blog | werkgroep caraïbische letteren

Slavernijverleden in het onderwijs [1]

door Fred de Haas
In de afgelopen  decennia is er vanuit bepaalde gemeenschappen in Nederland, met name vanuit de assertieve Surinaamse bevolkingsgroep, een niet aflatende druk uitgeoefend om meer aandacht te besteden aan het slavernijverleden van Nederland. Dat heeft o.a. geleid tot een verandering in de samenstelling van informatie over dat verleden in de Canon van Nederland (2006), die in 2020 verrijkt is met ‘voortschrijdend inzicht’ op dat gebied. Een Canon is immers een product van tijdgebonden Vergeten en Herinnering.

In dit artikel zullen we aan de hand van een aantal voorbeelden uit andere landen dan Nederland bestuderen hoe het slavernijverleden daar wordt behandeld binnen het onderwijs. Aan bod komen Portugal, Frankrijk, Engeland, Senegal, Guatemala, Honduras, Panama, Nicaragua, Costa Rica, Mexico, Haiti, Curaçao en Aruba.

Christiane Taubira, au Festival America 2018 de Vincennes. [Wikipedia / public domain]

Een gecompliceerde geschiedenis
Het jaar 2011 werd door de United Nations uitgeroepen tot het ‘Internationale jaar van de mensen met een Afrikaanse afkomst’. Het was de tiende verjaardag van de Wet Taubira die de transatlantische slavenhandel als ‘misdaad tegen de menselijkheid’ bestempelde. Christiane Taubira, de toenmalige, uit Frans Guyana afkomstige ‘zwarte’ Minister van Justitie van Frankrijk, heeft toen met opzet nagelaten in het wetsartikel melding te maken van de beruchte Arabische slavenhandel (7e tot de 15e eeuw en later) die er de oorzaak van was dat miljoenen Afrikanen naar het Noorden en Oosten van Afrika en verder werden gedeporteerd. Dat zou, zo was haar redenering, een te grote morele last hebben gelegd op de schouders van de talrijke Arabische jongeren in Frankrijk!

Een ernstige omissie!

David Livingstone

 Zanzibar in Oost-Afrika was eeuwenlang een van de allergrootste slavenmarkten van Afrika. De Schotse ontdekkingsreiziger David Livingstone (1813-1873) heeft nog met eigen ogen gezien hoe Arabische slavenkaravanen naar de Oostkust van Afrika trokken om daar mensenhandel te bedrijven. Veel jonge, tot slaaf gemaakte mannen zijn toen gecastreerd en mochten van geluk spreken als ze niet aan die primitieve ‘operatie’ bezweken.
Het is de meeste mensen nauwelijks bekend dat er in die tijd ook honderdduizenden blanke mensen uit o.a. de Slavische landen (waar de term ‘slaven’ vandaan komt) door handelaren uit Marseille en Venetië naar het Midden-Oosten zijn verkocht.

Slavernijverleden en Onderwijs
Onderwijs is onvervangbaar als middel om toekomstige burgers te vormen en om een collectief geheugen en (historische) identiteit van een land en zijn bevolking op te bouwen.
In veel landen blijkt het slavernijverleden nog een blinde vlek in de leerplannen van scholen en wordt het onderwerp als te ‘gevoelig’ ervaren. Het is nu eenmaal geen thema dat bijdraagt tot verheerlijking en roem van het verleden. Het wordt dus graag in veel landen weggemoffeld of ‘over het hoofd gezien’. Voor het geval dat er wel over gesproken kan worden, staan de scholen voor een moeilijke taak. Ze moeten in feite onderwijzen wat de maatschappij wenselijk vindt en kunnen dus bij het behandelen van het slavernijverleden in conflict raken met de heersende opvattingen van bepaalde groepen in de samenleving. Bovendien blijkt dat ook  onderwijzers/leraren soms geen verstand hebben van die geschiedenis. Ze zijn door hun vroegere opleiding vaak niet op die taak berekend en beschikken niet altijd over de juiste bronnen. Vandaar het belang van richtlijnen zoals deze worden gegeven in documenten als de Canon van Nederland, de Canon van Curaçao of expliciete voorschriften van de Overheid.

Paramaribo, Suriname, 1970 / foto Fred de Haas

Hoe moeizaam de behandeling van het slavernijverleden kan verlopen in verschillende landen van Europa, Afrika en het Caribisch gebied, zal ik in het verloop van deze beschouwing aan de hand van historische bronnen en op het internet beschikbare leerplannen proberen te schetsen.

Portugal
Hoewel Portugal – met o.a. Spanje, Nederland, Engeland, Frankrijk en Noord-Afrika –  een belangrijke rol heeft gespeeld in de vroegere slavenhandel, hebben de meeste Portugezen geen flauw benul van wat honderdduizenden Afrikanen is aangedaan door hun vaderland in de pre-koloniale en koloniale tijd.
Die onbekendheid met de handel in mensen is niet in de laatste plaats te wijten aan het vrijwel ontbreken van verwijzingen naar dat duistere verleden in de leerprogramma’s van de scholen (zie o.a Ministerio da Educação, Portugal, Primeiro ciclo do Ensino Básico: Organização Curricular e Programas, Lisboa, Imprensa Nacional).
Onder de racistische en discriminatoire dictatuur van Salazar (van 1932 tot 1968) werd het koloniale verleden verheerlijkt en had men geen oog voor de wandaden die de Portugezen hadden bedreven in vroeger eeuwen, evenmin als voor het feit dat er tot 1960 sprake was van dwangarbeid in ‘Portugees’ Afrika. Plaatsen in Portugal die herinneren aan de slaventijd (o.a. gebouwen, vooral in de havensteden) werden ‘vergeten’ en het feit dat er na de onafhankelijkheid van de Portugese koloniën een groot aantal migranten uit Kaapverdië, Guinee Bissau, Angola en Mozambique naar Portugal kwamen, heeft er niet voor gezorgd dat er een begin werd gemaakt met een deugdelijke behandeling en verwerking van het koloniale verleden.

Recife, Brazilië / foto Fred de Haas

Toch zijn er in het leerplan van leerlingen van 6-14 jaar genoeg aanknopingspunten te vinden. In de les wordt uitgebreid gesproken over de geschiedenis van het Iberisch Schiereiland, de Portugese en Europese expansie en de ontdekkingsreizen. Maar alleen de positieve aspecten worden benadrukt, zoals het toenemen van de aardrijkskundige kennis. Als de 18e eeuw wordt behandeld heeft men het versluierend over de Afrikaanse ‘migratie’ naar Brazilië, de suikerproductie en de mijnbouw. Verwijzingen naar de afschaffing van de slavernij zijn zeer beknopt en men zwijgt over de weerstand van Portugal en Brazilië hiertegen. In Brazilië werd deze Emancipatie pas een feit in 1888.

Er kwamen in Brazilië onder het presidentschap van Cardoso (van 1995 tot 2002) schoolhervormingen tot stand en het slavernijverleden werd een nationale zaak. In 2003 werd het onderwijs in de Afro-Braziliaanse cultuur en geschiedenis bij wet verplicht. Onder President Lula werd ook het onderwijs in de algemene geschiedenis van Afrika op de scholen verplicht en werden de Braziliaanse Universiteiten aangespoord om hun Afrikaanse afdelingen te ontwikkelen. Dat gaf aanleiding tot een stroom van studies die sindsdien niet meer is opgehouden.

Het is duidelijk dat het onderwijs in de algemene geschiedenis van Afrika niet in de leerplannen mag ontbreken als een regering geïnteresseerd is in de achtergronden van een land waar veel inwoners van Afrikaanse herkomst zijn, zoals in het Caribisch gebied, Brazilië en Colombia.

Luchtfoto van Citadelle Laferrière, Haiti – foto US Federal Government public domain [Public Domain]

Frankrijk
Eeuwenlang, tot de jaren ’60 van de 20e eeuw, heeft Frankrijk er veel aan gedaan om de nationale mythe van bloei en beschaving in stand te houden binnen het onderwijs. In de schoolboeken zweeg men over de slavenopstand in Saint Domingue (Haiti) van 1793 die plaats vond voordat er in de Franse Assemblée (de ‘Convention’) in 1794 werd gestemd voor de algehele afschaffing van de slavernij. Pas na de 150e verjaardag van de afschaffing van de slavernij begon men in de schoolboeken een grotere plaats in te ruimen voor het Franse slavernijverleden. In 2000 (zie Bulletin officiel de l’Education nationale, no 8 van 24 februari 2000) nodigde het Franse ministerie van Onderwijs  de docenten van Guadeloupe, Martinique, Guyane en La Réunion uit om de lokale slavernij en het plantagesysteem onder de aandacht van de leerlingen te brengen, maar zelf had Frankrijk grote moeite om dit thema te integreren in het gewone, vaderlandse geschiedenisonderwijs. Toen de Wet van Taubira (2001) de slavernij als misdaad tegen de menselijkheid had gekarakteriseerd en had voorgeschreven dat de onderwijsleerplannen aan de slavenhandel en de slavernij de plaats moesten geven die hen toekwam, kwam er meer beweging in het onderwijs. In 2002 werd het onderwerp opgenomen in het leerplan van het Lager Onderwijs en in 2008 in dat van het Middelbaar Onderwijs.

Zwarte tafelbediende, begin 16e eeuw, Museu Nacional de Lisboa de Arte Antiga

Een aarzelende benadering
Het officiële onderwijsprogramma van 2008 schrijft voor dat op de Franse scholen 10% van het geschiedenisonderwijs besteed moet worden aan ‘Regards sur l’Afrique’ (= Kijk op Afrika). De docenten hebben voor een behandeling van die Afrikaanse geschiedenis de keus tussen de oude Koninkrijken van Ghana, Mali, Songhai en Zimbabwe. Ook wordt in het programma verwezen naar de al eeuwenlang bestaande interne Afrikaanse slavenhandel. Deze had overigens niet de industriële omvang van de transatlantische en werd gekenmerkt door de handel in een verscheidenheid aan producten (o.a. goud) in de richting van het Middellands Zeegebied.

 Er kwamen felle protesten tegen dit voorschrift uit de wereld van het onderwijs waar men bang was voor een tekort aan aandacht voor de ‘vaderlandse’ geschiedenis. Uit die protesten spreekt ook onzekerheid en een  daaraan gepaard gaande minachting voor ‘het vreemde’. Voor het eerste kan je nog begrip opbrengen, want docenten zijn niet opgeleid om Afrikaanse geschiedenis te onderwijzen.
In 2010 waren er zes schoolboeken die de Afrikaanse geschiedenis behandelden. Voor wat betreft de slavenhandel, werd vooral de nadruk gelegd op de Middeleeuwse slavenhandel.

Helaas is er een afname van zelfreflectie te merken in de programma’s van de jaren 2015. Zo treffen we terughoudendheid in taalgebruik aan in de demografische beschrijving van de bevolking van de oude kolonies: ‘[…] le peuplement repose notamment sur le déplacement  d’Africains réduits en esclavage’ [de bevolkingsaanwas berust met name op de verplaatsing (!) van tot slaaf gemaakte Afrikanen]. En als men het heeft over de gewelddadigheden tussen de 11e en 18e eeuw dan worden alleen de kruistochten en de godsdienstoorlogen genoemd. Over de slavenhandel in, bijvoorbeeld, de Antillen en het Caribisch gebied wordt niet gesproken. Een uitzondering wordt gemaakt voor de leerlingen van de Departementen overzee. Daar kan, op gepaste afstand van de metropool, de invloed van de Franse Revolutie op de Antillen worden behandeld en kan de Haïtiaanse onafhankelijkheidsoorlog van 1794-1804 worden aangesneden. Toch is er enige vooruitgang te bespeuren en in de nieuwe programma’s van 2019 is men wat ruimhartiger. Er wordt zelfs vermeld dat de onafhankelijkheid van Haiti voortgekomen is uit een opstand van slaven in 1791 en wordt er vastgesteld dat Haiti de eerste Republiek is geweest die voortkwam uit een slavenopstand.

[wordt vervolgd; voor deel 2 klik hier door; voor deel 3 klik hier door]

Ontleend aan Antilliaans Dagblad, 3 juli 2021.


2 Trackbacks/Pings

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter