blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: revolte 30 mei 1969

Schrijfmiddag Wikimedia: Trinta di mèi

Dit jaar is het 50 jaar geleden dat er op Curaçao een revolte uitbrak: ‘Trinta di mèi’. Waar was u op 30 mei 1969? Wat herinnert u zich van deze dag? Voor velen is dit een dag om nooit meer te vergeten. read on…

Venezuela wilde in 1969 ingrijpen

door Ton de Jong

Willemstad – Venezuela was op 30 mei 1969 bereid en paraat om militair in te grijpen op Curaçao. Voor de kust van Curaçao lagen vier marineschepen klaar om samen met de Amerikanen in actie te komen. read on…

De revolte van mei ’69 en het geraffineerd beveiligd eigenbelang van Nederland

door Aart G. Broek

Op 30 mei 1969 vonden er ernstige onlusten plaats op Curaçao. Hierbij kwamen twee mensen om het leven en ging het centrum van Willemstad grotendeels in vlammen op. Enkele maanden later werd een commissie onder voorzitterschap van R. A. Römer ingesteld, die als taak meekreeg ‘een diepgaand onderzoek’ te verrichten naar de gewelddadige ongeregeldheden. read on…

Overzee was ver weg

Marlies Brenters beschrijft in haar begin mei verschenen debuutroman Overzee hoe het was om in de tijd voor 1969 op te groeien in een typisch Shell-gezin in Julianadorp, Curaçao. Ze gebruikt haar jeugdherinneringen als achtergrond voor een spannende intrige, waarin de bevoorrechte positie van de expats een volkomen vanzelfsprekendheid is. read on…

“Alle herinneringen wil ik bezingen’’

Frans Kapteijns bladert aan zijn tafel in het Brabantse Vlijmen in een grote grijze ordner, met daarin de eerste versies van het manuscript van zijn zojuist verschenen boekje Koning Carlos en de aardmannetjes. In het manuscript staan talloze aantekeningen, in het groen geschreven. Daarbovenop in de ordner prijken wat nieuwe gedichten die het licht nog moeten gaan zien. Terwijl hij door de papieren bladert, zie je dat het niet zomaar blaadjes voor hem zijn, het zijn Frans’ gedachten, zijn herinneringen, zijn leven. read on…

Leven en werk van Guillermo Rosario (3)

Libèrta Rosario.
Foto © Michiel van Kempen

Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 3 van haar uitgewerkte collegetekst.


 

Nr. 12  Guillermo heeft veel geschreven over de opstand van 30 mei 1969. Hij heeft zelfs een nummer van zijn tijdschrift Opinyon daaraan gewijd.
In de jaren zestig was het slecht gesteld met de economie op Curaςao. De prijzen stegen, maar de lonen niet. Hierdoor nam de koopkracht van de bevolking af. Het zware en vuile werk werd voornamelijk door de zwarte bevolking gedaan, vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Veel blanken woonden in afgesloten luxe woonoorden, waar de zwarte bevolking amper mocht komen. Het Papiaments was verboden in de Statenraad. Er waren amper zwarten in de politiek.
Een langdurig arbeidersconflict tussen de directie van Wescar, die verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van de CAO’s, en de Curaςaose Federatie van Werknemers, escaleerde en leidde tot een staking van veel Shell-arbeiders. In de nacht van 29 mei op 30 mei kwamen ongeveer 4000 arbeiders  samen onder leiding van onder andere Wilson ‘Papa’ Godett, Amador Nita en Stanley Brown. Om druk op de Staten uit te oefenen, vertrok de stoet richting Fort Amsterdam. Onderweg begonnen de arbeiders te plunderen en sloten meer mensen zich bij hen aan. Vanaf dat moment was de staking geen arbeidersconflict meer, maar een volksopstand die de politie niet meer in staat was in goede banen te leiden. Toen Wilson ‘Papa’ Godett, leider van de havenarbeiders,  zwaar gewond raakte en twee betogers door politiekogels werden gedood, sloeg de vlam in de pan. Willemstad stond in brand. Er werden op verzoek van het kabinet van gouverneur Nicolaas ‘Cola’ Debrot Nederlandse mariniers ingezet die alles na 24 uur onder controle kregen. Er vielen tientallen gewonden.
Naar aanleiding van de opstand richtten Wilson ‘Papa’ Godett, Amador Nita en Stanley Brown de politieke partij Frente Obrero Liberashon 30 di Mei op. Guillermo is ook lid geweest van die partij. Volgens hem is die opstand erg belangrijk geweest: er vond een mentaliteitsverandering plaats. Vóór 30 mei 1969 waren de beste banen in handen van de blanken, bijna alle hoofden van dienst waren blank en protestant. Daarna zag je overal gekleurde mensen. De wijken, waar vroeger alleen blanken woonden, werden steeds meer bewoond door gekleurde Curaçaoënaars.
Dat was anders in de tijd dat Guillermo samen met anderen in 1944 de Democratische Partij (DP) had opgericht. De leiding was toen blank. In die periode begon Guillermo serieus te schrijven, voornamelijk in het Papiaments. Eerst voor het partijblad en later ook romans en gedichten. Hij was bezig met zijn roman Pa motibu di mi koló(Door mijn huidskleur) toen hij daarover ruzie kreeg met de DP. Later veranderde hij de titel in E Angel pretu (De zwarte engel).
In de jaren 60 stapte Guillermo uit de DP, die nog erg machtig was. Na de breuk met de DP begon Guillermo met UnPoko. Het was eerst een politiek orgaan en werd daarna een krant. Niemand wilde het drukken. Men was bang voor represailles van de DP. Als je tegen de DP was kon je van alles verwachten, van gevangenisstraf tot werkeloosheid. Guillermo kocht toen een stencilmachine en gaf de krant als stencil uit. Hij onderhield zijn gezin ermee en dertig andere gezinnen leefden van het krantje. Ik kan me herinneren dat wij, de oudste kinderen thuis, elke week moesten helpen met het stencilen, sorteren, nieten en vouwen van de krant. Elke maandag kwam de krant uit in een oplage van 5000 exemplaren. Guillermo verspreidde de krant zelf over het eiland.
Later stopte Guillermo met UnPoko om bij de overheid te gaan werken. Dezelfde overheid die hem jaren had tegengewerkt en twee keer onterecht in de gevangenis had laten belanden. Volgens Guillermo had men hem die baan bij de overheid niet aangeboden om hem tot zwijgen te brengen. Hij heeft 16 jaar in het casino gewerkt, eerst als controleur en daarna als hoofcontroleur van alle casino’s.
Nr13 Respect was een woord dat erg belangrijk was voor Guillermo. Hij was altijd bereid dat te geven, maar wilde dat ook van een ander krijgen. Hij dwong met zijn verschijning veel respect af. Ook wist hij jongeren uit de buurt enthousiast te maken voor zijn projecten. Hij was een soort buurtvader en werd door veel jongeren ook ‘tata’ genoemd. Hij gaf een keer samen met een buurjongen uitleg van zijn spel ‘Ninichibol’ (Knikkerspel) aan de toenmalige gouverneur Ben Leito.
Nr 14 Guillermo was lid van veel commissies en verenigingen zoals van de Commissie Spelling van het Papiaments, mede-schrijver en voorzitter Commissie Vlag van Curaçao, voorzitter Vereniging van Curaçaose Schrijvers, lid van de Stuurgroep ‘Nieuw Beleid’ Eilandgebied Curaçao, vice-voorzitter Comité Herdenking 30 mei 1969.
Nr 15 In 1943 schreef Guillermo zijn eerste roman Un drama den hanchi Punda (Een drama in een steeg in Punda). Hij kwam in conflict met de kerk omdat de twee hoofdpersonen in het boek, een broer en een zus, verliefd waren op elkaar. In 1963 schreef hij E Rosa di mas bunita (De mooiste roos) ter ere van de afschaffing van 100 jaar slavernij (vertaald in het Engels als The most precious rose). Hij droeg het gedicht op aan Tula. Andere titels van zijn boeken zijn : De arbeider uit Klip, Vier Azen, En God heeft jouw kleur, Mijn negerin Papiaments, Liefde en Opoffering(vertaald in het Engels als Sacrifice and Love), Macho, Avonturen van Geinchi, Ik houd van Curaçao.
 
Guillermo schreef ook toneelstukken: Waarde van een cent, Dit is mijn moeder, Wat een ‘Yaya’(Voedster), De straatveger.  De onlangs overleden ontwerper Oscar Ravelo heeft de meeste omslagtekeningen gemaakt van de boeken van Guillermo.

[Klik hier voor deel 1 en deel 2 en deel 4]

De roman als wapen

Op de website van literair tijdschrift Terras: De roman als wapen. Over politiek in Frank Martinus Arions Dubbelspel. De tekst werd oorspronkelijk geschreven als lezing in het kader van een programma in het Amsterdamse Perdu over de landelijke actie Nederland Leest van het CPNB en nu gepubliceerd in het licht van het boekenweekthema ‘Gouden tijden, zwarte bladzijden’:

Dubbelspel is een boze roman. Een woedende roman zelfs, allereerst gericht tegen Nederland, althans: tegen de koloniale politiek van Nederland, althans: het is een roman die de historische rol van Nederland op de Antillen en de wijze waarop die nog doorwerkt in het alledaagse leven van de lagere klassen stevig aan de kaak stelt. Geschreven in de nadagen van de bloedige arbeidersopstand op 30 mei 1969 wil Dubbelspel een wapen zijn, gaf Arion aan toen hij de Lucy de B. en C. W. van der Hoogtprijs in ontvangst nam. En dat was het ook, stelde hij vast, gezien het feit dat hij daar op het podium stond.

Meer over dat wapen, en wat stichting CPNB daar van maakte, bij Terras.

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (10)

door Willem van Lit

In dit deel een beschrijving van de ontwikkeling op het gebied van civilisatie en menselijke betrekkingen op de Frans Caribische eilanden en enige parallellen met Curaçao.
Voor het vervolg van dit verhaal baseer ik me op een essay van Richard Burton, een Britse wetenschapper. Het opstel is in 1993 in de West-Indische Gids opgenomen [1].
 
Op de Frans-Caribische eilanden heeft een deel van de bevolking zich steeds verzet tegen de voortgaande verfransing van hun leefwijze, economie, taal en cultuur. Al ruim voor de tweede wereldoorlog kwam er verzet tegen de assimilatie op gang. In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam de Négritude-beweging op, die vooral was bedoeld uitdrukking te geven aan hun verschil (van leefwijze e.d.) met wat zij – de vertegenwoordigers van deze beweging –  noemden ‘het universele leven’. Men wilde niet opgeslokt worden door de dominante Franse manier van leven en de culturele expansie vanuit Europa. Négritude was in eerste instantie gebaseerd op verbijzondering van ras en dan met name het zwarte of Afrikaanse ras. Men zocht tegenover de essentie van het Frans-zijn de essentie van het zwart of Afrikaans-zijn.
 
Smile, foto © Nicolaas Porter
Door allerlei praktische en theoretische zaken kwam al vrij snel de kritiek op gang. Men kwam er bijvoorbeeld snel achter dat assimilatie niet zozeer een Frans-Afrikaans fenomeen was, maar dat vooral in West-Indië de assimilatie veel complexer was door invloeden uit meerdere cultuursegmenten. Daarnaast had men zich bij het formuleren van het idee van Négritude gebaseerd op Europese denkbeelden over ras en racisme. Men had dit idee gereproduceerd en omgekeerd, waardoor men het negatieve van het zwart-zijn een positieve vorm en inhoud had gegeven, doch – zoals Burton zegt – verving Négritude het ene vervreemdende concept (het Europese idee over verbijzondering van ras en afkomst) door een ander. Hierdoor raakte de zwarte West-Indiër nog meer verstrikt in de assimilatieproblematiek. Hij kon zichzelf hierdoor niet als verloochende en verdrukte uit de zwarte essentie losmaken. Négritude bleef een theorie van vervreemding ten opzichte van wat genoemd werd de universele geest (die men dacht specifiek Frans te zijn). Dwars hier doorheen kwamen het marxisme en socialisme op bij de politieke bewegingen op de eilanden. Deze ideologieën kennen – zoals bekend – de verdeling op basis van klassen, die niet per se gelijk loopt met de segmentering naar ras. Ook op dit punt ontstonden conflicten rondom begripsvorming en praktisch politiek handelen. Marxisme is ook universeel, een ideologie die mondiaal effect wil laten gelden, een idee waartegen het Négritude zich verzette. Négritude was tevens het streven naar zuiverheid. Men wilde op basis van zuiverheid en ras onderscheid maken. Als puur werd beschouwd het Afrikaans óf het Europees; creools was onzuiver (en – impliciet – dus in zichzelf minderwaardig). Ook op dit vlak ontstonden problemen. Moest men de Creoolse taal (het Patois), dat door veel zwarte Caribische mensen werd gesproken, dan als onzuiver betitelen? Négritude was door het uitgangspunt en soms door de (problematische) vervlechting met het marxisme polemisch van aard en opstelling.
Dit zijn min of meer ook discussiepunten die naar voren kwamen op de Nederlands Caribische eilanden als men kijkt naar onder andere het taalgebruik (het Papiamentu of Papiamento) en de volksbeweging bij de opstand van mei 1969 op Curaçao. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de bundel Verhalen over de revolte, die Gert Oostindie samenstelde en waarin diverse mensen die betrokken waren bij de opstand van 1969 aan het woord komen. Stanley Brown is het meest uitgesproken voor wat betreft de vermenging van ideologieën, ideeën en praktische uitwerking en effecten van de bewegingen, groepen, vakbonden en politieke partijen hierbij. De opstand kwam voort uit een mix van opvattingen uit het communisme, de arbeidersbeweging, de (harde) rassenongelijkheid (en daarmee samenhangend invloeden uit de Black-Power-beweging), tegenstellingen tussen Arabische en Joodse groepen, waarbij ook vertegenwoordigers van de katholieke kerk nog een rol bij hebben gespeeld, enz. Daarnaast hebben corruptie en belangenverstrengeling ook steeds een rol gespeeld. Ik laat Brown aan het woord om een indruk te krijgen van de zaken die speelden: 
“Het Frente (Frente Obrero Liberashon, politieke partij, WvL) werd onder leiding van Nita al snel corrupt. Al die zwarte leiders, ook die daarna aan de macht kwamen, hebben zich laten inpalmen. In plaats van maatschappelijke veranderingen na te streven, hebben ze elke gelegenheid aangegrepen om aan de corruptie mee te doen. (…).
Ik wilde echte veranderingen. Ik wilde geen regering vormen met de DP (politieke partij, WvL), daar begon het al mee, ik wilde in de oppositie. Maar Nita en Godett hadden de theorie: ‘ We hebben gezaaid, nu moeten we oogsten’. Ze wilden alleen schijnveranderingen. Het ging er mij niet om dat er in de plaats van een blanke onderdrukker een zwarte onderdrukker kwam. Ik wilde bevrijders hebben en dat konden wat mij betreft ook blanken zijn, als ze tenminste de juiste ideologie hadden. Dat begrepen ze gewoonweg niet. (…).
Sommige mensen zeggen, en ik denk dat zelf ook, dat de dertigste mei de zwarte Antillianen voor het eerst de ruimte heeft gegeven om vooruit te komen. Maar de Antillianisering is een holle ideologie geworden. Er zijn op allerlei plekken zwarten gekomen waar vroeger blanken zaten, maar het beleid is niet veranderd en de kwaliteit van het bestuur is eerder verslechterd dan vooruitgegaan.
Ik heb echt geloofd dat de onafhankelijkheid ons economische ontwikkeling zou brengen. En ik heb serieus gedacht dat na dertig mei de nieuwe Curaçaose mens zou opstaan, met zijn cultuur, met zijn vlag. (…).
Nu geloof ik dat een revolutie niet meer mogelijk is. Ik zie dat revolutionaire bewegingen en maatschappelijke veranderingen achterhaalde concepten zijn. Het enige alternatief is aansluiting bij een grotere, progressievere maatschappij. In Nederland heeft de democratie meer waarde dan op zo’n klein eiland. We hebben een poldermodel nodig, globalisatie in plaats van onafhankelijkheid en isolatie”.
 
De oorspronkelijke zes leden van de Black Panther Party (1966), boven v.l.n.r. Elbert “Big Man” Howard, Huey P. Newton, Sherwin Forte, Bobby Seale. Onder v.l.n.r. Reggie Forte en Little Bobby Hutton
 
Hoewel Brown in dat stuk ook zegt dat hij op een zeker moment communist is geworden omstreeks de periode van die 30e mei, wordt toch ook duidelijk dat de rassenkwestie meespeelde. Hij noemt onder andere invloeden van Che Guevarra, de Black-Panther-beweging, Black Power, de katholieke kerk, de vakbonden, het communisme (onder andere invloeden van Cuba) en zelfs invloeden uit de gewone criminele wereld van smokkel en drugshandel [2].
 
Willemstad na 30 mei 1969

 

Een andere betrokkene, Ewald Ong-A-Kwie, zegt in dezelfde bundel: “Ik ben er van overtuigd dat er geen raciale beweging achter de revolte zat. Ik onderken dat raciale stemmingen mee gingen spelen, wat trouwens ook bij de grote havenstaking van 1922 al het geval was. Maar het was in essentie een sociaal conflict: de spanningen tussen werkgevers en werknemers waren te hoog opgelopen.
Er is achteraf wel gesproken over communistische invloeden, maar dat is flauwekul. Ze hebben mij ook communist genoemd, de eerste keer dat ik op 1 mei op televisie kwam, zo rond 1964. Omdat ik voor die tijd overkwam als radicaal. Ik heb altijd gezegd: ‘ Vraag mij niet welke internationale ideologische lijn ik volg. Kijk naar me, evalueer wat ik doe en plak dan maar een etiket op me. Als je vindt dat ik sociaaldemocraat ben, dan ben ik sociaaldemocraat, als je vindt dat ik communist ben, dan ben ik communist. Ik doe wat ik vind dat ik moet doen, op de manier die ik het beste vind. Als je dat dan meteen communistisch noemt, tja.
Dat Black Power achter de revolte gezeten zou hebben, is ook pure nonsens” [3].
De opstelling van de Antilliaanse betrokkenen bij die crisis laat eerder een praktische opstelling zien dan een fanatiek overtuigde ideologische, zoals dat op de Frans-Caribische eilanden meer pregnant naar voren komt. Toch zijn er overeenkomsten omdat de kwestie van opvattingen en ideologie onderhuids wel een rol heeft gespeeld in het vervolg van ontwikkelingen die uit de crisis naar voren kwamen, zoals duidelijk wordt bij wat Brown hierover vertelt op politiek vlak.

 

Op de Frans-Caribische eilanden kwam in de jaren zestig van de 20e eeuw in reactie op de Négritude het idee op van de Antillanité (o.a. Ménil en Glissant). Met dit concept werd het idee van diversiteit (waarin men toch ook verschilt van het universele) naar voren gebracht. In tegenstelling tot de Négritude die het Afrikaanse als uitgangspunt voor de aanduiding van het verschil hanteert, legde de Antillanité het concept van de configuratie van de West-Indische leefwijze als geheel op tafel. De Caribische mix stond centraal en dat betekende dat noch het specifiek Afrikaanse, Chinese, Indiaanse, Indiase, Franse of welk ander afzonderlijk cultuursysteem dan ook als hét Caribische cultuursysteem werd gezien. Het kenmerk van het Caribische cultuursysteem is juist dat hier heel veel verschillende leefwijzen, volkeren en rassen gewild of ongewild bij elkaar zijn gebracht in een gecombineerd uniek en origineel verband. Hierbij springt er niet één cultuur of systeem in het bijzonder uit. Juist de mix maakt deze samenleving uniek. In de Antillanité werd echter toch ook de nadruk gelegd op het bijzondere tegenover het universele (de wereld buiten het Caribische gebied). Hoewel deze beweging zich afzette tegen het binnendringen van het universele – meer van hetzelfde – bracht het wel ruimte binnen de Caribische samenleving: een gezamenlijke sociale identiteit, waarbij het mogelijk werd de dialoog te voeren. Dit werd ervaren als een doorbraak in het denken over en ervaren van identiteit.
Was Négritude monolithisch van aard, Antillanité bracht diversiteit, complexiteit en heterogeniteit. Het gaat uit van een samenstel en meervoudigheid van relaties en (maatschappelijke) krachten. Négritude legt nadruk op het ‘zuivere’, Antillanité maakt vermenging van rassen en afkomst begrijpelijk en hanteerbaar. Het idee van Négritude over ‘verschillend zijn’ is besloten in zichzelf, gefixeerd op één kant en slechts voor één duiding vatbaar; Antillanité hanteert de diversiteit binnen het verschillend zijn op een open manier, mobiel en toegankelijk. Négritude baseert zich op het eendimensionale geworteld zijn (identité-racine) en Antillanité op de meerdimensionale relationele identiteit (identité-relation). Daardoor is Négritude meer gericht op het (geïdealiseerde) verleden, Antillanité op de toekomst. Als je jezelf richt op de (voedings)wortel en het verleden, dan hanteer je een oriëntatie op mono-identiteit, waarbij men anderen uitsluit. Glissant noemde dit ‘totalitarion root’. De relatie-identiteit wil een open, multidimensionaal en meerwaardig (polyvalent) samenstel van identiteit. Met deze ideeën was Glissant waarschijnlijk een van de eerste belangrijke Caribische denkers die een doorbraak forceerde uit de obsessie van afkomst en ‘geworteld zijn’, het denken dat zo dikwijls het Caribische discours bepaalt, zoals Burton meent.

Tintin (Kuifje) in het Patois

 

De derde stroming is die van de Créolité, die ontstond uit de Antillanté. Deze stroming had een vrij groot academisch gehalte. Net als Antillanité verzetten de vertegenwoordigers van de Créolité zich tegen het universele, waarvan men dacht dat dit de specifieke Caribische identiteit en leefwijze op den duur zou wegdrukken en vernietigen. Créolité wilde wel open staan voor alle Caribische rassen en gemeenschappen, maar heel uitdrukkelijk het eigen Caribische karakter bewaren (une spécificité ouverte). Het multiraciaal samenleven en een geïntegreerde cultuur; dat is hetgeen het creoolse karakter vertegenwoordigt. In het Caribisch gebied sluit het alle autochtone groepen in zich: Latijns-Amerikaans, Arabisch, Afrikaans, Europees, Indiaas, Aziatisch, enz. De Créolité is de beweging die zich intensief bezighoudt met taalgebruik. Dit geldt dan vooral voor de situatie in het Frans-Caribische gebied (het Patois en het Créole bijvoorbeeld), maar men zou het ook kunnen toepassen voor het Papiaments, dat ook een Creoolse taal is. (De discussie rond het taalgebruik als ijkpunt voor Créolité liep – zoals Burton zegt – al redelijk snel aan tegen diverse problemen van definitie en afbakening).

 

Bij de ontwikkeling van de inzichten rond Créolité kwam naar voren dat vermenging van ras, taal en cultuur geen specifiek Caribisch verschijnsel is. Door de globalisering en verdergaande vervlechting van menselijke activiteit en relaties, de snelle toename van mobiliteit en mondiale uitwisseling van informatie, diensten, goederen en mensen, is het proces van creolisering op heel veel plekken in de wereld op gang gekomen. Mensen die blijven vasthouden aan hun afkomst en (historische) origine raken snel verstrikt in allerlei compromissen en tegenstrijdige opvattingen. Het streven naar monolithische zuiverheid is eens te meer een utopisch verlangen geworden. De zuiverheid of vermeende authenticiteit van ras, oorsprong e.d. verdwijnt langzamerhand (zo het al ooit van belang is geweest) en dat op mondiale basis [4]. Het lijkt erop dat er nog maar weinig (zaken en mensen) als puur en origineel kunnen worden bepaald en gedefinieerd. De vermenging gaat door en het zoeken naar je eigen oorsprong wordt steeds zinlozer; dat lijkt Burton te willen zeggen.
Het ‘hinterland’  verdwijnt, zegt hij in navolging van wat Glissant beschreef als het Caribische ‘arrière-pays’, waar mensen hun Caribische identiteit tot ontwikkeling zouden kunnen brengen. “Each of the theories of Difference discussed here presupposes of what Glissant calls an arrière-pays, (…) a hinterland, at once physical, cultural, and psychological, in which individual and community can find refuge form the advancing empire of the Same (het universele – WvL), as the runaway slaves of old fled plain and plantation for the upland fastness of the mornes (hills). But now the hinterland is disappearing month by month and year by year, ingested physically by grandes surfaces, golf courses, secondary residences, and marinas, and culturally and psychologically by the remorseless spread of “French” patterns of thinking, consuming, acting, and speaking. For the would-be maroon in contemporary Martinique and Guadeloupe there is practically nowhere, either within or without, in which to live and from which to speak, that has not already in some way been taken over by the dominant discourse, so that the language of Difference is often uncannily transformed, without the speaker’s knowledge, into the language of the Same, and the status quo is sustained and perpetuated by the very counter-discourse it provokes” [5].

Werk van Michael Brooks, Jamaica

 

[Paragraaf 10 uit hoofdstuk 6 van Willem van Lit,  Cariben, laten we het onmogelijke vragen. Te verschijnen 2013]


[1] Burton, Richard. ‘Ki moun nou ye? The idea of difference in contemporary French West Indian Thought’. New West Indian Guide/Nieuwe West-Indische Gids 67 (1993) no: 1/2 Leiden.
[2]Oostindie, Gert (red.), Curaçao 30 mei 1969, Verhalen over de revolte, Stanley Brown ‘Ik ben de Voltaire van dertig mei’, pag. 13 – 22, Amsterdam University Press, 1999.
[3]Oostindie, Gert (red.), Curaçao 30 mei 1969, verhalen over de revolte, Ewald Ong-A-Kwie,’Slavernij van de geest, die mentaliteit bestaat nog steeds’, pag. 89 – 93.
[4]Zie in dit verband ook wat Umberto Galimberti schrijft over de mythe van het ras. Hij beschrijft dit in de Italiaanse context waar bijvoorbeeld in Noord-Italië denkbeelden van ras en volk in relatie tot identiteit voor diverse politieke belangenstelsels op een populistische manier levend worden gehouden. Galimberti, Umberto Mythen van onze tijd, uitg. Ambo, Amsterdam, 2010,vertaling. J. Crijns en W. Dabekaussen. Pag. 396 – 401.
[5] Richard Burton,Ki moun nou ye?’, pag. 25.

Biografie van Pierre Lauffer: een mijlpaal

door Henry Habibe

Bernadette Heiligers. Foto © Michiel van Kempen
Bij uitgeverij In de Knipscheer is onlangs verschenen Het bewogen leven van een bevlogen dichter, een biografie over de Curaçaose dichter Pierre Lauffer. Veel essayisten en literatuurkenners hebben zich in het verleden beziggehouden met Lauffers werk, maar Bernadette Heiligers besteedt in haar studie (302 pgs.) vooral aandacht aan zijn leven. Het leven van de man, die door Cola Debrot als ‘dichter bij de gratie Gods’ werd getypeerd, wordt hier onderworpen aan een diepgaand onderzoek en gereconstrueerd aan de hand van getuigenissen van veel informanten. Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken waarin Heiligers, journaliste van beroep, het zeer ‘bewogen’ leven van Lauffer in een vlotte stijl voor de lezer overzichtelijk en eenvoudig etaleert. Het boek, een waardevol initiatief van de Stichting Pierre Lauffer, kenmerkt zich door zijn levendige beschrijving (door de easy reading leest het als een trein), is rijkelijk geïllustreerd met relevante foto’s en voorzien van poëzie en prozawerk met hun respectieve vertalingen. Op grond van een paar hoofdstukken zal ik de cultureel-historische betekenis van dit biografisch werk proberen aan te tonen. Ik besef dat ik geen compleet beeld kan geven. Er komt immers een enorm groot aantal aspecten naar voren. Ik licht dan ook slechts een paar hoofdstukken eruit die mij persoonlijk als boeiend voorkomen.
Het St. Thomas College aan de Roodeweg in Otrabanda, eerste decennia 20ste eeuw
Eerste hoofdstuk
Dit hoofdstuk gaat over Lauffers jeugd. Met de zaak van de vader, Antoine Lauffer, gaat het niet best (jaren van economische depressie) en na het faillissement verhuist het gezin naar de Riouwstraat in Pietermaai. Lauffer bezocht het St. Thomas College. In die tijd werden de meeste liederen in het Spaans gezongen. Toespraken werden in het Spaans gehouden. Het was Spaans wat de klok sloeg. Zo komt het dat ook Lauffer, bij het overlijden van een tante in 1943, een gedicht in het Spaans schreef. Nog later (1947) bracht hij in het Spaans een toast uit op de bruiloft van een collega. Het was een logisch gevolg van het feit dat aan het eind van de 19e en begin 20ste eeuw op Curaçao Spaanstalig onderwijs bestond. Maar Lauffer was daarvóór al begonnen met
teksten in het Papiaments te schrijven. Zijn verhaal ‘Carmen Molina’ dateert van 1942 en de gedichten, die later in Patria verschenen, bestonden al aan het eind van de jaren dertig.
Pierre Lauffer
Vierde hoofdstuk
Dit is een heel boeiend hoofdstuk. Heiligers leidt ons het huis van de volwassen Lauffer binnen en vertelt over de vaderschap van Pierre en de relatie met zijn eerste vrouw. De dichter schijnt zijn kinderen weinig ‘aangehaald’ te hebben. Zo schrijft de auteur: ‘Hij sprak geen lieve woordjes als ze [de kinderen] de babyfase voorbij waren en toonde niet openlijk dat hij van ze hield’. Aan de andere kant probeert zij te nuanceren en haalt meningen aan van zeer betrouwbare personen. Zo citeert zij monseigneur Amado Römer, die een grote vriend en tevens de biechtvader van Pierre was: ‘Hij [Pierre] hield zielsveel van zijn vrouw en kinderen. Ook van zijn eerste vrouw. Maar hij kon de regelmaat en discipline niet opbrengen om een gezin te onderhouden zoals het hoort.’ De auteur vervolgt: ‘De kinderen uit Pierres eerste huwelijk hebben hun vader ervaren als erg, erg streng’. En steeds nuancerend haalt zij de bevinding van Paul Lauffer, een zoon van de dichter, aan: ‘Er valt heel veel te zeggen over mijn vader, maar één ding moet duidelijk zijn: hij heeft ons heel veel aandacht gegeven. Dat hij zijn emoties soms niet kon bedwingen, kwam volgens mij doordat hij zijn suikerziekte niet onder controle hield. Nu ik zelf diabeet ben, besef ik hoe je gemoedstoestand erdoor beïnvloed kan worden’. Ook voor wat betreft de ‘harmonie’ tijdens de vakanties wordt Paul weer aangehaald. Lauffer placht tijdens die vakanties met zijn kinderen op stap te gaan. Hij liet hen dan alle grotten, landhuizen en slavenmuren op Curaçao zien. Paul: ‘We konden lachen en pret maken en mijn vader deed net zo hard mee (…). In die periodes was mijn vader helemaal in zijn element, dicht bij de natuur, samen met zijn kinderen’.
Op ontroerende wijze wordt hier het ‘bewogen’ leven belicht. We ervaren dat Lauffer zijn uiterste best deed om aan een baan te komen, maar zijn gezondheid speelde hem parten. Zo moest hij in 1959 in het ziekenhuis opgenomen worden vanwege niersteenkolieken. Zijn vrouw legde dan – vertelt de auteur – een handdoek op zijn rug waar ze met een warm strijkijzer overheen ging. Maar wie verder leest wat voor vernederingen zijn eerste vrouw onderging (daar getuigt de auteur ook van) zal dit gedrag van Lauffer waarschijnlijk niet kunnen begrijpen en zelfs afwijzen.
De synagoge op Pietermaai. Foto Robert Soublette. Collectie KIT
Vijfde hoofdstuk
Hier gaat de auteur in op het leven van Lauffer met zijn tweede vrouw, Belmira (Beli) Nunes Jorge. De wijze waarop Heiligers dit beschrijft doet hier en daar aan een ‘roman’ denken. De anekdotes volgen elkaar op als in een sprookje. Het hoofdstuk begint met een verwijzing naar de cyclus liefdesgedichten die Lauffer omstreeks 1968 schreef, waarvan de titel luidt: Rosea den shinishi (Ademtocht in as). In één van de laatste gedichten daaruit schreef de dichter: ‘… leu den bo tin Portugal/ su sanger i sabor’ (… in jou proef ik in de verte het bloed en de smaak van Portugal). Vele jaren later, in het jaar 1968, ontmoette Lauffer – zo schrijft Heiligers – Belmira, die – toevallig of niet? – een Portugese bleek te zijn. Iets verderop vervolgt Heiligers:
 
Toen Pierre Belmira voor het eerst zag, was zij tijdelijk op Curaçao om haar familie te bezoeken. (…) “Hij deed van alles om mijn aandacht te trekken, zegt Belmira. “Op de dag dat hij mij voor het eerst aansprak was hij van kantoor op weg naar de kerk van Pietermaai. Hij hield me
bij de arm vast en vroeg: ‘Weet je dat je een geliefde hebt?’ Ik zei nee, want die had ik niet, waarop hij antwoordde dat hij zelf die geliefde was.
 
Belmira vertrok in hetzelfde jaar weer naar haar geboorteplaats, Madeira. Bij haar vertrek werd haar (op de boot) een groot boeket bloemen bezorgd, waarbij de volgende woorden op een kaart stonden: ‘Estás siempre en mis pensamientos’ (Je bent steeds in mijn gedachten). Later schreef Lauffer haar dat zijn scheiding met zijn eerste vrouw formeel geworden was en dat hij het huis klaar zou maken in afwachting van haar komst. Belmira kwám weer naar Curaçao en zij trouwden op 3 juni 1969. Dat was een paar dagen na de sociale onlusten die op 30 mei van dat jaar uitbraken. Dat betekende dat niemand de dichter en zijn jonge bruid kon komen feliciteren. Met zijn ‘kersverse bruid’ reed Lauffer naar de plantage Jeremie. Tijdens de rit merkte Belmira op:‘We
reden met de ramen open terwijl mijn sluier in de wind wapperde’. En de auteur besluit:‘…[het] werden de rustigste witte broodsweken die Pierre zich wensen kon’.
Overgenomen teksten
In ‘Gedachten vooraf’ (soort inleiding) schrijft de auteur dat zij ieder hoofdstuk laat openen met een volledig gedicht en dat in ieder hoofdstuk fragmenten uit Lauffers teksten zullen voorkomen. Zij verantwoordt de keuze van die teksten door te zeggen dat zij zich bij de selectie daarvan laat leiden door bepaalde vragen. Eén daarvan is: In hoeverre valt het oeuvre van Lauffer samen met zijn leven? Een tweede is: Wat vertelt dat oeuvre van de samenleving waarin hij opgroeide? Zo’n benadering is zonder meer te prijzen. Maar slaagt de auteur er in om die vragen op bevredigende wijze te beantwoorden? Daar zou ik wat aandacht aan willen geven. Ik kan dit natuurlijk niet in verband met het gehele werk doen. Dat zou in dit korte bestek niet mogelijk zijn. Ik zal me moeten beperken tot een paar hoofdstukken en kies voor het gemak de drie hoofdstukken die ik hierboven de revue liet passeren.
Keho di katibu
Het eerste hoofdstuk wordt afgesloten met het gedicht ‘Keho di katibu’. Wat is hiervan de relevantie? Dit gedicht laat zien hoe een slaaf zijn vernedering en onvrede verwoordt als gevolg van zijn voortdurende mishandeling door de ‘bomba’ (toezichthouder). Aangezien in het eerste hoofdstuk met geen woord over de slavernij gerept wordt heeft dit gedicht op deze plek geen enkele relevantie. Veel correcter bij de twee gestelde vragen zou het zijn geweest als de auteur hier een gedicht uit Lauffers Patria – de bundel die de dichter zelf als zijn Juvenalia beschouwde – had opgenomen. Daar zou ook een gedicht als ‘Mi lenga’ (uit: Raspá) niet misstaan hebben, aangezien er wel gesproken wordt over het standpunt dat o.a. Jo Corsen innam met betrekking tot de culturele betekenis van het Papiaments.
Rosea den shinishi
Naar deze amoureuze cyclus wordt in het vierde hoofdstuk verwezen. Het fascinerende hiervan is dat de auteur daarmee tevens een van de hoogtepunten van Lauffers dichtwerk aanstipt. Lauffer heeft het in die cyclus over een door hem ‘gefantaseerd’ personage. Hij zou haar, toen hij achttien was, in zijn dromen ontmoet hebben en gaf haar de naam ‘Gina’. Hij schreef later als een soort inleiding:‘Esnan ku lesa por kere o laga, si ta fantasia o realidat’ (Zij die dit lezen kunnen geloven of niet, of het fantasie is of werkelijkheid).
Heiligers weet te vertellen dat Lauffers zussen een foto hebben van die Gina. Zij zouden ook haar ‘vermeende echte naam’ weten. Heeft Gina nou bestaan of niet? Het intrigerende van deze vraag is hetgeen Heiligers nu naar voren brengt:
Wat het bestaan van Gina ook op losse schroeven zet, is een ander gedicht ‘Mi negra ta na soño’, dat Pierre geschreven had voordat hij in Europa met Gina het bed had gedeeld. Het ligt bij de openbare bibliotheek van Aruba en is nooit door de schrijver gepubliceerd.
Het vroegere gedicht ging dus over een slapende zwarte vrouw. Aangezien Gina uit Rosea den shinishi op een identieke wijze beschreven wordt als de slapende zwarte vrouw uit het ongepubliceerde gedicht, merkt Heiligers dan op: ‘In Rosea den shinishi beschrijft de dichter de slapende Gina precies zo’. Daar voegt zij kritisch aan toe: ‘En de Gina op de foto [in het bezit van Lauffers zusters] is niet zwart’.
Dichters kunnen ook een geheim hebben. Dat besefte De Palm ook al. Als antwoord op een vraag van Heiligers gaf hij: ‘Pierre had zo’n sterke fantasie dat hij sommige van zijn dromen zelf ging geloven. (…) Voor mij bestond ze [Gina] dus in zijn fantasie. Maar ik wil wel aannemen dat Gina voor Pierre in werkelijkheid heeft bestaan’. Daarbij verzekerde De Palm: ‘Pierre liet niemand echt dichtbij komen. Bovendien vond hij het heerlijk om mensen op het verkeerde been te zetten. (…) Dat geheimzinnige, daar kon hij zich erg in verkneukelen’.
De verwijzing door Heiligers naar Gina uit deze reeks gedichten is zeker to the point.
Curaçao, 30 mei 1969
Mi tera
In het vijfde hoofdstuk wordt op blz. 172 ‘Mi tera’ (uit Kumbu) opgenomen om daarmee te illustreren dat Lauffer de ‘massale uitbarsting van gevoelens’ van 30 mei 1969 al 15 jaar vóór het uitbreken ervan in dat gedicht had beschreven. Dit is een interpretatie die in de verste verte niet op close reading gebaseerd is. De plank wordt misgeslagen omdat er niet volgens de geschiedenis geïnterpreteerd wordt. In dit gedicht uitte de dichter, in plaats van een sociale uitbarsting, zijn individuele anti-koloniale gevoelens. Het was de periode waarin o.a. Doctor Da Costa Gomez streed voor de autonomie. De Nationale Volkspartij werd in 1948 door hem opgericht en zo kwam er een emancipatieproces op gang. Uit die tijd dateert een door da Costa Gomez gehouden toespraak waarbij de tegenstelling tussen de ‘makamba’ en de ‘yiu di tera’ duidelijk aan het licht kwam. Zo uitte Lauffer in die jaren zijn nationalisme door in zijn ‘Mi tera’ te schreeuwen: ‘e pida tera ‘kí ta di mi!’ (Dit stukje grond is van mij). De Autonomie werd in 1954 een feit en in 1955 kwam Lauffers Kumbu uit. Het zij hier terloops opgemerkt dat Lauffer er helemaal geen voorstander van was om thema’s als ‘maatschappelijke onvrede’ in zijn poëzie te betrekken. Ik heb het nu over zijn poëzie en niet over zijn prozateksten. De vaderlandsliefde die Pierre hier en daar in zijn poëzie etaleert is geen uiting van sociale aard. Hij kan het natuurlijk hebben over de ‘schurken’ in zijn ‘Mi tera’. Ook over de ‘buitenlandse roofvogels’ in ‘Fadá mi ta’ (Ik ben het zat). Maar dat zijn uitingen van individuele woede en ‘zat zijn’. Indien er in die teksten niet verwezen wordt naar (of geen toespelingen zijn op) degenen voor wie hij wil opkomen, dan kan er geen sprake zijn van een maatschappelijk georiënteerde poëzie. Zo zijn de poëtische teksten, waarin de dichter het over de zwarte vrouwen heeft, evenmin sociaal geladen. Het zijn meer uitingen van naastenliefde of hartstochtelijke ontboezemingen. Hooguit een expressie van medelijden, hetgeen wat anders is dan een verdediging van de rechten van zwarte vrouwen. Men dient niet té snel twee teksten van heel verschillende perioden bij een mogelijke interpretatie door elkaar te halen. ‘Mi tera’ dateert uit de jaren veertig/vijftig (na de Tweede Wereldoorlog) en ‘Fadá mi ta’ uit de jaren zeventig. Wie zegt dat de dichter in ‘Mi tera’ dezelfde ‘schurken’ voor ogen had als in ‘Fadá mi ta’? Met ‘bandopnames’ waarop de stem van Pierre te horen is moet men erg voorzichtig zijn bij het horen van ‘een van die figuren’. Die woorden kunnen natuurlijk te maken hebben met het ene gedicht, maar hoeven niet direct te slaan op het andere. Als die woorden dateren uit de tijd dat de dichter de zeventig al voorbij was (‘zijn oude dag’), dan hoeft dat geen betrekking te hebben op de ‘schurken’ die in ‘Mi tera’ (uit de jaren veertig!) naar verwezen wordt.
Close reading
In de 19e eeuw onderzocht men voornamelijk de biografie van de auteurs en hield men zich niet zozeer bezig met hun teksten. Aan hun werk werden de middelen ontleend om hun persoonlijkheid te reconstrueren. Tegen die historische benadering kwam aan het begin van de 20ste eeuw een reactie. De eersten die tegen de biografische richting reageerden waren de Russische formalisten. Vanaf ongeveer 1930 (tot ver in de jaren vijftig) was deze zienswijze, die in Amerika onder de naam New Criticism ging, de meest invloedrijke Amerikaanse literatuurbeschouwing. Men brak dus met de biografische methodes. De aanhangers van deze literatuurbeschouwing zien de literaire tekst als een besloten geheel. Als een wereld op zich. Men wilde het betekenispotentieel van de tekst niet laten bepalen door factoren als de maatschappelijke context, de bedoelingen van de maker of de strategie van een uitgever. In Nederland volgde men (sinds de jaren zestig) ook enigszins deze werkwijze. Men denke maar aan de groep critici rond het tijdschrift Merlyn, waartoe Kees Fens, Jaap Oversteegen en Ulli Jessurun d’Oliveira behoorden. Deze groep reageerde tegen de verwaarlozing van het specifiek literaire en ging spreken van de ‘autonomie’ van het literaire werk.
Conclusie
De biografie van Pierre Lauffer door Bernadette Heiligers is een mijlpaal in de literaire geschiedenis van Curaçao. Zij deed een diepgaande onderzoek naar zijn leven. Niemand vóór haar heeft ons zo pakkend en informatief door het leven van Lauffer geleid. Samenvattend kom ik tot de conclusie dat Heiligers hiermee een zeer leesbare literaire biografie geschreven heeft en dat het een hoogtepunt is op het cultureel-historische vlak. In bepaalde gevallen correspondeert de verwevenheid van levensbeschrijving en de opgenomen teksten van de dichter niet. Helaas is ook niet ieder gedicht (tekst) in de context van de tijd van publicatie geïnterpreteerd. Maar dit heeft te maken met een benadering die niet op close reading gestoeld is, zoals dat gebeurde bij de New Critics en de Merlynisten.
[uit: Antilliaans Dagblad, 24 december 2012].

Driemaal de slavernij in de literatuur

door Eric de Brabander

Eric de Brabander
150 Jaar geleden werd de slavernij op onze eilanden afgeschaft. Ik kan me het honderdjarige jubileum nog voor de geest halen alsof het gisteren was. Ik zat in de vierde klas van de lagere school bij meester Larmonie. Een bevlogen, levendige man, onderwijzer in hart en nieren. Hij liet zijn leerlingen toneelstukjes opvoeren die van doen moesten hebben met het slavernijverleden. Ik was een van de twee blanke jongetjes in de klas dus voor mij was er altijd wel een rol te vervullen, een rol die later, in de pauze, op de speelplaats bestraft werd. Toen al was het rollenpatroon dat opgelegd werd omdat het toneelstukje dat vereiste, niet geheel helder, ondanks dat duidelijk werd gemaakt dat het ging over goeden en slechten, zwart en wit, cowboys en indianen. En ook nu ik ruim volwassen ben heb ik moeite met deze zaken uit ons gezamenlijk verleden een etiket op te plakken. Wat zou het mooi zijn als we jaarlijks een krans bij het Tula-monument konden leggen, en het daarbij te laten, ons te concentreren op onze gezamenlijke vooruitgang nu. En te waken voor discriminatie in welke vorm dan ook, homo’s joden, lesbo’s, blank en zwart, ga zo maar een tijdje door. Om bij sollicitaties te gaan voor kwaliteit en niet voor ras of stand of een of andere 80-20-regeling.
Boeken over het slavernijverleden zijn er in de Amerikaanse literatuur te kust en te keur. Wie kent niet The saga of an American familyvan Alex Haley, in de jaren tachtig ook een populaire televisieserie. Of Uncle Tom’s cabin van Harriet Beecher Stowe. Of, om een minder populaire maar zeker niet mindere te noemen: The Journal of Darien Dexter Duff, an emancipated slave, van K.J. McWilliams. In het Nederlands beperkt hetgeen over slavernij geschreven is zich tot non-fictie, enkele uitzonderingen daargelaten. De Surinaamse auteur Cynthia McLeod schreef met Hoe duur was de suiker? een zinderende roman waar gedegen historisch onderzoek aan vooraf ging. En onze Curaçaose Carel de Haseth schreef de prachtige novelle Slaaf en Meester, ook in het Papiaments uitgebracht onder de titel Katibu di Shon, een boek dat omgewerkt wordt tot een opera met in de hoofdrol Tania Kross en muziek geschreven door Randal Corsen.
Het eiland onder de zee
Van een vriendin kreeg ik onlangs een boek cadeau, als dank voor een noodreparatie aan een voortand, die er vlak voor een reis naar het buitenland uitviel. Isabel Allendes roman, Het eiland onder de zee, in het Spaans getiteld  La isla bajo el mar, kwam in 2010 uit. Nu had ik me jaren geleden voorgenomen nooit meer iets van Isabel Allende te lezen. Toentertijd vond ik dat ze met Het huis van de geesten haar top bereikt had, en dat wat daarna volgde een hoog keukenmeidenromangehalte had.  Ik had me vergist. Het lijvige boek van de nicht van de afgezette president van Chili had ik in enkele avonden uit. Het eiland onder de zee speelt zich grotendeels af op Hispanola, het deel van het eiland dat nu Haïti heet, aan het einde van de 18de eeuw, in de tijd van de slavenopstand van Toussaint Louverture, die uiteindelijk leidde tot het eerste Caribische land waar de voormalige slaven het voor het zeggen hadden. Zarité wordt op haar negende als slavin verkocht aan de Fransman Toulouse Valmorain, de eigenaar van een grote suikerplantage, zo vermeld de achterkant van het boek. Ze werkt voor zijn zenuwzieke Cubaanse echtgenote, verzorgt zijn zoontje en wordt zijn concubine. Algauw verwekt hij een kind bij haar. Als de slaven in opstand komen tegen de plantagehouders moet Zarité kiezen. Ze kan zich ontdoen van het juk van haar meester, of ze kan hem omwille van zijn kinderen helpen het eiland te ontvluchten.Met de steun van sterke vrouwen, van wie sommigen magische krachten bezitten, neemt ze uiteindelijk de juiste beslissing. De familie Valmorain vlucht uiteindelijk via Cuba naar Louisiana waar Toulouse Valmorain een nieuwe plantage opzet.
Allende heeft ervoor gekozen om om de paar hoofdstukken Zarité aan het woord te laten  en is er op die manier in geslaagd het tijdsbeeld zowel een Europese als een Afrikaanse kleur te geven.Het is ontzettend knap dat ze de hoofdpersonen heel aannemelijk achttiende-eeuws maakt in hun denken, hun handelen en in hun levensfilosofie.Maar wat bovenal opviel is de geweldige historische onderbouwing.  
Tula – Verloren vrijheid
En dat is nou precies wat mist bij het boek Tula-verloren vrijheid van Jeroen Leinders dat deze maand uitkwam bij de Nederlandse uitgeverij Conserve. Jeroen Leinders schreef Tula niet uitsluitend als boek, maar ook als filmeditie. En aan de film wordt momenteel gewerkt met grote namen als Derek de Lint en Jeroen Krabbé.Over Tula is eerder geschreven. De Curaçaose schrijver en dichter Guillermo Rosario schreef in 1969 in het Papiaments E raȉs ku no ke muri, uitgegeven door de Bezige Bij. En Carel de Haseths Katibu di Shon is geïnspireerd door het verhaal van Tula. Ik vermoed dat de Haseth gekozen heeft de novelle een volledig fictief karakter te geven omdat over het werkelijk verhaal zo weinig bekend is, en dat hem dit de vrijheid gaf zijn eigen draai aan het boek te geven. Het is Leinders grote verdienste dat hij het verhaal van Tula internationaal onder de aandacht brengt op het witte doek.  Maar over de novelle waar het filmscript op gebaseerd is, heb ik mijn bedenkingen, met name wat betreft de historische context . Zo maakt Leinders in zijn nawoord een vergelijking tussen het neerslaan van de opstand van Tula en de gebeurtenissen na 30 mei 1969. ‘Hoewel het verhaal van Tula belangrijk is in de geschiedenis van Curaçao werd het verhaal lang genegeerd door de Nederlandse machthebbers.Op de scholen op het eiland werd niet over Tula gesproken. De staking van 1969 op Curaçao, waarin nog steeds werd gestreden voor gelijke rechten voor blank en zwart, is opnieuw door Nederland hard neergeslagen….’ Nou, zo kan die wel weer.   
   
Slavenpaar. Johann Moritz Rugendas (1802-1858). Collectie Buku Bibliotheca Surinamica
                  
Het verhaal begint met een voorwoord waarin de gebeurtenissen op Curaçao aan het einde van de 18de eeuw in verband worden gebracht met de mondiale situatie van die tijd. ‘De wereld aan het einde van de eeuw wordt gekenmerkt door grote onrust en een drang naar vrijheid en zelfbeschikking. Amerika zal zich in 1776 losmaken van Engeland, de Franse revolutie vindt plaats in 1792. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden heeft net de laatste oorlog met Engeland achter de rug, terwijl het land intern verscheurd wordt door de strijd tussen de patriotten en de koningsgezinden. In 1795 wordt deze strijd in het voordeel van de patriotten beslecht. Het jonge patriottische Frankrijk bezet Utrecht, het laatste bolwerk van de koningsgezinden. De Bataafse Republiek onder Frans regime is nu een feit. Stadhouder Willem V vlucht naar Engeland. Frankrijk verklaart Engeland de oorlog.’ Tot zover het boek. Wat dan volgt is een verhaal dat qua stijl, woordgebruik en compositie misschien beantwoordt aan de voorwaarden van een filmscript, maar dat als novelle tamelijk kleurloos overkomt. De hoofdpersonen geven niet het gevoel achttiende-eeuws te zijn, iets wat misschien moeilijk is maar waar Isabel Allende wel in is geslaagd. Op de kaft is een foto te zien van een weldoorvoede mulat die zeker niet lijkt op de Tula die ik voor ogen heb. Op de tweede pagina van Leinders boek staat: Tula – verloren vrijheid. Filmeditie.Dat is wat verwarrend, omdat nergens vermeld wordt dat de Amerikaan Curtis Hawkins het script geschreven heeft. Nu vertelde de Curaçaose cineaste Sherman de Jesus me tijdens een bezoek van hem aan zijn eiland, dat het een misverstand was om boek en filmscript te vergelijken. Volgens hem kan dat helemaal niet omdat de scriptschrijver alle vrijheid moet hebben om dialogen te scheppen, dialogen die in het boek vaak niet nodig zijn omdat het verhaal spreekt. En om de film tastbaar te maken met de audiovisuele middelen die hem ter beschikking staan en die de auteur van het boek niet heeft. Wat er toe leidt dat boek en script vaker dan niet weinig met elkaar van doen hebben, met uitzondering van het onderwerp en de verhaallijn. Ik heb het script van Hawkins niet gelezen en ben dan ook zeer benieuwd naar de film. Ik hoop dat die behalve spanning en sensatie ook didactische kwaliteiten zal hebben, zodat onze schoolgaande jeugd er zijn voordeel mee kan doen.
Verhalen uit Gabon, Oman, Curaçao
Het debuut Verhalen uit Gabon, Oman, Curaçao van de huisarts Bob Schuringa werd onlangs gepresenteerd. Op de voorkant prijkt een mysterieuze foto van de schrijver zelf, gehuld in muskietengaas. In het boek zijn twee novellen opgenomen en enkele korte verhalen. De verhalen zijn, zoals de achterflap vermeldt, semi-autobiografisch en spelen zich af in landen waar Bob Schuringa werkzaam was als Shell-bedrijfsarts. De laatste novelle speelt zich af op Curaçao, waar de Nederlandse Titia Aggenbach, een pas afgestudeerde kunstenares, komt te wonen op het godverlaten landhuis Ronde Klip. Op een avond hoort ze in de mondi (de auteur heeft het abusievelijk maar halsstarrig over kunuku) het gehuil van een kind. Ze besluit de volgende ochtend op onderzoek uit te gaan. Op de speurtocht belandt Titia in een verlaten huisje aan de Sint Jorisbaai. Het huisje blijkt toch niet zo verlaten te zijn en Titia wordt deel van een magisch verhaal waarin ze teruggaat in de tijd, en voor haar ogen het verleden van haar voorouders zich ontrolt, die in de slaventijd het landhuis Ronde Klip en de plantage bezaten. Het kind van Landhuis Ronde Klip is een kunstig in elkaar gezette novelle die zeker geschikt is voor de literatuurlijsten van onze middelbare scholieren.

Prachtig vond ik de novelle Het achtste graf, een verhaal dat zich afspeelt nadat een mengvorm van het HIVvirus en het Ebolavirus de wereldbevolking gedecimeerd had. Paul, een Shell-arts in Gabon was met zijn zeiljacht de Fuyard de zee opgevaren om aan besmetting te ontkomen. Terwijl hij op zijn boot aan het overleven was, verspreidde het dodelijke virus zich over Afrika. Dorpen en steden hielden op te bestaan en werden overwoekerd door het oerwoud. En al gauw bereikte de epidemie de rest van de wereld. Uiteindelijk komt Paul aan in Australië waar hij verliefd wordt, en zijn nieuwverworven vrouw aan het virus prijs moet geven. Uiterst beklemmend beschrijft Schuringa de onoplosbare eenzaamheid van Paul op zijn schip de Fuyard, nadat hij zijn zwangere geliefde aan de golven prijs heeft gegeven. Paul besluit terug te zeilen naar daar waar alles begonnen was, Gabon. Hij verliest zijn jacht en gaat over land verder, vergezeld van een hond die hij Kwark noemt. Aangekomen bij de mysterieuze en verlaten plantage Margraff lijkt het erop dat Paul zijn  eindbestemming heeft bereikt. Hij beseft dat pas nadat hij door een dodelijk giftige slang gebeten wordt. Ook hier weet Schuringa de magie in zijn novelle wonderschoon gestalte te geven. Kwark blijft alleen achter. Wat te denken van de slotzin: ‘De wereld staat stil, hier op de afgelegen landtong. Alleen de zon beweegt met tegenzin. Dan omsluit de natuur het trouwe beestje met een deken van genegenheid.’ Chapeau! 

         

Er is een ding dat me zal blijven verbazen in de schrijfsels van Nederlandstaligen als het over Curaçao gaat. Het gebruik van het Papiaments. Als ik een verhaal over Duitsland zou moeten vertellen en daarbij een en ander onvertaald laat, dan zorg ik er natuurlijk voor dat het gebruikte Duits foutloos is. Daar heb je woordenboeken voor, of leraren Duits. Of vertalers. Zowel Jeroen Leinders als Bob Schuringa maken zich schuldig aan fouten in het Papiaments die de taal maken tot een soort apentaal. Ik noemde al ‘kunuku’, dat landbouwgrond betekent, en geen wildernis. Wildernis is ‘mondi’. Of het gebruik van het woord pika, als doorn of ander scherp uitsteeksel bedoeld wordt. Een doorn is een sumpiña. Pika is een werkwoord. E ta pika, het prikt. Aan dit soort taalgebruik maken beslist niet alléén Jeroen Leinders en Bob Schuringa zich schuldig. Ik ben bang dat het Papiaments in het Nederlands een eigen leven is gaan leiden, en misschien heeft dit ongeëigende gebruik van Papiaments met de jaren bestaansrecht verworven. Misschien bestaat er zoiets als Papiaments voor Nederlanders, die door de knoek lopen, in pika’s trappen en koño zeggen zonder de intrinsieke beledigende betekenis van het woord in te voelen. Want Miep Dieckman deed het ook al, in De boten van Brakkeput, en Marijn bij de lorredraaiers. En dat is toch een hele tijd geleden.
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter