blog | werkgroep caraïbische letteren

Slavernij in Portugal en Spanje (3)

door Fred de Haas

Maria Ter Meetelen

Een stad waar veel nationaliteiten in gijzeling werden gehouden door de Moren was het Marokkaanse Meknes. Daar zat in het begin van de 18e eeuw een Hollandse vrouw gevangen die over de belevenissen tijdens haar 12-jarige gevangenschap een onderhoudend boek heeft geschreven dat in 1748 in Hoorn werd gepubliceerd: Wonderbaarlyke en merkwaardige gevallen van een twaalf jarige slaverny, van een vrouspersoon, genaemt Maria ter Meetelen, woonagtig tot Medenblik.

 

Met als bestemming de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden was zij in 1731 met haar man scheep gegaan in Cádiz. Ter hoogte van de Portugese Berlingas Archipel werd haar schip overvallen door piraten die koers zetten naar Salé. Pas in 1743 zal zij worden vrijgekocht.

 

Ze was van veel markten thuis, sprak Spaans, leerde het Arabisch van Marokko, speelde luit en werd door de sultan uitgenodigd om zich te bekeren tot de Islam. Dat deed ze niet. Tijdens haar gevangenschap had ze toegang tot het Koninklijk Paleis en zelfs tot het vrouwenverblijf, het serail . Ze schrijft over allerlei onderwerpen: hongersnoden, de pest, de burgeroorlog en taferelen uit het serail. Hier volgt een fragment in modern Nederlands uit haar boek (in de voetnoot kunt u haar 18e-eeuwse Nederlandse tekst (xix) lezen):

‘Ik maakte mijn opwachting bij de koning, die in zijn kamer lag waar wel 50 vrouwen waren, de een nog mooier dan de ander, met opgemaakte gezichten en gekleed als wonderschone godinnen, en elk van hen had een instrument waarop ze speelden en zo’n schitterende melodie zongen als ik nog nooit had gehoord. […] De koning rustte met zijn hoofd in de schoot van een vrouw en zijn voeten lagen op de schoot van een andere vrouw; een vrouw die achter hem lag en een die voor hem lag streelden hem…De koning liet meteen de muziek stoppen wenkte me naderbij en vroeg me te gaan zitten en op de cither te spelen. Ik kon geen woord verstaan van wat de koning zei, maar maakte alleen uit zijn gebaren op wat hij bedoelde.
Ik speelde ruim een uur voor de koning, waar hij genoegen in schepte; hij sprak ook tegen me maar ik kon hem niet verstaan. Toch ben ik later te weten gekomen wat hij zei; hij wilde weten waar ik vandaan kwam, of ik Frans, Spaans, Hollands of Engels was en hij zei dat ik Turkse moest worden; dan zou ik zijn vrouw worden…; Nadat ik ruim een uur bij hem had gezeten, kwam er een vrouw die me bij de koning weghaalde nadat zij een poos bij de koning had staan praten, die haar bevel gaf een Turkse van me te maken, mij daarna heel mooi op te maken en dan weer naar hem toe te brengen. Die vrouw had alleen tot taak om jonge maagden mooi aan te kleden voor de koning, want deze had elke vrijdag een maagd nodig. Hij ontbiedt dan ook de rest van de vrouwen die hij vroeger heeft gebruikt, maar hij kwam niet meer bij degenen die zwanger waren, omdat het zondig was bij bevruchte vrouwen te komen’.

 

 

Moorse harem (Morgan Gaynin).

Maria kon onder het voorstel van de sultan uitkomen door te zeggen dat ze zwanger was. Dat was een reden voor de sultan haar niet te benaderen omdat hij dat als zondig beschouwde (xx). Na de dood van haar eerste man was ze bang om in het serail terecht te komen, want, schrijft ze, ‘ik was jong en mooi, en viel in de smaak bij het volk van dit land’. Daarom hertrouwde ze direct met de leider van de Hollandse groep gevangenen, Pieter Janszoon Ide, die haar de fatsoenlijkste van alle Hollanders leek. Dat bleek later ook zo te zijn.

Het lot van de christelijke gevangenen in Marokko was beter dan in de Berberlanden. Als eigendom van de sultan van Marokko konden ze namelijk niet op de markt worden verkocht als slaaf. Ze werden ook geen slaaf genoemd, maar krijgsgevangenen.

De sultan heeft kennelijk een zwak voor de katholieke Maria en ze mag van hem met haar man een café beheren. Ze kon later zelfs bedienden in dienst nemen en wat sparen. Maria bleef katholiek en kwam niet in de harem terecht. De slechte materiële en morele omstandigheden van de christelijke gevangenen worden nauwkeurig door haar beschreven. Sommigen van hen konden er niet meer tegen en bekeerden zich tot de Islam. Vrouwen die zich bekeerden gingen meteen het serail in.

Buitenlandse slaven in Al-Andalus

Er werd in Europa een levendige handel in slaven gedreven. Vanaf het begin van de 9e eeuw was er sprake van slavenhandel tussen de christelijke landen en Spanje. In 854 meldt het Concilie van Meaux dat er christelijke en joodse handelaren door het land (= Frankrijk) reisden en heidense slaven aan de vijanden van het geloof (= moslims) te verkochten. Slaven waren ruim verkrijgbaar vanwege de vele oorlogen die er in Europa werden uitgevochten. Overal waar, bijvoorbeeld, Duitse legers strijd leverden verschenen er mensenhandelaren.

De weg die handelaren en hun gekochte slaven aflegden naar Spanje liep langs de Elbe naar Koblenz, langs de Moezel en de Maas naar Verdun (xxi). Van Verdun ging de reis langs de Saône en de Rhône naar de Middellandse Zee. Daar scheepte men de slaven in naar Spanje o.a. naar Almería, een grote slavenhaven. In Spanje werden de slaven verspreid of uitgevoerd naar Noord-Afrika en Egypte.
In de 13e eeuw zijn de slaven in Spanje voornamelijk Moren en afkomstig uit Spanje zelf of uit Noord-Afrika. Toen Alfons III Ibiza, Menorca en Mallorca op het kalifaat had veroverd verkocht hij duizenden Moorse slaven.

 

 

Fragmenten (xxii) uit 13e en 15e eeuwse koopaktes

 

In de 14e en 15e eeuw haalt men slaven uit het hele Middellands Zeegebied. Onder hen bevonden zich o.a. Grieken, Sarden, Russen, Krimtataren, Turken, Armeniërs, Canariërs, Bosniërs en Albanezen. In 1534 kreeg Duarte Coelho toestemming om elk jaar 24 Indianen uit Brazilië in te voeren, maar dit werd door een Pauselijke Bul uit 1537 verboden, omdat Paulus III op 2 juni van dat jaar had bepaald dat Indianen menselijke wezens waren (xxiii).

 

De burcht van Boeda met het ruiterstandbeeld voor Eugenius van Savoye. Foto © Michiel van Kempen

In de strijd tegen het Ottomaanse Rijk werden er na de inname van Buda en Pest door de keizerlijke troepen onder Eugen von Savoyen meer dan 6000 slaven in de Balkan gemaakt. Velen kwamen via Italië ook terecht in Cádiz. De Ottomaans-Turkse vrouwen kenmerkten zich door hun blanke huidskleur die ertoe bijdroeg dat ze ook eerder werden vrijgelaten.

 

[wordt vervolgd]

1 Trackback/Ping

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter