uit. Hij is zelf trouwens een van de weinige jonge vaders die nog traditionele verhalen aan zijn kinderen vertelt. Inspiratie daarvoor krijgt hij van zijn schoonvader: “Hij kent heel wat verhalen, die hij me vaak vertelt als wij op de kostgrond bezig zijn. Zijn eigen kinderen hebben er geen belangstelling voor, maar ik wel.” Van deze verhalen maakt hij aantekeningen, om ze later thuis aan zijn kinderen op zijn eigen manier te vertellen. Meestal zijn het Anansitori’s. Op de vraag of vertellingen ook in de toekomst nog een rol spelen in het stadsleven, reageert Baarn sceptisch: “Ik ben bang van niet. Alleen de rouwrituelen blijven voorlopig nog, en zelfs daarbij wordt het niet meer zo veel gedaan. Echte vertellers zijn er eigenlijk niet meer.” In de Marrondorpen valt het nog erg mee, volgens Ifna Vrede van de Stichting Fonds Ontwikkeling Binnenland. Behalve bij de rouwplechtigheden, worden ook bij andere ceremoniële activiteiten zoals geboortes, huwelijken, en het volwassen verklaren van jongeren nog verhalen verteld, met zang of iets anders als intermezzo. “Maar ook tijdens de vrije uurtjes, onder een boom of bij de veranda van de hut is er altijd een grootoom of -tante die aan overdracht doet, die zijn of haar wijsheid met je deelt”, weet Vrede.
Michiel van Kempen. Foto © Sanne Landvreugd
Pyjai-verhalen
Als je over de verhaaltraditie in Suriname wilt praten, praat je echter niet alleen over de traditie van de stadscreolen en Marrons. Zo rijk het land aan culturen is, zo rijk is het ook aan vertellingen. Michiel van Kempen heeft in 2003 de verschillende genres in zijn standaardwerk Een geschiedenis van de Surinaamse Literatuur verzameld: zo kennen de Inheemsen bijvoorbeeld verhalen over het dagelijkse leven, over zeden, geschiedenis en de magische pyjai-verhalen. In de orale cultuur van Marrons en Creolen vind je de beroemde vertellingen over de spin Anansi of fostentori, ‘vroegeretijdverhalen’ met een bijzondere sacrale kracht. De hindoes verbinden hun epen Ramayana en Mahabharata met vertelkunst en de Javaanse verhalen over het konijn Kantjil zijn vergelijkbaar met de Anansitori’s. Verhalen uit de hele wereld dus, die in Suriname samenkwamen, lange tijd naast elkaar bestonden – en zich soms ook vermengden.
Nardo Aluman
“Mijn vader was bijvoorbeeld niet specifiek een Karaïbse, maar een Surinaamse verteller: hij vertelde Anansitori’s”, herinnert Nardo Aloema zich. De schrijver uit Christiaankondre in Galibi was werkzaam bij de afdeling Cultuurstudies van het ministerie van Onderwijs en was voorzitter van de Organisatie van Inheemsen in Suriname (OIS). Het is interessant, wat Michiel van Kempen in de jaren negentig over het dorp Galibi ontdekte. De Karaïbse cultuur kwam volgens hem tijdens het militaire regime en de Binnenlandse Oorlog onder druk te staan. De sociaaleconomische crisis zorgde ervoor dat vele jonge mensen de dorpen verlieten, zodat die uiteindelijk vergrijsden. Met het overlijden van de oudere inwoners verdween dus ook de culturele kennis. Alleen Galibi, grotendeels onaangetast gebleven door de oorlog, kon zijn oorspronkelijke cultuur bewaren. En dat is volgens Aloema ten dele nog steeds zo: “Iedereen beheerst nog de Karaïbse taal, zelfs de kinderen leren die nog vanaf hun geboorte. Er bestaat zelfs een eigen radiozender in het Karaïbs.” Hij schat dat er nog zo ongeveer twintig vertellers bestaan, met een leeftijd van vijftig jaar en ouder. Echte, ouderwetse Karaïbse vertellers zijn er echter heel weinig. “Want daarvoor moet je pyjai zijn.”
Een pyjai (sjamaan). Foto © Ingrid Moesan
Om pyjai, een geestelijke leider of sjamaan, te worden, is een jarenlange opleiding nodig. Tijdens deze training leer je bijvoorbeeld met de geestenwereld te communiceren, maar ook de oude Karaïbse verhalen en liederen. Op initiatief van jongere dorpsbewoners werden er in de jaren tachtig culturele organisaties opgezet, die zich onder andere met het vastleggen van orale vertellingen bezighielden om ze voor verdwijnen te behoeden. Sinds 1983 bestaat onder andere Stichting Oemari, waaruit de toneelgroep Epakadono ontstond, met Aloema als mede-oprichter. “In deze tijd begon zoiets als een bewustwordingsproces in heel Suriname: bij de inheemsen ontstonden bijvoorbeeld organisaties voor Karaïbse en Arowakse zang en dans”, bevestigt hij. Ondanks die initiatieven lijkt er ook in Galibi niet meer vaak meer verteld te worden. “Verhalen levend houden is moeilijker dan liederen en dansen, omdat ze vroeger niet opgeschreven werden.” Tegenwoordig wordt volgens Aloema, behalve bij feesten, bijna niet meer verteld. Soms nog in gezinsverband, maar daar schijnt het eveneens te verdwijnen. En ook als opvoedingselement raakt het in onbruik. Volgens Aloema kennen de jongeren de oude Karaïbse verhalen uit Galibi niet meer. Om dit te veranderen, is werkt hij aan een boek over deze vertellingen. Ze zullen tweetalig, in het Karaïbs en in het Nederlands, verschijnen. “Het zijn zulke mooie verhalen. Het is jammer dat ze niet meer verspreid worden, niet in Galibi en niet in Suriname.”
Veranderde maatschappij
De redenen voor de teloorgang van de verhaaltraditie in Suriname liggen volgens de deskundigen in de veranderde maatschappij. Er blijft gewoon geen tijd meer over voor verhalen: “De vader werkt, de moeder werkt, oma’s werken, opa’s werken. Vroeger was het al om zes uur avond, om acht uur ging men al slapen. Vandaag werkt men dan nog – en daarna kijkt men tv en luistert men naar de radio in plaats van naar verhalen”, beargumenteert Arduin. Ifna Vrede bevestigt deze visie: “Dat de verhaaltraditie in de kuststreken aan het verdwijnen is, komt volgens mij door de nieuwe technologische ontwikkelingen, dus radio, tv, dvd’s en zo verder. Men stopt tijd in studie, sociale media, disco, muziek en andere moderne bezigheden. Hierdoor heeft men weinig ruimte om naar elkaars verhalen te luisteren, vooral op een traditionele manier.”
JawJaw: een merkteken op een herbouwde woning geeft
aan hoe hoog het water kwam
Michiel van Kempen brengt de oorzaken terug tot de formule ‘kerstening, urbanisatie, verwestersing en technologisering’. Bovendien benoemt hij een specifiek Surinaamse reden: de transmigratie die volgde op de aanleg van het stuwmeer. Daardoor werden veel mensen naar de stad gedreven, waardoor zij zich vervreemdden van het traditionele leven. ‘Maar ook voor degenen die aan de rivieren bleven wonen, heeft de transmigratie een grote mentaliteitsverandering teweeggebracht. Weinig jongeren vonden wat zij verwacht hadden, met als gevolg afbrokkeling van het gezag van de ouderen, onverschilligheid en criminaliteit’, constateert Van Kempen in zijn boek. Het vertellen van verhalen raakte daardoor op de achtergrond.
Jacobkondre, Saramacca
Uitdrukkingsmiddel 
Als de verhaaltraditie in Suriname uitsterft, verdwijnen niet alleen de verhalen, maar ook een heleboel functies ervan. Pool geeft net als Arduin workshops voor toekomstige verhalenvertellers. Hij laat de handout voor de colleges zien, waarin hij ook belangrijke kwaliteiten van verhalen heeft opgesomd. “Door verhalen geef je zoveel normen en waarden mee. Het is niet alleen zonde, het is bijna een misdaad dat deze traditie verdwijnt.” Daarnaast dienen ze ter amusement, voor het doorgeven van informatie, maar ook voor het bewaren van cultureel erfgoed. Volgens Pool zouden verhalen goed tot hun recht komen in het onderwijs: “Daarin moet het ten eerste worden opgenomen.” Zo bevordert het de taalontwikkeling en het concentratievermogen. Bovendien kunnen gedragscorrecties via verhalen bereikt worden, omdat een kind tijdens een vertelling openstaat voor een leerproces, aldus Pool. Daarnaast kunnen verhalen ook een middel zijn om zorgen en spanningen te verwerken en om zich uit te drukken. Dat ervoer Pool toen hij uitgenodigd was om in jeugddetentiecentrum Opa Doeli te komen vertellen. “De meisjes waren in het begin bange vogeltjes, maar ook de jongens waren timide. En aan het einde dansten ze! Dat was een openbaring!” Hij zou graag zien dat het verhalen vertellen een vaste ritueel wordt bij Opa Doeli: “Daarmee kan je de jongeren enthousiast maken om zelf het verhaal achter hun ‘misdaad’ te maken. Want een kind wordt niet zomaar crimineel.”
Wilmart
Wilmart Jacobus is zeventien jaar oud en zit op de Mulo in Paramaribo. Hij is bescheiden en toch een kleine ster op zijn school. Want: hij is een verteller. Een goede verteller! Het mag zo zijn dat de verhaaltraditie aan het verdwijnen is en dat mensen klagen dat de jongeren er geen belangstelling meer voor hebben: Wilmart bewijst het tegendeel. Zijn verhalen verzint hij zelf, of hij vertelt verhalen die hij van vroeger kent, maar zijn publiek niet. Vroeger, daarmee bedoelt hij zijn kinderjaren in Jaw Jaw: “’s Avonds zaten wij regelmatig samen en vertelden verhalen. Dat gebeurde spontaan, meestal in de weekenden.” Vooral de verhalen van zijn opa, maar ook van de radio in het binnenland zijn inspiratie voor hem. Wanneer hij samen is met zijn vrienden vragen ze hem altijd om iets te vertellen. “Tijdens vrije lesuren moet ik voor de klas gaan staan en mijn verhalen voordragen.” Dat gebeurt dan in het Nederlands. Het zijn vertellingen over Anansi, maar ook over Wilmarts vrienden en hemzelf. Al toen hij acht jaar was begon hij tori’s te verzinnen en aan zijn vrienden te vertellen. “Wanneer ik thuis ben en rustig zit, dan komt er vaak een idee voor een nieuw verhaal. En als ik aan het vertellen ben, heb ik steeds nieuwe invallen over hoe het verder moet gaan. Dat kan dan een heel lang verhaal worden”, beschrijft hij enthousiast. Op de vraag of hij nu spontaan iets wil vertellen, kijkt hij een momentje geconcentreerd naar beneden, dan uit het raam. Hij glimlacht en begint een verhaal over een tocht door het bos met zijn vrienden, waarbij ze een dier schieten en ontdekken dat het een gouden tand heeft. Wilmart wil later niet per se terug naar het binnenland: “Ik vind Paramaribo leuker.” En van de oude tradities, zoals de rouwceremoniën, houdt hij ook niet. “Nee, nee, dat is niets voor ons jongeren.” Maar verhalen op zich vindt hij belangrijk: “De mensen willen soms lachen, plezier hebben, dat kunnen verhalen bereiken.” Volgens hem zijn ook jonge mensen enthousiast over verhalen – hijzelf en zijn publiek zijn het beste bewijs. Ook in toekomst wil hij verhalen vertellen, misschien ook iets schrijven. “Ik wil het tenminste proberen.”
Einde
Mensen houden van verhalen – maar vertellen, dat doen de meesten, vooral de jongeren niet meer. Ja, er zijn uitzonderingen zoals Wilmart. Ja, er zijn regelmatig bijeenkomsten en er worden boeken gepubliceerd waarin de oude verhalen vastgelegd zijn. En ja, er wordt door vertellers als Arduin en Pool veel gedaan om verhalen in de opvoeding te integreren. Of daardoor het vertellen een heropleving tegemoet kan zien, dat weet niemand. Je kunt maatschappelijke veranderingen niet tegenhouden. Je moet met de tijd meegaan. Dat weet ook Wilgo Baarn van Naks: “Als je je tradities kent, kan je alles ermee doen. Wie weet, misschien komt ook de rapmuziek van onze oude verhalen, daar steekt toch ook altijd een vertelling in?” Hij knippert met zijn ogen, lacht – en begint te rappen.
[uit Parbode, 1 mei 2013]

Gevoelens op de grens – de mentale worsteling die migraties meebrengt

door Koen Stuyck
.
In zijn laatste boek Het vacuüm van de kosmopoliet analyseert Walter Lotens de verschillende statuten die mensen innemen in een samenleving wanneer ze daar om één of andere reden niet geworteld zijn. Dat kan gaan over nieuwe of oude immigranten maar evengoed over mensen die geboren en getogen zijn in hun ‘nieuwe’ samenleving.
Lotens praat met migranten in Antwerpen maar ook in het Caraïbische Suriname en Curaçao. De motieven van deze zeer verschillende mensen blijken opmerkelijke overeenkomsten te vertonen. Daarna legt hij deze getuigenissen voor aan o.m. Ludo Abicht, Rik Pinxten, Ronald Commers en Eric Corijn.
Het spreekt voor zich dat dit geen af verhaal is, wel een zeer verdienstelijke poging om het scala aan menselijke gevoelens die horen bij migratie te inventariseren. Walter Lotens spreekt over zijn gesprekspartners als “tussenfiguren.” Wanneer hij de gesprekken die hij heeft met verschillende migranten analyseert blijken al deze mensen tegelijk ‘insider’ en ‘outsider,’ het product van een vermenging die echter nooit helemaal oplost. Ook immigranten van de tweede en zelfs derde generatie kunnen zich ‘vreemdeling in een vreemd land’ voelen.
Foto Hemant Kerkrade
In de inleiding luidt het al: “ieder van ons heeft in zijn hoofd een eigen aardrijkskunde.” Een migrant verhuist niet alleen met zijn familie en heel zijn hebben en houden, maar ook met zijn geheugen. Lotens beschrijft zijn boek als een zoektocht naar de aardrijkskunde van de ziel. Via uitvoerige gesprekken probeert hij de mentale worsteling in kaart te brengen van mensen die zich in een tussenpositie bevinden. En dat levert heel wat stof tot nadenken op. Zo heeft Pepe Correa het over de haast archetypische situatie waarbij hij door iemand wordt voorgesteld en dat zijn ‘anderszijn’ er uitdrukkelijk aan wordt toegevoegd: “hier is Pepe, de Chileen.” Alsof het een waarschuwing betreft. Deze Chileense Antwerpenaar houdt er een bescheiden zelfbeeld op na. Een kosmopoliet vind hij een te groot en te rijk woord om zichzelf te beschrijven. “Ik voel mij geen wereldburger, ik ben een beetje Chileen en een beetje Belg.” Correa heeft met andere woorden ambiguë gevoelens.
En die ambiguïteit, daarover gaat dit boek. Want mensen leven met concrete gevoelens die geënt zijn op reële contexten, in het land waar ze vandaag wonen en werken of in landen waar ze ervoor gewoond hebben. Dat alles in tegenstelling tot het containerbegrip ‘de kosmopoliet,’ waarover je na lezing van dit en de auteurs eerdere boeken alleen maar kan besluiten dat het over een fictie gaat. Wellicht zijn alle zelfverklaarde kosmopolieten die vanuit onze westerse wereld met haar hedendaagse hedonistische moraal de wereld afreizen enkel zelf overtuigd van hun ‘wereldburgerschap.’ Maar hebben ze daarvoor steekhoudende argumenten? Ludo Abicht vindt alvast van niet. Hij heeft geen hoge pet op van wie zich met een kosmopolitische verwaandheid boven de alledaagse problemen van de mensen meent te kunnen plaatsen. Hij beschuldigt ze zelfs van “intentionele steriliteit.”
Het kosmopolitisme is anders gezegd een abstract product van het modernisme (en niet het enige) dat van nature voluntaristisch en universalistisch wordt ingevuld door haar grootste supporters. De meeste mensen kunnen er zich eigenlijk niets bij voorstellen. Natuurlijk is er niets mis met dromen van een betere wereld. Het probleem ontstaat wanneer een bepaalde dominante cultuur, ondersteund door een reële economische en politieke macht, het kosmopolitisme claimt als zijnde de universele oplossing voor de menselijke samenlevingsproblemen. En dat is een syndroom dat vooral mensen in het Westen parten speelt.
Terug naar de tussenervaringen van Lotens’ gesprekspartners. Dezelfde Pepe Correa zegt dat zijn land van herkomst hem (“ons”) nog steeds toebehoort. “Zijn geografie, zijn landschap, zijn klimaat, zijn keuken, zijn volkstradities…” Hij is een contamineerde persoon geworden want op reis in Chili kan hij evengoed heimwee krijgen naar België.
Door de gesprekken komen ook echte universele patronen naar boven. Zoals het verhaal van de Surinaamse spin Anansi, dat overal in de Caraïbische wereld terugkomt. Anansi is een fabeldiertje dat meereisde met de slaven van de Afrikaanse kusten naar de plantages. Een sympathiek underdog beestje dat via allerlei ongeoorloofde praktijken vrij en vrolijk weet te overleven. De pendant dus van Reinaert de Vos bij ons, of oompje Duivel in Bolivia of Kantjil in Indonesië. Universele overlevingsstrategieën. De verzetcultuur van het volk.
Met dit boek komt Lotens steeds dichter bij wat hij wil zeggen lijkt het wel. De verbondenheid van mensen met hun land, hun geschiedenis, hun familie, maar ook met de nieuwe verhalen die ze leren wanneer ze andere horizonten opzoeken, die verbondenheid is een wezenskenmerk van onze soort. En dat heeft wellicht te maken met het feit dat we over een geheugen beschikken waarmee we onze identiteit niet op een biologische maar wel op een virtuele manier kunnen construeren. Het “vacuüm van de kosmopoliet” is wat mij betreft Lotens interessantste boek tot nog toe.
Walter Lotens, Het vacuüm van de kosmopoliet, uitg. Pelckmans Kapellen, (2008), ISBN 978-90-289-4233-2
[van Uitpers, nr. 107, 10de jrg., maart 2009]

Anansi Torch Bearers: gratis download

The Torch Bearers of the New Earth by L. Asamadi Breeveld. An introduction to the law of Attraction. For the whole family. A motivational adventure of Anansi the wise man.Almost everything around us is proof that success is assured, by putting the power of consciousness to good use. You are (consciously or unconsciously) randomly or by the grace of love intentionally, creating your destiny. The person to whom this truth has been revealed, for such paradise is no longer concealed.

Product Details
  • File Size: 5278 KB
  • Print Length: 92 pages
  • Publisher: JMPR Foundation; 1e edition (September 24, 2012)
  • Sold by: Amazon Digital Services, Inc.
  • Language: English

Een downloadactie van een gratis boek i.v.m Upliftment projecten in Afrika. Tot 30 september 2012 vanuit je luie stoel gratis te downloaden! Klik hier.

Tamboerlied

 

(Op de wijs van Di’e 30 mei, mama, van Shon Colá)
Als Nanzi Shon Arei is, mama
Wie neemt ie dan te grazen?
Altijd sluw om niet te werken
Leeft van onze poen.
Tamburero, geef me vuur
Laat de wiri raspen,
Chapiman, los een vonk,
Shon Arei = Shon Araña
Zijn pak staat chique, zijn kapsel goed,
Hij weet wel heel goed wattie doet
Pakt hij een andere natie?
Of toch zijn eigen pueblo?
Hij is zo wijs en veel op reis,
Van Schottegat naar Paradeis,
Nanzi’s bank is uit balans
Verandert plus gewoon naar min
Van overvloed tekorten
(koor:) Overschot en tekorten
Van plus naar min
(koor:) Overschot en tekorten
Uit balans
Etc.
Nanzi’s bank
(koor)
van Paradeis
(koor)
naar Schottegat
(koor)
Shon Araña
(koor)
en Shi Lareina
(koor)
van onze poen
(koor)

etc

Nanzi in de polder

Fred de Haas blikt in deze woelige tijden die worden gekenmerkt door allerlei politieke streken eens terug op het leven van meesteroplichter Nanzi, naar aanleiding van de verhalenbundel Compa Nanzi’s Capriolen van Joan Leslie.

De verhalen van Nanzi maken onlosmakelijk deel uit van het Caraïbisch erfgoed. Tienduizenden Caribeños hebben als kind ademloos geluisterd naar de streken die de Afrikaanse Spin uithaalde met mensen en dieren die vaak groter waren dan hijzelf.
In 1952 verzamelde de Curaçaose onderwijzeres Nilda Jesurun Pinto een dertigtal Cuentanan di Nanzi die een eerste heruitgave beleefden in 1965.
De toenmalige Inspecteur van Onderwijs, de heer P.T.M. Sprockel (every inch a gentleman) bedankte Nilda Pinto in zijn voorwoord voor het feit dat zij de kinderen weer in contact had gebracht met de producten van hun eigen cultuur: ‘Hopi anjanan largoe nos a poerba di laga toer cos coe ta netamente Antiano for di nos ensenjanza. Pero semper tabatin algun persona coe tabata sinti coe e rumbo di nos educación mester di un cambio. Un di nan tabata senjorita Nilda Pinto’ (Jarenlang hebben we ons best gedaan om alles wat echt Antilliaans was buiten ons onderwijs te houden. Maar altijd was er wel iemand die aanvoelde dat ons onderwijs een verandering van richting nodig had. Een van die mensen was Juffrouw Nilda Pinto). Aldus Tirso Sprockel in 1965!
De door Nilda Jesurun Pinto verzamelde verhalen zijn in 2005 nogmaals ondergebracht in de tweetalige Curaçaose prachtuitgave Kon Nanzi a nèk Shon Arei (Hoe Nanzi de Koning beetnam). In 2011 is Nanzi, ditmaal vrijwillig, de Oceaan overgestoken om nieuwe streken uit te halen in Nederland in Compa Nanzi’s Capriolen van Joan Leslie (foto).
Wie kent niet de naam van dat gemene spinnetje dat zonder al te veel kleerscheuren de overtocht maakte van West-Afrika naar de andere kant van de Atlantische Oceaan om zich voor altijd te nestelen in het Zuiden van de Verenigde Staten en het Caraïbisch gebied?
Natuurlijk was de gedwongen emigrant Nanzi liever bij zijn voorouders in Afrika gebleven, maar veel keus had ie driehonderd jaar geleden niet. In de ‘Nieuwe Wereld’ vestigde hij zich in het geheugen en het verhaaltalent van de talloos velen die met hem de oversteek maakten om eeuwenlang te worden verkwanseld aan Europese kooplui en plantagehouders: mensen die heden ten dage deel uitmaken van een nieuwe Creoolse samenleving.

Overal in het Caraïbisch gebied duikt Nanzi op. Ook op de Antillen, waar zijn schavuitenstreken in de 20e eeuw werden opgetekend door de – jong gestorven –  Curaçaose onderwijzeres Nilda Jesurun Pinto in haar Cuentanan di Nanzi (1952), waarvan ik een publicatie uit 1965 vóór me heb liggen. Nanzi en zijn gezin kijken me vanaf de omslag schalks aan, gezeten op de rug van die onnozele Cha Tiger, de tijger.

Het boekje van Nilda Pinto heeft de basis gevormd van de latere tweetalige prachtuitgave Kon Nanzi a nèk Shon Arei / Hoe Nanzi deKoning beetnam (Zirkoon Uitgevers, Amsterdam, 2005), waarvan de Nederlandse tekst werd verzorgd door Wim Baart en Lieke van Duin en de Papiamentse tekst werd gemoderniseerd en omgezet in de nieuwe Curaçaose spelling door Sidney Joubert en Hubert Lemmens. Ook de Arubaanse schrijfster Joan Lesley werd door de figuur van Nanzi geïnspireerd tot het schrijven van haar Compa Nanzi’s Capriolen, waarover straks meer.
Nanzi: spin of mens?
In verhaal no. 28 uit het boekje van Nilda Pinto (‘Com aranja a nace na Corsouw’) en in het eerste verhaal van de luxe uitgave uit 2005 (‘Kon araña a nase na Kòrsou / Hoe de spin op Curaçao geboren werd’) wordt de lezer definitief op het verkeerde been gezet. Uit dit verhaal blijkt dat Nanzi zijn vrouw en kinderen per ongeluk op magische wijze in spinnen verandert. Maar het antwoord op de vraag of Nanzi zelf óók een spin wordt blijft, merkwaardig genoeg, in het midden en wordt overgelaten aan de tekenaars en illustrators. In het boekje van Nilda Pinto is Nanzi een spin, maar in de uitgave van 2005 stellen de tekenaars Nanzi nu eens als mens voor (Hans Leydekkers), dan weer als mens en als spin (Doesjka Bramlage), als een soort ‘alien’ met spinnenpoten (Capricorne), als gestyleerde spin met een jongenskop en haaientanden (Marenthe Otten) of als een fantasiefiguur met spinnenpoten (Anton Vrede). Doesjka Bramlage en de illustratrice Mirelva Romano komen het dichtst in de buurt van de illustraties uit het boekje van Nilda Pinto uit 1965. De naam van de illustrator uit 1965 wordt – slordig genoeg –  niet duidelijk vermeld in het boekje. Waarschijnlijk is het een zekere Dalenoord.
Nanzi’s karakter
Elk kind moet lachen om de streken van Nanzi, maar op de keper beschouwd is Nanzi allesbehalve een prettige figuur. Hij is hebzuchtig, lui, impulsief, vals en gemeen. Hij is een rasoplichter, een moordenaar en een huichelaar die niet aarzelt om vrouw en kinderen te bedriegen en te bestelen als hem dit goed uitkomt. Hij is de ideale figuur om alle –  latent aanwezige – slechte eigenschappen die in elk mens huizen te verpersoonlijken. En als de verhalen goed worden verteld of voorgelezen hebben ze een geweldig louterend effect. Ze zijn echter minder geschikt om alleen maar gelezen te worden. Daarvoor zijn ze vaak te flauw en gaan daardoor snel vervelen. Ze hebben echt de saus van de voordracht nodig. Maar sommige verhalen zijn ook leuk om te lezen zoals ‘Cha Nanzi en Temekú-Temebè’ (p. 57, uitgave 2005), ‘Hoe Nanzi de duivel beetnam’ (p. 70, idem), ‘Een weddenschap van Nanzi’ (p.75, idem).
Nanzi op Curaçao
De verhalen die Nilda Pinto heeft verzameld spelen zich af op Curaçao. Nanzi is voortdurend bezig om geld en voedsel te organiseren, in de eerste plaats voor zichzelf en vervolgens voor zijn gezin, dat vrolijk en medeplichtig schranst en schrokt van het eten dat vader – meestal tot schade en schande van anderen – heeft weten te ritselen.
Je vindt in de verhalen om die reden veel verwijzingen naar planten, vruchten en gerechten uit de Curaçaose keuken: guave (sappige subtropische vrucht), zuurzak (idem), pompoen, kadushi (cactussoep), shimaruku (West-Indische kersen), empaná (vleesparteitje), warapa (tamarinde met water en bruine suiker), funchi (maïsmeel, water en zout), tutu (maïsmeel, bonen en spek), awakati (avocado) etc. Ook dieren als de chuchubi (een lijstersoort) en de warawara (een roofvogel) spelen een rol.
Als de dieren elkaar niet voortdurend streken zouden leveren zou je je in een Hof van Eden kunnen wanen. De slang, de tijger, de kat, de bok, de schildpad en de spin leven min of meer vreedzaam samen. Alles is mogelijk in dat ‘paradijs’. Nanzi gaat, als goed katholiek en behept met een CDA-achtige mentaliteit, op bezoek bij God en de duivel met wie hij op een ‘jij en jou’ basis omgaat. Nanzi gaat ook braaf met zijn vrouw en kinderen naar de katholieke vroegmis nadat hij even daarvoor een gemene rotstreek met iemand heeft uitgehaald.
Nanzi in de polder
De Arubaanse schrijfster Joan Leslie heeft Nanzi een nieuw jasje aangetrokken in een boek dat onlangs is verschenen bij Uitgeverij In de Knipscheer onder de titel Compa Nanzi’s Capriolen. De illustratie van Wendela de Vries op de omslag van het boekje is fraai, maar past meer op de omslag van een haute coutureblad dan op een boek over Nanzi.
In haar voorwoord schrijft Joan Leslie dat Nanzi in haar verhalen een mens is die niemand een kwaad hart toedraagt. Dit laatste wordt echter ruimschoots gelogenstraft in de verhalen zelf!

In Compa Nanzi’s Capriolen leeft Nanzi in onze moderne tijd. In Amsterdam nog wel. Het Sodom en Gomorra van de Nederlandse multiculturele samenleving! We worden meegenomen naar de wereld van de Blackberry, de GSM, bling-bling. Tante Es, piercings, tatoeages, koopavonden, Marco Borsato, de laptop, de Gouden Gids, Oprah Winfrey, de Voedselbank en Boer Zoekt Vrouw. We zitten midden in het multiculturele Nederland en er wordt ruim baan gemaakt voor spottende verwijzingen naar populistisch politieke partijen als ‘Trots op Nederland’. We komen ook een hybride ‘Rita Verburg’ tegen, een symbiose van de voormalige ministers Rita Verdonk met haar ‘valse lach’ en de truttig overkomende Gerda Verburg. Venijnige kritiek wordt geleverd op het huichelachtige begrip ‘Vrijheid van Meningsuiting’ dat wordt misbruikt om allochtonen te vernederen. Maar je kan in het boekje ook lachen om een verhitte discussie over de benaming ‘Negerzoenen’ (een prachtnaam voor een Hollandse met chocola omhulde lekkernij) die – zogenaamd –  als discriminerend wordt ervaren, maar door Rita Verburg met hand en tand wordt verdedigd. We discussiëren er vrolijk op los tussen de frikandellen, bitterballen, poffertjes, funchi, bakbananen, roti, oliebollen en tompoezen. Daartussendoor duiken ‘Geert’ en ‘Rita’ op van wie de eerste zich ‘ontheemd voelt in zijn eigen land’ en de tweede vindt dat ‘ze’ moeten ‘afblijven van onze (lees: Nederlandse) taal en cultuur’. En Nanzi doet een duit in het zakje door allerlei wraakzuchtige kunstjes te flikken zoals het stoppen van Tabasco-saus in de ‘Negerzoenen’, die daardoor net iets te pittig worden…Net goed voor Rita!

De personen in de verhalen luisteren naar halftropische schertsnamen als ‘Limousino Burrico (een chauffeur) en Shon Macho, Marokkaanse namen als Mevrouw Bouaza, onvervalste Nederlandse als Toos, Harrie, Jan-Peter (!) en Geert (!), maar we komen ook ouderwetse Curaçaose namen tegen als Cha Tiger (Heer Tijger), Shon Leon (Mijnheer de Leeuw), Compa Iguana (Kameraad Leguaan), Compa Tortuga (Kameraad Schildpad), Compa Chubato (Kameraad Bok), etc. Daarom is het soms moeilijk voor te stellen dat we met gewone mensen te doen hebben en niet met dieren.

Het boekje is, kortom, één grote satire  met oplichter Nanzi als leidende figuur.
Nanzi volgt een inburgeringscursus
Soms worden we in het boek ineens verplaatst naar Curaçao waar Minister ‘Rita Verburg’ zich over alles en nog wat uitlaat in minder vleiende bewoordingen. Zo heeft ze het over het Papiaments als ‘dat rare taaltje’. Rita noemt Nederland ook steevast het ‘moederland’ en belooft Nanzi een verblijfsvergunning in haar land als ie er blijk van geeft dat hij het Wilhelmus uit zijn hoofd kan zingen. Nanzi laat zich dat geen twee keer zeggen en grijpt zijn kans. Bij aankomst op Schiphol doet hij een sjerp om, zwaait met een oranje vlag en zingt uit volle borst het Wilhelmus. Rita geeft hem vervolgens een verblijfsvergunning. Ze is immers ‘recht door zee’.
Eenmaal in Nederland houdt Nanzi zich vaak braaf aan de wet en volgt een inburgeringscursus waar hij veel leert over drop eten, honden uitlaten, klompen (de nationale Nederlandse schoenen, nietwaar) en de Elfstedentocht. Uiterst nuttig allemaal.
Omgekeerd merkt hij dat Nederlanders weinig ingeburgerd zijn wat de Antilliaanse achtergronden betreft. Ze vieren Bevrijdingsdag maar weten niets of zeer weinig van Tula (de slaaf die in 1795 opstond tegen het koloniale gezag), Anton de Kom (een Surinamer die meedeed in het Nederlandse Verzet), Karpata (medestander van Tula), Boy Ecury (Arubaans-Nederlandse verzetstrijder in de Tweede Wereldoorlog) en George Maduro (Curaçaose verzetstrijder in de Tweede Wereldoorlog) naar wie ‘Madurodam’ is vernoemd.
De schrijfster heeft niet alleen een kritische blik voor de blanke Nederlander, maar richt zich soms ook verwijtend tot de donkere ‘rappers’ die ten onrechte het criminele leven verheerlijken.
Nanzi’s Capriolen zou uitstekend geschikt zijn om dienst te doen bij inburgeringslessen al was het maar omdat het boek een uitgebreid en ironisch perspectief biedt op de gewoonten in Nederland en de multiculturele problematiek. De auteur geeft er blijk van dat ze een uitstekende kijk heeft op het reilen en zeilen van onze volkse multiculti samenleving.
Vooral Antillianen zullen aan het lezen van dit boekje veel plezier beleven en het zou leuk zijn als ook Tante Es (Jurgen Raymann) het eens zou bespreken op een van zijn tropische TV-avonden.
Joan Leslie

Compa Nanzi’s Capriolen
ISBN 978-90-6265-692-9
Uitgeverij In de Knipscheer

Anansi Masters on Curaçao


by Jean Hellwig

Anansi Masters Curaçao: IT WAS A BIG SUCCES!!! Nineteen storytellers showed up, professionals and non-professionals, young and old, male and female. We started at 7.30pm with a minute of silence to commemorate the passing of three important Curaçao writers/artists: Irene van Grieken, Nydia Ecury and Erich Zielinski. Then Rendel Rosalia and his musicians opened with a beautiful welcoming song and a special Nanzi song. Kompa Nanzi himself showed up to greet the children who were present and even inspired three kids to tell their stories. Sixteen adults gave their versions of a Nanzi story, some with their own musical accompaniment. Ròi Colastica presented the evening with flair and humour for an audience of two hundred and fifty spectators. He interviewed Mirto Laclé, who has always been pushing to bring Anansi Masters to Curaçao and Aruba, and he asked me about my motivations to run the Anansi Masters project. The Brionplein Café treated the public with a specially designed snack: a deepfried funchi-stoba ball (Nanzi ball?). At 11.30pm the evening ended with another great performance of Rendel Rosalia and his crew. It was an unforgettable evening!!! Thanks to everyone who made this possible.

[van Facebook]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter