blog | werkgroep caraïbische letteren

Stedman: dichter-militair in een gruwelijke tijd

De biografie van John Gabriel Stedman door Roelof van Gelder

door Michiel van Kempen

Valt er aan de tijd van de slavernij veel te relativeren? Niet als het gaat om het rigoureuze, economische systeem waarin eeuwen lang de menselijkheid van arbeiders werd gereduceerd tot minder dan die van een beest. Wie aan de slavernij denkt, ziet bijna altijd – bewust of onbewust – de 18e-eeuwse beelden voor zich die wij te danken hebben aan het werk van John Gabriel Stedman. (Als ik de naam ‘Gabriel’ inspreek in mijn Dragon-spraakherkenningssysteem, geeft hij bizar genoeg weer: ‘dierenbeul’ en voor ‘Stedman’ verstaat het systeem: ‘sterke man’ – maar dat terzijde.)

Portret van John Gabriel Stedman, in archief Abtei Rommersdorf, nabij Koblenz, Duitsland.

 

Stedman maakte in zijn jaren dat hij in Suriname dienst deed als kapitein in het marron-jagende leger van de Zwitserse kolonel Fourgeoud (1773-1777) tekeningen die decennia later de basis vormden voor gravures van de hand van o.a. William Blake in Stedman’s Narrative of a five year’s expedition against the revolted negroes of Suriname uit 1796. Die gravures zijn wereldwijd bepalend geweest voor het beeld dat mensen zich hebben kunnen vormen over de gruwelijkheden van het slavernijsysteem. Stedman’s boek werd een regelrechte bestseller. Het werd binnen enkele jaren tijds vertaald in alle grote wereldtalen van die tijd: in het Duits, Frans, Italiaans, Zweeds en ook in het Nederlands, en het verhaal en/of de gravures werden in tal van edities – o.m. als jeugdboek – verspreid.

 

De Nederlandse vertaling van Stedman’s Narrative, verschenen in vier delen in 1799-1800. De gravure van een slavin wier vlees opengereten is door een afranseling met de zweep is een van de aangrijpendste beelden uit de slaventijd. Collectie MvK.

Aan de naam Stedman bleef altijd iets dubbelzinnigs hangen: voor de bekendmaking van de gruwelen waarmee de plantagelandbouw in de koloniën gepaard ging, speelde hij een cruciale rol. Tegelijkertijd was hij een van de bekendste koloniale militairen, een unverfroren houwdegen die het prachtige mulattenmeisje Joanna bezwangerde en haar in de kolonie achterliet om er met hun zoontje Johnny vandoor te gaan naar Europa. Dat beeld hebben twee boeken aan gruzelementen geslagen: de vuistdikke uitgave uit 1988 door Richard en Sally Price van het oorspronkelijke handschrift van Stedman’s Narrative, en nu en nieuwe biografie van Roelof van Gelder onder de titel Dichter in de jungle; John Gabriel Stedman (1744-1797). Uit de uitgave van de Price’s werd duidelijk hoezeer de eerste uitgave van Stedman’s Narrative door een redacteur op maat werd gesneden van de vigerende koloniale visie op slavernij. Stedman’s eigen genuanceerde en vaak mee-levende blik op de slavenbevolking werd gecorrumpeerd en passages werden toegevoegd, zoals die waarin wordt gesteld dat het in Suriname veel beroerder met de slavernij was gesteld dan elders. Uit de biografie van Van Gelder rijst nu de Stedman van vlees en bloed op, niet langer de man die eendimensionaal met ‘Suriname’ verbonden is, maar iemand die een bewogen leven gehad heeft en méér was dan een schrijvende legerkapitein. De titel geeft in dat opzicht al een duidelijke hint: Stedman wàs dichter en nog niet eens zo’n beroerde ook. En om dan maar meteen op Joanna terug te komen: het was niet Stedman die de mooie mulattin achterliet in de kolonie, integendeel heeft hij hemel en aarde bewogen om de vrouw die zijn leven redde, met wie hij de gelukkigste periode van zijn leven deelde en van wie hij zielsveel hield, mee te krijgen naar Europa. Maar zij wilde niet, zij wilde haar familie niet achterlaten en zo betaalde zij een hoge prijs voor haar keuze: in Europa zou zij al gauw vrijverklaard zijn, in Suriname bleef zij slavin.

 

Joanna (ingekleurde gravure uit de Italiaanse Stedman).

Roelof van Gelder neemt ons mee naar de jaren dat Suriname nog totaal niet in zicht was, naar de jonge beroepsmilitair, geboren in Dendermonde in een Schots-militaire familie. We zien hoe Stedman in de zuidelijke Nederlanden van garnizoensstad naar garnizoensstad trok: Breda, ’s-Hertogenbosch, Maastricht, Namen enz., hoe hij gauw aangebrand het ene duel na het andere uitvocht, zich bijna dagelijks een stuk in de kraag zoop en de jonge meisjes aan zijn lans reeg als een ringsteker op de rug van een boerenknol. Het leverde hem natuurlijk geslachtsziekten op, maar daar kon met sulferpreparaten wel weer wat aan gedaan worden, pijnlijke behandelingen aan het lichaamsdeel dat eerst zoveel genot verschafte. De carrièremilitair kiest genoeg hooggeplaatste lieden binnen zijn kring van bekenden om hem van dienst te zijn, maar van een leien dakje gaat het niet. Dan kiest de gauw verveelde soldaat het ruime sop om in Suriname de marrons die de plantage-economie bedreigen, over de kling te jagen. Hij is niet principieel tegen de slavernij, maar stelt vanaf het eerste moment vast dat de manier waarop zwarte mensen behandeld worden, mensonterend en ten hemel schreiend is. Zelf laat hij bijna het leven in de loodzware expedities in het met gele koorts en malaria verpeste oerwoud, gedrild in het leger van de meedogenloze Fourgeoud. Het is zijn mooie Joanna – die hij tot vrouw heeft kunnen nemen na daarvoor toestemming te hebben gekregen van haar moeder! – die hem verpleegt en weer terugbrengt onder de levenden. Zij geeft hem, samen met hun zoontje Johnny, de smaak van geluk terug.

De uitgave door Richard en Sally Price van het oorspronkelijke manuscript van Stedman (1988). Collectie MvK.

Na ruim vier slopende jaren keert Stedman terug naar Nederland, om zich tenslotte in Engeland te vestigen in het plaatsje Tiverton met een vrouw die hij in Nederland heeft leren kennen: Adriana. Hij verwekt bij haar vier kinderen, maar met Johnny die na enkele jaren ook is overgekomen, kan zij het maar moeilijk goed vinden. Beseft zij hoezeer deze Johnny voor haar man de herinnering levend houdt aan zijn geliefde overzee? Ongetwijfeld, maar zij was ook geen gemakkelijke natuur en voelde zich in Engeland eigenlijk nooit goed thuis. Roelof van Gelder geeft goed inzicht hoe een beroepsmilitair zich met een bescheiden toelage in leven moest zien te houden, steeds sterker geplaagd door kwalen, o.m. door ‘scheurbuik in het gezicht’. Stedman’s hoop was gevestigd op zijn boek over Suriname, dat hij na jaren schrijven voltooide in 1790, maar dat een moeizaam productieproces tegemoet ging, onder meer omdat Stedman zich niet kon vinden in de redactie en buitengewoon ontevreden was over de kwaliteit van sommige gravures.

 

Een jeugduitgave uit 1806 met de gravure uit Stedman’s Narrative waarop hij een zes meter lange aboma vangt, of: laat vangen. Bibliothèque géographique et instructive des jeunes gens, ou recueil de voyages intéressants. Collectie MvK.

Roelof van Gelder geeft ons een prachtig beeld van een buitengewone beroepsmilitair in de 18de eeuw. Hij is een no-nonsense historicus, die zich stoort aan de ideologische invulling die door bepaalde gremia aan de geschiedenis wordt gegeven. Zo is de liefdesgeschiedenis tussen Stedman en Joanna wel geïnterpreteerd als een sentimenteel verhaal waarbij haar afhankelijkheid van de koloniale macht wordt weggestopt. Van Gelder geeft Joanna meer agency, maar hij is wars van dat soort jargon en stelt eenvoudig en met de kracht van de overtuiging van de bronnen: ‘Door eenzijdig de nadruk te leggen op die verschillen is men blind voor het feit dat een Europeaan ook nog wel eens een oprecht gevoel zou kunnen hebben.’ Na Ellen Neslo en Karwan Fatah Black is met dit boek opnieuw meer nuance gebracht in de complexe slavernijgeschiedenis die soms al te zwart-wit wordt neergezet.

Het boek van Van Gelder leest als een tierelier en slechts hier en daar zit hij er nèt naast. Zo was de Joodse gemeente in de tijd dat Stedman in Suriname arriveerde al niet langer geconcentreerd op Jodensavanne (p. 94), aangevoerde Afrikanen gingen niet eerst naar Curaçao maar naar Sint Eustatius en werden van daar verder ‘gedistribueerd’ (p. 95)’, er waren niet twee maar vijf Vrijmetselaarsloges in Paramaribo (p. 111) en het theater in Paramaribo heette niet de Nederlandsche Comedie maar de Hollandsche Comedie (p. 362). Spijtig is dat lang niet alle persoonsnamen in het register zijn opgenomen; zo ontbreekt de toch niet onbelangrijke Haïtiaanse vrijheidsstrijder Toussaint Louverture (wiens naam op p. 318 mogelijk door een al te Frans-bewuste uitgeverijredacteur incorrect is weergegeven als Toussaint L’Ouverture). Maar dit is allemaal klein bier in een heldere biografie, die, verrijkt met fraaie kleurenreproducties, de lezer meeneemt in een menselijk verhaal uit een even fascinerende als gruwelijke tijd.

 

 

Roelof van Gelder, Dichter in de jungle. John Gabriel Stedman (1744-1797). Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2018. 400 pp. ISBN 978 90 450 3272 6

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter