blog | werkgroep caraïbische letteren

door B. Jos de Roo

Als schrijver debuteerde Boeli van Leeuwen in 1947, toen hij na de Tweede Wereldoorlog terug was op Curaçao, met drie werken: een serie artikelen in de Beurs- en Nieuwberichten over kunst, de dichtbundel Tempels in woestijnen en het verhaal De Mensenzoon. Er is altijd gedacht dat hij daarna pas in 1959 weer publiceerde en wel de roman De rots der struikeling. Maar mijn promotieonderzoek maakt aan dat beeld een eind. Ik onderzocht wat de betekenis van de Wereldomroep voor de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur is geweest in de jaren 1947 tot 1958.

 

Boeli van Leeuwen

 

De meeste draaiboeken over die periode waren in het archief bewaard en vaak lagen daar ook de uitgetikte uitgezonden bijdragen bij. Uit de draaiboeken bleek het tot nu toe onbekende feit dat de Wereldomroep tussen 10 december 1951 en 23 juli 1954 36 bijdragen van Boeli van Leeuwen had uitgezonden. Het waren verhalen die Van Leeuwen op verzoek van de Wereldomroep schreef en hij kreeg er een behoorlijk honorarium voor. Van de 36 lagen er 28 uitgetikt bij de draaiboeken. Allemaal tot nu toe onbekende verhalen die mij het gevoel gaven echt een schatgraver te zijn. De vondst maakte duidelijk dat de Wereldomroep voor Van Leeuwen belangrijk was geweest als opdrachtgever en als publicatiekanaal. Nu stond ik voor de vraag of deze Wereldomroepverhalen ook belangrijk waren geweest voor zijn ontwikkeling als schrijver. Dat deed ik door de gebruikte motieven in de verhalen in kaart te brengen en deze te vergelijken met zijn eerdere en latere werk.

 

Kunstopvatting

Vanavond zal ik enkele motieven uit de gevonden Wereldomroepverhalen bespreken. Allereerst zijn kunstopvatting. Daar heb ik twee redenen voor. Door hiermee te beginnen kunt u zelf in de nog te volgen fragmenten nagaan wat voor grote rol zijn kunstopvatting speelt in zijn werk. In de tweede plaats omdat hij voor zijn debuut een andere kunstopvatting had. Vóór 1951 had Van Leeuwen in 1947, toen hij op Curaçao was, lokaal al gepubliceerd: een serie van drie artikelen in de Beurs- en Nieuwsberichten over kunst, de dichtbundel Tempels in woestijnen en het verhaal De Mensenzoon. Ze draaien alle drie om Van Leeuwens toenmalige kunstopvatting. In de Beurs- en Nieuwsberichten schrijft hij dat kunst de eenheid van tegendelen moest uitdrukken. Ze moet ook verband leggen met de maatschappij, anders is ze een taal van impotenten. En deze opvatting past hij zijn andere twee werken.
In de Wereldomroepverhalen blijkt hij in de vier jaar tussen 1947 en 1951 van kunstopvatting veranderd te zijn. Hij laat zich herhaaldelijk impliciet uit over de vraag wat kunst moet zijn, onder meer in het verhaal ‘Dertig jaar’. U hoort het begin ervan.

Van mijn dertig jaren heb ik er precies vijftien op Curaçao doorgebracht en vijftien in Nederland. Er is onder mijn kennissen in Nederland niemand die beweert dat ik “verhollandst” ben. De eerste dertien jaren op Curaçao doorgebracht hebben me voor altijd tot een “Joew di Corsow” gestempeld. In mijn gedachten woonden we in mijn jeugd in een enorm groot huis met dikke muren; in en om dit huis leefden mensen die een indruk op mij gemaakt hebben, die ik nooit zal kunnen uitwissen.
De belangrijkste was onze “jaja”, Telai, een grote vrouw, die twee kinderen tegelijk kon optillen en er een uur mee rond kon lopen. Zij had een breed en plat gezicht, dat overdag een zekere starre gereserveerdheid vertoonde, maar in de schemer ineens geheimzinnig en wijs opbloeide. Vóór het slapen gaan heb ik bij haar mijn eerste lessen gehad in schoonheid: de sprookjes van Compa Nansi en Sja Tiger. Die oude verhalen van vader op zoon en van moeder op dochter overgedragen als een herinnering uit het oude continent en stamland vertelde zij als een volleerde toneelspeelster. Op het laatst was het stoepje voor ons huis bevolkt met deze dieren, die de samenleving der mensen zo getrouw tekenden.
Meer dan later op de Universiteit heb ik daar geleerd van het leven, van de spin, die slimme spirituele spin, die de omstandigheden steeds een slag voor was en het vertikte om met een lege maag naar bed te gaan.

 

In verhalen, zo zegt Boeli van Leeuwen, gaat het om geheimzinnigheid, wijsheid, waarheid en schoonheid. Ze moeten de samenleving getrouw tekenen en leren over het leven.
In het verhaal ‘Cornees’ voegt hij er nog aan toe: verhalen moeten vol mysterieuze symboliek zijn. Cornees is een oude ongeletterde wijze man, een figuur die later vaker in zijn werk voorkomt.

Ik zou U graag iets willen vertellen over een man, die in mijn jeugd een diepe indruk op me gemaakt heeft. Een eenvoudig mens, die nauwelijks kon lezen of schrijven en in zijn leven nooit een ander stukje van de aarde had gezien dan het eilandje Curaçao.
Toen ik een jongen van twaalf was, was hij al een man van ver over de zeventig. Hij heette Cornees en werkte als opzichter op de plantage Santa Marta, welke destijds aan mijn grootmoeder toebehoorde. Hij woonde in een van de hutjes in het dorp aan de voet van de heuvel, waarop het landhuis stond. […] Zondags zadelde hij zijn ezeltje, deed een blauwe bril op en met een parapluie onder zijn linkerarm geklemd, reed hij naar de kerk. […] Als hij dan terugkwam, stond ik al bij de deur van zijn huisje op hem te wachten. Ik hielp hem zijn zwarte ezel te ontzadelen en hij kapte voor mij met zijn machete een kokusvrucht open. Dan ging hij op de bank voor zijn hutje zitten, met zijn handen op de knieën en wachtte op mijn vragen. Toendertijd kon ik alleen maar beseffen, dat ik tevreden was met zijn antwoorden, nu begrijp ik ook, waaróm ik tevreden was. Omdat Cornees mij nooit iets vertelde met de bedoeling om indruk op mij te maken. Hij probeerde nooit goedkope successen te behalen; wíst hij iets niet, dan zweeg hij en keek hij naar zijn sandalen. Hij had een diepe en soepele intelligentie en wist veel van het leven, zonder zijn kennis uit een boek gestolen te hebben. […].
Ik heb daar op het bankje met rode oren en een kloppend hart een schat aan volksverhalen van hem gehoord. Verhalen, héél oud en vol mysterieuze symboliek; vertelsels, die wel op Curaçao vorm hebben gevonden, maar waarvan de kern meegenomen was uit een ander land en van vader op zoon was overgeleverd. Tot heden geloof ik dat deze sprookjes, die hij mij toen vertelde, oneindig meer waarheid bevatten, dan het geraamte van nuchtere feiten, waarmee ik later op de scholen kennis zou maken.

Van Leeuwen vertelde constaterenderwijs waardoor waardevolle verhalen zich kenmerken. Ik zal het stellenderwijs samenvatten wat hij als literatuuropvatting bleek te hebben. Literatuur moet wijsheid, waarheid en schoonheid bevatten. Van Leeuwen ziet deze termen in feite als synoniemen, zo blijkt uit zijn commentaar op de verhalen van Cornees en zijn jaja. Literatuur moet mysterieuze symboliek bevatten. Literatuur moet de samenleving getrouw tekenen. Literatuur moet leren over het leven. Van Leeuwen heeft dus zijn opvatting uit 1947 verlaten dat literatuur de eenheid van tegendelen moet uitdrukken. Hij houdt wel vast aan een deel van wat hij in 1947 stelde: literatuur moet een relatie met de maatschappij hebben, maatschappelijke relevantie hebben, zeggen we tegenwoordig deftig.
De uitwerking die Van Leeuwen geeft aan zijn stelling dat kunst maatschappelijk relevant moet zijn en de waarheid getrouw moet weergeven, is origineel. Hij vindt dat de poëzie en een absurde benadering van de werkelijkheid de waarheid duidelijker aan het licht brengen dan een normale benadering. In het volgende verhaal doet hij dat. Eerst toont hij de absurditeit aan van de statige bankwereld. Daarna maakt hij de absurditeit van de wereld van de gezagdragers duidelijk, waartegenover het absurde in de kunst staat dat de realiteit wel weergeeft en dat zo het leven zin kan geven.

Ik heb jarenlang gedacht dat er in de kelder van een bankgebouw een grote machine stond, die bankbiljetten maakte. Af en toe kwam er dan een meneer binnen die zei: “Nou jongens, het geld is weer op. Druk maar een paar miljoen.” Later zou ik leren van de gouden standaard en zilveren standaard en al die vreemde zaken. En nog later dat mijn oorspronkelijke visie toch wel waar was, want in de oorlog hebben ze gewoon gezegd: “Het is weer op Kees, draaien maar.” Maar ja, dat geld was geen goed geld en moest later weer teruggegeven worden om in reepjes te worden gesneden. […]
Ik heb eens een vriend gehad die een baantje kreeg op een bank. Hij was een vreemde jongen die af en toe baantjes op banken aannam. Omdat het hem helemaal niets kon schelen of hij die job kreeg of niet, hebben ze hem meteen aangenomen en hem aan een lessenaar gezet met vele laadjes en vakken. In die laadjes zaten stapels papieren en boeken met cijfers, waar hij een halve dag verbijsterd tegenaan heeft zitten staren, af en toe met zijn rechterhand erin woelend. Tegen de middag nam hij een prullenmand tussen zijn knieën en begon alles waar maar een letter op stond te verscheuren. Af en toe begon hij te lezen: “Mijn Heren, naar aanleiding van de emissie dd. 12 dezer, waarbij wij 15 aandelen P F Q à conto hebben verkocht tegen pariteit etc.” om de brief rillend te vernietigen.
Tegen vijf uur was zijn bureau leeg op één briefje na, dat door een zekere Marie geschreven was en waarin genoemde Marie Bertus verzekerde dat zij gisteravond, toen de maan door het raampje van haar slaapkamer naar binnen viel, zo zeer aan hem, mijn lieve schat, moest denken, dat zij de slaap niet kon vatten. Uit piëteit is het briefje toen door mijn vriend in de la teruggelegd. Drie dagen later stond mijn vriend bij de Directie, die hem ferm de hand schudde en hem bedankte voor de wijze, waarop hij de zaken had opgelost. “U hebt de zaak juist aangepakt,” zei de Directeur, “zeer doortastend en energiek. Wij zullen u overplaatsen naar het filiaal in Groningen.”
Later vroeg ik hem of er nooit iemand gespeurd had naar de documenten die hij zo geniaal aan de circulatie onttrokken had. “Zeker wel,” grijnsde hij. Af en toe kwam er een nerveuze meneer vragen waar of de brief van de vijfde jl. was. Dan was het zaak om hem streng in het oog te vatten en te praten omtrent de boekhouding waarheen de brief gestuurd was of de afdeling wissels, waar het document tijdelijk vertoefde. Nooit verzuimd moest worden om achteloos de directie in het verband te noemen. Een foto van één van de commissarissen op het bureau en een boek over het bankwezen in de middeleeuwen (in het Duits of Engels) ernaast moesten de genadeslag toedienen.
Laatst zag ik een filmjournaal samengesteld uit opnamen daterend omstreeks 1900. Daarin liepen met snelle armbewegingen en rukkerige beentjes allerlei grappige mannetjes rond met bolhoeden en snorren. Zij hielden potsierlijke conferenties met haast-je-rep-je manieren en wuifden met de bolhoed vanaf een balkon naar een menigte die opgetogen huppelde en danste. […] Het eerste vliegtuig – een lucifersdoos met papieren vleugels – gaat een paar meters boven de grond om intens belachelijk op zijn zij neer te vallen. Een verongelijkte meneer met een kuitbroek en bergschoenen klimt eruit en wordt op schouders van schokkende mannetjes weggedragen. Een stel heren in het zwart met hoge hoeden staat bij een enorm kanon met hun vingers in hun oren. Ineens zie je een witte rookpluim uit de loop van het kanon verschijnen, waarna de zwartgerokte broeders elkaar haastig en verrukt de hand schudden. Vijftig jaar terug gebeurde al dit wonderlijke en ik sta er verder vandaan dan van de middeleeuwen of de piramiden van Egypte.
Weet u luisteraars, waarom miljoenen mensen lachen als Charlie Chaplin een bloem opeet, of een glas water in zijn broek gooit of een fluitje inslikt? Met veel meer zin konden die mannetjes die daar bij het kanon stonden met hun vingers in hun oren, wat zout en peper op een anemoon doen en dat oppeuzelen?
Van Gogh, de grote schilder, liep eens in een hardgeel korenveld, midden in de zomer. Plotseling bleef hij staan en zei: “De wereld is blauw als een sinaasappel.” En weet u nu wat het vreemde is? Dat ik volkomen begrijp hoe iemand, staande in een geel korenveld, de wereld blauw vindt als een sinaasappel.

Het natuurlijk verzonnen verhaal over de vriend op de bank moet de absurditeit van de reële en statige bankwereld aantonen, waar status afhangt van schijn en procedures. Het enige dat werkelijk echt was, was het liefdesbriefje, waar de poëzie van het leven in doorklinkt. Dat was het waard bewaard te worden. Het is de tegenstelling tussen de echtheid van de poëzie tegenover de schijn van de maatschappij.
De opgeblazenheid van de gezagdragers en de magnaten wordt onderstreept door het schokkerige van de beelden. Zij die zich zeer belangrijk vonden, en over de realiteit heersten, zijn in feite absurd. Sterker: het normale gangbare maatschappelijke leven is absurd. Dat maakten de filmbeelden en het verhaal over de bankemployé duidelijk. Daartegenover staat het absurde in de kunst dat de realiteit wel weergeeft en dat zo het leven zin kan geven.
In heel zijn verdere oeuvre is Boeli van Leeuwen trouw gebleven aan zijn kunstopvatting die uit zijn Wereldomroepverhalen spreekt. De roman Het teken van Jona draait zelfs helemaal om de mysterieuze symboliek in de visioenen en dromen.

 

De Curaçaoënaar

Een tweede motief dat een grote rol speelt in de Wereldomroepverhalen en de rest van zijn oeuvre, is de aard van de Curaçaoënaar. Het eerste Wereldomroepverhaal van Boeli van Leeuwen gaat erover. Aanleiding is de opmerking van iemand die zei het gevoel te hebben op Curaçao niet ten onder te kunnen gaan. Het leek hem onmogelijk daar zo radicaal naar de bliksem te kunnen gaan als dit bijvoorbeeld in Europa het geval kon zijn. Hij schreef dit toe aan de welvaart die er op Curaçao heerst. Maar Van Leeuwen is dit niet met hem eens. Ook vijftig jaar geleden, toen Curaçao een arm eiland was, zou hij dit gevoel gehad hebben. Volgens hem komt het door een totaal van eigenschappen van de Curaçaoënaar die hij samenvat onder de term tolerantie, een merkwaardige combinatie van toegeeflijkheid en zelfspot. Hij geeft er enkele staaltjes van.

U kent toch dat verhaal van die kennis van een kennis van een kennis die Curaçao op een rondreis aandeed en “even” de groeten kwam brengen? Hij is er twee en twintig jaar blijven hangen. Natuurlijk steeds met de bedoeling om de volgende week te vertrekken. Misschien zou u hierin wat slapheid en luiheid kunnen bespeuren; het zij zo, maar ik ken beroerdere combinaties.
Niemand ergert zich oprecht over deze toestand, al zou niet iedereen zich erin willen bevinden. Een ieder ziet het grappige van het geval in. De Curaçaoënaar beschikt over een humor, die wat de zelfspot Brits, en wat de lichtheid en logica Frans is. […] Ook in de vergaderingen van de Staten van Curaçao spuit de humor telkens bevrijdend omhoog en de man met de lachers op de hand wint vaak het debat. Niet omdat hij toevallig gelijk heeft, maar omdat ook zijn tegenstander op een bepaald moment naar zijn zij grijpt onder het uitroepen van: “Caramba homber bo nek mi completamente. Je hebt me te pakken.”
Ik zal u een klassiek voorbeeld geven van de stijl van deze humor. Iemand komt in de winkel van Jansjie binnen en zegt tegen hem: “Jansjie, je kat heeft een kilo vlees van me opgegeten.” Jansjie pakt de kat zwijgend aan en zet hem op de weegschaal; de kat weegt precies een kilo. Hij geeft de kat aan de aanklager terug en zegt: “Hier heb je je vlees, geef mij nu mijn kat.” Wie nu nog over vlees praat, is een kniesoor; de slag is gewonnen door Jansjie, ook al zou de poes geen kilo wegen.
Een ander belangrijk bestanddeel van de tolerantie is het medelijden, of liever nog het accepteren van veel zaken als onvermijdelijk. Het woordje “e pober”, de arme bliksem, is het volk als het ware op de lippen bestorven. Ik heb eens een oude vrouw, kijkend naar de ruïnes van twee vrachtwagens horen zeggen: “E pobernan, ze waren dronken.” Een Nederlander zou zeggen dat de onverantwoordelijke schurken dronken waren. Want hij accepteert veel moeilijker zo’n ongeluk als een gegeven grootheid en drank als een excuus.
[…] Nergens ter wereld misschien kent men zoveel types “freaks” zou ik willen zeggen als op Curaçao. Men is nu eenmaal bereid te betalen, niet alleen voor de dorpsgek, maar ook voor de “rare”, de “vreemde” en misschien de wijze die niet herkend wordt. Het is eigenlijk een ingeworteld respect voor het individu. Er zijn talloze verhalen in omloop over meneer X, die het vertikte om twee cent te betalen als hij over de brug moest en daarom liever zijn schoenen uittrok (een oud voorschrift dat reeds lang is afgeschaft), of over meneer Y, die zijn paard doodschoot, omdat het beest niet snel genoeg wilde lopen. De werkelijk respectabele figuren (zeer weinige natuurlijk) worden gerespecteerd, de rest wordt getolereerd.

 

Curaçao. Foto © Michiel van Kempen

Al de genoemde eigenschappen van de Curaçaoënaar komen in het verdere oeuvre van Van Leeuwen op een of andere manier voor. De spotzucht tegenover een bovenliggende partij bijvoorbeeld wordt in De rots der struikeling gepresenteerd als een vorm van redding tegen de verstikking van een maatschappij die het individu dwingend een rol voorschrijft, wat een van de hoofdmotieven van de roman is. Eddy Lejeune vergelijkt de Curaçaose maatschappij met een toneel. Hij zegt erover:

Van het toneel kunnen we niet af want dan verdrinken we in de golven; onze rol kunnen we niet negeren, want dan zakt het hele toneelstuk in elkaar. En hoewel we allemaal weten dat onze rollen geen realiteit inhouden, gaan we allemaal toch zo in onze handelingen op, dat we karikaturen van onze eigen persoonlijkheid worden. Als laatste redding grijpen we dan maar naar de zelfspot en de lasterpraat. (135-136)

Soms raakt een speler in de war en verzint hij een nieuwe creatie, waar men niet op gerekend had. “Er is dan even een paniekstemming, de spelers lopen dan gejaagd door elkaar, maar dan hergroepeert men zich en een ieder gaat door met zijn oude rol.” (137) Als voorbeeld van iemand die een nieuwe rol verzint, vertelt Eddy Lejeune over een advocaat die in Nederland heeft gestudeerd en daarom met enig wantrouwen bekeken wordt, “maar verder tolerant aangehoord.” (137) Hij kwam op een dag met een kip onder zijn toga in de rechtbank, waar hij vertelt dat hij kippen gaat fokken, opdat er meer welvaart op het eiland komt. Hij bepleit vrijspraak voor zijn cliënt, die zeker niet gedwongen zou zijn te stelen, als er meer kippen gefokt zouden zijn. Het nieuws gaat als een lopend vuurtje over het eiland: “loop heen man, wil je zeggen dat hij een kip heeft meegenomen naar het stadhuis?” Er wordt bulderend gelachen en daarna hoofdschuddend gezegd: […]“stel je voor dat iemand, die zo lang in wetboeken heeft gestudeerd, nu kippen gaat houden; wat een toestand!” (141) Daarna is zijn bijnaam: de advocaat die kippen houdt of de kippenhouder die advocaat is.
Een aantal elementen uit de Wereldomroepverhalen kwamen in het laatste fragment terug, namelijk de spot met de intellectueel, de smaak voor absurde situaties en uiteindelijk de tolerantie, want alles gaat gewoon door. Het voorbeeld is ook een illustratie van Van Leeuwens opvatting dat een absurde benadering van de werkelijkheid deze reëler laat zien.
In De rots der struikeling blijkt dat er grenzen aan de toegeeflijkheid zijn. Meenchi, de moeder van Eddy Lejeune, toont toegeeflijkheid, als hij na de dood van zijn vader de gewoonten van zijn vader overneemt, dronken thuiskomt en naar de hoeren gaat: “Meenchi beschouwde dit alles als een afkeurenswaardig, maar onvermijdelijk gevolg van zijn manwording. Zij schudde het hoofd geschokt doch toegeeflijk, wanneer haar broer met haar over de jongen kwam praten.” (22) Anders wordt het als Eddy verliefd wordt op een meisje uit een andere stand, want dan wordt hij naar Nederland gestuurd. In de Wereldomroepverhalen was nog geen sprake van een beperking van .de toegeeflijkheid door de maatschappelijke ordening. Ik zei net al dat de dwingende rol die de maatschappij het individu oplegt een van de hoofdmotieven van de roman is. Ook hier zien we dus dat een oorspronkelijk motief, zoals de toegeeflijkheid, optreedt in functie van het grotere geheel.

 


Zo krijgt de toegeeflijkheid en de tolerantie in De eerste Adam weer een andere kleur. In de roman blijkt dat nieuwelingen op Curaçao een proces van onderzoek en uiteindelijk van ontluistering ondergaan. Hij zegt: “We willen weten wie iemand is, constateren wat hij doet om met voldoening vast te stellen dat hij niet wezenlijk van ons verschilt.” (105-106) Als dat eenmaal is vastgesteld, “zijn we zeer tolerant”. (106) De ik-figuur noemt de reden voor de drang alles over iemand te weten te komen om vervolgens tolerant te kunnen zijn: “het maakt ons eigen bestaan wat draaglijker en neemt de vrees voor onze eenzaamheid een beetje weg.” Hier is goed te zien dat een facet uit de Wereldomroepverhalen terugkomt en een andere betekenisvolle lading krijgt, doordat het in een andere context fungeert. Immers in De eerste Adam is de existentiële eenzaamheid van de mens een hoofdmotief.
De smaak voor het absurde van de Curaçaoënaar – en dus ook van Boeli van Leeuwen – komt regelmatig in het verdere oeuvre voor. In Een vreemdeling op aarde bijvoorbeeld vestigt de schoonvader van Janchi Medema zich vanuit Venezuela op Curaçao als vertaler. “Aangezien hij praktisch geen Engels kende waren zijn vertalingen hoogst origineel en verwierven op het eiland vermaardheid om hun poëtische inhoud en bizarre zinswending.”(16) Hij ging vervolgens ook uit het Nederlands en het Duits vertalen: “Op een eiland waar iedere bizarre situatie hogelijk wordt gewaardeerd, kreeg hij een zeker aanzien met deze vertalingen”. (16)
In Het teken van Jona uit Van Leeuwen zijn smaak voor het absurde en het fantastische via Juan Carlos die er een reeks Zuid-Amerikaanse voorbeelden van geeft: een mysticus die acht jaar lang serieus in Mexico zocht naar de bron van de eeuwige jeugd, een spoorlijn in Panama waar de rails van goud moesten worden omdat ijzererts er schaars was, een Mexicaanse dictator die in een pompeuze begrafenis zijn rechterbeen liet begraven, een Ecuadoriaanse dictator die zijn eigen lijk liet opbaren en vastgebonden op zijn troon zelf de condoleances in ontvangst nam, een generaal die alle lampen in zijn land met rood papier liet omwikkelen om een epidemie van rode hond te voorkomen en Papa Doc die alle zwarte honden liet afmaken om een vloek af te wenden. Deze absurditeiten zijn veelzeggend over de maatschappijen waarin ze voorkomen.
Van Leeuwens laatste werk Geniale anarchie lijkt bevolkt met eenzelfde soort figuren als zijn eerste Wereldomroepverhaal. Fantasten en freaks bevolken het werk. Ook een humorvolle politicus komt voor. Hij is een verspaanste naamgenoot van Van Leeuwen, namelijk De Leon. Deze maakt van zijn kennis handig gebruik om Piskeira, zijn rivaal, zwart te maken bij de kiezers. Piskeira is getrouwd en heeft zes kinderen. De Leon zegt dat hij over Piskeira dingen aan het licht zal brengen die mensen moeten weten voor ze op hem gaan stemmen. Hij zegt: Meneer Piskeira is een homo. “En ik ga nog verder: hij is niet alleen een homo, hij is zelfs een homo sapiens. […] Hij heeft er niet genoeg aan een homo sapiens te zijn, nee, hij is ook nog eens een keer een heteroseksuele homo sapiens.” (12-13) De Leon zet Piskeira schaakmat, maar er is een verschil met de manier waarop de politicus uit de Wereldomroepverhalen dat deed. Piskeira zal echt niet lachend zeggen dat hij schaakmat is gezet.
Waardeerde Van Leeuwen in zijn Wereldomroepverhalen nog het individualisme van de Curaçaoënaar, in Geniale anarchie is dat minder het geval. Mensen doen alleen iets als ze daar zin in hebben. “We zijn een volk van ongedisciplineerde, inventieve, natuurlijk begaafde mensen, die op geen enkele manier gebundeld kunnen worden tot een regiment. All chiefs, no Indians.” (71) Het leidt er ook toe dat het eiland naar ‘De rand van de afgrond’ wordt gedreven. Van Leeuwen constateert in deze column met verbijstering dat “we” in slechts enkele decennia Curaçao “grondig naar z’n moer geholpen” hebben. “Onze mentaliteit is verziekt, onze normen liggen in het slijk,” schrijft hij.
In de Wereldomroepverhalen stelde Van Leeuwen nog dat men op Curaçao niet ten onder kan gaan. Dat beeld rijst niet meer op voor het individu in zijn romans en in Geniale anarchie. Maar hij stelt wel met zoveel woorden dat de Curaçaose maatschappij niet ten onder gaat, want die uitleg krijgt de titel van de betreffende column: ‘Permanent naar de bliksem!’ Daarin vertelt Van Leeuwen dat hij zolang als hij zich kan herinneren de jammerklacht hoorde dat Curaçao het volgend jaar de eindjes echt niet meer aan elkaar kan knopen. En toch: “Curaçao is permanent bezig naar de bliksem te gaan; maar Suriname is tatsächlich naar de bliksem gegaan, dat is het verschil!”

 

Curaçao, Bandabou. Foto © Michiel van Kempen

 

Curaçaose landschap

Niet alleen de Curacaose maatschappij en de Curaçaoënaar krijgen aandacht in de Wereldomroepverhalen. Ook het Curacaose landschap is er een motief, met name de noordkust. Van Leeuwen vindt dat geen schrijver de sfeer van de noordkust goed oproept. Men beschrijft slechts facetten. De enige toepasselijke typering komt voor in een gedicht van de Engelse dichter Eliot, die Curaçao helemaal niet kende. De typering is: “fear in a handful of dust”.

Ja, ik geloof, dat men daar in het stof de vrees kan zien eerder dan Weemoedigheid of “Tristesa”. Het is een soort beklemming, die zich u meester maakt, wanneer ge aan de noordkant vanaf de rotsen in de beukende zee neerkijkt. Telkens wanneer er een golf tegen het massief gedreund wordt, sist de lucht door de rotsspleten aan uw voeten, en daar beneden kunt ge de duizenden stukken wrakhout zien, die in de branding kolken. Onder uw voeten zijn de rotsen grauw en voorwereldlijk, alsof in hun binnenste nog dinosaurussen en enorme leguanen leven.
Nauwelijks is het zeewater op het gezicht gespat, of de zon zuigt het tot een korstje, een kristalletje op uw wang. Enkele tientallen meters verder landinwaarts begint de strijd van de cactus, die zich aan de rotsen probeert vast te bijten en tussen zout en vuur haar voedsel zoekt. Men wordt hier bang, geloof me. Zie eens een landhuis tegen het vallen van de avond: de hete lucht trilt nog na boven de verbrokkelde en aangetaste muren van de kabrietenkoraal. Op de top van de heuvel staat het huis, eenzaam en zwaar, en kijkt neer op de baai, die omzoomd is met mangrovenplanten, die leven in het zoute water, en kokosbomen, die kreunen van dorst in de dorre grond.
Nee, ik geloof niet, dat het zo eenvoudig is, om met één woord een beeld op te roepen van dit landschap. Maar die mensen, die beweren, dat Curaçao lelijk is, omdat het niet mals en groen is, die mensen zullen toch nooit begrijpen, hoe indrukwekkend en beklemmend de dorre en gestileerde rotspartijen uit de Caraïbische Zee opstijgen.

De typering “fear in a handful of dust’ kan ook geïnterpreteerd worden als een omschrijving van de doodsangst van de mens. De handvol stof is dan een verwijzing naar het Bijbelse: Stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren. De doodsangst speelt dan ook in bijna elke zin van dit fragment een rol. De zee laat de lucht sissen, je ziet wrakhout, de rotsen zijn voorwereldlijk. De natuur probeert wanhopig te overleven. De cactus zoekt voedsel tussen zout en vuur, de muren van de koraal verbrokkelen, kokosbomen kreunen van dorst. Van Leeuwen roept met al deze details het ene beeld op: fear in a handful of dust.
De noordkust komt ook voor in het Wereldomroepverhaal ‘Landschap’. De context waarin dit gebeurt, doet meteen aan dood en verderf denken. Van Leeuwen vertelt over een Europees landschap van vlak na de oorlog. Er staan bomen zonder bladeren, met aangetaste stammen en kapot geschoten takken. De omgeving doet hem in een flits de noordkant van Curaçao zien.

Het was een jaar geweest van grote droogte en de zon had de bomen ontzield en de bodem verschroeid. […] En ik moest er aan denken hoe merkwaardig het is dat twee beelden van de natuur in verschillende landen en omstandigheden dezelfde associatie bij mij opriepen. Ik had een gevoel van troosteloze verlatenheid, alsof ik de laatste mens op aarde was die moest leven op een bodem die geen vrucht kon dragen.

Als laatste mens moeten leven op een bodem die geen vrucht kan dragen, betekent het einde der mensheid. Dat roept troosteloze verlatenheid op; er blijkt geen troost te zijn voor de doodsangst. De symbolische waarde die Van Leeuwen de noordkust geeft, blijkt in zijn Wereldomroepverhalen dus consistent te zijn. Ook hier weer een verwijzing naar het sterven en de angst daarvoor.
In hetzelfde verhaal ‘Landschap’ roept het zien van oude pakhuizen in Amsterdam een jeugdherinnering aan een Curaçaos landhuis op.

En weer zag ik een ander beeld: ik was pas op school en logeerde in de vakantie op het landhuis van mijn grootmoeder: Santa Martha. Het was een vrolijk en uitgelaten gezelschap geweest en kinderen en grote mensen sliepen in hangmatten en op de planken vloeren van het oude huis.
Midden in de nacht werd ik wakker en ik hoorde het bewegen van de dieren in de stallen en ik rook de geur van geitenmest en koeienlijven. Ik sloop tussen de hangmatten waarin vermoeide en verbrande mensen snurkten en stond even later op de stoep met de vierkante tegels. De sterren waren groot aan de hemel en in de verte zag ik de kammen van de heuvels en de baai glinsterde als gesmolten lood. En toen ik mij omdraaide zag ik het oude landhuis – stijf en gesloten – de muren gebarsten en verzakt.
Het huis riep dezelfde sensatie op die ik twintig jaar later in Amsterdam-Noord zou ervaren. Het bewaarde een geheim tussen de muren, en de ramen die hier geen luiken voor zich hadden, waren onbewogen en star. De gevel rustte zwaar en onverzettelijk op de dikke muren en bewoog niet mee met het ademen van de slapende mensen binnen. […]
Waarom, zo vroeg ik mij af, kwamen de indrukken uit mijn jeugd onweerstaanbaar naar boven toen ik daar tussen de oude pakhuizen stond in Amsterdam-Noord? Misschien omdat oude huizen overal ter wereld vertellen van de macht der mensen, die ze hadden gebouwd en ook van de onmacht van de mensen om langer te leven dan hun huizen. De mensen gaan en het huis blijft staan. En in het huis blijft iets van de tijd achter, het hangt in de muren en leeft in de ramen. Het kruipt in het dak, in de naden van steen en hout. En als de tijd voorbij is en toch blijft leven in het werk van mensen, voelt men de macht en onmacht der mensen tegelijkertijd.

De schijnbaar vreemde constatering dat de gevel niet meebewoog met het ademen van de slapende mensen krijgt door het slot van deze passage een veelzeggende betekenis: het huis heeft een eigen leven, los van de mensen, het overleeft ze. Wat mee ademt met mensen, is sterfelijk.
U merkt het wellicht: als vanzelf kwam ik van de ruimte Curaçao terecht bij metafysische aspecten zoals leven na dit leven. Dat komt doordat Van Leeuwen al in zijn Wereldomroepverhalen tot uitdrukking bracht wat zo typerend is voor zijn romans: de koppeling van de Curaçaose setting aan metafysica. Dat blijkt overduidelijk uit de titel van zijn eerste roman De rots der struikeling waarmee niet alleen het eiland Curaçao wordt bedoeld, maar ook God. Zowel de landschapsbeschrijving als die van de oude gebouwen wijzen niet alleen op de sterflijkheid van de mens, ze impliceren ook de droom van een eeuwig leven.

Curaçao. Foto © Michiel van Kempen

 

Metafysisch

En daarmee zijn we aanbeland bij het metafysische motief in het werk van Van Leeuwen. Dat komt expliciet aan de orde in het Wereldomroepverhaal ‘Adam en Eva’.

Ik vind de geschiedenis van Adam en Eva het mooiste verhaal dat ik ken. In de eerste plaats omdat het verhaal zo poëtisch is en in de tweede omdat er een ontzaglijke waarheid schuilt in deze poëzie. De waarheid kan trouwens alleen maar gevonden worden in poëzie, in sprookjes, sagen en legenden.
Is het niet glorieus dat de mens in het paradijs onder een boom lag te slapen en dat de Heere God medelijden met hem kreeg, omdat hij zo alleen was en toen besloot om een hulpje voor hem te maken?
Wel een geweldige visie, om de vrouw te maken uit de rib van de man en dan te zeggen: “Het is been van zijn been en vlees van zijn vlees en zij zal Mannin heten, want zij is van de man gemaakt.”
En daarom zal de mens zijn Vader en Moeder verlaten, voor deze rib uit zijn eigen borst en zal hij zijn vrouw aanhangen, zodat zij één wezen zijn. En de mens en zijn vrouw zaten daar onder die grote boom en zij waren naakt en schaamden zich niet voor elkaar. Hoe waar is de klacht van Adam, na het eten van de appel: “Ik ben bevreesd, want ik ben naakt.” En toen de stem, die vroeg: “Hoe weet je dan dat je naakt bent Adam?”
Wij zijn kinderen uit het paradijs dat als een verre droom nog in ons allen leeft: we hebben allemaal heimwee, naar moeder Eva, die gemaakt is van de rib, van de enige onzer die werkelijk in het paradijs is geweest.
De mens is over de hele aardbol gekropen op zoek naar het verloren paradijs. Het is niet waar, dat het goud en de schatten der wereld hem z’n leven hebben doen wagen in een notendopje toen hij over de oceaan trok. Maar waar hij ook naar toe ging, steeds vond hij mensen, die in wezen niet verschilden van het eerste broederpaar: Kaïn de schaapherder en Abel de landbouwer. […]
Wij kunnen alleen nog maar dromen van het verloren paradijs, beleven kunnen we het niet meer. Maar is de droom niet de aller reëelste belevenis op aarde? Ik was eens in een grote fabriek, waar aan de lopende band radio’s werden gemaakt; een lange rij meisjes was druk in de weer, maar één meisje had heur handen in de schoot gelegd en glimlachte teder en in zich zelve om iets wat zich in haar innerlijk afspeelde.
Haar glimlachende ogen waren geheel vervuld van het paradijs en toen haar chef haar wilde berispen zei ik tegen hem het woord van de oude Goethe: behandel de vrouw met toegevendheid.

De naaktheid van Adam is existentieel: het is het besef sterfelijk te zijn. Het paradijs is verloren en leeft alleen nog voort als een verre droom. Van Leeuwen wijst de zoektocht naar het verloren paradijs aan als drijfveer van de mens. Deze levert steeds teleurstelling op, doordat men door de zondeval slechts zondige stervelingen zoals Kaïn en Abel tegenkomt.
Van Leeuwens romans borduren op deze metafysische motieven voort. Eddy Lejeune zoekt in De rots der struikeling een anker waardoor hij zijn ziel in de eeuwigheid kan leggen, maar vindt het niet. Hij twijfelt aan het bestaan van een God die de verschrikkingen als de Tweede Wereldoorlog toestaat. In Jezus als reddende figuur gelooft hij niet. Dat blijkt uit het gedicht ‘op zulk een schrale harde bodem’, waarin Jezus de mens voorbij gaat.
Een vreemdeling op aarde benadrukt voortdurend dat Kai eenzaam is, zowel metafysisch gezien als op menselijk vlak. Kai is een vreemdeling op aarde omdat zijn eigenlijke woning het Paradijs is. In Een vreemdeling op aarde speelt de verdrijving uit het paradijs een andere rol dan in de Wereldomroepverhalen en zijn eerste roman. De verdrijving uit het paradijs wordt steeds gekoppeld aan eenzaamheid. De mens blijft eenzaam en een vreemdeling op aarde zolang hij God niet heeft gevonden is de boodschap, maar Kai wil wel geloven, maar kan niet. Ook in De eerste Adam betekent het verloren paradijs eenzaamheid.
 Het teken van Jona beschrijft het einde van de metafysische zoektocht. De ik-figuur krijgt aan het slot het zo begeerde teken van Jona dat er een eeuwig leven is, dat de mens niet ophoudt te bestaan als hij dood gaat. Dat gebeurt in een droom.
Er zou veel meer te zeggen zijn over de metafysica in het werk van Boeli van Leeuwen, maar dat doe ik hier niet. Het gaat mij nu vooral om zijn Wereldomroepverhalen. Een van de aardigste en bijzonderste verhalen daarvan is het verhaal over apen. Van Leeuwen vond het zelf ook iets bijzonders, want het is het enige typoscript dat hij heeft opgesierd met een plaatje en wel een soort plakplaatje van de dierentuin Artis. Het verhaal speelt zich daar gedeeltelijk af. Het speelt zich ook af in een heel andere tijd dan de onze. De tijd dat ambtenaren vanaf een bepaalde rang een half jaar betaald verlof kregen in Nederland, de tijd dat het gemiddelde inkomen op de Antillen anderhalf keer zo hoog was als in Nederland.

Er kwam eens een meneer uit Bonaire met verlof naar Europa. Op de derde dag van zijn verblijf in Amsterdam ontdekte hij Artis en in Artis de afdeling der apen. Hij werd zo geboeid door het spel van deze merkwaardige dieren, dat hij een étage huurde in de buurt van de dierentuin en iedere dag naar zijn vrienden ging kijken. Hij liet het Rijksmuseum links liggen, maakte geen grachtentocht, vertikte het om met een autobus de omgeving af te tuffen en zette nimmer een voet in het Concert Gebouw. Zijn familie was zeer verbolgen over deze eenzijdigheid. “Hoe is het mogelijk”, zo zei zijn vrouw tegen mij, “dat iemand de grote oceaan oversteekt om naar een stelletje vieze apen te kijken. Niet dat ik iets tegen apen heb”, met een speelse blik op haar man, “maar je kan toch voor je fatsoen als je terugkeert naar Bonaire niet tegen je vrienden zeggen, dat je van het oude Europa niet meer gezien hebt dan de apenkooi van Artis.”
Zo werd deze wijze en moedige man in de boezem van zijn familie tot verrader bestempeld. Om hem te steunen in zijn strijd tegen de overmacht, ben ik eens met hem meegegaan. Toen ik om tien uur ’s morgens aanbelde, zat hij nog in zijn pyama koffie te drinken. “De familie,” zo sprak hij vergenoegd, “is om zes uur reeds met de autobus weggegaan met een man of veertig. Ze zullen drie steden bezoeken en komen pas vanavond om elf uur terug. We hebben dus de lieve lange dag nog voor ons liggen.” Hij rekte zich behaaglijk uit en haalde een sierlijk flesje uit de kast. “Ik zal je een cognac bij je koffie geven, zoals je nog nooit geproefd hebt.” […]
In het apenhuis zat een jong meisje met een map op haar schoot een chimpansee te tekenen. Mijn kennis begon onmiddellijk te onderhandelen over de mogelijkheid om de tekening te kopen. Nooit tevoren in mijn leven heb ik zo intens naar apen gekeken: kleine nerveuze apen; een slingerende aap die sprongen van drie meter door zijn hok maakte en zich klaarblijkelijk in moest tomen om niet tegen de tralies te smakken; een peinzende chimpansee met oudemannenogen en een mandril met zo’n obsceen stralend achterste dat men neiging gevoelde om een zonnebril op te zetten.
“Kijk nou eens,”zei de Bonairiaan, “zie je die baviaan met die kwade kop? Dat is nou precies die zwager van Kees Zo en Zo en die chimpansee is sprekend meneer X wanneer hij in de vergadering gewichtig doet.” Hij begon pinda’s uit te delen en bananen. Hij sprak met de apen en bezwoer me dat ze het Papaimentoe beter verstonden dan het Nederlands.
Men kan ook van het aardige te veel krijgen en om vier uur voelde ik zelf de neiging om in een boom te klimmen en mijn rug te bekrabbelen De Bonairiaan die mijn morele inzinking merkte, nam afscheid van zijn apenvolk en me bij de arm nemend troonde hij me naar het restaurant. Achter de borrel grinnikte hij opeens voldaan en zei: “Op het ogenblik hotsen ze op de weg naar Medemblik met zijn veertigen als haringen in een ton. Ze zijn warm. en doodmoe maar mogen dat niet tonen als opgewekte toeristen. Morgen vroeg moeten ze er weer uit, want dan hebben ze een andere excursie. En ze willen nog naar Bussel en Zierikzee, Rome en Volendam, Londen en Enkhuizen. Ze hebben een koffervol klompen en molentjes, briefkaarten en vouwbenen. Ik heb helemaal geen souvenirs, behalve mijn apen.”
[…]
Terwijl ik terugliep moest ik ineens verschrikkelijk hard lachen, want de aap was uit de mouw gekomen. Deze Bonairiaan was een van de zeldzame vacantiegangers die de wijsheid bezat om mens te zijn met de apen in plaats van een aap onder de mensen.

Dit verhaal spreekt voor zichzelf. Het laat zien dat Van Leeuwen de massaliteit in Nederland haat.

 

 

B. Jos de Roo, Aruba, november 2017. Foto © Michiel van Kempen

Dames en Heren,
Verhalen moeten wijsheid, waarheid en schoonheid bevatten. Ze moeten de samenleving getrouw tekenen (dus maatschappelijk relevant zijn) en leren over het leven. Ze moeten mysterieuze symboliek bevatten. Dat gebeurt bij uitstek in poëzie en in dromen. Het is de kunstopvatting van Boeli van Leeuwen die hij voor het eerst in zijn Wereldomroepverhalen formuleerde. De Wereldomroepverhalen hebben een grote invloed gehad op de ontwikkeling van Boeli van Leeuwen als schrijver. Ik was dan ook dolgelukkig toen ik ze vond in het archief van de Wereldomroep. U heeft vanavond kunnen ruiken aan die verhalen. U kunt ze nu ook allemaal zelf lezen in Ver weg dichtbij, een uitgave van In de Knipscheer. Ik dank u voor uw aandacht.

[Dit is de tekst van een lezing van Dr. B. Jos de Roo aan de Universiteit van Aruba.]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter