blog | werkgroep caraïbische letteren

Slavernij in Portugal en Spanje (1)

door Fred de Haas

Velen die zich bezighouden met de transatlantische slavernij zullen niet gauw stilstaan bij het gegeven dat, lang voordat deze industriële vorm van mensenhandel begon, er al volop sprake was van slavernij op het Iberisch schiereiland. Voldoende reden, dus, om een kijkje te nemen in de middeleeuwse wereld van Spanje en Portugal waar de inwoners al eeuwen bekend waren met het fenomeen ‘slavernij’ en daar ook niet moeilijk over deden, gesteund als ze werden door de officiële katholieke kerk die altijd de kant van het gezag koos.

Het Westgothische Rijk in het jaar 586.

Toen de Visigothen in de derde eeuw na Christus de macht in het Romeinse Rijk overnamen, handhaafden ze met harde hand het slavernijsysteem van de Romeinen. De laatste koning van de Visigothen, Egica (687-702), zette, bijvoorbeeld, zware straffen op het niet aangeven van een gevluchte slaaf. Zowel de slaaf als de bewoners van de plaats waar deze vandaan kwam kregen 100-150 zweepslagen (i). Represailles, dus. Kennelijk had Egica ook gevoel voor humor want als bisschoppen het in hun hoofd haalden om aan dit soort praktijken mee te doen, dan moesten ze van de koning 30 dagen vasten en werden meteen geëxcommuniceerd.

 

Egica, door Carlos Esquivel y Rivas, Prado, Madrid, 1853

De situatie werd er niet beter op toen in 711, gebruik makend van een burgeroorlog onder de Visigothen, de Berberse generaal Tariq ibn Ziyad (ii) met zijn Arabieren en Berbers het Iberisch schiereiland bestormden en bezetten. Zij noemden het hele land ‘Al-Andalus’, de naam die nu alleen nog wordt gebezigd voor de autonome regio in Zuid-Spanje. De Arabieren en Berbers, ook ‘Moren’ genaamd, zouden acht eeuwen lang hun culturele stempel drukken op Spanje en Portugal, totdat zij, na vele veldslagen, vanuit Noord-Spanje werden teruggedrongen door de christenlegers en zich in 1492 in Granada moesten overgeven aan de Katholieke Koningen Ferdinand en Isabella.

 

Tariq ibn Ziyad, Theodor Hosemann (1802-1873)

Na de inval van Tarik vluchtten veel Christenen met hun slaven naar het Noorden. Omdat er aan het begin van de herovering gebrek aan mannen was (iii), ontstond er een band tussen meesters en slaven omdat er immers een gemeenschappelijke vijand moest worden bestreden.
Aanvankelijk werden door Alfons I (739-757) de op de Moren veroverde steden uitgemoord. Later begon men pas gevangenen te maken, vooral vanaf de 9e eeuw. Ook Arabieren en Berbers maakten gevangenen tijdens hun expedities tegen de christenen. Duizenden christenslaven werden in de 10e eeuw buitgemaakt door Ibn Abu Amir, meer bekend onder de naam Almansur. Velen van hen werden verkocht in het Zuiden. Duizenden christenvrouwen werden gevangen genomen in León, Zamora en Pamplona. Zij zouden vaak als concubines dienen in het Arabische deel van Spanje.

 

Al Andaluz

Islam en slavernij

Hoewel de profeet Mohammed slavernij niet had afgekeurd, waren het zijn opvolgers die bepaalden dat Moslims geen slaaf mochten zijn. Dit had grote gevolgen voor de Arabische slavenhandel. In Noord-Afrika moesten toen namelijk hele volksstammen die zich tot de Islam hadden bekeerd worden vrijgelaten en waren de mensenhandelaren verplicht hun verderfelijk heil te zoeken in de niet-Islamitische landen ten zuiden van de Sahara. De zwarte gevangenen werden met karavanen naar het Noorden en Oosten gevoerd en zo kwam het dat, lang voordat de transatlantische slavenhandel zich ontwikkelde, zwarte Afrikanen als slaaf in Spanje en Portugal belandden. Zo vermeldt al in 1086 een tekst dat er tien zwarte slaven werden geschonken aan Paus Alexander II. (iv)

Het was echter niet zo dat christelijke concubines die zich tot de Islam bekeerden, zomaar werden vrijgelaten. De Arabieren hadden voor vrijlating een ingewikkeld systeem in het leven geroepen dat – natuurlijk – gunstig voor de man uitpakte. Als concubines een kind van de ‘Baas’ kregen, stegen ze op de sociale ladder. Ze bleven slavin, maar konden niet worden verkocht. Ze mochten ook niet gaan werken en pas bij overlijden van de baas waren ze vrij. Concubines hadden ook geen recht op geboorteregeling (in de praktijk kwam dat neer op coïtus interruptus). Ze hadden immers tot taak kinderen te baren en de baas te plezieren. (v)

Als een vrouw geen concubine was, maar een gewone slavin, kon ze zich vrijkopen via een contract met de baas. Ze mocht geen sex met de baas hebben. Sex was alleen voor de wettige vrouw (een moslim mocht vier wettige vrouwen hebben) en de concubines. Ook moest ze het geld voor de vrijkoop op een fatsoenlijke manier verdienen en niet als prostituee.
Zo waren er allerlei ingewikkelde regelingen. De Arabische wetgeving schreef wel voor dat een vrijgelaten slaaf in staat moest zijn zichzelf te onderhouden. Overigens was in Al-Andalus monogamie de regel. Alleen de rijken konden zich veel vrouwen veroorloven. Abd-al-Rahman III (10e eeuw) zou 6000 concubines hebben gehad. Nou, nou…

 

Madinat al-Zahra, paleis van Abd-ar-Rahman III, omgeving van Córdoba

Er waren ook zogenaamde ‘yawari’s’, speciaal opgeleide vrouwen, een soort geisha’s, die mannen konden vermaken met dans, conversatie en declamatie. De beroemde musicus Ziriyab heeft zulke vrouwen die bestemd waren voor de harem (vi) van Abd-al-Rahman II, muziekles gegeven in het paleis van Córdoba. Een yawari kon ook politieke invloed uitoefenen. Hun kinderen kregen vaak hoge posten, bijvoorbeeld als emir (vii). Omdat het vaak blanke vrouwen betrof werden de kinderen hoe langer hoe lichter van kleur. In de dynastie van de Omayaden stamden de meeste heersers af van blanke concubines. Abd-al-Rahman had nog maar een beetje Arabisch bloed.
Terwijl yawari’s meestal werden gekocht via makelaars, werden gewone slavinnen op de markt te koop aangeboden. Markten hadden voor mannen en vrouwen vaak een aparte afdeling, zoals in Málaga en Sevilla. Europese schilders uit de 19e eeuw als Ingres en Gérôme hadden over concubines de fraaiste fantasieën.

 

L’odalisque, Ingres, 1832; ‘odalik’ (Turks) = vrouw van de ‘oda’ (slaapkamer)

Alfons de Wijze van Spanje (1221-1284)

Hoe de Spaanse christenen over de Moren dachten wordt o.a. duidelijk uit het Wetboek dat onder supervisie van koning Alfons X, de Wijze, werd geschreven tussen 1256 en 1265 en dat later bekend is geworden onder de titel ‘Las Siete Partidas’ ( = de zeven delen). Het werk had tot doel gelijke regels voor het koninkrijk te verschaffen. Daar bij werden ook filosofische, morele en theologische onderwerpen aangesneden.

 

Gravure uit het eerste deel van ‘Las Siete Partidas’

In het Middeleeuwse Spanje werden, zoals eerder aangegeven, zowel Berbers als Arabieren aangeduid met het woord ‘Moro’ (viii). In de 17e en 18e eeuw gebruikte men ook de aanduiding ‘turco’ voor elke gevangene uit het Middellands Zeegebied die maar enigszins een bruine kleur had.
In Wet 1 van Las Siete Partidas wordt uitgelegd dat Moren ook wel ‘Saracenen’ worden genoemd omdat ze zouden afstammen van Sarah, de vrouw van Abraham. Maar, schrijft de wetgever, dat was niet het geval, want ze stamden af van Hagar, de slavin van Sarah.

 

Paleistuin van het serail, Jean-Léon Gérôme, 1898

Er zouden ook twee soorten Moren zijn: de ene soort geloofde noch in het Oude noch in het Nieuwe Testament en de andere soort geloofde alleen in de vijf boeken van Mozes. Omdat deze laatsten voor het eerst van zich deden horen in Samaria worden ze Samaritanen genoemd.
De Spaanse wetgever was trouwens van mening dat Mohammed niet de graad van heiligheid had bereikt die hem het recht gaf zichzelf profeet of boodschapper van God te noemen. Dat zou zonder meer een belediging zijn.

We lezen ook hoe Moren zich in een christelijk gebied dienden te gedragen. Moslims mochten geen moskeeën hebben in de christelijke steden en de moskeeën die er al waren vervielen aan de koning van Spanje. Ze mochten wel worden bekeerd, graag zelfs, echter niet met geweld of door beloningen maar in welgekozen bewoordingen en door middel van prediking.
De wetgever kende zijn pappenheimers want hij hield er rekening mee dat er seksuele betrekkingen ontstonden tussen moslims en christenen. Hieronder volgt de Oud-Spaanse tekst van het wetsartikel over dit onderwerp, gevolgd door mijn vertaling:

 

WET X: de straf die een moor en een christenvrouw verdienen als ze met elkaar naar bed gaan

‘Als een Moor met een maagdelijke christenvrouw slaapt moet hij op ons bevel worden gestenigd; en als zij dat voor de eerste keer doet, verliest ze de helft van haar goederen en erft haar vader of moeder, of opa en oma als zij die nog heeft: en als zij die niet heeft, dan erft de koning. En als ze het nog een keer doet verliest ze alles wat ze heeft en erven bovengenoemden als ze die nog heeft; en als ze die niet heeft dan erft de koning; zij moet sterven vanwege haar daad; dat geldt ook voor een weduwe als ze dit doet. En als hij naar bed gaat met een getrouwde christenvrouw moet ie worden gestenigd en wordt zij weer onder het gezag van haar echtgenoot gebracht die haar mag verbranden of vrijlaten of wat ie ook maar wil. En als hij naar bed gaat met een zedeloze vrouw die zich aan iedereen geeft dan moeten ze allebei de eerste keer met zweepslagen door het dorp worden gejaagd en als ze het nog eens doen moeten ze sterven’.

Als Moren zich bekeerden moesten ze met respect worden behandeld. Maar als een christen het in zijn hoofd zou halen zich tot de Islam te bekeren zouden hem al zijn bezittingen worden ontnomen en aan gelovige familieleden gegeven. Mochten deze er niet zijn dan kwam alles de schatkist ten goede. Bovendien kreeg hij of zij de doodstraf. Wie toch weer besloot christen te worden bleef in het vervolg verstoken van een goede werkkring en met schande beladen, mits hij/zij alsnog een grote dienst aan het vaderland zou bewijzen.

In de 13 eeuw begon de macht van de Moren onder druk van de christelijke legers af te brokkelen en leden ze een grote nederlaag bij de veldslag van Las Navas de Tolosa (1212). Midden- en West-Spanje gingen voor hen verloren en er kwam een proces van assimilatie op gang waarbij veel Moslims in de steden zich bekeerden tot het christendom. Er bleven nog wel lange tijd Moslimwijken bestaan in de steden van het Iberisch Schiereiland, zoals de bekende Mouraria (ix) in Lissabon.

 

Isabella en Ferdinand

Uiteindelijk zouden de Moren tot 1492 alleen de provincie Granada nog in handen hebben. In dat jaar namen Ferdinand en Isabella de macht over en konden de Moren alleen nog in Spanje blijven als ze zich tot het katholieke geloof bekeerden. Wie zich niet had bekeerd moest in 1502 vertrekken uit Spanje. Zo’n bekering kwam er op neer dat er een soort industriële doop werd gehouden waarbij de priester met een paar zwaaien van de wijwaterkwast de menigte ‘bekeerde’. Onnodig te zeggen dat de Moren natuurlijk gewoon doorgingen met hun tradities totdat de repressie van de Spanjaarden onder Filips II zo groot werd dat het in 1568 tot een opstand kwam in de provincie Granada, in het gebied van de Alpujarras.

 

In rood het gebied van de Alpujarras

[wordt vervolgd, klik hier voor deel 2]

1 comment to “Slavernij in Portugal en Spanje (1)”

  • “Hoewel Mohammed slavernij niet had afgekeurd” schrijft u. Dit is klinkklare nonsens. De koran, het woord van God, reguleert slavernij juist en legitimeert het dus. Mohammed gaat echt niks zeggen dat in strijd is met wat zijn God hem heeft verteld. M.a.w. slavernij is gewoon toegestaan in islam! En was van meet af aan gebruikelijk in door islam beheerste landen. Al in de 9e eeuw AD waren er slaven opstanden in het hartland van het toenmalige islamitische rijk: het huidige Irak, daarbij ging het om bantoes uit zwart Afrika. Zwarte slaven uit Afrika halen gebeurde al bijna duizend jaar vóórdat europeanen daarmee begonnen!
    Hierbij maar één van de vele aya’s in de koran die slavernij legitimeert:
    “2:221 Huwt niet met vrouwen die afgoden dienen, tot zij geloovig geworden zijn; waarlijk een slavin die gelooft, is beter dan eene vrije die niet gelooft; zelfs indien deze u meer behaagt. Huwt ook geene aan een afgodendienaar uit, tot hij geloovig is geworden; want eene geloovige slaaf is beter dan een vrije afgodendienaar; zelfs indien deze u meer bevalt. Zij noodigen u tot het vuur der hel. God noodigt u tot het paradijs. ……”
    De leer van Christus verwerpt impliciet slavernij, immers wij zijn allen kinderen Gods en daarmee broeders en zusters. Deze leer ligt nog steeds ten grondslag aan het gelijkheidsbeginsel waar westerse democratieën op gebaseerd zijn. Christus zegt: de dienstknecht is gelijk zijn meester, niet hoger, maar ook niet lager. Etc. Dat noch christenen, noch moslims altijd recht in de leer zijn is een ander verhaal.
    Oh ja, met “afgoden dienen” in aya 2:221 wordt gedoeld op christenen, de afgod die zij aanbidden is Jezus Christus. De God van de koran ontkent in alle toonaarden een kind te hebben, de aanbidding van iemand anders dan God, naast God, is een gruwel in de ogen van die God, een aantasting van het zuivere, oud testamentische, monotheïsme. Het is godslasterlijk en daarom verklaart de God van Islam de oorlog aan christenen. Christendom en Islam zijn onverenigbaar.

1 Trackback/Ping

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter