blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Afaka

‘Een land zonder investeringen in kunst en cultuur blijft arm’

door Audry Wajwakana

PARAMARIBO – “In de hele hebzucht naar goud en andere edelmetalen en hout vraagt niemand zich af hoe het gaat met de mensen die in de gebieden wonen, waar dit zich uit. Hebben ze geen recht op een bestaan?” Opnieuw brengt kunstenaar Marcel Pinas de bedreigde omgevingen en culturen van Surinaamse binnenlandbewoners internationaal onder de aandacht. Deze keer met de nieuwe kunstinstallatie ‘Mi libi waiti moo gowtu’ (‘Mijn leven is meer waard dan goud’) in de Kunsthal KAdE in Amersfoort, Nederland.

read on…

Lezing over Afaka door Marcel Pinas

Op donderdag 15 november organiseert Hotel Maria Kapel in Hoorn in de Bibliotheek Hoorn een lezing over het Afaka-schrift, verzorgd door kunstenaar Marcel Pinas. read on…

Marcel Pinas in Overvecht

De Surinaamse beeldend kunstenaar Marcel Pinas komt in de periode 28 augustus – 28 september 2012 wonen en werken in de Utrechtse wijk Overvecht. Zijn werk is te zien in de openbare ruimte in Overvecht en in Galerie Sanaa (Utrecht centrum). Daarnaast geeft hij workshops aan scholieren uit Overvecht.

Marcel Pinas

Pinas hanteert traditionele gebruiken van de Marrron-cultuur uit zijn geboortestreek en tekens afkomstig uit het Afaka-schrift als symbolen voor zijn beeldtaal. Door zijn kunst laat hij de toeschouwer kennis maken met de Marron (naar het Surinaamse oerwoud gevluchte slaven) en het slavernijverleden. Vorig jaar opende Pinas in Moengo zowel een museum voor moderne kunst als zijn Tempe Art Studio waar kinderen dagelijks kunnen tekenen, schilderen, dansen of muziek maken. Hij bouwde al in binnen- en buitenland grote moderne kunstinstallaties die alle de boodschap bevatten: Behoud de cultuur!

Kosmopolis Utrecht verwelkomt Pinas op zaterdag 8 september om 14.00 uur in de wijk Overvecht met een muzikaal programma met o.a. zangeres Denise Jannah en Surinaamse Close Harmony van Jaden in de arena van station Overvecht. Dat gebeurt aansluitend op het seizoenconcert van Sambacaxi (Braziliaanse klanken) en het Utrechts Gemeentekoor. Op woensdag 31 oktober wordt een finissage (feestelijk afsluiting) gehouden bij de kunstwerken.

Installatie en workshops

Op de Einsteindreef bij het grote winkelcentrum in Overvecht plaatst Pinas een installatie met tekens uit het Afaka-schrift. Op Overvechtse scholen legt hij tijdens workshops een verband tussen slavernij en huidige vormen van uitbuiting. Pinas gaat met de kinderen op zoek naar hun eigenwaarde en trots en wil ze nieuwsgierig maken naar hun eigen afkomst. Hij begint met deze workshops op 4 september op het Trajectumcollege. Eind september vindt er een presentatie plaats van de workshops van de scholieren.

Pinas start begin september in Galerie SANAA aan het Jansdam met het werken aan een nieuwe installatie van totems en flessen. Daar houdt de kunstenaar op zondag 2 september een artist talk en op zondag 9 september wordt in Galerie SANAA zijn solo-expositie geopend. Op 13 september houdt Pinas ‘s avonds een artist talk in Das Spectrum aan de Montalbaendreef 2 in Overvecht.

Kosmopolis Utrecht heeft Marcel Pinas als artist in residence uitgenodigd in het kader van de herdenking en viering van de 150e verjaardag van de afschaffing van de slavernij. Samenwerkingspartners bij dit project zijn: HIK ontwerpers, Pouwerschool, Trajectum college, De Schakel, De Brede School en Galerie SANAA. Met dank aan gemeente Utrecht.

Meer informatie:
# Website van Marcel Pinas
# Artikel in NRC (28 juni 2012)

Cursus Afáka

Voor beginners en oud-cursisten die hun kennis van het Afáka willen opfrissen

Op zaterdag 15 september 2012 organiseert het Marroninstituut Stichting Sabanapeti weer de cursus Afáka, het syllabeschrift van de Okanisi Marrons. Dit syllabeschrift is ontworpen door da Usa Atumisi Afáka (naar wie het schrift is vernoemd), een Okanisi van de Bilo regio aan de Tapanahoni in het binnenland van Suriname. Da Afáka, die zelf voorheen niet kon lezen en schrijven, maar wel de noodzaak voor zichzelf en zijn volk inzag om te kunnen lezen en schrijven, ontwierp dit schrift in het begin van de 20ste eeuw. Hiermee konden Okanisi Marrons, die overwegend analfabeet waren, in hun eigen taal lezen en schrijven. Met het Afáka-schrift zijn de Okanisi Marrons het enige Creools sprekende volk dat een eigen schrift bezit en Suriname is dus hiermee uniek.

Het Afákaschrift bestaat oorspronkelijk uit 56 tekens plus 2 extra tekens, één korte verticale streep voor de punt, de komma enzovoort, en één kronkelende lijn om het einde van een pagina te markeren.

Op cursusdag 1 maakt u kennis met de tekens van het Afákaschrift en u leert basiszinnen schrijven en lezen in het Afáka. U krijgt een cursusboek en lees- en schrijfoefeningen mee naar huis. Op cursusdag 2 wordt de basiskennis van het Afáka nogmaals met u doorgenomen. Vervolgens gaat u aan de slag met nieuwe opdrachten. Cursusdag 2 wordt afgesloten met een toets gevolgd door de uitreiking van het bij deze cursus behorende certificaat aan iedereen die met goed gevolg de toets heeft gemaakt.

De cursus wordt verzorgd door André R.M. Pakosie, sinds 1993 de edebukuman, het hoofd van de groep van Afákakenners. Als edebukuman ontwikkelt hij het schrift verder en onderwijst anderen hierin.

Inschrijving
U kunt zich vanaf nu t/m 15 augustus 2012 inschrijven. Stuur uw naam, adres en telefoonnummer per e-mail naar fytotheek.pakosie@planet.nl of naar siboga@maroons-suriname.com en maak vóór 15 augustus 2012 de cursusbijdrage ad € 60,- over op ING Bank nummer 6217534 t.n.v. stichting Sabanapeti o.v.v.: Cursus Afáka. De cursusbijdrage is voor de cursus inclusief cursusboek en oefenmateriaal. U bent pas ingeschreven als uw cursusbijdrage bijgeschreven is op de rekening van stichting Sabanapeti. Toelating tot de cursus vindt plaats in volgorde van inschrijving. Bij onvoldoende aanmelding gaat de cursus niet door en storten wij de door u overgemaakte cursusbijdrage terug op uw rekening. Voorwaarde om deel te kunnen nemen: Tenminste één van de Afro-Surinaamse talen (Okanisi tongo, Saamaka tongo, Sranan tongo, enzovoort) beheersen of daarmee voldoende bekend zijn.
Datum: zaterdag 15 september 2012 Tijd: van 10.30 uur tot 17.00 uur
Plaats: Utrecht
De 2e cursusdag wordt gezamenlijk gepland op cursusdag 1 Lunch: Op beide cursusdagen dient u zelf te zorgen voor uw lunch. Na inschrijving wordt u het adres waar de cursus in Utrecht wordt gehouden en een route-beschrijving toegestuurd.

Portret van Bertus. Foto @ Nicolaas Porter

Marcel Pinas lanceert sieradenlijn: Boipili

door Ada Korbee

Marcel Pinas kennen we allemaal van zijn kleurrijke marron geïnspireerde schilderijen en zijn ruimtelijke werkstukken waarin hij traditionele elementen op een hedendaagse wijze tot kunst verheft. En dat Marcel Pinas veel meer is dan alleen een kunstenaar, dat weet ondertussen ook een ieder die maar enigszins bekend is met zijn werk in het district Marowijne. Toch krijgt het publiek ook nu weer een nieuwe zijde te zien van deze verrassende kunstenaar! Marcel Pinas lanceerde namelijk op zaterdag 28 januari zijn eigen sieradenlijn: Boipili.

Een zwart gemaakt model toont Pinas’ sieraden. Foto: Claudio Barker

Boipili is een heel bijzondere lijn van sierlijke zilveren sieraden die geïnspireerd zijn door de Ndyuka-cultuur. Tekens uit het Afaka-schrift dat aan het begin van de 20ste eeuw gebruikt werd als geheim communicatiemiddel onder de marrons aan de Boven-Tapanahony-rivier, alsook de kronkelende houtsnijwerkmotieven die onder marronvaklieden van generatie tot generatie zijn overgedragen, vormen de rode draad in de Boipili-sieradenlijn. Het idee om sieraden te vervaardigen ontstond jaren geleden, vanaf het moment dat Pinas begon te werken met de houtsnijwerkmotieven en het Afaka-schrift. De prachtige tekens en symbolen afkomstig uit de cultuur van zijn voorouders, werkten sterk in op de verbeelding en de creatieve drang van de kunstenaar.

Eerste set
In de jaren daarna, toen Pinas tijdens zijn reizen terecht kwam op de markten in Mali en in het zilverdistrict van Indonesië en zag wat daar door vaklieden allemaal gemaakt werd, raakte hij nog verder geïnspireerd. Een vakman in Mali vervaardigde voor Pinas zijn allereerste set zilveren sieraden en in Indonesië had Marcel gemakkelijk zijn ontwerpen verder kunnen laten uitvoeren.

Maar dat zou geheel indruisen tegen datgene waar Marcel Pinas zich met zijn werk juist sterk voor maakt. Educatie, werkgelegenheid, cultuurbewustzijn en ontwikkeling van traditionele gemeenschappen in het binnenland van Suriname: dat zijn de dingen waar Marcel Pinas naar streeft. De eerste stap naar de verwezenlijking van de Boipili-sieradenlijn was gezet, maar het project moest verder wel in Suriname vorm gaan krijgen.

Bondgenoot
De Boipili-sieraden, door Pinas ontworpen, worden momenteel vervaardigd in de juwelierszaak van Sunil Oemrawsingh. In deze juwelier vond Pinas, na lang zoeken, eindelijk de juiste bondgenoot. Want niet alleen voor het uitvoeren van de productie, maar ook voor het implementeren van het groter plan, kan Marcel rekenen op de steun van Oemrawsingh. Want net als alle andere kunstprojecten van Pinas zal de Boipili-sieradenlijn bijdragen aan zowel de maatschappelijke als de financiële ontwikkeling van het binnenland.

Geïnteresseerden uit de lokale gemeenschap van Moengo zullen door deze juwelier uit Paramaribo opgeleid worden in het vak. Ook mensen uit Brokopondo en Sipaliwini zullen hierna bij het project betrokken worden. In de toekomst wordt de Boipili-lijn van sieraden dan mede ontworpen, ontwikkeld en vervaardigd door goed opgeleide vaklieden van traditionele gemeenschappen in het binnenland van Suriname. Boipili is nu reeds, maar wordt dan nog meer de merknaam van prachtige, unieke sieraden geïnspireerd door de culturele rijkdom van Suriname. Een exclusieve collectie sieraden – waardevol op meer dan één vlak – die spreekt tot een breed publiek van zelfverzekerde mensen van waar dan ook, die bewust kiezen voor de fijne dingen van het leven.

De launch van Boipili, de exclusieve sieradenlijn van Marcel Pinas, heeft op zaterdag 28 januari plaatsgevonden in de Readytex Art Gallery. De sieraden expositie is voor het publiek te bezichtigen van maandag 30 januari tot en met 11 februari.

Foto’s: Dave Edhard

Marcel Pinas krijgt en neemt de ruimte

Bij de opening van de schilderijententoonstelling van Marcel Pinas in De Hal, 29 juni 2011

 

door Rob Perrée

 

Tussen de installaties, de wandsculpturen en de videowerken – de overzichtstentoonstelling die Marcel Pinas onlangs presenteerde in de KKF – hangen twee enorme schilderijen. Zes bij anderhalve meter. Ze lijken een kleurige en levendige aankondiging van de schilderijententoonstelling die daarna, als tweede in de reeks, in De Hal is gehouden. Ze zijn meer dan dat. Het zijn bewijzen dat hij er ook op het platte vlak in slaagt om ruimte te creëren, om culturele elementen en symbolen in de ruimte te laten bewegen.

Marcel Pinas, Kibii Wi Koni (fragment), installatie, 2011. Foto: @ Arthur van der Meer, 2011

Marcel Pinas (1971) is aan het einde van de jaren negentig al een succesrijk kunstenaar die voor zijn tekeningen en aquarellen moeiteloos een groot publiek kan vinden, als hij besluit het roer volledig om te gooien. Door de binnenlandse oorlog van de jaren tachtig is de cultuur van zijn geboortegrond, het district Marowijne, goeddeels vernietigd. Hij ziet het als zijn taak om in zijn werk die cultuur een nieuw leven te geven. Hij neemt het Afaka-schrift, dat aan het begin van de twintigste eeuw in zijn streek ontstaat, als een soort leidmotief voor deze renaissance. Als hedendaags kunstenaar beseft hij dat het weinig zin heeft het verlorene domweg terug te halen. Dat werkt niet. Hij zoekt naar middelen en mogelijkheden om heden en verleden, lokaal en nationaal, nationaal en internationaal met elkaar te verbinden. In de grote tentoonstelling in de enorme ruimte van de KKF geeft hij een verbluffend en soms overdonderend bewijs van hoe je dat kunt doen.

Marcel Pinas, Sanfika (fragment), installatie, 2009 & Bindi, mixed media op board, 2008. Foto: @ Arthur van der Meer, 2011

Bij een aantal installaties en werken die het midden houden tussen een installatie en een wandsculptuur geeft hij zijn herinneringen haast letterlijk vorm. In Oso Fesi bijvoorbeeld plaatst hij traditionele, rijk gedecoreerde voorgevels van marronwoningen tegen de wand. Hij gebruikt een aantal (huishoudelijke) objecten als uitingen of symbolen van het leven voor en achter die gevel. Kukuu toont het keukengerei van de marronvrouw. Keurig geïnstalleerd in een open houten kast, als direct symbool van trots en gastvrijheid. Door deze karakteristieke objecten in een museale context te plaatsen, een context dus waarin ze eigenlijk niet thuishoren, vestigt hij er niet alleen extra de aandacht op, hij roept er ook allerlei vragen mee op. Verwondering, verbazing en verwarring vechten om voorrang. In andere installaties geeft hij één enkel symbool alle ruimte. Sanfika is daarvan een eenvoudig maar indrukwekkend voorbeeld. Vele duizenden lepels hangen neer en bewegen bij ieder zuchtje wind. Het geluid dat ze maken intrigeert en maakt vrolijk. In iedere lepel is een Afaka-teken gekerfd. Hoe speels en tegelijk serieus kun je communicatie verbeelden? Met name door moedwillige dan wel slordige watervervuiling gaat de vernietiging van de marroncultuur – en soms letterlijk van de marron – nog steeds door. Omdat deze problematiek internationaal is, kiest Pinas daarvoor uitingsvormen die internationaal aanspreken. Het treffendst in de installatie A Libi. Tegen een achtergrond van karakteristieke, houten marrondecoraties vult hij de vloer achteloos, quasi onverschillig, met schedels en wekkers. Mocht de boodschap desondanks verloren gaan, dan zorgt het nadrukkelijk tikken en aflopen van de wekkers ervoor dat de kijker bij de les blijft en dat de urgentie van de problematiek hem niet ontgaat.

Marcel Pinas, A Libi, installatie, 2011. Foto: @ Arthur van der Meer, 2011

Mooie herinneringen, bedreigde cultuur en beladen historie vinden elkaar in Kibii wi koni. Een ogenschijnlijk zwarte achterwand blijkt bij nader inzien samengesteld uit honderden neerhangende, licht bewegende menselijke figuren. Witte lettertekens schemeren door vanaf een soort schoolbord. Slaven geslachtofferd, maar tegen de achtergrond van een stabiele, wijze cultuur. Daarvoor honderden in kleurige pangi-stoffen verpakte flessen. Traditionele wijsheden in een beschermende omhulling, maar ook symbolen van optimisme. Ondanks de bedreigingen moet de cultuur voortleven, leeft de cultuur voort. In een aantal werken krijgen de opvattingen van Marcel Duchamp en Andy Warhol een nieuw leven. Pe We Go is in feite door kinderen uit Moengo gemaakt. Zij kregen nieuwe schoenen als ze hun oude en ongezonde exemplaren inleverden. De kunstenaar heeft ze alleen op een hoop gegooid, de actie geregistreerd en een paar schoenen uitnodigend op de voorgrond geplaatst. Hij claimt het auteurschap niet.

Marcel Pinas, Kukuu, installatie, 2005. Foto’s: @ Cassandra Gummels-Relyveld, 2011

Het is opvallend hoe Marcel Pinas er in slaagt om zijn ‘verhaal’ over te brengen. Daar komt niet alleen door de pakkende symbolen, dat komt vooral door de manier waarop hij de ruimte inzet. Het is haast onmogelijk om alleen naar zijn werk te kijken, hij zorgt ervoor dat je het ervaart, dat je het als het ware om je heen voelt, dat je er haast niet onderuit kunt. Dat lijkt een stuk moeilijker bij schilderijen. Toch bewijst de tentoonstelling daarvan in De Hal in Paramaribo dat hij ook bij die werken bewust op zoek is naar ruimte.

Marcel Pinas, Reconnecting, installatie, 2007. Foto: @ Christopher Cozier, 2011
Deze tentoonstelling is minder zwaar, omdat Pinas voor zijn schilderijen vaker lijkt te putten uit vrolijke of vrolijk makende herinneringen. Het schopsteentje-kruis staat voor de spelletjes die hij speelde, de gedecoreerde punten van een kano voor de avontuurlijke tochten die hij maakte, het kinderlijk getekende kindfiguurtje voor de algehele onbezorgdheid die zijn jeugd moet hebben gekenmerkt. Die onbezorgdheid wordt versterkt door de felle, contrasterende kleuren van zijn doeken. Anderzijds zijn ook deze werken een impliciete poging om een bedreigde cultuur levend te houden. Het Afaka-schrift keert in allerlei varianten en in allerlei kleuren terug, als tekens en soms als woorden, traditionele decoraties vullen het speelveld van het schopsteentje-spel, de totems vormen een onmisbaar beeldelement in vele composities, pangi-stoffen dienen in diverse werken als verfdoek.

Marcel Pinas, Untitled, mixed media op canvas, 2011. Foto: @ Readytex Art Gallery/William Tsang, 2011

Door een strakke manier van schilderen te combineren met een expressionistische, door opzettelijk verfdruppels te knoeien, door beeldelementen op een monochrome ondergrond te plaatsen en door ze eerder over dan naast elkaar te schilderen, collageachtig, ontsnapt hij aan het gevaar van de geschilderde anekdote en schept hij diepte, ruimte. Veel van zijn schilderijen lijken op een toneel waarop symbolen als gesticulerende acteurs fungeren. Door zijn enorme productie – in De Hal is maar een fractie te zien – loopt hij wel het gevaar in herhaling te vallen. Met name zijn kleinere doeken dreigen daardoor ‘plaatjes’ te worden die met moeite de decoratie overstijgen.

Marcel Pinas, Untitled, mixed media op canvas, 2011. Foto: @ Readytex Art Gallery/William Tsang, 2011

Beide tentoonstellingen mogen een overtuigend bewijs zijn van het authentieke kunstenaarschap van Marcel Pinas, zijn grootste installatie is zijn Moengo-project. Daar zet hij zijn engagement om in de praktijk. Daar verschaft hij Marron jongeren de faciliteiten om hun creatieve kwaliteiten te uiten en te ontwikkelen. Daar geeft hij ze trots en zelfvertrouwen door hun talenten zichtbaar te maken. Daar bewijst hij dat zijn kunstenaarschap nauwelijks grenzen kent. Het is vooral ook daar dat hij laat zien dat hij echt uniek is en zich heeft ontwikkeld tot de belangrijkste kunstenaar van Suriname. Paramaribo/Amsterdam, juni 2011 Rob Perrée is kunsthistoricus, freelance schrijver en tentoonstellingsmaker, redacteur van ‘Kunstbeeld’. Perrée werkte ook mee aan het boek Marcel Pinas. Artist, more than an artist. Hij woont en werkt afwisselend in Amsterdam en Brooklyn. In het kader van Kibii Wi Koni Marcel Pinas the event was Rob Perrée onder meer in Suriname om een korte workshop ‘Kritisch schrijven over beeldende kunst’ te verzorgen.

Marcel Pinas, Kiibi wi Koni en de nostalgie

door Carry-Ann Tjong-Ayong

Ik zit in de grote hal van de Kamer van Koophandel in mijn rolstoel onder 10.000 lepels, die zijn opgehangen aan dunne nylon draadjes. Dat is weer het voordeel van de lage zit. Ieder ander moet om het kunstwerk heen lopen, ik rol er onder door.

Even flitst het door me heen: “Stel je voor dat die draadjes loslaten en het opeens lepels over me heen regent…” Het is geen angstgevoel, eerder een heerlijke sensatie van spanning, als bij een avonturenfilm, waar in ik de hoofdrol zou willen spelen, Indiana Tjong en de Ten Thousand Spoons.

Ik ben dol op dat soort films en leerde onze kinderen al vroeg er van te genieten in de tijd van de videotheek, toen we in het weekend bij 4 uitgezochte banden en grote zakken snoep en chips de halve dag in pyjama op de grond zaten te smullen van 1 spannende (Indiana Jones), 1 griezelige (Stephen King), 1 humoristische(Charley Chaplin of Cool Runnings) en 1 serieuze of leerzame film (Microcosmos). Wat collega’s ook zeggen over de nadelen van films en TV voor jonge kinderen, wij kregen er niet genoeg van en zaten te genieten. Zij zijn nu volwassen en hebben het er nog over.

Terug bij Marcel Pinas, waar ik de katapult van mijn broers in duizendvoud opgehangen zie. Ik leende die altijd, tot ik er zelf een had gemaakt van een stevige kraka, een gevorkte tak en een stuk fietsbinnenband. We schoten in de tuin op van alles en nog wat en raakten soms ongewild iets kwetsbaars. Niet vogeltjes, zoals de jongens in de Andes, die met ons de berg op liepen naar hun piepklein dorpje, waar ook Isabel is geboren.

De tientallen opgehangen matapi, de kunstig gevlochten rollen, die je met een stok ronddraait om de bittere cassave te ontdoen van blauwzuur. Ik heb er altijd al 1 willen hebben, dol als ik ben op de Inheemse en Marron gebruiksvoorwerpen. Pinas heeft ze overal uitgestald in veelvoud. De kokolampu, waar ik zelf drie van heb in mijn vensterbank. De emaillen borden, al dan niet met bloemetjes versierd. De besneden kalebassen, de houten wasborden, mijn favorieten.

Deze expositie roept zoveel nostalgie op, zoveel herkenning, ontroert door de schoonheid van het gewone, het alledaagse, dat door de vermenigvuldiging ervan de nadruk op de details legt. ik kan er niet genoeg van krijgen.

Ik sta stil bij het schoolklasje met de houten banken, met open vakken voor de boeken, het ronde gaatje in het midden, voor de porseleinen inktpot. Ik voel nog de kroontjespen, die je er in doopte, afveegde aan je inktlap, gemaakt van vierkantjes stof, op elkaar genaaid met een knoop. Op de laatste schooldag moesten wij een glasscherf meenemen om de inktvlekken van de bankjes te krabben. Jaren vijftig….


Pinas heeft Afaka tekens op de bankjes geschilderd, het syllabische schrift van de Ndyuka, de Marrons van de Marowijne. De openingshandeling werd verricht door zijn drie zoontjes, die iets in Afaka schreven. Het intrigeert mij altijd, als ik een taal tegenkom, die ik niet beheers. Ik wil het dan ook beheersen.

Het begin van de eerste brief in het Afaka luidt:

ke mi gadu | mi masa | mi bigi na ini a ulotu |
fu a papila di yu be gi afaka |

Mijn God, mijn Heer, ik begin met de worden op het papier dat Jij Afaka gaf.

En zo kun je door de twee enorme hallen rijden en de kunst van onze voorouders tot je laten doordringen. De expositie van Pinas is creatief, educatief, nostalgisch, briljant. Als mijn kids met vakantie komen is die naar Moengo verhuisd, maar we gaan er absoluut heen. Ook dit wil ik op hen overbrengen.

cat 24/6

Foto’s van de auteur

Taal, talen, taalordening


Het Directoraat Cultuur van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (Minov) hield jongstleden zaterdag een conferentie over de invoering van een taalwet. Er is gesproken over ‘ordening van onze meertaligheid’. Dit was het sluitstuk van een aantal afzonderlijke consultaties die de adviesgroep ‘Taalraad en taalwet’ de afgelopen maanden heeft gehouden met personen en instanties die zich bezighouden met taal, dit ter afronding van een concept taalwet die binnenkort wordt aangeboden aan minister Raymond Sapoen (Minov). Daarnaast komt er een conceptwet voor de Taalraad, welke twee documenten samen moeten bijdragen aan de ordening van het taalbeleid binnen Suriname.

Oud probleem
Zoals Gobardhan-Rambocus vaststelde is Suriname vanaf 1667 Nederlandstalig. Sindsdien zijn er een aantal momenten geweest die gerede aanleiding vormden om de voertaal in Suriname ter discussie te stellen, maar steeds kwam het Nederlands weer bovendrijven. In zijn recent op Caraïbisch Uitzicht gepubliceerde artikelenreeks over de Surinaamse Taalproblematiek heeft mr. dr. W.R.W. Donner geconcludeerd dat de Nederlandse taal bepaald geen zegening is (geweest) voor Suriname. Zonder aan zijn visie afbreuk te willen doen, moet echter worden gesteld dat het een aanname is, een speculatie die op geen enkele wijze meetbaar is.

Steeds opnieuw wordt betoogd, en niet ten onrechte, dat Suriname zich zowel in Zuid-Amerka als in het Caraïbisch gebied op taalgebied in een isolement bevindt en dat het daarom aanbeveling zou verdienen het Engels (of wellicht het Spaans) tot voertaal te maken. De laatste keer dat dit onderwerp in het parlement aan de orde is geweest, was toen Suriname een aantal jaren geleden geassocieerd lid werd van de Nederlandse Taalunie. Die discussie blonk bepaald niet uit door historische kennis, noch ook door kennis van de materie, en heeft derhalve nauwelijks gevolg gehad, zij het dat de toen ook weer gehoorde roep om een Surinaamse Taalautoriteit waarschijnlijk mede de aanzet is geweest tot bovengenoemde adviesgroep ‘Taalraad en taalwet’

Tussen droom en daad
Het is natuurlijk niet voor niks dat men in de loop der jaren steeds opnieuw weer is teruggevallen op het Nederlands, want het is bepaald geen sinecure om verandering te brengen in een eeuwenlang gegroeide situatie. Niet zomaar heeft Gobardhan-Rambocus op bovengenoemde taalconferentie gezegd “dat het Nederlands – zeker in de komende honderd jaar – zijn belangrijke positie (zal) behouden.” Want zoals Willem Elsschot al zei: “… tussen droom en daad staan wetten in de weg en practische bezwaren, …”

In Suriname worden zo’n twintig talen gesproken, in volgorde van belangrijkheid naar aantallen sprekers: Nederlands, Sranantongo, Engels, Sarnami, Javaans, verschillende Marrontalen (o.a. Saramaccaans en Aukaans), en Chinees (o.a. Hakka, Mandarijn en Kantonees). Uit onderzoek is gebleken dat Surinamers geen moeite hebben met het Nederlands, 70,7% van de jeugd en 57% van de volwassenen hebben daar geen enkel probleem mee. Uit datzelfde onderzoek is eveneens gebleken dat men het Engels als tweede taal geen slecht idee vindt.

(monument ‘Afaka’ van Marcel Pinas ter nagedachtenis van de Marron Atumisi, die aan het begin van de 20e eeuw het alfabet van het Afaka ontwierp, bestaande uit 56 tekens die nog steeds gebruikt worden)
Volgens de uitkomsten van de in 2004 gehouden algemene volks- en woningtelling, is het Nederlands de meest gesproken thuistaal in Suriname. In ruim 70% van de huishoudens wordt Nederlands als eerste of tweede taal gesproken. Het Sranantongo wordt in 46% van de huishoudens gesproken, hoofdzakelijk als tweede taal, het Sarnami in ruim 22% en het Javaans in 11% van de huishoudens. Opmerkelijk is de tweetaligheid: in bijna 80% van de Surinaamse huishoudens wordt een tweede taal gesproken.

Waarheen?
Zoals uit het eerder hier gepubliceerd verslag bleek, bestaat er een diversiteit aan visies op deze taalproblematiek, hetgeen tegen de gegeven achtergrond uiteraard niet verwonderlijk is. Maar dat één lid van de adviesgroep ‘Taalraad en taalwet’ -in navolging van bijvoorbeeld India, Zuid-Afrika en de Antillen als landen met méér dan één officiële taal- voor Suriname zou willen voorzien in drie officiële talen, Sarnami, Sranan en Javaans, is gewoon belachelijk, kijk maar naar de uit de census blijkende cijfers. Dit is weer een duidelijk blijk van de hier naar aanleiding van de ‘vrijheids/ apartheids-vieringen’ eerder door mij gesignaleerde Hindostaanse geldingsdrang.

Taal en grondwet
Zeer belangrijk is de verwijzing van de voorzitter van de adviesgroep, Hein Eersel , naar de grondwet, waar in artikel 8.2. staat: “Niemand mag op grond van zijn geboorte, geslacht, ras, taal, godsdienst, afkomst, educatie, politieke overtuiging, economische positie of sociale omstandigheden of enige andere status gediscrimineerd worden.” “Alle mensen hebben het recht”, zei Eersel, “om hun taal in het openbaar te gebruiken. Dit betekent ook dat de toegang tot overheidsdiensten en contacten met de overheid, van welke aard ook, niet belemmerd mag worden door de taalkeuze van de burger. Het Surinaamse volk mag niet op grond van taal gehinderd worden in zijn democratisch recht op vrije meningsuiting en op op invloed op de regering. Echte beleving van de democratie kan niet bereikt worden, als men beperkt, belemmerd of gehinderd wordt in de taalkeuze uit de nationale talen van Suriname.”

Als practisch voorbeeld wil ik hierbij aanhalen wat eerder- genoemde Donner recent in de Surinaamse pers heeft opgeworpen, namelijk “dat iedere Surinaamse burger wordt geacht de wet te kennen”. Hoe kan iemand de wet kennen als die wet niet in zijn taal beschikbaar is, of wanneer hij de talen niet machtig is waarin het wetboek voorhanden is? De minister en het parlement zij veel wijsheid toegewenst.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter