blog | werkgroep caraïbische letteren

Suriname, niet klaar voor de onafhankelijkheid

door Bish Ganga

Bovengenoemde woorden sprak oud-minister Jan Pronk (1940) in een radio-interview[i] ter gelegenheid van het verschijnen van zijn boek Suriname, van wingewest tot natiestaat. Het boek gaat over de totstandkoming van de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975. Pronk zegt dat eigenlijk geen enkel land ooit klaar is voor de onafhankelijkheid en verwijst onder meer naar Afrikaanse landen die rond dezelfde periode onafhankelijk zijn geworden.

Rond zijn dertigste jaar wordt Pronk voor de eerste maal minister van Ontwikkelingssamenwerking, in het kabinet Den Uyl. Tegen Joop den Uyl keek hij op. In zijn werk maakte Den Uyl gebruik van een aantekenboekje voor zijn notities bij de overlegsessies die hij voerde. Pronk nam die gewoonte over. Gedurende zijn arbeidzame leven heeft Pronk 20.000 pagina’s volgeschreven. De pagina’s over de vergaderingen in het kader van de onafhankelijkheid van Suriname hebben het mogelijk gemaakt dat hij dit ‘encyclopedische’ werk heeft uitgebracht.

Zijn boek, dat dit jaar uitkwam, heeft inmiddels al twee drukken beleefd. In dit artikel ga ik in op de auteur en een aantal thema’s die hij in het boek aansnijdt.

De auteur

Jan Pronk is jarenlang minister van Ontwikkelingssamenwerking geweest. Daarnaast heeft hij diverse andere functies vervuld, waaronder die van hoogleraar Theory and Practice of International Development aan het Institute for Social Studies in Den Haag. Hij is zeer gewaardeerd en heeft meerdere onderscheidingen ontvangen voor zijn werk.

Bij de totstandkoming van de onafhankelijkheid van Suriname is Jan Pronk een constante factor, vanaf de eerste voorbereidende gesprekken, de parlementaire behandelingen van de toescheidingsregeling in Nederland en Suriname, tot en met de proclamatie. Als minister van Ontwikkelingssamenwerking was hij de ‘ongekroonde’ probleemeigenaar. De korte perioden waarin hij minister af was, was hij toch politiek betrokken bij Suriname. Als geen ander was hij degene die dit boek kon schrijven.

In zijn jeugd verzamelde Jan Pronk plaatjes die bij de koffie van Douwe Egberts werden geleverd en die konden worden ingeplakt in een album. Pronk was 10 toen hij in het album Naar ‘de West’, geschreven door Piet Bakker, voor het eerst over Suriname las. Bakker had niet alleen aandacht voor de schoonheid van het land, hij had ‘niet geaarzeld een vinger op de wonde plek te leggen’.

Beeldend had hij de erbarmelijke woonsituatie van de Saramaccastraat in Paramaribo beschreven, waar in geen ‘honderd’ jaar iets was veranderd. Ereschuld noemde Piet Bakker dat. Dat beeld van de ‘ereschuld’ werd bij Pronk als een kras op zijn ziel.

Twintig jaar later – als Pronk de politiek in gaat – wordt de beschrijving van Piet Bakker leidend. ‘De politieke en economische schuld van Nederland jegens Suriname’ moest worden vereffend. Die moest worden ingelost met ‘het toekennen van volledige vrijheid en onafhankelijkheid, gevolgd door compensatie, herstelbetaling en beschikbaarstelling van middelen om de toekomst van het land zeker te stellen (pagina 16). Dit waren de redenen voor Nederlands soepele opstelling en gulle hand van geven tijdens de onderhandelingen over de verlening van de onafhankelijkheid. De onderhandelingen hebben meermaals geknetterd. Ondanks alles heeft Suriname er – volgens Pronk – veel uitgesleept. Onder de streep kwam een bedrag te staan van Nf 3.500.000.000 (Nf 3,5 miljard). Een stille getuige van wat met dat geld is gedaan, is het wegrottende restant van een spoorlijn van niets naar nergens in West Suriname.

Suriname, een Nederlands construct

In het radio-interview bij het uitkomen van zijn boek bezigt Jan Pronk grote woorden. Nederland zou als koloniale machthebber enorm hebben huisgehouden in dat land. Suriname was volgens hem een Nederlands construct. Nederland had de grenzen bepaald en de bevolkingssamenstelling was het resultaat van de koloniale opstelling. In zijn ogen was de bevolking niet geïntegreerd, maar hij verzuimt te melden wanneer dat wel het geval zou zijn geweest.

Verder zegt hij: “Er waren etnische tegenstellingen en die waren het gevolg van de Nederlandse opstelling. Wij hadden daar tot slaaf gemaakte Afrikanen, mensen uit India en Java naartoe gebracht.”

Het is niet moeilijk zijn lijst van migranten aan te vullen. Zo is er de immigratie in Suriname van Nederlandse boeren, van wie de nazaten Boeroes worden genoemd. Helaas is deze migratiepoging door slechte voorbereiding en tropische ziekten geen succes geworden. Maar ook Chinezen zijn bij wijze van experiment naar Suriname gehaald om op de plantages te werken. Dat experiment zou je eveneens als mislukt kunnen beschouwen, omdat de Chinezen na de contractperiode massaal de landbouw de rug toekeerden om zich toe te leggen op de handel. Verder heeft Suriname veel Joden, die door andere landen werden vervolgd, onderdak geboden. Zolang Brazilië Nederlands was, konden de Joden daar rustig verblijven, maar na de Portugese overname vluchtten ze, eerst naar Cayenne. Cayenne werd weer Frans en zette alle Joden en Hollanders het land uit, waarna een deel van hen in Suriname terechtkwam.

Tot slot zijn in de laatste decennia Brazilianen, Haïtianen en Guyanezen in noemenswaardige aantallen en bijna geruisloos deel gaan uitmaken van de Surinaamse samenleving. Het gaat hier om arbeidsmigranten en (economische) vluchtelingen. De Surinaamse samenleving is zodoende nog verder gemêleerd geraakt. Dus ook nadat de banden met Nederland waren doorgesneden, zijn er nieuwe groepen naar Suriname gekomen.

Integratie Surinamestijl

De gesegmenteerde samenleving van Suriname heeft zichzelf een richting verschaft in de weg naar integratie. Het land is erin geslaagd een integratie Surinamestijl uit te vinden. Mensen blijken altijd vindingrijker dan de bestaande theoretische modellen uit de wetenschap doen veronderstellen.

Ter illustratie: de Surinaamse samenleving staat er wereldwijd om bekend dat ze zo vredelievend is, dat naast een synagoge een moskee kan staan en dat de betrokkenen – Joden en Moslims – jarenlang als buren in harmonie naast en met elkaar leven.

Paramaribo: moskee aan de Keizerstraat. Foto © Michiel van Kempen

Een ander voorbeeld van de Surinaamse integratie: na de invoering van het algemeen kiesrecht in Suriname stelde de Hindostaanse VHP onder leiding van Jagernath Lachmon via een tussenverkiezing een zetel beschikbaar aan de Creoolse NPS. Daardoor kon Jopie Pengel in het parlement worden gekozen. Lachmon en Pengel hebben zo samen de zogenaamde Verbroederingspolitiek ingeluid en vormgegeven.

Pronk betoogt dat de niet geïntegreerde Surinaamse samenleving de schuld was van Nederland. Dat de Surinaamse samenleving niet geïntegreerd zou zijn is een persoonlijke opvatting van Pronk. In het voorgaande heb ik betoogd dat er wel degelijk sprake is van integratie van de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname, maar dan anders dan het geijkte concept, zo dat al ergens bestaat. Een schuldvraag is mijns inziens dan ook niet aan de orde.

Eenheid in verscheidenheid

Slaven zijn als handelswaar op mensonterende wijze verhandeld aan de westkust van Afrika en gedwongen naar onder meer Suriname overgebracht. De andere bevolkingsgroepen van Suriname zijn min of meer vrijwillig naar Suriname gebracht of gekomen.

In Suriname was de integratie een stil, autonoom proces. De aanwezigheid van diverse groepen mensen was op een gegeven moment een feit. De groepen moesten elkaar gedogen, anders was samenleven onmogelijk. Naarmate de tijd verstreek, namen de onderlinge contacten tussen de leden van de verschillende groepen toe en de mate van integratie groeide mee. Rond 1950 was de integratie zo ver gevorderd dat de bevolkingsgroepen Suriname als hun eigen land zagen en politieke zeggenschap probeerden te verwerven, nu de mogelijkheden er waren geschapen. De eerste politieke partijen werden opgericht, toen nog religieus of etnisch georiënteerd, zoals de P.S.V. (Progressieve Surinaamse Volkspartij), de N.P.S. (Nationale Partij Suriname), de Hindostaans-Javaanse Partij, de Moslim Partij, de Neger Politieke Partij, de Christelijke Sociale Partij enz. De wetenschapper en politicus Jnan Adhin duidde die situatie aan met de term: Eenheid in verscheidenheid in Suriname.

Uit verschillende opmerkingen van Pronk waarop ik eerder in dit artikel inging, zou men kunnen concluderen dat de situatie van Suriname vlak voor de onafhankelijkheid erbarmelijk was. Dat lag zeker genuanceerder. Later in datzelfde gesprek geeft hij toe dat hij een en ander toch verkeerd had ingeschat en geeft hij credits aan de voorgaande regeringen van Nederland. Hij zegt: “Ik zag dat in Suriname de rechtsstaat veel verder en beter ontwikkeld was dan in de meeste nieuwe landen in Afrika. Er was een parlementaire democratie, er was sprake van een vrije pers en er bestond een onafhankelijke vakbeweging. Wat dat betreft hadden de vorige Nederlandse regeringen waar ik altijd kritiek op had gehad, het beter gedaan dan ik voorheen vond”.

Leger

Jan Pronk was tegen het feit dat Suriname bij de onafhankelijkheid een leger zou krijgen, omdat daarmee een staatsgreep op de loer zou kunnen liggen. Het leger is er desondanks gekomen. De financiering is door een rekenkundige slimmigheid geregeld. Nederland stelde verder kolonel Valk beschikbaar om adviserend mee te werken aan de transitie van de TRIS (Troepenmacht in Suriname) naar de SKM (Surinaamse Krijgsmacht). De rol van Valk wordt als controversieel beschouwd in relatie tot de gepleegde coups en tot andere wandaden van het leger. Helaas komt in die kwestie geen helderheid op korte termijn, omdat het desbetreffende dossier door de Nederlandse overheid als geheim is verklaard en pas in 2060 wordt vrijgegeven. [Ellen de Vries publiceert in 2021 een boek over kolonel Valk, waarin zij ingaat op deze kwestie – red. CU.]

De vrees van Pronk werd jammer genoeg bewaarheid, want de coups zijn niet uitgebleven. Suriname is dit jaar 45 jaar onafhankelijk. In die periode hebben Bouterse en het leger zeker 40 jaar lang een stempel op het land gedrukt met als gevolg dat anno 2020 de schatkist leeg is, de schulden torenhoog zijn en de bevolking door en door verarmd is. Sinds kort is een nieuwe coalitieregering aan het werk gegaan en heeft iedereen daarop zijn hoop gevestigd.

Het boek

De titel van het boek is: Suriname, van wingewest tot natiestaat (ISBN: 978-94-6022-516-1). Ik heb de tweede gewijzigde druk gelezen. Het boek heeft 560 druk bedrukte pagina’s en weegt maar liefst ruim één kilo.

Achter in het boek heeft Pronk per hoofdstuk bronvermeldingen opgenomen. In het boek is ook een uitgebreid register aanwezig. Het geheel ziet er wetenschappelijk verantwoord uit. De feiten heeft hij met de precisie van een Zwitsers uurwerk beschreven, dankzij zijn aantekeningen.

Veel mensen uit Suriname en Nederland, van wie een behoorlijk aantal intussen is overleden, passeren in het boek als stakeholder de revue. De gesprekken en overleggen heeft Pronk uitgebreid beschreven. De lezer dient wel in het achterhoofd te houden dat het hier om de perceptie van één persoon gaat, namelijk de schrijver zelf. Daarin is Pronk ook heel helder, want in het radio-interview zegt hij: ‘Het is mijn eigen kijk op mijn eigen ervaringen, gebaseerd op de aantekeningen van destijds’.

Pronk heeft meer boeken geschreven die met zijn vroegere werk te maken hebben: Op zoek naar een nieuwe kaart (over de veranderingen in de Ontwikkelingssamenwerking) en Strijd rond de Grote Meren (over de strijd in Rwanda). In de Volkskrant zegt hij schertsend: ‘Ik schrijf deze boeken, maar er is niemand die ze leest.’

Ik heb het boek van kaft tot kaft gelezen. Het boek heeft geen voorwoord of verantwoording. Op pagina 5 staat het gedicht Zelfstandigheid – Srefidensi van Trefossa afgedrukt.

In het radio-interview merkt Pronk op dat het boek voor een deel autobiografisch is en dat het een vorm is van verantwoording afleggen.

De eerste zin van het boek luidt: ‘Van slapen kwam die week bar weinig. We waren op weg naar, dachten we, een harmonieuze soevereiniteitsoverdracht, maar we kregen een lesje onderhandelen’.

De laatste zin luidt: ‘Als hun[ii] inzet en betrokkenheid gepaard gaan met de moed en wijsheid van Cynthia Valstein-Montnor en haar collega’s, is er voor Suriname nieuw perspectief’.

Ik hoop dat nu dat moment is aangebroken en dat met de nieuwe coalitieregering Santokhi/Brunswijk het nieuwe perspectief gloort.

Pronk beschrijft in zijn boek minutieus de totstandkoming van de onafhankelijkheid van begin tot eind. Het begon bij Henck Arron, die in de Staten van Suriname – het Surinaamse parlement – met één zetel een gewone meerderheid had verworven. Arron sloot daarop een verbond met Eddy Bruma en noemde een datum voor de onafhankelijkheid. Bruma had zich altijd al voor onafhankelijkheid uitgesproken. Een referendum, waarnaar de oppositie vroeg, werd afgewezen. Als dat was gehouden, dan kon met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gezegd dat de uitslag negatief zou zijn. Met andere woorden, een meerderheid van slechts één zetel in het Surinaamse parlement bleek voldoende voor het verkrijgen van de onafhankelijkheid!

De vraag naar onafhankelijkheid vanuit de kolonie Suriname moet Nederland als muziek in de oren hebben geklonken, want in Keerpunt ’72, het regeerakkoord van de drie progressief-linkse politieke partijen was dekolonisatie een belangrijk item.

Zoals Jan Pronk zelf zegt, is dit boek een vorm van een verantwoording. Ja, dat is het.

Iedereen kan het nu nalezen.

Slotopmerking

Ten tijde van de onafhankelijkheid was Johan Ferrier de laatste gouverneur van Suriname, die daags erna werd beëdigd als president. Henck Arron was de premier van het land en Jagernath Lachmon de oppositieleider. Opmerkelijk is evenwel dat zij alle drie hun laatste adem in Nederland hebben uitgeblazen. Een bevestiging van de verbondenheid van de beide Ianden?


[i] NOS Radio 1 Journaal, 9 april 2020.

[ii] Een aantal goede studenten van Institute for Social Studies in Suriname

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter