blog | werkgroep caraïbische letteren

Shrinivási: `Wat kan een mens als ik nog meer verlangen’

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over de dichtbundel Sangam van Shrinivási.

door Michiel van Kempen

 

Hoe vaak heb ik de dood niet
openlijk welkom geheten
maar nu
levend binnen zijn grenzen
valt zijn getij mij bitter tegen

Dit is de eerste strofe van een van de gedichten uit de nieuwe bundel van Shrinivási, Sangam<t,1>. Buiten het verband van die poëziecollectie zou een lezer in deze strofe een gestorven ik-figuur kunnen herkennen die de stap naar de dood heeft gezet en zich pas dan realiseert dat het niet is wat hij ervan verwacht had. Maar binnen Sangam wordt de lezing van deze strofe heel anders: de ik-figuur wordt omringd door de dood. Niet de ik-figuur heeft zich bewogen naar de dood toe, maar de dood heeft zijn bereik verlegt, heeft zich als een vloedgolf opgedrongen aan het land van het leven. Zo belandt de ik-figuur in de paradoxale situatie die in de vierde regel wordt samengevat: levend binnen de grenzen van de dood. En vanuit deze lezing van Shrinivási’s gedicht krijgt ook de titel van de bundel er een heel ander aspect bij. Sangambetekent ontmoeting en binnen het oeuvre van Shrinivási is dat een bekende notie. Maar nooit eerder verkreeg de ontmoeting ook zo’n wrang aspect als met de ontmoeting van leven en dood die in deze bundel verwoord wordt.

In het idioom van de geciteerde strofe herkennen we onmiddellijk de stem van Shrinivási. Woorden als `dood’, `welkom’, `levend’, `grenzen’ en `getij’ geven allemaal iets weer van die unieke constellatie die de poëzie van Shrinivási is. In de combinatie van woordkeuze, toon, ritme en metrum staat een handtekening gegrift die maar van één dichter kan zijn. De strofe is daarenboven ook heel fraai structuur gegeven: de eerste versregel geeft een statige aanhef in een jambisch metrum (versvoeten kort-lang): hoe lang heb ik de dood niet welkom geheten. De derde versregel geeft de nadrukkelijke wending `maar nu’ en de vijfde regel geeft het contrast van de bittere realiteit tegenover de eerder uitgesproken welkomstwoorden. De tweede en vierde regel zijn met hun dactylen (lang-kort-kort) en een enkele trocheus (lang-kort) metrisch lichter en ondersteunen het contrast tussen de statige aanhef en de ernst van de vijfde regel.

Jaren ’80

De strofe is overigens niet zoiets als de sleutel tot de hele bundel, al drukt zij er wel het meest wezenlijke van uit. Maar in andere gedichten uit Sangam is die thematiek van de dood die het leven is binnengeslopen niet minder manifest aanwezig. Zo is Sangam als geheel de expressie van de jaren ’80 die de bundel langs de weg van de poëzie wil samenvatten. In die jaren was Shrinivási de grote afwezig-aanwezige in de Surinaamse bellettrie. In 1980 kwam zijn bundeltje Als ik mijn land betreed uit, een handvol gedichten, tezamen niet bepaald een piek in Shrinivási’s oeuvre. In 1984 bloemleest Geert Koefoed zijn gehele oeuvre in de prachtuitgave Een weinig van het andere. De laatste bijdrage aan die bloemlezing was een nieuw, lang gedicht, `Een ongebruikelijke stilte’. Het behoort tot het beste wat Shrinivási ooit geschreven heeft en opent nu de nieuwe bundel Sangam. Van een andere boekuitgave kwam het verder niet in de jaren ’80, maar weg was Shrinivási nooit helemaal. Praktisch alle gedichten uit Sangam vonden hun kronkelweggetjes naar de lezer. Het zes pagina’s lange gedicht `Ik loop weer over de plantage’, dat het hindostaanse leven in Commewijne tastbaar oproept, verscheen in het Suriname-nummer van Deus ex Machina. Andere gedichten verschenen in de Suriname-specials van Preludium en De Gids en op de Literaire Pagina van De Ware Tijd. Het gedicht dat begint met `ik wens jullie later zó terug te zien’ werd als Aan de jeugd van Suriname uitgebracht als jubileumuitgaafje bij zijn zestigste verjaardag op 12 december 1986. Nu dan, bij Shrinivási’s vijfenzestigste geboortedag, heeft de dichter in één machtige greep zijn verzen van een vol decennium samengenomen en aan de lezer voorgehouden, verzen in het Nederlands en enkele ook in het Sarnami: zie maar, zegt hij, zo was ons land, zo stond ik daarin, laat dit tot reflectie en troost zijn. Na Frits Wols met Zo anders… en Michaël Slory met Een andere weg was Shrinivási zo de derde dichter die binnen korte tijd uit de chaotische papieren van de jaren ’80 een belangwekkende bijdrage tot de Surinaamse poëzie distilleert. Shrinivási geeft geen doekje voor het bloeden, hij is bij wijlen uitermate fel (al sleurt die felheid hem een heel enkele keer ook mee naar de al te pompeuze retoriek van een gedicht als `Vergiftigd door beloftes’ of een gedicht waar het snoeimes nog wel eens mag worden gehanteerd over de SLM-ramp – niettemin is het misschien het mooiste wat er over die gebeurtenis is geschreven). Hij is er de man niet naar alles met de mantel der liefde te bedekken; het ontlopen van de werkelijkheid is geen weg om diep ingrijpende trauma’s te verwerken. Waaruit die belangwekkendheid bestaat, kan ik maar het beste Shrinivási zelf laten verwoorden:

Woorden brengen veel
aan het licht
daarom kleed ik hen
met een donker gedicht
waarin het regent
en waarin de zon
even maar opkomt

Geruggesteund door een prachtig oeuvre, maakt Shrinivási het de jury voor de Literatuurprijs van Suriname 1989-1991 wel erg gemakkelijk…

Onbegrensd

Het zou weinig moeite kosten om een uitvoerige analyse te schrijven van het gehele diepzinnige gedicht waarvan hierboven de openingsstrofe is weergegeven. Maar liever citeer ik een ander mooi gedicht:

 

Het is een gedicht over de rust die eindelijk gevonden is, maar het is niet de rust van een rivier met twee oevers, maar die van een rivier met het wijdse, onbegrensde perspectief van de zee. Kijken we vanuit Surinames kust noord-noord-oost en is er dus sprake van een definitieve keuze voor het eigen land? Komt de ik hier tot een átman waarin het zijn op zich genoeg is, los van verleden of toekomst, trauma of wens? Lezers moeten zelf maar uitmaken wat ze in dit gedicht willen lezen. Wat het tot zo’n mooi gedicht maakt, is dat bij elke lezing ervan toch nog een ander perspectief open blijft.

Teer

Jammer is dat deze prachtige poëzie niet de druktechnische aandacht heeft gekregen die elke Surinaamse drukkerij aan een dichter van Shrinivási’s formaat verplicht is. De teksten staan lelijk ver naar links op de pagina, er zit enorm veel speling in de hoogte waarop de verzen beginnen, de paginacijfers onderaan huppelen mee en van de inktverdeling heeft Aktuaprint één kliederboel gemaakt. Het omslag ziet er van enige afstand uit alsof er een kop koffie over uitgegoten is. De geleding van de poëzie in onderscheiden afdelingen is niet helder, de vele citaten – afgedrukt in aartslelijke kapitalen – maken het beeld er ook al niet rustiger op en de vraag is of zo’n Margriet-achtige wijsheid als die van Donald Gardner (`Een liefdesgedicht heeft meer gewicht dan alle regeringen ter wereld’) niet beter achterwege had kunnen blijven. De Engelse vertalingen (van Charles McGeehan en Annette Tjon Sie Fat) waarmee Shrinivási niet-Nederlandstaligen tegemoet komt, ogen heel goed, maar hadden voor de overzichtelijkheid van het geheel beter bij elkaar gezet kunnen worden; vervelend is dat van één Engelse versie het origineel ontbreekt.

Tot troost kan ons zijn dat de gedichten zich loszingen van hun materiële neerslag op papier en in drukinkt. Veel van Shrinivási’s gedichten zetten zich al na eerste lezing vast in je geheugen en al lees je ze nog twintig keer, ze boeten niets aan fascinatie in. Sommige zijn zó teer, dat ik ze hier niet eens durf te citeren. En een flink aantal is eigenlijk al klassiek op het moment van hun publicatie. Ik zou niet weten wat er voor een dichter en zijn lezers meer te wensen viel.

Shrinivási, Sangam (Ontmoeting). Paramaribo 1991, 63 pagina’s.

[recensie verschenen in 1992]

Foto: @ Gulshar Ramadan

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter