blog | werkgroep caraïbische letteren

Sarju Sukraj van Magentaweg en Abrabroki, een succesvolle Hindoestaanse immigrant (deel 2 en slot)

door Bris Mahabier

7. De markante bijnaam van Sarju Sukraj

De kalkattiyá Sarju Sukraj, die decennialang hoofdzakelijk in de rijstteelt actief was, had een frappante bijnaam: Dalál Bábá. Dalál is het Hindiwoord voor het beroep van makelaar. Het merendeel van zijn buurtgenoten en zijn kennissen noemden hem Dalál Bábá. Misschien verkreeg hij zijn bijnaam Dalál omdat hij incidenteel bemiddelde bij geldlening, koop en verkoop van landbouwgronden en bouwpercelen in Paramaribo en elders.

Een deel van het verkavelde perceel van Sarju Sukraj aan de Magentaweg met woningen van enkele van zijn achterkleinkinderen anno 2022. Foto van de auteur.

Het kan zijn, dat zijn bemiddelende rol als een informele makelaar niet door iedereen gunstig is gewaardeerd omdat hij soms geen succes had. Zijn reputatie als bemiddelaar, als dalál, liep hierdoor enige averij op en zijn bijnaam verkreeg een minder positieve connotatie. De toevoeging Bábá was meer uit beleefdheid: bábá is de respectvolle aanspreekterm voor oudere Hindoestaanse mannen. Ik heb hem vanaf het begin van de jaren vijftig als Dalál Bábá gekend. Kennelijk kon Dalál Bábá goed opschieten met mijn opa en met mijn twee ooms die ook in Magenta woonden. Allen waren ex-Brits-Indiërs. Misschien was dat de reden voor de goede band tussen hen.

Salikram Ramawadh, de vierde kleinzoon van Dalál Bábá, en mijn nicht Soniya Raghoebier raakten verliefd op elkaar. Deze liefdesrelatie was de eerste die ik – als een brugklasser – van dichtbij heb meegemaakt. Tussen de families Ramawadh en Raghoebier van Magenta bestond er geen bloedverwantschap, ook geen affinale, d.w.z. ze waren ook niet door een huwelijksband met elkaar verbonden. Wel beschouwden ze elkaar als familie. Dit vanwege de gemeenschappelijke woonplaats, die een sterke band schiep: er was sprake van fictieve verwantschap tussen hen. De grootmoeder van mijn nicht Soniya Raghoebier en Dalál Bábá hadden van oudsher een goede relatie met elkaar. In beide families waren enkele personen niet gelukkig met deze liefdesrelatie, een nieuwigheid voor onze boiti-gemeenschap. Er waren kennelijk ook andere obstakels. Dalál Bábá met zijn ervaringskennis begreep de sociale waarde van liefde en een liefdesband goed. Hij stelde vast, dat er geen bloedverwantschap tussen beide families bestond. Ook mijn oom Raghoebier, de vader van Soniyá, stelde, dat er geen traditionele hindoenormen waren die zo’n relatie uitsloten. Dalál Bábá en B. Raghoebier bespraken deze kwestie enkele malen breedvoerig. Zij gaven hun zegen aan het verliefde jonge paar.

8. Dalál Bábá, bezitter van landbouwgronden en aanzien

Sarju Sukraj was een energieke, succesvolle ex-Brits-Indische contractarbeider. In de immigratieperiode en ook daarna had een deel van de Hindoestanen een grote voorkeur voor eigendomspercelen. De Protector of Emigrants dr. W.D.W. Comins, een Britse hoge ambtenaar, gebruikte bij zijn bezoek aan Suriname in 1891 in zijn advies aan het koloniale bestuur de formulering: ‘their passion for landholdings’ (hun passie voor landbezit). Ook Sarju Sukraj bleek in staat om zijn landhonger – zeer waarschijnlijk een culturele erfenis uit Uttar Pradesh waar het zamindári-stelsel floreerde – in Magenta en Paramaribo te kunnen stillen. Hij kocht in ons wegdorp eerst een klein landbouwperceel (khet) en daarna een groter eigendomsperceel, en later twee laag gelegen vruchtbare arealen in het aangrenzende dorp. Deze percelen kwamen zijn zeven kleinkinderen ten goede.

Ramawadhweg, een zijstraat van de Magentaweg,
vernoemd naar de zoon van Sarju Sukraj.
Foto van de auteur.

Zij hoefden geen rijst voor eigen consumptie te kopen. Twee van hen waren in staat om een deel van de jaarlijkse rijstoogst te verkopen. Het grote verkavelde eigendomsperceel in Magenta wordt thans door een 80-jarige kleinzoon en een aantal van zijn achterkleinkinderen bewoond. Wellicht speelde bij de koop van eigendomspercelen in Magenta en bouwkavels in Paramaribo niet alleen de economische behoefte, maar ook vergroting van aanzien en enige wedijver tussen bevriende kalkattiyá’s een rol. Investeren in eigendomspercelen was eenvoudig, statusverhogend, niet-riskant en door de jaarlijkse verbouw van rijst rendabel. De kalkattiyá’s van Magenta kochten zelf percelen, maar verkochten hun khet (grond) bijna nooit. Ook heeft geen van hen zijn eigendomsperceel verkaveld en verkocht. Dit hebben andere personen, die tot de tweede en de derde generatie van erfgenamen behoorden, wel gedaan. Sarju Sukraj had zijn oudste kleinzoon Tribeni Ramawadh, een árya samáji pandit, een eigendomsperceel gegeven en hem financieel gesteund bij het opzetten van een kleine levensmiddelenwinkel. Vele jaren na het overlijden van Sarju Sukraj hebben enkele van zijn nakomelingen dit met zweet en bloed verkregen landbezit niet kunnen uitbreiden, of in zijn geheel behouden. Verkaveling en verkoop van het individuele erfdeel hebben tot versnippering en instroom van allochtone bewoners geleid. ‘Landhonger’ van weleer heeft plaats gemaakt voor een commerciële instelling. In Magenta en de andere boiti’s in Wanica wordt er al bijna een halve eeuw geen rijst meer geplant.

9. Economisch ging het Dalál Bábá voor de wind

Sarju Sukraj behoorde tot de kurmi-játi, een bekende akkerbouwerskaste in Uttar Pradesh (India). De bevolking van Magenta bestond overwegend uit kurmi’s en ahirs (veehouderskaste, C.J.M. de Klerk C.ss.R., 1953). De Hindoestaanse immigranten van Magenta deden zowel aan akkerbouw als veeteelt. Met zijn landbezit bood Sarju Sukraj zijn zoon en zes kleinzonen een gezond economisch perspectief. Hij legde de basis voor hun bestaanswijze. De heer Sarju Sukraj tekende als het ware een agrarische routekaart voor hen uit. Sarju Sukraj had een bouwkavel in de Christoffel Kerstenstraat in Paramaribo-Zuid, die hij bewoonde, met groenten beplantte en waar hij legkippen kweekte. Deze productie was voor eigen consumptie. Voor zijn kippen gebruikte hij de zelf verbouwde padie en rijstzemel als voer. Voorts bezat hij nog een kavel in de wijk Munderbuiten, evenzo in Paramaribo gelegen.

Dalál Bábá had altijd wat geld in een thaili in een van zijn diepe broekzakken. Een thaili was een zakje van stevig, meestal unikleurige katoen met een koordsluiting. Mijn opa en hij stonden op goede voet met elkaar. In hun gesprekken voerde Dalál Bábá het hoogste woord. Kennelijk respecteerde mijn ájá hem omdat hij een zekere welstand had bereikt, terwijl mijn opa nog tot de arme Hindoestanen behoorde. Dalál Bábá had zich op eigen kracht – dankzij vooral de rijstbouw – omhoog gewerkt; zonder de hulp van Ganesh Bhagwan, de god die sanátani hindoes als schenker van o.a. voorspoed vereren. Hij behoorde gelukkig niet meer tot ‘uitgestoten onder de uitgestotenen.’ (Deze aanduiding voor Hindoestanen gebruikte Albert Helman in 1926 in zijn nostalgische debuutroman Zuid-Zuid-West.) In zijn woonwijk Abrabroki voelde Dalál Bábá zich veilig. Hij had goed contact met velen uit de Creoolse lagere volksklasse in zijn woonomgeving. Enkelen van hen behoorden tot zijn klantenkring. Dalál Bábá leverde op vraag rijst, padie en droge kokosnoten aan hen. Hij adviseerde sommige buurtgenoten van welke betrouwbare ‘melkman’ van Parapasi zij hun verse melk moesten kopen. En wie altijd verse eieren verkocht.

Een Britsindische immigrant in een bejaardenhuis (1972).

Het levensverhaal van Dalál Bábá is zeker niet uniek. Immers, er waren honderden Hindoestaanse immigranten in Paramaribo en in de rijstdistricten, die dankzij hun succes grotendeels in de landbouw, maar ook in de commercie en industrie, een respectabel welstandsniveau hadden bereikt. Hun succes mogen wij – zonder overdrijving – memoreren. Volledigheidshalve dien ik op te merken, dat ik ook Hindoestaanse immigranten heb gekend die in schrijnende armoede leefden. Een aantal van hen heeft zijn laatste levensjaren in bejaardenhuizen versleten. De puissant rijke Rahemal, een ex-contractarbeider, had een rijstpelmolen in Magenta. Hierin mochten niet-geslaagde kalkattiyá’s als wachter verblijven.

10. Ook Dalál Bábá leefde sober

‘Wat Suriname nodig heeft, is een bevolking, die produceert, en die in hecht gezinsverband snel aanwast. Welnu, die bevolkingsgroep, toegerust met de eigenschappen, die een land vooruit brengen, heeft Suriname door de immigratie der Hindoestanen ontvangen.’ Dit zijn de slotzinnen van het boek De immigratie der Hindoestanen in Suriname van De Klerk (1953). Een wetenschapper die moeilijk ‘Hindoestáni-filie’ verweten kan worden. Slotzinnen die van toepassing waren op Dalál Bábá en de meeste kalkattiyá’s. Door hard werken kon hij op bescheiden schaal fortuin maken.

Een minder succesvolle Hindoestaanse immigrant ( Leiding, 1972).

 Albert Helman schreef over de Hindoestanen aan het Pad van Wanica in zijn debuutroman Zuid-Zuid-West (1926, 1876, p. 25): ‘Ze zijn spaarzaam en sober, zozeer zelfs, dat zij van allen de armelijkste indruk maken. De mannen lopen half naakt, met een wijde doek om de magere dijen.’ De eigenschappen spaarzaam- en zuinigheid waren ook Dalál Bábá zeker niet vreemd. In een dhoti (lendendoek) heb ik hem nooit gezien; altijd in een wijde lichte lange broek. Zo liep hij in de jaren vijftig van zijn woning in de Christoffel Kerstenstraat 21, in de wijk Abrábroki in Paramaribo, – met een jhori, een schoudertas van een witte meelzak gemaakt en hangend aan een bruine stok van ongeveer een meter – op zijn blote, eeltige voeten regelmatig naar zijn tweede grote woning aan de Magentaweg. Later droeg hij pátá-schoenen. In die zak nam hij vaak boru-biskut (bollebeschuit) voor zijn achterkleinkinderen mee, die hij meestal zelf uitdeelde. Naar Magenta liep hij minstens twee keer in de week. En als het nodig was, dan kwam hij met zijn ezelskar. Zo kon hij rijst, padie of zemel vervoeren. Als Dalál Bábá soms mijn nichten Soniyá en Dheliyá, die toen de christelijke lagere Saronschool in Paramaribo bezochten, tegenkwam, dan raadde hij hen telkens op een ernstig vermanende toon aan om niet zonder orhni (hoofddoek) naar school te gaan.

11. Pandit Tribeni Ramawadh, de bevoorrechte kleinzoon?

Pandit Tribeni Ramawadh, oudste kleinzoon van Sarju Sukraj.

Tribeni Ramawadh, de oudste en kennelijk de favoriete kleinzoon van Dalál Bábá, werd met zijn royale financiële hulp van een rijstteler een kleine winkelier in levensmiddelen in Magenta. Tribeni leerde de grondbeginselen van de grammatica van het Hindi van twee buurtgenoten, respectievelijk van Babu Nandpersad Sheombarsing en korte tijd van pandit Gajadhar Kirpal die later naar de Kwattaweg verhuisde. Tribeni werd samen met o.a. zijn zwager Inderdjiet Santokhi in Paramaribo door Arya Dewakar tot árya samáji priester opgeleid. Ook enkele Vedische missionarissen uit India hebben bijgedragen aan hun intellectuele vorming. Zij bekwaamden zich in het uitvoeren van rituelen met het vlot uitspreken c.q. voorlezen van de bijbehorende mantrá’s in het Sanskriet. Tribeni bhaiyá (een aanspreekterm voor een oudere broer) was in het Hindi een belezen man. Hij had, evenals de drie andere samáji pandits van Magenta, helaas weinig westers onderwijs genoten. Tribeni importeerde al vroeg – voor eigen gebruik – bepaalde boeken en tijdschriften uit India, verhuurde in de tweede helft van de jaren vijftig geluidsapparatuur en was als pandit aangesloten bij de landelijke vereniging Arya Dewakar. Tribeni was een goede debater, die later enkele felle toespraken via het radiostation RAPAR niet zou schuwen. Hij leverde kritiek op o.a. het erfelijke kastenstelsel, beeldenverering en incarnatie van goden. Hij haalde de gramschap van vele conservatieve sanátani pandits op zijn hals. Onder politieke druk gaf het betrokken radiostation hem geen spreektijd meer. Als er geen klanten waren, zat bhaiya Tribeni achter de toonbank te lezen. Soms viel hij zittend in slaap met zijn hoofd rustend op zijn benedenarmen op de toonbank bij een wijd openstaand raam. In feite was hij een autodidact, ook als radiomonteur.

Het is opvallend, dat alle nakomelingen van Sarju Sukraj, die zelf het brahmaans hindoeïsme tot zijn dood trouw bleef, árya samáji’s, d.w.z. hervormingsgezinde hindoes, werden. Sukraj was op bepaalde punten kritisch naar het gedrag van zijn sanátani pandit en de sanátani-stroming. Het is mij niet bekend, wat het oordeel van Dalál Bábá was over deze radicale religieuze transformatie van zijn nakomelingen. Het staat wel vast, dat er hierover geen strijd was in zijn familie.

De winkelruimte voor de toonbank fungeerde als het lokale ‘kenniscentrum’. Deze ruimte was vanaf de late namiddag tot in de avond – met uitzondering van de voetbaloefenmiddagen – de ontmoetingsplaats van leer- en nieuwsgierige ouderen en jongeren, waar voor het delen van nieuwe informatie met geestverwanten en voor het bespreken en (uit)lenen van Hindi-literatuur. Men bezat niet veel boeken. Ook de heer N. Sital van Duisburg nam regelmatig deel aan de middagbijeenkomsten. Sital kwam altijd fietsend en ging voor zonsondergang terug. De pandit Haripersad Partiman van Saron en Rampersad Sital van Vredenburgweg kwamen incidenteel. In de avond – ongeveer om acht uur – werd er gezamenlijk geluisterd naar de nieuwsuitzending van All India Radio uit New Delhi. Deze uitzendingen waren in het standaard Hindi. In de namiddag gaf Tribeni incidenteel Hindiles aan ‘Moen’ R. Somai, Ramdajal ‘Gung’ Lalaram, Salikram Ramawadh, ‘Loel’ P. Lalaram, ‘Khissu’ R. Jagessar, Goelar Sieuwpal en Boedhram Raghunath.

Vroeg in de jaren zestig verkocht Tribeni zijn perceel en winkel aan Hariyá Chinwá (Chinees). Met zijn grote gezin verhuisde hij naar de Saramaccapolder/ Uitkijk. Hier werd hij een succesvolle middenstandslandbouwer, die van een tractor gebruik maakte. Hij ontwikkelde zich tot een kundige reparateur van radiotoestellen en andersoortige geluidsapparatuur. Tribeni bleef tot zijn dood landbouwer en árya samáji pandit. Zijn invloed op de árya jonge mannen van Magenta is in de jaren vijftig belangrijk geweest. Toen ik in de tweede mulo zat, kwam ik erachter, dat hij van elektriciteitsleer en magnetisme het een en ander afwist. Dit verbaasde mij toentertijd.

12. Dalál Bábá’s woning met twee etages

De meeste kalkattiyá’s van de Magentaweg hadden een woning op lage páwá’s (pilaren) met een zolderetage. Drie van hen hadden een houten woning op hoge pilaren met twee etages (verdiepingen). Dalál Bábá had aan de Magentaweg een grote houten woning op neuten van ongeveer twee meter, die wij ‘pilaren’ (páwá) noemden. Het bovenste deel van deze woning was lichtcrème geschilderd. Het dak was bedekt met zinkplaten. Een deel van het dak van de eerste etage vertoonde hier en daar roestplekken. Deze woning telde twee verdiepingen met een lange L-vormige afgesloten galerij met enkele Demerara windows op de eerste etage. De tweede verdieping, het domein van zijn kleinzoon Salikram Ramawadh, was zonder balkon en kleiner dan de eerste etage. De tweede etage bestond uit twee slaapkamers. In het begin van de jaren vijftig sliepen de vader van Salikram en twee van zijn jongere broers op de eerste etage. Later betaalde Sarju mee voor een ‘flatwoning’ voor hen aan de overkant van de zandweg omringd door hoge kokospalmen en enkele jamun-bomen. Voor de bouw van deze woning moesten een paar vruchtdragende kokospalmen omgehakt worden. Het omvallen van de omgehakte kokospalmen was voor mij en de andere kinderen een sensationele belevenis. Met een enorme plof vielen de palmkruinen neer. Een deel van de kokosnoten vloog alle kanten op. In de tweede helft van de jaren vijftig werd de oude hoge woning van Dalál Bábá door zijn kleinzoon Salikram afgebroken. Met de vrijgekomen materialen bouwde zijn hij een ‘flat’-woning met een V-dak op lage páwá’s (pilaren).

Culhá om te koken op houtvuur.
Foto van de auteur.

De begane grond van de hoge woning was één grote open ruimte. Niet ver van een zijdeur was er, in een hoek een eenvoudige kookplaats met twee aarden culhá’s, fornuizen van klei, die naast elkaar stonden. Dicht bij de kookplaats werd het gespleten droge brandhout, meestal jamun-hout, bewaard. Een andere hoekruimte van deze begane grond werd als opslagplaats gebruikt voor padie in opgestapelde juten zakken en in een zelfgetimmerde grote kist met een deksel van planken. In een afsluitbaar vat werd de rijstvoorraad bewaard. In de kookhoek hingen er aan spijkers aan de muur enkele pannen en scheplepels. Op de legplanken aan de muur stonden er o.a. de keukenvoorraad (kruiden, uien en knoflook), potten met suiker en zout, een keukenmes, een fles met kokosolie, geëmailleerde eetborden, aluminium mokken en ander keukengerei. De grote ijzeren melkpot stond meestal op de culhá. In een hoek van de keuken stond op de grond een fles met petroleum en een kokolamphu (zelfgemaakte olielamp). Dicht bij de culhá lagen een phukni (een ijzeren pijp om het beginnende vuur in de culhá aan te blazen) en een cimtá (een grijper om hete dingen uit het vuur te pakken).

13. De kleine Shiva-mandir van Dalál Bábá

 Tulsiplant.
Foto van de auteur.

Voor deze woning, niet ver van de zandweg, stond een kleine wit geschilderde mandir (tempel) met een puntig aluminium koepeltje. Voor de mandir-ingang aan de westzijde, de beide zijkanten en de achterkant aan de oostzijde groeiden o.a. talrijke aromatische tulsi-plantjes (basilicum) en donkergele Afrikaantjes. De tulsi-plant wordt in het algemeen geassocieerd met de onderhoudende god Vishnu en zijn gemalin Lakshmi, die garant staat voor vruchtbaarheid, bescherming en gezondheid. Er stond ook een arhaul ke phul-struik (Chinese roos) die grote donkerrode bloemen gaf, die tijdens pujá’s (verering van God) geofferd werden. Een van de taken vanaf 1954 van Soniyá Raghoebier, een van de vier kleinschoondochters van Dalál Bábá, was om deze plantjes goed te onderhouden. Dat deed zij enkele jaren zorgvuldig en met veel plezier, vertelde zij vijf jaar geleden. Over de verzorging van zijn bloemen was Dalál ájá (opa) zeer tevreden. Zijn complimenten beleefde zij als immateriële beloning.

Shiva-linga.
Foto van de auteur.

De vloer van de privé mandir (gebedshuis) werd door Soniyá regelmatig met de hand bepleisterd met een mengsel van vette, zachte bruingele klei in een bepaalde verhouding vermengd met zand, verse koemest, water en rijstzemel. Midden in de mandir lag op een eenvoudig altaartje een Shiva-linga, een grote donkere gefossiliseerde zee-ammoniet uit de Juraperiode die in bepaalde rivierbeddingen in India wordt gevonden. Deze stenen zijn ooit in een oceanisch milieu ontstaan. De Hindi-benaming voor deze donkere stenen is shaligram. Deze stenen worden door vele hindoes in Suriname en Nederland, vooral door gehuwde vrouwen, als een goddelijk object vereerd. De linga (fallus) wordt met god Shiva geassocieerd en is het symbool van het mannelijke geslachtsorgaan. Het is aannemelijk, dat de baby Salikram vanwege zijn donkere huidskleur op suggestie van zijn ájá (paternale grootvader) vernoemd is naar shaligram, de lingam die Shiva, vormloosheid en oneindigheid symboliseert. Ook Shiva en de Shiva-lingam zijn donker van kleur. Ook de moeder van Salikram was donker. Zij overleed in 1948. De voornaam Salikram is eigenlijk een vervorming (door klankverandering) van het woordje shaligram. De namen Mahadew en Hardew, de voornamen van de twee jongere broers van Salikram, zijn eveneens aan Shiva en het shivaïsme gelieerd. Mahadew en Hardew zijn twee andere namen voor god Shiva, die in de denkwijze van sanátani hindoes een alles reducerende functie heeft. Enkele jaren na het overlijden van Dalál Bábá werd zijn mandir afgebroken. De bijzondere bloemen rondom de mandir en ook de Shiva-lingam verdwenen. Salikram en zijn vrouw hebben de Shiva-verering niet voortgezet.

14. De verdwijning van de Shiva-lingam

Enkele jaren eerder had Dalál Bábá een Shiva-lingam, een donkere natuursteen die god Shiva voorstelde, bij de stam van de grote dichtvertakte pipal ke pér (vijgenboom) bij een diepe zoetwatervijver op het perceel van zijn oudste kleinzoon Tribeni Ramawadh – na een pujá (eredienst) – een plekje gegeven. Onder deze pipal-boom werd op initiatief van Dalál Bábá en onder leiding van de brahmaanse pandit van Magenta jaarlijks eenmaal een pujá gedaan. Een pujá is een cultische verering van een godheid. Een voorlezing uit Shiva-purán vormde de hoofdmoot van deze pujá, die bijna drie uur kon duren. Een enkele keer woonde ik samen met mijn ájá (grootvader) zo’n pujá gedeeltelijk bij. Ook mijn ájá was nog een sanátani, een orthodoxe hindoe. Hij was bevriend met Dalál Bábá. Lang stil zitten tijdens zo’n pujá was niks voor de kinderen. En we verstonden niet veel van het gesproken woord, daarom mochten wij op het voorerf van de winkel ons bezig houden met spelletjes. Het verloop van de eredienst hielden wij wel in de gaten. We wilden natuurlijk genieten van de zoete offerspijzen (parsád). Als er parsád direct na de afloop van de pujá werd uitgedeeld, waren wij, de kinderen, er als de kippen erbij. Zo’n bijeenkomst werd met een vegetarische maaltijd afgesloten. Hierna bleven de oud-geworden Hindoestaanse immigranten nog met elkaar praten. Niet zelden zal het ook over hun geboortedorp (gánw) in Uttar Pradesh zijn geweest.

Sarju Sukraj was geen slaafse volgeling van zijn prohit, zijn brahmaanse pandit. Zo liet hij na een lange pujá-dienst zijn kleinkinderen als eerste eten, en niet, zoals gebruikelijk in die tijd, de brahmaanse pandit die de pujá had geleid en zijn aanwezige játi-genoten. Toen de pandit enigszins geërgerd Sarju Sukraj hierover aansprak, repliceerde de laatste met de volgende woorden: ‘Dit (Dalál Bábá bedoelde zijn kleinkinderen) zijn mijn devatá’s (godheden) en zij gaan voor.’

Na het overlijden van Dalál Bábá is die Shiva-lingam vermoedelijk door iemand uit den boze in de vijver gerold. Dit kan ook door een spelend kind zijn gedaan. Dit pré-Vedische, hindoeïstische symbool was al een doorn in de ogen van bepaalde van zijn militante áryá kleinzonen. Tot een verbale confrontatie hierover kwam het tussen hen nooit.

Mevr. Radjpatie Santokhi-Ramawadh (wijlen),
enige kleindochter van Sarju Sukraj.

Zijn zoon Ramawadh en zijn zeven kleinkinderen waren allen árya samáji’s, d.w.z. aanhangers van de Vedische religie. Economisch waren ze, m.u.v. zijn enige kleindochter, van hun grootvader afhankelijk, maar in religieus opzicht gingen ze hun eigen weg op. Hun ájá heeft geen dwang op hun keuze voor de Arya Samáj, een moderne hervormingsbeweging, uitgeoefend. Nogmaals: het is niet bekend of Dalál Bábá trots was op zijn oudste kleinzoon die een árya samáji pandit was, die het publiek in het Hindi fel en kritisch kon toespreken. Voor Rajpati Ramawadh, zijn enige kleindochter, zocht hij zelf een huwelijkspartner. Zij trouwde op jonge leeftijd, maar pas toen zij vijftien was, ging zij bij haar echtgenoot in Welgedacht C wonen. Ook Inderdjiet Santokhi, de echtgenoot van zijn kleindochter, was een samáji, die jaren later de panditopleiding van Arya Dewaker met succes zou afronden. Toen zijn kleindochter Rajpatie Ramawadh (1925 – 2022) trouwde, kreeg zij van haar ájá Dalál Bábá zeven jonge koeien cadeau, naast de gebruikelijke gouden en zilveren sieraden, goederen in natura (meestal rijst, gele erwten en aardappelen) en contant geld. Dit kon in die tijd alleen een succesvolle immigrant zich veroorloven en één die zijn kleindochter bijzonder lief had.

15. De stedeling Dalál Babá wordt in Magenta begraven

Sarju Sukraj werd in zijn woning in Paramaribo – naar schatting – op 78-jarige leeftijd ernstig ziek. Wat hem precies scheelde, weet niemand van ons meer. Zijn tweede levenspartner was kort tevoren overleden. Het alleen wonen ging niet meer. Sarju verhuisde in het begin van 1957 naar zijn grote woning in Magenta, waarin zijn kleinzoon Salikram Ramawadh met zijn jonge vrouw Soniyá Raghoebier en hun eerste zoontje Harikapoer op de tweede etage woonden. Zij gebruikten ook de begane grond. Waarschijnlijk heeft de beschikbaarheid van meer dan voldoende slaapruimte op de eerste etage een rol gespeeld bij de beslissing van Sarju Sukraj om in Magenta te verblijven. Vermoedelijk kon hij in zijn woning in de stad niet meer zelfstandig voor zijn eten zorgen. Het kan ook zo zijn, dat hij zijn levenseinde voelde naderen. Misschien had hij behoefte om te midden van zijn familie en in een omgeving te zijn die hem zeer vertrouwd was en die hij grotendeels zelf had ingericht. Daar had hij frisse lucht, stilte, maar ook aanspraak. Hij kon nog genieten van het vertrouwde geritsel van de bladeren van de vele kokospalmen, grotendeels door hem geplant.

 Het echtpaar Manikram Ramawadh, verzorgde Sarju Sukraj op zijn ziekbed in Magenta.

Soniyá heeft ook hem enkele maanden verzorgd, maar voor haar was het niet raadzaam om dit langer voort te zetten. Zij was zwanger van haar tweede zoon Sangram. Op voorstel van haar partner Salikram was zijn oudere broer Manikram Ramawadh bereid om hun opa in zijn eenvoudige woning achter aan de Abichaëlslustweg op te nemen. Ook Manikram had een groot gezin, desondanks nam hij zijn grootvader in huis. Chapeau! Zeg ik achteraf. De ziekte werd Sarju Sukraj fataal. Maanden later overleed hij op een steenworp afstand van de plek, waar in 1954 zijn eerste echtgenote in de woning van zijn tweede kleinzoon Kartaram Ramawadh overleden was. Hij werd naast zijn vrouw begraven. Zij verlieten samen als contractarbeiders India in 1907 en kregen hun laatste rustplaats naast elkaar in de openbare begraafplaats van Magenta. Eindelijk, na de dood waren beide geliefden weer ‘verenigd’, maar wel heel ver van hun geboortedorpen vandaan.

16. Een gevoelige kwestie

Sarju Sukrajs echtgenote heeft, zoals eerder vermeld, vanwege haar gezondheid vele jaren niet thuis mogen wonen. Hij was intussen naar de stad Paramaribo verhuisd. Enige tijd na de mislukte manmoedige ‘ontvoering’ van zijn echtgenote uit de gezondheidsinstelling Groot-Chatillon, kreeg hij een (vriendschaps)relatie met een andere vrouw, van wie niet bekend is, of ook zij een immigrante uit Brits-Indië was. Deze vrouw, die tot haar dood zelfstandig in Paramaribo woonde, werd in Magenta door bepaalde familieleden van Dalál Bábá geringschattend ‘muhṯeri’ (iemand met een scheve mond, een humeurige persoon) genoemd. Na het overlijden van Sarju Sukraj erfde haar enige zoon van Dalál Bábá een in de stad gelegen perceel, in de wijk Munderbuiten met een woning daarop. Er werd door een enkeling – overigens zonder zekerheid – gefluisterd, dat hij geen stiefzoon, maar een bloedeigen zoon van Dalál Bábá zou zijn.

Dit erven van een perceel met een woning ging echter niet van een leien dakje. Door de oudste, betweterige kleinzoon van Sarju Sukraj werd beweerd, dat deze man absoluut geen erfrecht zou hebben op een deel van Dalál Bábá’s bezittingen. Immers, hij was geen bloedverwant van hun opa. Deze kwestie deed toentertijd de gemoederen van menig familielid in Kofroláboiti behoorlijk verhit raken. Tot een vruchtbare dialoog tussen beide partijen kwam het niet, ondanks pogingen van de ‘stief’-zoon uit de stad. Hij kwam enkele keren met de fiets naar de Magentaweg om met de oudste kleinzoon van Sarju Sukraj te praten. In Magenta werd hij echter verbaal onheus behandeld. Beide partijen stonden lijnrecht tegenover elkaar. De kleinkinderen van Sarju Sukraj uit onwetendheid. Manikram Ramawadh, de tweede kleinzoon van Dalál Bábá, kwam met de hulp van zijn vriend Moen R. Somai via het Domeinkantoor te weten, dat deze zoon van ‘Muhteri’ wel recht had op een bepaald deel van Dalál Bábá’s bezittingen in Paramaribo. Vooral onwetendheid met testamentaire mogelijkheden en gebrek aan juiste informatie speelden in deze zaak een rol. Dit ‘verlies’ van een prási (erf met woning in de stad) heeft enige tijd grote ergernis bij enkele bloedverwanten van Dalál Bábá veroorzaakt, maar deze erfenis tegenover zijn volwassen (stief)zoon (?) had hij in een notarieel testament waterdicht geregeld.

17. Kalkattiyan beheersten meestal hun emotie

Ook in Magenta was het bekend, dat de Hindoestaanse immigranten niet te koop liepen met hun emotie, zoals verdriet. Zelden zag je in het openbaar hun verdriet, of tranen. Als dat een keertje gebeurde dan was het op een bescheiden manier en het duurde niet lang. Ze beheersten hun emotionele opwellingen. De ex-kalkattiyá’s, die ik kende, konden hun leed goed verborgen houden, vooral ten overstaan van hun kinderen en kleinkinderen. Ik kan mij goed herinneren, dat er enkele spaarzame momenten waren waarop mijn grootvader zijn emotie niet volledig kon beheersen. Ik werd wegens doubleren op de Hendrikschool afgeschreven. Toen mijn ájá dit bericht hoorde, was de spontane verontwaardiging in mijn opa’s stem even duidelijk voelbaar. Ook diepe teleurstelling werd in zijn enige natuurlijke oog zichtbaar. Met een vlammende blik keek hij me aan. Mijn opa had een kunstoog. Daarna heeft hij mij nooit een verwijt over mijn studiefalen gemaakt. Trots was hij op mij toen ik in 1961 via een eenjarig cursus mijn hulponderwijzersakte behaalde en een baan kreeg op de openbare lagere school van Bakkie.

Ook Sarju Sukraj was een slachtoffer van het faillissement van het notariskantoor De Miranda in Paramaribo. Kennelijk was niet de notaris de daadwerkelijke schuldige, maar zijn Hindoestaanse moslimklerk. De notaris moest wel de juridische verantwoordelijkheid aanvaarden. Dalál Bábá had zijn spaargeld bij deze notaris in beheer gegeven. Ook andere Hindoestaanse immigranten, o.a. mijn opa die met Sarju bevriend was, hadden hetzelfde gedaan. Dalál Bábá is zijn ingelegde vermogen grotendeels kwijtgeraakt. Toen Sarju Sukraj, intussen een bejaarde man, onverwacht dit uiterst onaangename bericht hoorde, heeft hij heel hard gehuild. Kennelijk betrof het een groot deel van zijn zuurverdiende spaargeld. Ook dit verdriet leerde hij langzaam te dragen zonder erover te praten; in machteloosheid verkerend.

1 Trackback/Ping

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter