blog | werkgroep caraïbische letteren

Ralf Mohrens tweede roman: De hemel is zwart vandaag

In de debuutroman van Ralf Mohren, Tonic, loopt Arthur Poolman, de ik-figuur, bij AA om zijn alcoholgebruik te leren beheersen. In de eerste zin van Mohrens tweede roman waarschuwt de schrijver al dat de ik-figuur, met dezelfde naam, officieel gek is verklaard – ‘er zitten grote voordelen aan gek zijn’ (p 52) – en in de tweede alinea dat hij vaak alcohol drinkt om in zijn hoofd te verdwijnen. Mag ik hieruit de conclusie trekken dat de sessies bij AA niet het beoogde resultaat hebben opgeleverd? Tuurlijk niet, dat zou op een drogreden gebaseerd zijn. Het zou kunnen dat de roman die als tweede is gepubliceerd geschreven is vóór de eerste, maar dat is volgens de schrijver niet het geval. Deze passanten-roman speelt zich af op Curaçao en mag, maar niet alleen daarom, hier niet onbesproken blijven.

door Jeroen Heuvel

De hemel is zwart vandaag

Misschien is Poolman een alter ego of dubbelganger van Mohren, omdat ze allebei van 1970 (p 71) zijn en van beroep docent Nederlands (p 20), maar dat is totaal niet interessant voor een oordeel over het boek. We kijken niet naar de bio van de auteur, maar naar zijn avatar. Dit is fictie. Achternaam: Poolman “Ik wist in elk geval wel dat ik mijn hele leven de boel onder controle probeerde te krijgen terwijl ik aan de andere kant alles deed om die controle te verliezen. Ik had twee onverenigbare polen die elkaar af en toe netjes afwisselden, maar elkaar soms ook naar het leven stonden.” Een bipolair figuur die naar Curaçao komt, maar ook in de tropen geen evenwicht vindt, of wil vinden. “Wat onderzoek ik in godsnaam? Wat is mijn hoofdvraag? Ik weet het niet meer.” En dan van gekkigheid iets idioots verzint. “Ik weet wel dat ik deze week Nederlandse dingen ga doen. En de volgende week Antilliaanse dingen. Ik weet alleen niet zeker wat nou precies Nederlandse en Antilliaanse dingen zijn. En daarmee schoffel ik mijn eigen theorie op grove wijze onderuit. Ik besluit dat heel bewust te negeren.”
In fictie kan alles, ook stukjes realiteit invoegen. In mensenfantasie is niets zo onwerkelijk of het is ooit in de realiteit gebeurd. Mohren is de poppenspeler, de verhalenverteller, die de grenzen van realiteit en verzonnenheid opzoekt, oprekt en dan weer als elastiek laat terugspringen. Zijn figuren kunnen bij wijze van spreken 24/7 whiskey slempen, prostituees beschermen en carnavalsvierders vermorzelen; why not, so what? ‘Verhalen geven houvast, zelfs als ze niets verklaren en meer vragen oproepen dan ze beantwoorden, dan zit je nog veilig en warm onder het dekbed van je verhaal.’ (p 48) Het boek is opgedragen aan ‘Frits, mijn vader’. Onwillekeurig moet ik denken aan Frits Ruprecht. Is Ralf, of Arthur, een zoon van Frits Mohren of van de ik-figuur in ‘Mijn zuster de negerin’?

Het tweede motto voorin het boek luidt: ‘If you can’t see me, I can’t see you.’ Het is van liedjesschrijver Courtney Barnett (foto), uit ‘Dead Fox’.

De lezer als medeschepper van een boek kan dus ook meerdere kanten op. Hier onderbreekt Shòròmbu me, mijn oudste zoon: “Als docent Nederlands zie ik op de eerste bladzijde een snoepje van een voorzetsel: ‘Het begon met de dode hond die in de straat lag.’ In de straat. Zonder veroordeling uit te spreken, oordeel ik hoe bijzonder voorzetsels zijn in de verschillende idiomen van het Nederlands, trouwens ook in het Papiamentu, maar dat terzijde. Dat kadaver ligt niet op straat, of op de straat, maar in de straat. De kinderen voetballen op (?) straat, ze wonen in (aan?) die straat.” Is taal alleen maar middel tot communicatie?
Poolman schrijft brieven aan Tip Marugg; een fictief persoon richt brieven aan een in de werkelijkheid bestaande schrijver. Een motto voorin het boek is van Marugg: ‘Hoe lang reeds heb ik niet om de haverklap dure eden afgelegd, het hele bekende rijtje en nog veel meer, want er is altijd het besef in mij aanwezig geweest dat het anders moet. Maar tegelijkertijd ook dat het niet anders kan.’ (uit: In de straten van Tepalka) Hier heeft Tip het beroemde spreekwoord uit Matthaeus 26: 40-41 verwoord. Dit kwam ik tegen in de week dat ik deze roman las, het was de Stille Week – toeval? – waarin ik bij de uitvoering van de Matthäus-Passion bij gebrek aan voldoende geschoolde zangers de tekst van de Evangelist en Jezus uitspreek, tussen de koralen door die het Bachkoor zingt. Er is geen groter contrast denkbaar tussen de held uit die tekst, Matthaeus 26 en 27, en de anti-held van Mohren. Vergeleken met de held in het lijdensverhaal, is Arthur Poolman een voorbeeld van een figuur die zich heeft laten verleiden door de anti-Christus, menselijk, maar abject, of abject maar menselijk, afhankelijk van hoe je het wil bekijken.

De interviewer, links, is Frans Pollux. Rechts is de auteur.
FOTO: Alex de Groot.

Het verhaal speelt zich af in het Curaçao van twintig jaar geleden dat in de ban is van de aanstaande zonsverduistering. ‘Op 26 februari 1998 gaat het eiland op zwart. Voor heel even.’ (p 195) Het zwart in de titel doet op de eerste plaats denken aan de zonsverduistering, maar dat is een eenmalig kenmerk, komt van buiten, en duurt ongeveer een minuut; nee, het zwart in de titel duurt langer, en is een terugkerend kenmerk en komt van binnen, zoals uit het begin van hoofdstuk 22 valt op te maken:
‘Gek is dat: je drinkt om dingen te vergeten of in elk geval te dempen, maar als je dan een dag later van alles kwijt bent, is het ook weer niet goed. Lichamelijk was er niets aan de hand. Ik voelde dat ik had gedronken. Geestelijk kon ik de zaken nog niet helemaal inschatten, maar het drukkende zwart dat ik kende van oude katers was afwezig. Mijn geheugen hield zich koest.’ (p 134) De geest is uit de fles en dan beheerst ‘king’ Arthur de dubbelganger in zich niet meer, en geeft hem ruimte om de daden en gedachten van Poolman te bepalen. Daden waarvan Poolman, als hij nuchter is, niet meer weet wie die heeft uitgevoerd.

Jopi Hart (tweede van rechts) gidst in het boek de hoofdfiguur ‘king’ Arthur door Otrobanda. In het echte leven heeft hij de koningin (niet op deze foto) en de kroonprins (in het midden) rondgeleid.

Shòròmbu onderbreekt: “Poolman hoort Tip nooit over vrouwen en vraagt aan hem of hij de vrouwen moet afzweren. Of dat hij gewoon beter moet lezen omdat de vrouwen zich tussen de regels bewegen. Maar hij zegt zelf dat je de auteur nooit met zijn hoofdpersonage mag verwarren. De hoofdpersoon van Weekendpelgrimage heeft iets met Ia en met Altagracia, dat wil nog niet zeggen dat Tip ook iets met die vrouwen heeft gehad. Trouwens, hij haalt wel de drie romans van Marugg aan, maar zoekt niet in zijn Papiamentstalige gedichten naar diens vrouwbeeld, en vermeldt niet diens Un prinsipio pa un dikshonario erótiko papiamentu.
Net als Poolman die een carnavalsvierder van de Limburgse Kabrieten tot gort slaat. Dat wil toch ook niet zeggen dat Ralf Mohren dat gedaan heeft. Nee,” psychologiseert Sòròmbu, “misschien schaamt Mohren zich om die Europese carnavalsvierders, voelt hij zich in zijn diepste binnenste ook zo een, en zou hij die – zichzelf – graag uit de Curaçaose stoet slaan.” Nou ja, waar slaat dat nou op?

Mocht een dichter in 1880 zijn omgeving schofferen door te zeggen dat hij een god was in het diepst van gedachten, Mohren vindt Poolman in het diepst van zijn gekte een charlatan (p 74). Gedachten zijn een gekte geworden en god een charlatan.
Er zijn verschillende verhaallijnen, zoals met zijn vader, met de dames uit het gedoogde bordeel – ‘Door het bezoekje aan Campo had ik het idee dat ik met zuignappen aan het eiland vastgezogen was (p 93) -, met een seksbom leerlinge uit havo 4, met collega docenten zoals Marlou, met de verslaafde Francis zonder achternaam aan de overkant van de straat, de brieven aan Tip Marugg en de lijn met, let op de naam van die andere avatar, Veerman, geen Pool-, maar Veerman, ook wel De Veerman, hij doet ‘iets met in- en uitvoer’ in de haven, de dealer die je overvaart. De schrijver heeft dit personage eerste de voornaam Abel gegeven, maar die later verandert in Ralph, dat hetzelfde klinkt als zijn eigen voornaam.
Hoe gaat het proces van het schrijven van een roman? Op zijn blog tilt Mohren een tipje van de sluier:
“Voor de derde keer zit ik alleen op Schiermonnikoog. De eerste keer werkte ik aan wat Tonic werd. Ik liep in de gelagkamer van hotel Van der Werff tegen twee personages aan en schreef in een paar dagen hoofdstuk 11.
Afgelopen meivakantie was ik weer op het eiland. Ik werkte me scheel en zette mijn nieuwe boek in de steigers: 20.000 woorden in een paar dagen. Tevreden pakte ik de boot terug. Ik voelde me een hele grote jongen, maar eenmaal terug aan wal bleken de woorden niet zo veel voor te stellen en bovendien weinig samenhang te vertonen. Toch waren ze nodig om te komen waar ik nu ben.
In de trein naar het noorden las ik als voorbereiding Niemand is een eiland van Petra Possel. Possel tekent verhalen op van mensen die de Antilliaanse schrijver Tip Marugg goed gekend hebben. Het ontroerde me. Net als de boeken van Marugg zelf, die van een grootse schoonheid zijn.
Dat wat mijn nieuwe boek moet worden speelt zich af op Curaçao; ik kan me tenminste niet voorstellen dat dat nog verandert. Toen ik hier afgelopen vrijdag aankwam, had ik 60.000 woorden. Vier dagen later heb ik er 59000.” (Zie: http://www.ralfmohren.nl/2016/02/08/niemand-is-een-eiland/#comment-1249)

Shòròmbu: “Wèl, Poolman – Mohren heeft in het schrijfproces onder meer Dubbelspel geanalyseerd, goed voor de boekenlijst van havo 4, hij weet ook van Boeli van Leeuwen en hij laat zich door de krochten van de oude stad leiden door Jopi Hart, in dit boek nog niet genoemd als romanschrijver maar als divina-commedia-gids.”
Genoeg onderbroken nou. Vergelijk het idioom en de zinsbouw van Tip Marugg met die van Ralf Mohren.

In de roman schrijft de hoofdavatar brieven naar Tip Marugg (foto), aan wie de auteur een motto voor zijn heeft ontleend.

Tip Marugg: “Vanaf een hoge plek wordt de zonsopkomst enigszins anders waargenomen dan vanaf de stoep van mijn woning. Eerst ziet men hoe het zwart van de nacht bijna onmerkbaar wordt vervangen door een blauw waas, in het begin diep van kleur doch vlug overgaand in een licht blauwachtig schijnsel, dat als een halfdoorzichtige sluier over het landschap wordt getrokken. Laag aan de oostelijke hemel beginnen grijswitte en rose kleuren zacht aan te glimmen, om echter gauw verjaagd te worden door de eerste zonnestralen die aarzelend de contouren van de dingen omlijnen en vervolgens het gehele landschap met wit licht overgieten en tot leven roepen. Op dat ogenblik stijgen de vogels met een scherp gekrijs uit de toppen van de bomen op en rijzen met heftige bewegingen van de vleugels nagenoeg loodrecht naar omhoog. Hun gemeenschappelijk geluid in de vorm van korte doordringende kreten is over grote afstand hoorbaar. Plotseling strekken zij alle de vleugels, hun geschetter verstomt en even lijkt het alsof zij onbeweeglijk op één punt in de lucht blijven hangen. Maar reeds vliegen zij dan vooruit, opnieuw hun schel geschreeuw aanheffend, om in snelle vaart neer te schieten, recht op de rotswanden aan, het zonlicht blinkend op hun gele koppen en hardgroene vleugels. Even voor zij de stenen muur raken stijgen zij met een scherpe bocht weer omhoog, gaan rakelings langs de rotstoppen en verdwijnen in oostelijke richting, de nieuwe zon tegemoet. Maar drie of vier van de vogels remmen hun pijlsnelle glijvlucht niet af en schieten niet omhoog; zij blijven regelrecht aansuizen op de rotswand en slaan te pletter.

Telkens opnieuw ervaar ik het tafereel als absurd.” (Uit het begin van hoofdstuk 2 van De morgen loeit weer aan.)

Foto genomen tijdens de boekdoop in Eindhoven, links van de bitterballen staat Mohrens redactrice Femke Meijer. De man is Mohren.
FOTO: Alex de Groot.

Ralf Mohren: “Het is nu wachten op de vogels die zich te pletter vliegen tegen de rotswand. Een fontein, een siervuurwerk van veertjes zal te zien zijn.
Tenminste, volgens jou, Tip.
Het is vast allemaal verzonnen, maar dat betekent niet dat het niet waar kán zijn. Is wat mogelijk zou kunnen zijn niet eigenlijk ergens ook waar? In een bepaalde tijd en op een bepaalde, nu nog onbekende plek? Ik neem nog een flinke slok. Hij brandt lekker in mijn keel. Mijn vader is nu op, als het goed is. Of in elk geval wakker. Het is vijf uur later in Nederland. Een uurtje of tien ‘s ochtends dus. Moet ik na die verdomde eclips niet meteen terug? Linea recta naar Nederland. Die duizend gulden die ik aan Natalia heb gegeven, had ik ook mooi kunnen gebruiken voor een ticket. Ja, ik moet terug. Het ticket betaal ik wel met mijn creditcard.
Ophouden. Het gaat om hier en nu. Je zit op een berg. Je zit op De Grote Berg. Als ik naar de stad rijd, kom ik altijd langs Berg Altena. Dat is een straat met vrolijk gekleurde huisjes. Als je die als toerist in een folder ziet, denk je vast: leuk, daar wil ik een foto van. Want dat doen toeristen, foto’s maken van dingen die ze op andere foto’s in gidsjes hebben gezien. Highlights afvinken. Zo veel highlights heb je hier niet. Boven aan Berg Altena, als je net voorbij die huisjes bent gereden, moet je stoppen voor een stoplicht dat altijd op rood staat. Ik duwde daar altijd de deuren van mijn auto op slot. Rechts ligt een snèk die vol staat met mensen die niks meer te verliezen hebben. Die tot alles bereid zijn, al afscheid hebben genomen.
Een slokje nog maar eens.
Het wordt nu echt lichter. Eerst hoor ik het ruisen. Dan de lucht die doorkliefd wordt. En ja hoor, verdomd, daar heb je ze: de vogels. Een zwerm, in v-formatie als een squadron gevechtsvliegtuigen. Vlak voor de rotswand zwenken de voorste vogels bijna loodrecht omhoog. De eersten zullen de eersten zijn en niet de laatsten, want de laatste vogels vliegen zich inderdaad te pletter. een regenbui van veertjes dwarrelt omlaag. Ik hang over de rand van mijn badkuip om ze na te kijken.
Verdomme man, Tip. Niks is tegenwoordig meer fictie. Alle gekkigheid is echt.” (pp 231-232)

En dat is dus echt fictie.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter