blog | werkgroep caraïbische letteren

Shrinivási – dichterschap als roeping

Herdenkingsrede bij de Vereniging Ons Suriname, zondag 17 maart 2017

door Geert Koefoed

Nooit
liet de taal
mij
zo verlegen staan
als hier
nu ik
een angstig kind
voor het publiek
een vers moet reciteren.

Zo begint het gedicht ‘Voor mijn ouders’ in Shrinivási’s eerste bundel, Anjali (1963). Ik voel me ook verlegen, nu ik aan u iets mag zeggen ter nagedachtenis aan Martinus Lutchman, de dichter Shrinivási. Het eerste wat mij bij de voorbereiding inviel, was: “Hoezo nagedachtenis? Zijn poëzie is springlevend!”

Shrinivási en Geert Koefoed (bezorger van verschillende van Shrinivási’s dichtbundels).

Shrinivási heeft ons een schat aan poëzie nagelaten, waaronder een groot aantal klassieke dichten, geliefd in de Surinaamse gemeenschap; in mijn ogen en (en niet alleen in mijn ogen) behoren zij tot de mooiste gedichten in de Nederlandse taal.

Shrinivási’s poëzie is niet ‘moeilijk’, het is geen poëzie die haar betekenis pas na moeizaam gepuzzel prijsgeeft. Veel van zijn gedichten raken mensen direct in het hart. Ze zijn eenvoudig, maar tegelijk diepzinnig. Ik heb vaak ondervonden, dat een gedicht van Shrinivási gaandeweg méér betekenis voor me kreeg, dieper of hoger bleek te reiken, of dieper en hoger tegelijk, dan ik aanvankelijk zag. Behalve eenvoudig en diepzinnig is de poëzie van Shrinivási mooi van taal. Door de klanken, het ritme, de beelden – Shrinivási is wat men noemt een ambachtelijk dichter, met een groot gevoel voor de finesses van taal.

Geert Koefoed tijdens de herdenking op zondag 17 maart 2019. Foto © Michiel van Kempen

Veel onderwerpen en thema’s komen in het werk van Shrinivási aan bod: natuur, landbouw, liefde, jeugd en ouderdom, leven en dood; verleden en toekomst, verlangen naar harmonie; maar ook onrecht, discriminatie, uitbuiting; en naast het tijdelijke tegenover het eeuwige, het tijdloze, God. Zijn poëzie heeft betrekking alle drie dimensies van het menselijk bestaan: het individueel-persoonlijke; de gemeenschap, de mensenwereld om je heen of verder weg; en het spiritueel-religieuze, het Hogere of – met een woord dat Shrinivási gebruikt – het Andere. (Ik zou ze ook kunnen aanduiden: ik – wij – het Andere, God.) Deze drie dimensies zijn verweven met elkaar: in het kleine toont zich het grote, in het alledaagse het hogere. Het openingsgedicht van Shrinivási’s laatste bundel Hecht en Sterk (2023) zegt het als volgt:

Lotosblad
dat het water
raakt
en
niet raakt

van deze wereld
en
niet
van deze wereld

Op deze middag, in deze twaalf minuten, wil ik over één terugkerend thema iets meer zeggen, een thema dat tot de kern van zijn dichterschap behoort: de poëzie zelf, het woord.

 

Geert Koefoed. Foto © Michiel van Kempen

Dichterschap als roeping

Voor Martinus Lutchman, de dichter Shrinivási, is poëzie geen vrijblijvend spelen met woorden. Poëzie is ook niet de expressie in taal van individuele emoties. Dat kan het wel zijn, maar dat is niet genoeg. Poëzie, hoe individueel-persoonlijk ook, heeft pas betekenis in een gemeenschap; Shrinivási wil als dichter de gemeenschap dienen. Met deze ernstige en hoge opvatting van poëzie, doet hij mij denken aan een gedicht van Remco Campert (90 jaar oud en tot voor kort actief als columnist en dichter en misschien nog wel als dichter, want dichterschap zet je niet zomaar stop):

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

In het openingsgedicht van zijn eerste bundel, Anjali (1963), kondigt Shrinivási aan wat hij als dichter zou willen volbrengen. Het gedicht heet ‘Sankránti’ (overgang naar een nieuw tijdperk), is geschreven in het Hindi en door hemzelf in het Nederlands vertaald. Het staat vol grote en plechtige woorden, die hij later veel minder zal gebruiken. Maar daartussendoor staat de regel: “Uw dichter is een der uwen”, een regel die ik graag citeer omdat hij een wezenlijk kenmerk van zijn dichterschap noemt en omdat ik hem zo mooi vind.
In ‘Sankránti’ is de landbouw al een bron voor metaforiek: de dichter is “de bebouwer van de grond.” Deze metaforiek komt terug in het bekende gedicht ‘Kavi aur shabd / De dichter en het woord’ uit zijn volgende bundel, Pratikshá (1967), wordt de taak van de dichter zó omschreven:

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een ploeg.
De menselijke gemeenschap is de grond.
De dichter de ploeger ervan.

 

Raj Mohan draagt de Sarnámi versie van Shrinivási’s gedicht ‘Suriname’ voor. Foto © Denise Jannah

De gemeenschap waaraan Shrinivási een bijdrage wil leveren, is in de eerste plaats de Surinaamse gemeenschap, het ‘beloftevolle’ land. Shrinivási is hierin niet de enige: Slory, Dobru, Thea Doelwijt, Jozef Slagveer en anderen hebben eveneens hun talenten voor de ontwikkeling van de Surinaamse gemeenschap ingezet. Pratikshá is Shrinivási’s meest uitgesproken ‘nationalistische’ bundel , met o.m. het gedicht:

Dit land
heb ik gekozen
hier geplant
in het getij van
de dagen en nachten
mijn leven

en ‘Jaypatr/Zegebrief’, dat in mijn herinnering in 1968 over hele land galmde:

Ik ben
jij bent
hij is
gij zijt
Wij allen zijn Surinamers
Wij allen zijn nobele onderdanen
Wij alle zijn welbekende edele bewoners.

Shrinivasi’s inzet voor de Surinaamse gemeenschap komt niet alleen tot uiting in oproepen tot eenheid, maar ook in beeldende gedichten vol mededogen over het leven van Surinamers, zoals ‘Deháti’ (Anjali), ‘Mijn vader heeft zich gekleed voor de stad’ en ‘Ik zie jullie gaan met handtassen/ vol met kraila, gebakken kwiiekwie’ uit Oog in oog (1974). Niet alleen Surinamers herkennen zich in deze gedichten, zij zijn universeel. ‘Deháti’, bijvoorbeeld, gaat over emigratie en ontworteling.

Over het Surinaamse karakter van Shrinivási’s werk laat ik Surinaamse ‘getuigen’ aan het woord. A.J. Morpurgo noemde Anjali “een overrompelend Surinaamse bundel”. Na het verschijnen van Pratikshá gaf Hugo Pos Shrinivási de erenaam “dichter der verzoening”. Bij de presentatie van Shrinivási’s laatste bundel Hecht en sterk, in Tori Oso, februari 2014, noemde dr. Hein Eersel de poëzie van Shrinivási “door en door Surinaams”. Tenslotte dr. Lila Gobardhan-Rambocus; zij heeft meerdere keren over Shrinivási geschreven; heel mooie uitspraken over hem en zijn poëzie staan in een interview in Tiri fu den wortu… di no taki / De stilte van het Ongesproken Woord (2014):

“We mogen als Surinamers blij zijn dat Shrinivási als jongeman gevolg heeft gegeven aan zijn drang tot dichten […]. Als Shrini aan deze drang niet had toegegeven, […] hadden wij heel wat gemist. Suriname en Shrini, Shrini en Suriname, ze horen gewoon bij elkaar. Hij heeft […] een blijvende bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van een nationale, Surinaamse identiteit.”

 

Denise Jannah zong liederen op teksten van Shrinivási en Michael Slory. Foto © Michiel van Kempen

Maar, zoals uit het voorafgaande al, Surinaams en universeel sluiten elkaar niet uit. In hetzelfde interview zegt Lila: “In wezen is zijn poëzie universeel, het is een zoektocht naar de essentiële vraagstukken van het menselijk leven.”
De grenzen van ‘de gemeenschap’ liggen niet vast. In het citaat uit ‘De dichter en het woord’ is sprake – misschien heeft u het al opgemerkt – “de menselijke gemeenschap”. Shrinivási wil met zijn poëzie bijdragen aan een harmonieuze Surinaamse samenleving, zonder grenzen of muren tussen groepen als “kleur, kaste, godsdienst” (“Ik zou jullie willen binden tot één volk / zonder dat dit een sprookje blijft.”) Maar uiteindelijk gaat het om gemeenschap van alle mensen, de mensheid als geheel of concreet, wij, zoals wij hier en nu bij elkaar zijn. Het transcendente, het Hogere is in de poëzie van Shrinivási niet ver weg. Het hogere manifesteert zich, toont zich aan ons in ons leven. De verbinding tussen samenleving en het Andere komen we tegen in het gedicht ‘Afro-Aziatisch’:

Wanneer eens zó
zo zuiver
en zo zonder
en wellicht met feller pijn
de Surinamers van elkander houden
dan moet ons land
een weinig van het Andere zijn.

In plaats van het Andere mogen we, in de geest van deze poëzie, ook spreken over het wonder, met hoofd- en met kleine letter. Tot de opdracht van de dichter behoort ook: de ogen van de mensen openen voor het Wonder, het wonder van de schepping, van het leven, dat zich in vele ‘kleine’ concrete wonderen manifesteert.

Poëzie is het wonder vangen
binnen het broze omhulsel van taal

is God en het Goede ontdekken
bevrijden uit een voortwoekerende nacht

heel duidelijk ervaar je ineens
hoe nabij de hemel is

heel helder in een ondeelbare sekonde
wat geluk is, wat vreugde, wat schoonheid

“Uw dichter is een der uwen.” Die “uwen”, dat zijn U en ik, wij. Shrinivási heeft deze houding, deze roeping, in zijn poëzie waargemaakt. Hij is een van ons.

 

Raj Mohan. Foto © Michiel van Kempen

Twee gedichten

In memoriam dr. J. Ferrier
docent pedagogiek ’50-‘51

De relatie ik en Gij,
die lijn
je leven lang
vasthouden!
Dat zei hij aan zijn studenten
in Paramaribo.
Ik denk aan hem en zie hem voor me,
deze leraar:
steeds minder ik,
meer en meer
Gij geworden.

 

voor Lloyd en Usha

ik voel de grens –
na het ontbijt
in huis alleen
afwezigheid van stemmen
de wind is lauw en lijzig

een grietjebie schuift even
het gordijn van de stilte open
dat automatisch sluit

zo sluiten straks de ogen zich
herinneringen verijlen en doven
als het licht
aan het einde van een dag

een grote rust gaat dan
in een grote leegte over
wanneer de adem
van woorden afscheid neemt

 

Tableau de la troupe, zondag 17 maart 2019. V.l.n.r. Raj Mohan, Geert Koefoed, Hugo Fernandes Mendes, Denise Jannah, Delano Veira, Michiel van Kempen, Tanja Jadnanansing, Rabin Baldewsingh, Ronald Snijders,. Marita Kitaman ointbreekt. Foto © Aafke Huizinga

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter