blog | werkgroep caraïbische letteren

Saint John Perse en Édouard Glissant: twee belangrijke, maar vaak vergeten, Caribische dichter-denkers

door Brede Kristensen

Er is geen enkele aanleiding om eens iets over Saint John Perse (1887-1975), de dichter afkomstig uit Guadaloupe te schrijven. Of het zou moeten zijn dat hij in 1960 de Nobelprijs voor literatuur ontving, maar dat is nog een jaar te vroeg voor het jubileum van 50 jaar. Ondanks die prijs is hij nogal onbekend gebleven, zelfs op zijn geboorte eiland Guadaloupe. Zijn naam wordt maar zelden genoemd. In zijn overzicht van de Caribische literatuur, wijdt Aart Broek geen bespreking aan Saint-John Perse. Terwijl de titel van zijn boek Het zilt van de passaten aan een gedicht van hem is ontleend: ‘Het is een smaak van groene vruchten, het rinse dat je indrinkt met de dageraad, de melke lucht, gekruid met het zilt van de passaten’. Deze regels gebruikt Broek bovendien als motto van zijn boek. Typerende regels voor Perse.
Édouard Glissant (1928-2011) uit het naburige eiland Martinique is nog nadrukkelijker dichter en denker ineen. Over hem is veel geschreven, maar het grote publiek kent hem amper. Als dichter is hij moeilijk te doorgronden. Als denker heeft hij een betekenis die ver uitstijgt boven de Caribische regio. Hieronder volgen de uitgebreide en oorspronkelijke teksten op basis waarvan ik dit jaar twee stukjes voor de Amigoe schreef.

Saint-John Perse in 1960

1. Saint-John Perse : gefascineerd door Eenheid
Mijn persoonlijke indruk is dat Saint-John Perse vaak dichtte om zijn jeugd op Guadaloupe in herinnering op te roepen. De eerstetwaalf jaren van zijn leven woonde hij op Gaudaloupe. De familie Léger (zijn echte naam luidt Alexis Léger) was al een eeuw woonachtig op Gaudaloupe. Een familie van blanke advocaten en plantagehouders (békés werden ze genoemd). Een nieuwe gouverneur die de familie vijandig gezind was, deed vader Léger besluiten naar Frankrijk uit te wijken. Naar verluidt kon Alexis maar moeilijk wennen aan het Franse leven binnenshuis. Men zegt dat hij zijn verdere jeugd na schooltijd rondzwierf door de heuvels van Pau. Typerend voor mensen die op jonge leeftijd naar een ander en vreemd land verhuizen is het gevoel van ontheemdheid. Vaak ook een basis om diplomaat te worden. Dat werd hij ook. Naast zijn werk als diplomaat, ontwikkelde hij zich als dichter – in zijn ogen twee strikt gescheiden werelden. Daarom ook gebrukte hij een pseudoniem. Er is gespeculeerd over de betekenis van de naam Saint-John Perse. Zelf gaf hij geen redenen. Vermoedelijk is de naam Perse afgeleid van de Romeinse dichter Aulus Persius Flaccus (34-62),die met zijn Etruskische afkomst zich nooit thuis voelde in het Romeinse rijk. Alexis voelde verwantschap en bewonderde hem vanwege zijn kritiek op Rome en op de poëzie van die periode. Blijft over Saint-John. Soms wordt geopperd dat die naam is ontleend aan de vele Caribische plaatsen die Saint John worden genoemd. Bijvoorbeeld Saint John’s op Antigua (waar Jamaica Kincaid werd geboren). Of is er ook iets van een verwijzing naar Johannes de Doper, de wegbereider? Ik denk het. En ook dat dit de reden is waarom hij zich niet erover uitsprak. Het zou te pretentieus klinken.
Als een heilige iemand is die open staat voor een hogere werkelijkheid, dan belanden we rechtstreeks bij de essentie van zijn poëzie. Voor hem maakt poëzie de weg vrij om het boven of buitennatuurlijke te ‘zien’. Sprekend over Dante zegt hij:”Le seuil métaphysique n’est là franchi que par la connaissance poétique”. Alleen de poëzie voedt ons gevoel voor het goddelijke. Daarom kan hij ook zeggen: ‘Toute poétique est une ontologie’. Poëzie maakt ons bewust van het mysterie van het zijn en als men tegenwerpt dat het in de poëzie toch om schoonheid gaat is zijn antwoord dat schoonheid de essentie is van het zijn.
Hij groeide op in Pointe-à-Pitre, in een tijd dat die stad uit een groot aantal miserabele krottenwijkjes bestond. Toch herinnerde hij zich de stad als indrukwekkend, groots en met ‘splendeur’. Hij beschrijft een vissenkop ergens op straat, liggend in het braaksel van een kat, verderop op een bedelend melaats meisje en nog een stukje verder de altijd stinkende haven met vissers die bezig zijn hun vangst te ontdoen van ingewanden onder belangstelling van zwermen vliegen. Dit alles in een omgeving die de immense krachten van de natuur zichtbaar ondergaat. De nooit aflatende hitte, de weelderige tropische vegetatie van onuitputtelijke groeikracht getuigend, de overvloed aan vogels en insecten, de jaarlijks terugkerende orkanen en de dreiging van vulkaanuitbarstingen. Hij had ze leren zien als uitingen van het goddelijke. En als bespotters van onze technisch controlerende beheerssystemen. Evenals Édouard Glissant beleefde hij ons bestaan als innig verbonden met de natuur. Zoals in deze versregels uit Amers, waarin bovendien zijn voorliefde voor het accentueren van tegenstellingen blijkt:

Nauw zijn de schepen, de bedden, de gangen
immens is de uitgestrektheid van de zee ; weidser nog
is in de gesloten kamer van het hart ons verlangen.

Eens werd hij overvallen door een hevig onweer. Het vuur van de bliksem ervoer hij als een manifestatie van de “grandes forces qui nous créent, qui nous empruntent ou qui nous lient’. We lezen dit in een brief die hij schreef om zijn grote poëem Amers (1957) te introduceren. In Amers wordt de zee bezongen, waarvan het water voor het gevoel van de dichter door zijn eigen aderen stroomt. De zee is in ons. Hierin de volgende regels: “De zee, immens en groen als een zonsopgang in het oosten van de mensheid …… de zee, in ons, met zich meedragend door heel de wereld zijn geluid van zijde, van uitgestrektheid en zijn frisse regen van overvloed”. Deze mysterieuze zee bevindt zich ook in ons en maakt dat we voor onszelf een raadsel zijn. Het doet denken aan regels van Pierre Lauffer:

O laman yen di misterio
den boolanan skondé
kon mi por komprondé
bo gran imperio…

 

O zee, vol van mysterie,
in je golven verborgen,
hoe zou ik je imperium
kunnen doorgronden.

Als dichter zal hij later zijn fascinatie tot uitdrukking brengen voor die ‘grote krachten van de natuur’, de bliksem, de storm die de zee doet golven, de beweging van aardkorsten waardoor de vulkanen hun lava naar buiten slingeren, maar ook de hitte van de middag die stilte bewerkt en de mens uitnodigt te luisteren naar de stem van de stilte, die ons vertelt dat we verbonden zijn met de natuur en dat er “l’unité de I’Être” bestaat. En de krachten die werkzaam zijn tussen de mensen onderling.Dat zijn niet slechts krachten in dienst van macht of seksualiteit, het zijn de geheimzinnige krachten van afstoting en aantrekking, van haat en liefde, wantrouwen en vertrouwen en van verlangen naar eeuwigheid. Ondanks de duizelingwekkende verscheidenheid van verschijningsvormen is ‘het zijn een eenheid’ en kunnen we ons daarvan niet losmaken. We zijn erin opgenomen, niet als iets dat statisch is, maar voortdurend in wording.Duizelingwekkend dus. En alleen te begrijpen wanneer we onszelf permissie geven ons te verwonderen. Bij voorkeur bij de aanvang van de dag, wanneer het nog niet is bedolven onder de ervaringen van die dag. De verwondering krijgt ruimte en het licht breekt door.

 


Is er geen verwantschap met Derek Walcott, die Philoctete uit Omeros vroeg in de ochtend laat zeggen dat ‘dauw zijn ogen vult’? Later in What the Twilight Says (1998) spreekt hij over de ochtenddauw die als een nevel onze blik vervaagt, terwijl diezelfde dauw, die onze ogen in een sluier hult, ook verwijst naar tranen en naar het opdrogen ervan als de zon van achter de horizon verschijnt als belofte van nieuw leven. Ochtenddauw en tranen, wijken beide voor de felle tropische zon, schrijft hij, en openen de ogen voor de zee die alles omvat, de zee die ‘ook geschiedenis is’. Trouwens, Walcott zegt zelf verwantschap met Perse te voelen juist vanwege de beleving van de zee en de morgenstond. Perse: “en de ochtend, die er is van ons, beweegt haar profetische vinger door de heilige schriften. Verbanning is niet van gister! Niet van gister!……overblijfselen, gebouwen, zegt de Vreemdeling in het zand: de hele wereld is nieuw voor mij’. Maar in zijn grote prozagedicht Anabase, genoemd naar de weg die ons van de kust het binnenland invoert, weg van de zee, lezen we deze regels van Sain-John Perse: ‘l’éternité qui bâille sur les sables’, de eeuwigheid geeuwend op het zand. Hij bedoelt hier het zand van de Arabische woestijnen, die hij als diplomaat leerde kennen. Het land van de wereld van mensen, die van de wereld een woestijn maakten. ‘In drukke landen heerst de grootste stilte’, lezen we verderop. Met bewondering kijken we naar de prestaties van mensen, maar ook zuchtend om de ijdelheid die spottend om de hoek loert, beseffend hoe relatief alles is, als zand in het licht van de eeuwigheid.
Poëzie verlicht en verbindt. Daarom is poëzie de wegbereider voor de religieuze vonk die het besef van eeuwigheid wekt. Die rode draad die door het werk van Perse loopt en die hij de wet van harmonie noemt. Op het eerste gezicht is nergens sprake van harmonie, eerder van misère, verval, destructie. Édouard Glissant, de dichter-filosoof uit Martinique, verweet hem voorbij te gaan aan de wrede geschiedenissen van onderdrukten. Indien we ons niet tot onze geschiedenis verhouden, verengt ons bewustzijn, betoogt Glissant. Maar, zo meent Perse, de poëzie opent onze ogen voor de schoonheid die door de façade van verval heen zichtbaar is. Ook van een wrede geschiedenis. Die schoonheid en die menselijkheid moeten we niet uit het oog verliezen, want daarom gaat het, meent Perse. Dat is omdat er een hogere dimensie bestaat die harmonie in zich bergt. Die hogere dimensie kan verborgen zijn, maar is nooit afwezig. Ik meen dat Perse en Glissant in wezen dicht bij elkaar staan. Poëzie, zo stelt Perse, geeft uiting aan het donkere, verborgen mysterie van ons bestaan. Hoe raadselachtiger onze historische tradities, hoe kwetsbaar, en ook: hoe directer onze confrontatie met het mysterie van het bestaan.

 


Het heimwee naar een verloren paradijs, het gevoel van ballingschap zou hij later, weg van Guadaloupe in verhevigde mate ervaren. Zonder het gevoel van ballingschap, kan er geen gevoel voor het andere, het buitennatuurlijke, het goddelijke zijn. Dat gevoel wordt echter gevoed door onze waarneming. De natuur biedt als het ware doorkijkjes. Het werd een belangrijk kenmerk van zijn poëzie.
De prachtige, zelfs betoverende serie ‘Les oiseaux’, ‘Vogels’, geïllustreerd door Georges Braque, eindigt met de “ontzagwekkende, onmetelijke frisheid van leven en scheppen, de diepste nacht bewegend….. Onwetend van hun schaduw, wetend alleen van de dood, wetend dat het onsterfelijke wordt verteerd in het verre geraas van grote wateren “. Vanwaar dat weten? Die vraag over de ‘vertering van het onsterfelijke’ is de vraag van de poëzie. Die vraag ís poëzie. En nog meer dan dat hoor ik hem ook zeggen of denken: ís leven.

 

Édouard Glissant (Wikipedia)

2. Édouard Glissant: gefascineerd door relateren
De grote filosoof Martin Heidegger meende dat poëzie en filosofie tweelingen zijn. Eeneiige wel te verstaan. Zijn beroemde hoofdwerk Sein und Zeit is een uitwerking van zijn motto: ‘het zopas begonnen gedicht van het zijn, is de mens’. In Heideggers ogen is poëzie ‘de fundamentele gebeurtenis van ons historisch bestaan’. Bij belangrijke historische gebeurtenissen denken we aan oorlogen die alles op zijn kop zetten, grote uitvindingen, afschaffing van slavernij, brexit, ‘30 mei’. Dat soort gebeurtenissen. Voor Heidegger zijn dergelijke gebeurtenissen niet persé van betekenis voor ons ‘historische bestaan’. Iets wordt pas opgenomen in ons historisch bestaan als wij een historische belevenis innerlijk verwerken en creatief tot unieke uitdrukking brengen. Waardoor ons ‘zijn’ verandert. Ziedaar de oorsprong van poëtische expressie. Poëzie verdiept en verhevigt ons denken en bewustzijn, waardoor onze existentie verandert. In zekere zin worden we zelfs een ander mens. Als we het woord existentie uiteen halen, komen we gelijk bij Heideggers kern terecht: ex-sistere, uit een schuilplaats tevoorschijn treden. Poëzie roept een verborgen aspect van ons bestaan tevoorschijn zodat het werkzaam kan worden in ons bewustzijn. Daarom kon Heidegger ook zeggen dat poëzie en het ware existentiële denken in wezen identiek zijn.

Meestal plakken we op grote gebeurtenissen bekende labels: revolutionair, ongehoord, van historische betekenis, typisch dit of dat. We maken er zelfs van: vandaag werd geschiedenis geschreven. Allemaal clichés. We krijgen even een kick en gaan over tot de orde van de dag. Poëzie is van een andere orde. Poëzie is te vergelijken met een venster waardoorheen wij de buitenwereld zien en ons verwonderen. En….als gevolg van verwondering, we ook een verrassende kijk op ons eigen innerlijk krijgen. Dus ook een venster met uitkijk naar binnen.
Dichters en denkers zijn dus tweelingen. Édouard Glissant is een markant voorbeeld van iemand die beide is. En dat op volstrekt natuurlijke wijze. Uniek, mag wel gezegd worden. Of moeten we zeggen: eigenlijk normaal. In een eenvoudig arbeidersmilieu op een suikerrietplantage in Martinique geboren, groeide hij op in de natuur rond de plantage. ‘Een landarbeider, vriend van mijn vader, vertelde me oude creoolse verhalen. Die hebben me gevormd.’ Zijn schooltijd verliep rustig. Zijn hele leven eigenlijk. Aan de weg timmeren deed hij niet. Zo bleef hij vaak onopgemerkt. Hij was ook totaal niet in staat op populaire wijze te dichten of te schrijven. Maar wie zich in zijn werk verdiept, wordt verrast.
Na het lyceum in Martinique ging hij in Parijs etnografie en filosofie studeren. Zijn eerste dichtbundel kwam uit in 1956: Soleil de la conscience (Zon van bewustzijn). De titel is veelzeggend. Glissant werd gefascineerd door het verschijnsel bewustzijn. Ieder mens heeft bewustzijn. Echter: meestal beperkt. We zijn ons bewust van één talent, terwijl we er zoveel hebben. We zijn ons bewust van een handicap en staan toe dat die een obsessie wordt. Ons hele leven komt in het teken ervan te staan. We zijn ons bewust van een stukje geschiedenis en vergeten de rest. Nog belangrijker: te vaak beperkt ons bewustzijn zich tot de existentie van gelijkgezinden. Alsof de ‘ander’ niet bestaat. Ik kom daar aanstonds op terug. Eerst even over het begrip bewustzijn. Bewustzijn wordt door Glissant omschreven als ‘denken over denken’. Een citaat ter illustratie. Geen eenvoudig citaat, maar sta even erbij stil:

Penser la pensée revient le plus souvent à se retirer dans un lieu sans dimension où l’idée seule de la pensée s’obstine. Mais la pensée s’espace réellement au monde. Elle informe l’imaginaire des peuples, leurs poétiques diversifies qu’à son tour elle transforme, c’est-à-dire, dans lesquels se réalise son risque.(Het denken denkende leidt meestal tot een zich terugtrekken naar een dimensieloze plek waar alleen het denken blijvend is. Maar in de wereld verwerft het denken zich een reële plaats. Het voedt de verbeelding van de volken, hun diversiteit aan poëzie, die het op zijn beurt transformeert, dat wil zeggen, zijn risico treedt daarin aan het licht’)

Voor ons die opgeleid zijn in het nogal onfilosofische klimaat van het Nederlands onderwijssysteem, klinkt dit duister. Wij hebben vooral geleerd praktisch, oplossingsgericht te denken. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en zo zien we dat de tweelingzus van denken, poëzie, in het Nederlandse taalgebied bloeit. Ook op de Nederlands Antilliaanse eilanden. Dat poëzie en denken in elkaars verlengde liggen, bewijst bijvoorbeeld een dichter als Luis Daal, die we dit jaar gedenken. Alhoewel geen filosoof is hij een uitgesproken filosofisch dichter. Wie zijn poëzie leest ontkomt bijna niet eraan om de wereld anders te gaan ‘zien’, anders te ‘beleven’, anders te ‘ lezen’, anders erover te gaan ‘denken’. En dat geeft te ‘denken’! Nietwaar? Welnu, met die vaststelling (indien u het als lezer met me eens bent) belanden we weer bij het citaat van Glissant.

 


We kunnen op twee manieren denken over ‘denken’. Het makkelijkst is ons te beperken. We focussen op één ding. Dat ene talent, die ene handicap, die ene droom om politicus te worden, die ene interpretatie van de geschiedenis, dat ene slimme plan voor een atrako. Of dat ene wereldbeeld van ons. Dat ene geloof. De rest van de realiteit vervaagt en verliezen we langzamerhand zelfs uit het oog. De fascinatie door dat ene beperkt ons. Als we onze ogen openen en ons denken confronteren met de totale realiteit van alledag, met ‘het andere’, verandert alles. Dan vindt een confrontatie plaats. Bijvoorbeeld met de ‘rijkdom van de verborgen geschiedenis, meestal mondeling overgedragen’. Het is die confrontatie die ons doet verwonderen over het ongehoorde. Die zet onze verbeelding aan het werk. Met poëtische expressie als resultaat. Indien ons denken daarmee aan de slag gaat, zijn de gevolgen existentieel. Er vindt een ex-sistere plaats, een uit onze schuilplaats tevoorschijn treden. Iets dat verborgen was in ons zijn, komt aan het licht. Hoe meer we ons relateren, hoe vaker dit gebeurt. Ons bewustzijn verbreedt zich. Zoniet dan blijft ons bewustzijn beperkt en eng. Dat naar buiten treden is lotbestemmend en dus ook risicovol. We veranderen en ontwikkelen ons, ten goede of ten kwade. Hopelijk ten goede. Zo wordt de verborgen waarheid over ons zijn ‘onverborgen’. Niet als abstracte waarheid, maar als concreet-existentiële waarheid die ons praktische zijn beïnvloedt.
Nu iets over twee belangrijke karakteristieken van Glissant’s manier van denken. Op een, ik zou bijna zeggen, charmant creatieve wijze wist hij te laveren tussen twee magnifieke poëtische rotsen in de Franse Cariben: Aimé Césaire van het naburige Guadaloupe en eilandgenoot Saint-John Perse. Oftewel tussen de focus op het Eigene van de ‘négritude’ en de fascinatie voor de Eenheid van het weergaloos diverse universum. Césaire en Perse zijn in een zeker opzicht tegenpolen, maar zoals alle tegenpolen heffen ze elkaar in een specifiek opzicht, ook dialectisch op. Glissant had daar oog voor. Voor ‘opheffing’, in letterlijke en figuurlijke zin. Over die négritude schrijft hij (in bijkans Heideggeriaanse taal) dat het ‘een ontwaken van de herinnering aan Afrika is en een aankondiging van hernieuwd leven’. Ze is als de ‘uitbarsting van een vulkaan, als het breken van kettingen waaraan het bewustzijn is geketend, met momenten van zachtheid van bronwater’, zo gaat hij verder. En dan, over de eenheid van alles dat bestaat, schrijft hij dat ‘hoe bewuster we ons zijn van diversiteit hoe fascinerender het Ene wordt’. Zonder diversiteit is het Ene inhoudsloos. Deze laatste woorden deden me denken aan die van Cola Debrot over de ‘eenheid van het kristal waarin de verscheidenheden elkaars schoonheid weerkaatsen en onzegbaar verhogen’. Glissant spreekt van de ‘tout-monde’ met haar enorme diversiteit die iedereen, die zich ervoor openstelt, doordringt én beschermt, zo voegt hij verrassenderwijs eraan toe. Hierover twee opmerkingen.

 


Een. Wij blijven graag binnen de vertrouwde omgeving, van taal, cultuur, geschiedenis, relaties en gewoonten. Daarbuiten is een vreemde wereld die wat ons betreft simpelweg ‘buitenwereld’ blijft. Het contact ermee, met de mensen, ervaren we gemakkelijk als bedreigend. Laten we de immigranten maar liever op afstand houden. Dat is de normale menselijke reactie. Glissant moedigt aan het tegenovergestelde te doen: ontmoeting, confrontatie met het andere. Zie het als een uitdaging. Leer ervan. Je zult merken dat je jezelf anders gaat bekijken en beleven. En doe een volgende stap: neem het andere in je op. Maak het tot een deel van jezelf. Je gaat jezelf beter leren kennen en waarderen.Dan gebeurt er iets van je helemaal niet verwacht. Je gaat je zelfs thuis voelen in de wereld van verscheidenheid. Je houdt op angstig te zijn. Openheid en communicatie wekken een gevoel van bescherming. Je leert reageren en je merkt dat een dialoog op gang komt en dat je leven niet eindigt, maar een nieuw begin doormaakt. Het kan niet genoeg gezegd worden, poëzie, alsook de overige kunsten, zijn niet gebaat bij het koesteren van de eigen traditie. De eigen traditie wordt pas interessant wanneer die met andere tradities wordt geconfronteerd. Wanneer vermenging plaatsvindt. Oftewel ontmoeting. Voortzetting van culturele tradities is dodelijk voor creativiteit. Overigens was dat ook een van Luis Borges’ hobbies om daarover duidelijke uitspraken te doen.
Laat me het nog sterker zeggen. Glissant citeert graag de dichter Arthur Rimbaud (1854-1891): ‘ik ben de ander’. De ander, ofwel de geest van de ander laat ik toe in mijn geest, waardoor mijn geest een ander wordt. Oftewel, niet de ontmoeting met de gelijke (hoe gemakkelijk en aangenaam ook), doch de ontmoeting met de ander vormt me. In die ontmoeting word ik me bewust van mijn achtergrond en, door die ander toe te laten, krijg ik een besef van de betekenis van andere geschiedenissen. Dit noemt hij ‘creolisering’. Dit is ook de ‘weg naar de wereld, die zich voor mij opent. Zo komt de wereld ook in mij tot uitdrukking. Glissant spreekt van de ‘tout-monde’, het ‘wereldgeheel’ dat in mij een echo-wereld wordt, die van mij uitstraalt, of als een echo hoorbaar wordt. Met de daarbij passende houding die hij wel ‘mondialité’ noemt. Onze identiteit bestaat uit relaties. Hoe veelkleuriger onze relaties hoe groter de ruimte om te groeien.
Men heeft Glissant willen indelen bij de existentialisten. Tot op zekere hoogte terecht. Ik meen dat de verwantschap met Heidegger sterk is. Maar in de loop van zijn leven zijn relaties, ontmoetingen en de ‘tout monde’ een steeds grotere rol voor hem gaan spelen. Zo toont hij zich verwant met het Franse personalisme. In het personalisme staat existeren gelijk met relateren. Immers, relaties stimuleren het ex-sistere (in woorden ontleend aan de Nederlandse filosoof A.E.Loen). Glissant’s Poétique de la relation kan als een sublieme uitwerking hiervan gelezen worden.

 

Bernard Charbonneau, een relatief onbekende personalistische denker, schreef het fascinerende essay Je fus, waarin hij erop wijst dat du moment wij bewust nadenken over onszelf in relatie tot onze omgeving, onze geschiedenis plus die van medemensen, ons ‘ik’ reeds achterhaald is. Vandaar de titel ‘ik was’. De uitspraak ‘ik ben’ is een contradictio in terminis. Zo’n ‘ik’ is een doods ‘ik’. Glissant stelt: ‘Al denkende creëer ik continu mezelf, en verzet me tegen pogingen van anderen me vast te leggen’. Dit impliceert een schijnbare chaos, die we graag trachten te beheersen. Niet doen. Dan werken we mee aan entropie. Beter is creatief ermee omgaan en zodoende ‘worden’ stimuleren.
Twee. Diaspora. Het verstrooid over de wereld leven van een volk. Een typisch kenmerk van het Joodse volk? Nee, zegt Glissant. Zolang we nostalgisch terugverlangen naar dat ene unieke plekje op de wereld (zoals veel Joden), leven we niet in de diaspora. Diaspora heeft meer met onze geest dan met onze gang te maken. Wie zich mentaal vastklampt aan een unieke geschiedenis, een locatie of een groep mensen, leeft niet in de diaspora en heeft beperkt contact met de tout-monde. Het Caribisch gebied met mensen die uit alle windstreken komen en hun eigen geschiedenis hebben meegenomen, is in potentie een ideale ‘tout-monde’, van radicale creolisering waardoor elkaars eigenheid en schoonheid onzegbaar worden verhoogd. Het denken en dichten van Glissant is een poging die potentie te realiseren.

Tenslotte. Glissant heeft zich vanaf zijn jeugd op Martinique zichzelf als onderdeel van de natuur beschouwd. Zijn poëzie leeft van de symbolen van de natuur: de oceaan, de vogels, de bergen. Zij zijn het die tot ons spreken, zonder dubbele agenda of verborgen bedoeling. Hun spreken is direct en stimuleert ons tot directheid, spontaniteit en openheid, tot existeren dus. De natuur heeft gelukkig ook geduld met ons en geduld getuigt van wijsheiden gevoelvoor het juiste moment, het moment om te bloeien.

L’océan
L’ancêtre parle, c’est l’océan, c’est une race qui lavait les continents avec son voile de souffrance ; il dit cette race qui est chant, rosée du chant et le parfum sourd et le
bleu du chant, et sa bouche est le chant de toutes les bouches d’écume ; océan! tu permets, tu es complice, faiseur d’astres; comment n’ouvres-tu pas tes ailes en poumon
vorace.
Et voyez! il ne reste que la somme du chant et l’éternité de la voix et l’enfance déjà de ceux qui en feront héritage.
Car pour la souffrance elle appartient à tous: chacun en a, entre les dents, le sable vigoureux.
L’océan est patience, sa sagesse est l’été du temps.

Edouard Glissant, Soleil de la conscience, 1956; Poétique de la relation 1990; Traité du Tout-Monde, 1997.
Bernard Charbonneau, Je fus, essay sur la liberté, 2000
Martin Heidegger, The Origins of the Work of Art, in Heidegger, In: Basic Writings, 1978
Mamadou Moustapha Ly, Edouard Glissant in Theory and Practice: A Diasporic Poetics of Politics,2014
Saint-John Perse. Oeuvres complètes. Paris, 1972; Letters. (trans.) Arthur J. Knodel, Princeton, 1979;

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter