blog | werkgroep caraïbische letteren

door Wim Rutgers

In het Surinaamse openluchtmuseum Fort Nieuw-Amsterdam stond ooit, waar de meer dan een kilometer brede Surinamerivier en de Commewijnerivier samenvloeien en in de Atlantische Oceaan uitmonden, het in 1962 in opdracht van de Surinaamse regering door Erwin de Vries vervaardigde bronzen beeld van ‘de ontdekker’ Alonso de Ojeda. Het werd in 2011 ‘vervoerd’ naar onbekende plaats, dat wil zeggen domweg gestolen. De Spaanse ontdekker op de uitkijk, de Nederlandse veroveraar en kolonist – Fort Nieuw-Amsterdam is wel een van de meest koloniale plaatsen van Suriname.

alonso de ojeda

Alonso de Ojeda, beeld van Erwin de Vries in Nieuw-Amsterdam (inmiddels verdwenen)

Maar het koloniale fort kreeg door de daar samenvloeiende twee belangrijke rivieren in de moderne literatuur een nieuwe interpretatie als symbool van eenheid van het zo etnisch en cultureel verscheiden land. Zo is het fort de historische plaats van het koloniale en de moderne plek van multicultureel Suriname.
In L.H. Ferrier’s roman Âtman (1968) wordt de harmonie die de verteller in zijn land zoekt aan het slot dan ook juist op die plaats gesitueerd: “Waar ik zoeken kan in Nieuw-Amsterdam, een eenheid, een zijn, dat Commewijne is.” De Surinamerivier als metafoor voor Creolen en Inheemsen, de Commewijne voor de Hindostanen en Javanen, uitmondend in de eenheid van de Oceaan als symbool voor het gehele Surinaamse volk.
Shrinivási en de ontmoeting
In datzelfde Fort Nieuw-Amsterdam bevindt zich ook een plaquette met daarop een gedicht en foto van de Surinaamse, inmiddels al jaren op Curaçao wonende, dichter Shrinivási, pseudoniem van M.H. Lutchman (Suriname, 1926). Het eenvoudig uitgevoerde tableau bevindt zich bij de steiger waar de korjalen de verbinding tussen Leonsberg en het fort onderhouden, een betekenisvolle plek die als metafoor voor de poëzie van Shrinivási zou kunnen gelden. Hij wordt immers algemeen gezien als de dichter van de verbinding, de verzoening, in het zo cultureel verscheiden Suriname.

Op de plaquette staat een gedicht dat voor het eerst in 1991 in de bundel Sangam (ontmoeting) verscheen, in 2013 herdrukt werd in Hecht en Sterk, en nogmaals in de prachtig uitgevoerde bundel De stilte van het ongesproken woord (2014), waarin naast Shrinivási ook de dichters Dobru en Trefossa geëerd worden met kleurrijke gedrukte en gezongen teksten.

Toen realiseerde hij zich
dat de rivier
toch maar één oever had
waarop hij stond
en naar de verte keek
waarin een beeld
uit vroegere dagen
langzaam maar zeker
was opgelost
zodat er toekomst
noch verleden was
verlangen niet
en eindelijk geen verdriet.

Ook hier is een schrijver van de ‘verzoening’ aan het woord, dit keer geen verzoening tussen de bevolkingsgroepen, zoals in veel vroeger werk, maar een verzoening met het eigen ik. Shrinivási schreef een heel persoonlijk maar niet zo gemakkelijk te interpreteren gedicht. De dichter zegt er zelf over in De stilte van het ongesproken woord, dat hij met dit gedicht ‘afscheid genomen’ heeft ‘van het pijnlijke en destructieve in mijn leven’. Maar dat maakt het raadsel voor mij alleen maar groter.

Inhoud
Het korte gedicht lijkt op het eerste oog eenvoudig genoeg, maar heeft bij nader inzien een rijke inhoud. Het telt slechts dertien versregels met behalve de hoofdletter aan het begin en de punt aan het einde geen enkel leesteken en het bestaat uit één lange samengestelde zin. Het gedicht beweegt zich van uiterlijk naar innerlijk. De dichter heeft het over een derde persoon of een geobjectiveerde ík-persoon’ die met ‘hij’ wordt aangeduid. Deze staat aan de oever van ‘de’ rivier en kijkt naar de verte die herinneringen oproept. Ruimte en tijd vallen samen, door de tijdsaanduiding ‘toen’ aan het begin en de verre vervlogen beelden van vroeger. De sfeer in het gedicht is die van de rust van de omgeving en een zekere berusting en zelfs onthechting van het personage nu ‘verlangen’ en ‘verdriet’ bij en in hem ‘langzaam maar zeker waren opgelost’. Ik parafraseer de woorden om te begrijpen. Want er blijven vragen. Waarom ‘toen’ aan het begin, waarom ‘maar één oever van de rivier’ waarom ‘de’ rivier, welk beeld ziet het personage in de verte?

Hoe moet de analyse en interpretatie van gedichten verlopen? De tekst en alleen de tekst en niet meer dan dat? Wat zijn de mogelijkheden en de beperkingen? Mag ik veronderstellingen plegen die niet direct in het gedicht zelf verwoord worden? Mag ik bij ‘de’ rivier aan mythische gegevens als Lethe of Styx denken, wegens het ontbreken van een tweede oever, waar geen terugkeer meer mogelijk is? Staat hier een sadder en wiser man – Shrinivasi was 65 jaar oud toen hij het gedicht voor het eerst publiceerde – het einde van een leven te aanvaarden en er in te berusten dat er noch toekomst noch verleden, maar ook geen verdriet meer is? Is de dichter van de ’ontmoeting’ hier de dichter van de ’onthechting’ geworden?

 

Shrinivasi Jeroen Heuvel Hecht-en-sterk

Shrinivasi en de criticus Jeroen Heuvel met de bundel hecht en sterk.

Tekst en context
Een dichter schrijft gedichten die verschijnen als portretten, omgeven door een leegte op de rest van de pagina. Elk gedicht staat op zichzelf, maar zodra een gedicht in een bundel verzameld wordt, zal er ook van zekere onderlinge ordening sprake zijn, al was het maar een chronologische of alfabetische. In Sangam verscheen het gedicht in de laatste afdeling die opende met een citaat van de bekende dichter Trefossa (H. de Ziel). Waar Trefossa schrijft over een echt, een waar gedicht, opent Shrinivási deze afdeling ook met een metagedicht ‘Woorden brengen veel aan het licht’. Het volgende gedicht beschrijft een zwervend leven dat nu tot rust gekomen is: “voor reflektie en ongebreidelde rust / sluit ik langzaam de keten van reizen / voor het licht in mij raakt uitgeblust.”
Dit gedicht is als opmaat voor ‘ons’ gedicht te beschouwen, dat het woord ‘toen’ verklaart: het besef in het voorafgaand gedicht brengt hem tot het inzicht dat de rivier uiteindelijk maar één oever heeft, dat het leven eindig is, waar je vrede mee kunt hebben, zoals in de gedichten die volgen staat: “Sinds toen heeft de rivier haar oerkracht verloren (…) de stroom ingetoomd door een langzame hartslag …” Het is genoeg geweest: “Heel de wereld had hij doorreisd / tot hij voor deze oever ligplaats koos.”

Meerduidig
Goede poëzie blijft altijd meerduidig. Kiest de dichter uiteindelijk eenvoudig voor een plek in zijn land of voor rust nu de levensavond nadert? Beide ‘oplossingen’ zijn mogelijk. Een definitieve sluitende interpretatie leveren ze nog niet. Poëzie lezen, analyseren en interpreteren is een dialoog aangaan met de dichter, maar blijft altijd voorlopig. Een interpretatie is geldig tot een betere gevonden wordt.
Dan toch nog een poging om de drievoudige betekenis van ‘de’ rivier te duiden. De niet bij name genoemde rivier is een metafoor voor de levensstroom die aanvankelijk zijn onrustige stroomversnellingen kende maar aan de monding tot rust komt. Een tweede poging: Als jongetje van negen stak de dichter ooit met een korjaal de rivier over van het district naar de stad om daar naar school te gaan, van Commewijne waar hij opgroeide naar Paramaribo. Toen was er dus nog een tweede oever om aan te komen. Nu staat hij opnieuw maar dit keer een definitieve tocht zonder oever aan d eoverzijde. Tenslotte: Naast deze duiding op persoonlijk niveau is er de algemene in het samenvloeien van de twee rivieren als beeld voor het samengaan van de bevolkingsgroepen in Suriname. De dichter van de ‘ontmoeting’ werd met een plaquette geëerd op die plek waar het koloniale verleden door de verbeelding die literatuur is, wordt uitgewist door een nieuw perspectief voor een zelfstandig en onafhankelijk land.

Shrinivási: Een weinig van het andere (In de Knipscheer 1984)
Shrinivási: Sangam / Ontmoeting (Canna 1991)
Shrinivási: Hecht en sterk (In de Knipscheer 2013)
Shrinivási: De stilte van het ongesproken woord; Drie Surinaamse dichters op muziek gezet. Boek en dvd (In de Knipscheer 2014).

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter