blog | werkgroep caraïbische letteren

Peerke en het verdeelde verleden

Helend verwerken: Mission impossible of Heilige opgave?

door Herman Fitters

Hij was bepaald geen Óscar Romero – de heilig verklaarde bevrijdingstheoloog uit El Salvador – maar hij is wonderbaarlijk goed op weg: Petrus Donders, een 19e eeuwse missionaris in Suriname. De meeste predikers uit ons koninkrijk zijn inmiddels vergeten, maar de eerbiedwaardige Donders wordt actief herinnerd. Gebukt onder een hoog priester-ideaal en in concurrentie met de Evangelische broeders deelde hij stoffelijke goederen uit aan de Afro-Surinamers en verkocht hen het ‘ware geloof’.  Wat blijft er over van zijn biografie, na kritische analyse? En belangrijker: wat te doen met het (stoffelijk) cultuurgoed van dit erfgoedpersonage, zo gekoesterd in zijn geboortestad? Casus Tilburg. Stad met een koloniaal verleden.

In 1863 schafte Den Haag de slavernij in de westelijke koloniën af.[i] Donders werkte in de Surinaamse missie van 1842 tot aan zijn overlijden in 1887. De pater was er dus bij toen de achternamen werden uitgedeeld. Direct na zijn dood kwam al een proces tot heiligverklaring op gang, gevoed door publicaties vanuit zijn eigen religieuze orde, de Redemptoristen. In de jaren twintig van de eeuw daarop werden in Tilburg meerdere gedenkplaatsen rondom Donders opgericht. Eén daarvan is het hieronder afgebeelde standbeeld ‘Petrus Donders’ uit 1926, een rijksmonument.

Iconografie

‘Petrus Donders’ in het Wilhelminapark te Tilburg (1926). Je kunt het van verschillende kanten bekijken. 

Een staande witte man bekeert een geknielde zwarte man tot het christendom. Maar de zwarte man is geen tabula rasa. De scène op de imposante sokkel toont juist dísrespect voor het geloof van anderen. Er zijn namelijk méér geloven op het maatschappelijke kussen. Voorouderverering (zoals winti) en Heiligenverering horen daar ook bij. En die twee hebben verwantschap. De emoties rond de beeldengroep in 2018, ‘het jaar van de beeldenstorm’, hebben dat haarfijn laten zien.

De knielende persoon – een aan lepra lijdende slaafgemaakte of voormalig slaafgemaakte – ziet lijdzaam toe en speelt een bijrol. Hij heeft geen naam, geen levensverhaal, geen stamboom. De Nederlandse onbekendheid met het slavernijverleden is treffend vastgelegd in de beschrijving van dit kunstwerk door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in 2002: “Staande is Petrus Donders afgebeeld, gehuld in een priestertoog, met een crucifix in de geheven rechterhand boven een geknielde oosterse figuur, die gekleed is in een lendendoek.” Hoezo een oosterse figuur? Westafrikaans zou ik zeggen.

De beeldengroep zit vol symboliek en is bepaald niet realistisch. Waarom heeft de melaatse een ontbloot bovenlichaam en volledig ingezwachtelde handen? En die hoog verheven pater, die was toch klein van stuk en heel bescheiden?

Het Reformatorisch Dagblad meldde in 2018 dat het standbeeld goed het werk van Donders als “apostel der melaatsen” schetst, namelijk bekering (kruis) en verpleging (handoplegging).[ii] Maar een ziekenbroeder gaat toch niet zo te werk? Of het moet zijn dat de aai over de bol een vroege vorm van temperatuur meten is. Het gaat hier duidelijk niet om een van de ‘zeven werken van barmhartigheid’, ook niet om het ‘sacrament van de zieken’ (ziekenzalving).[iii]

De handoplegging wordt in de katholieke traditie bij uitstek toegepast in passage-rituelen, waarbij een overdracht van de Heilige Geest plaatsvindt: de doop, het vormsel, de wijding tot priester of bisschop en de bekering. De combinatie met het geheven kruis vertelt dat het hier gaat om de bekering van een dolende tot het rooms-katholieke geloof. Oftewel een uitdrijving van demonen. Weliswaar met een vriendelijk gezicht, maar toch: exorcisme. Katholieken schamen zich daar niet voor. Het is een verplicht vak in de priesteropleiding.

Medeverantwoordelijkheid

Het mag bekend zijn dat de trans-Atlantische slavernij een systeem is geweest, gesteund door kerk, bedrijfsleven en overheid. De koloniale economie was gericht op geld winnen, de zending en missie op zieltjes winnen. Dit gebeurde tot wederzijds voordeel, in een min of meer symbiotische relatie, tot ver na afschaffing van de slavernij. Alle drie de actoren dragen een verantwoordelijkheid, óók voor de doorwerking ervan in ons cultureel erfgoed en hoe we daar nu mee om moeten gaat.

Trappisten-pater Van Lammeren (Amsterdam, 1892 – Tilburg, 1978) zette veel exotische dieren op die in het natuurmuseum zijn beland. Foto cubra.nl

Op het niveau van historische individuen hangt de medeverantwoordelijkheid samen met iemands persoonlijke acties en wat daarvan in bronnen bewaard is gebleven. Wat VOC-kopstuk J.P. Coen en de Braziliaanse ‘slavenhandelaar’ Johan Maurits voor Nederland betekenen, dat is “Peerke” voor Tilburg. Van de drie heren zijn in het recente verleden standbeelden in opspraak geraakt. Er zouden ‘bordjes’ komen om een en ander op te lossen.

In dit essay ga ik dieper in op de context van het standbeeld Petrus Donders in de ‘microcosmos’ Tilburg; over  de rol van de kerk en hoe de lokale overheid, die eigenaar is van het beeld, er mee worstelt. Het bedrijfsleven – ook een manier van leven – laat ik buiten beschouwing.

Rome van het zuiden

Het is een misvatting – of misschien Hollandse arrogantie – om te denken dat het zuiden van ons land geen koloniaal erfgoed heeft. Tilburg was een stad met de grootste dichtheid aan kerken en een belangrijke verzamelplaats van religieuze congregaties die actief waren in de katholieke missie. Ik noem de fraters van Tilburg, Zusters van Liefde, paters Oblaten, de Kapucijnen, missionarissen van het Heilig Hart (‘Sacre Coeur’) en de fathers of Mill Hill. De paters registreerden (sommigen als ware antropologen), schreven brieven naar het thuisfront en namen van alles mee: planten en dieren, voorwerpen én foto’s van mensen. Veel daarvan is bewaard gebleven, maar nog niet goed ontsloten. Daar zit nog heel wat black history verborgen.

Koloniale Waren, daar adverteer je mee. Foto regionaalarchieftilburg.nl.

Het ‘slavernijmonument’ in het Tilburgse Wilhelminapark drukt ons op het gedeelde verleden, maar er wordt niet bij stilgestaan. Toen het standbeeld in 1926 werd opgericht was ‘koloniaal’ nog heel normaal. Op menig gevel aan het Wilhelminapark prijkten de woorden ‘Koloniale Waren’.[iv] Vanuit maar liefst tien panden werden voedings- en genotmiddelen verkocht uit de koloniën: tabak (sigaren), koffie, thee, cacao, rietsuiker, palmolie en specerijen. Men had geen flauw benul dat er in Indonesië op dat moment al aan onafhankelijkheid werd gedacht (Mohammed Hatta) en evenmin had men in Tilburg ooit een ‘echte’ Afrikaan uit de West gezien. 

Onderdrukking en emancipatie

Het is goed te beseffen dat ook het katholieke Brabant twee eeuwen onderdrukt is geweest door protestants Holland: van de vrede van Münster (1648) tot aan de grondwet van Thorbecke (1848). Met het aantreden van bisschop Zwijssen in 1853 begon de emancipatie van de katholieken en brak de periode van het ‘rijke roomse leven’ aan. Nederland als geheel belandde in een permanente staat van cultuurstrijd: de verzuiling. Er volgde een eeuw vol fundamentalisme, van katholieken, protestanten, socialisten en liberalen. De emancipatie van de katholieken voltooide zich in die tijd.

Het standbeeld van Domela Nieuwenhuis tijdens de acties tegen kerncentrale Dodewaard (1981).

Je kunt je afvragen waarom een standbeeld met een bekeringsscène wordt neergezet in een stad die al volledig katholiek is. Het antwoord daarop ligt niet in de trans-Atlantische slavernij, maar in het Nederland van de jaren twintig. Elke groep vestigde toen zijn eigen gelijk door het oprichten van standbeelden. In Amsterdam, bijvoorbeeld, zamelden socialisten geld in voor een standbeeld van Domela Nieuwenhuis.

Het was een periode van industrialisering en optimisme enerzijds, maar ook van maatschappelijke verandering en verwarring. Er kwamen bioscopen en danstenten. In Parijs, Berlijn en Amsterdam gebeurden ‘onfatsoenlijke’ dingen: vrouwen gingen roken, kortere rokken dragen en leken met hun kapsels op mannen. De jazz-muziek kwam op, met Josephine Baker als ster. [iva] Het ‘andere ras’ was nog een curiositeit. De elites waren beducht voor onverantwoordelijk gedrag, zedenbederf en geloofsafval.

De Tilburgse textielfabrikanten, bang voor een staking, vreesden de invloed van het socialisme op hun katholieke arbeiders. En de geestelijkheid dacht: als de protestantse Willem II hier een standbeeld krijgt, dan ook een held van ons.[v]

De slaafgemaakte speelde bij dit alles geen enkele rol. Familieleden van de pater trouwens ook niet, want die waren niet uitgenodigd bij de glorieuze onthulling in 1926. Het standbeeld lijkt voort te komen uit een beschavingsoffensief binnen de eigen groep en vormt een afbakening naar andere groepen. De Tilburgse elite, die het beeld grotendeels betaald heeft, vertelt de gewone man wat zij moest denken. Dagelijks liepen de textielarbeiders van en naar de fabriek langs het beeld en zij begrepen het: wees maar vroom en gehoorzaam je superieuren, dan kun je het nog ver schoppen, net als Donders.

Het Heilig Hartbeeld (1921) voor de Heuvelse kerk in Tilburg. Devotie tot de ‘Goddelijke Koning’ moest bescherming bieden tegen liberalisme en socialisme. De textielstaking van 1917 lag nog vers in het geheugen. 

Historici en ervaringsdeskundigen wijzen er graag op dat de afstand destijds tussen de textielarbeider en zijn baas misschien net zo groot was als die tussen de plantage-arbeider en zijn baas in de koloniën. Maar zelfs als dat waar zou zijn, dan nog bestaat er hier geen standbeeld waarop dat zo wordt uitgedrukt. We kennen geen standbeeld van een pastoor of bisschop die een gewone man (boer of fabrieksarbeider) zó tot geloof brengt. Er zijn ook geen Europese koningen of keizers die zichzelf  zo vereeuwigd hebben, knielend aan de voeten van een geestelijke. 

Geloofshelden en -martelaren

Het ‘rooms cultureel imperialisme’ lijkt een verleden dat er nu niet meer toe doet. Maar toch, wat paus Leo eind 19e eeuw rondschreef krijgt de laatste tijd steeds meer echo: “De Kerk is de bron van de ware beschaving. Zonder de Kerk is de beschaving leeg” en “Onze katholieke missies vormen de ziel voor de Europese beschavingsambities”.[vi]

Donders voldoet helemaal aan het beeld van de 19e eeuwse romantische geloofsheld, zoals dat gepromoot werd door het Vaticaan ‘ter voortplanting van het geloof’. Hij was bepaald niet de enige die midden in die eeuw het oude Europa verliet. Honderdduizenden waagden het een nieuw leven te beginnen. De missionarissen gingen echter niet om de armoede te ontvluchten, maar om ‘zielen te redden’. De missiebeweging was – net als het Heilig Hartfeest – ontstaan na eeuwen van volksmissies in Europa zelf. Wij kunnen ons momenteel nauwelijks nog voorstellen hoe diep het idee was ingeplant dat ‘het de wil van God is dat alle mensen gered worden’. Een goed priester was een vertegenwoordiger van de mee-lijdende Christus. En in de uitgestotenen en zieken herkenden  velen onder hen de lijdende Christus zelf.[vii]

Missieweek-tentoonstelling in Tilburg (1923). Op de voorgrond een model voor het standbeeld van Petrus Donders, maar deze werd het niet; men verkoos de bekeringsscène, een idee van de redemptorist Van Grinsven. Bron: Katholieke Illustratie 1923.

In het begin van de 20e eeuw raakte het thuisfront meer en meer in de ban van het heldendom waarmee hun zonen en dochters ‘ginds overzee’ streden voor Christus en Zijn Kerk. De missietentoonstellingen waarin de lokale missiehelden werden geëerd, te midden van allerlei exotica en collectebussen werden druk bezocht en vormden een venster op de wereld. Het christelijk heroïsme van ‘onze’ missionarissen zou de motor worden van de come-back van de katholieke kerk, die in Europa nogal wat opdoffers te verduren had gekregen. Het was een aantrekkelijk en bereikbaar ideaal voor veel jongeren om na te volgen. En dat gebeurde dan ook. Geestdriftig.

Het standbeeld van Ferdinand Hamer uit Nijmegen (1902) was een voorbeeld voor het evenzeer katholieke Tilburg; stedelijke concurrentie speelde een rol. NB: Op deze sokkel géén Chinees. Foto Wikipedia.

Het hoogst in de boom stonden de missionaris-martelaren, vanwege hun ultieme opoffering. De in 1900 in China vermoorde bisschop Hamer werd als held van de missie gepresenteerd. De ijver voor zijn heiligverklaring doofde echter toen China ophield een reëel missiegebied te zijn. Wat Tilburg meer aansprak was de dood van hun eigen Tilburgse pater Rutten. Hij werd in 1904 vermoord op Papoea Nieuw-Guinea, waarna de koloniale macht spijkerhard reageerde.

Een nog hogere graad van missieheroïek betrof de dood van de Belgische pater Damiaan, die leefde onder de melaatsen op het afzonderingseiland Molokai (Hawaii). Hij stierf in 1889 aan dezelfde lepra als zijn bekeerlingen. Lepra is een sterk ‘gecultiveerde’ ziekte. Andere ziekten in de tropen zijn besmettelijker en dodelijker en dus gevaarlijker. Maar van oudsher spreken de verminkingen sterk tot de verbeelding. Damiaan was al tijdens zijn leven beroemd; hij schreef uitstekende bedelbrieven. Zijn bekendheid begon in de VS die de baas waren op Hawaï. De internationale adhesiebetuigingen aan zijn persoon hebben de Belgische missie veel opgeleverd en zetten later een succesvol heiligverklaringsproces op gang.

Van pater Damiaan wordt gezegd dat hij er alles aan deed om maar lepra te krijgen (zie linkerhand). De doktoren namen het hem kwalijk, bediening werd hem aanvankelijk geweigerd.

De Belgisch-Brabantse martelaar was een voorbeeld voor de Nederlandse katholieken. Batavia, het afzonderingsoord voor leprozen in Suriname, leende zich wel om een geschikte missiezoon te leveren. Kandidaten genoeg, zoals de in 1849 aldaar vermoorde priester Heininck of de in 1887 aan lepra overleden pater Bakker. Er werd echter voor Donders gekozen – die op hoge leeftijd aan een nierontsteking was overleden – onder meer omdat hij uit Tilburg kwam.[viii] Schaap, de bisschop in Paramaribo, had reeds een oogje op Donders. En Wulfingh, zijn opvolger in 1889, wilde graag de band versterken met de Tilburgse Zusters van Liefde. Dat was de congregatie waar zijn zus bij zat en waarvan op zijn verzoek inmiddels missiezusters waren overgekomen om te werken op de nieuwe leprozerie Gerardus Majella. Via names and faces ging het.[ix]

Kerstening: Boze Friezen

Neerlands bekendste heiligen uit vervlogen tijden zijn Willibrord en Bonifatius. De ‘heidense’ Friezen verzetten zich in de achtste eeuw tegen de christelijke bekeringsdwang van de Franken. Priesters vormden de stoottroepen in dienst van de buitenlandse grootmacht.[x] In de vorig jaar uitgekomen film Redbad speelt Willibrord een onfrisse rol als hij de zus van de Friese koning met geweld bekeert en vernedert. Willibrord was inderdaad van de agressieve aanpak. Het verwoesten van heidense heiligdommen was een standaardhandeling bij de kerstening. De “apostel der Friezen” bracht het christelijk geloof in de voetsporen van de Frankische koningen, die hun macht naar het noorden uitbreidden. De vooruitgeschoven missiepost Utrecht (Traiectum) werd met het zwaard verdedigd.

Het Friese rijk van koning Radboud in 716 na Christus.

Zonder respect voor de gebruiken en het geloof van de ander brachten de missionarissen ‘beschaving’, in functie van en beschermd door de nieuwe machthebbers. De paus stuurde hen strategisch naar de buitengebieden en de Franken zeiden: kom niet aan onze man, want dan kom je aan ons. Willibrords opvolger Bonifatius werd op hoge leeftijd naar het land der Friezen gestuurd en zoals bekend vermoord te Dokkum in 754. Daarop volgde vergelding en verovering en ging het rap met de kerstening, die definitief werd.

Standbeeld van Sint Bonifatius te Dokkum (1962). Waar is de boze Fries die met een slagwapen op zijn hoofd inslaat? Foto Wikipedia.

Dan komt weer die vraag op: Zouden de Friezen het accepteren zó te worden afgebeeld als de geknielde man in Tilburg? Ik denk het niet. Zo’n standbeeld van Bonifatius bestaat dan ook niet in Friesland.

Elf eeuwen later zien we vergelijkbare patronen in de Nederlandse koloniale buitengebieden, met zendelingen en missionarissen – zoals Donders – die zich ongetwijfeld lieten inspireren door bovengenoemde heiligen en later zelf voorbeeld werden voor anderen.

Twaalf eeuwen later, in 2018, gebeurt het opdringen nog stééds. Nu vinden we het maar een reli-gekkie: de Amerikaanse missionary John Allen Chau, die het waagde een geïsoleerde stam te benaderen op het afgelegen North Sentinel Island in de Golf van Bengalen. Contact met de stam wordt strikt verboden door India. John werd met pijl en boog onthaald en is niet meer.[xi] Het is dus een constante in de wereldgeschiedenis, maar terug naar Suriname.

Donders en Winti

Zendeling-avonturier John Allen Chau ging goedgemoed op zijn doel af.

De in 1982 zalig verklaarde Donders wordt geroemd om zijn barmhartigheid en naastenliefde, sleutelbegrippen in zijn persoonsverheerlijking. Maar de “apostel der melaatsen en indianen” kon ook agressief tekeer gaan tegen anders-gelovigen. Zo was hij niet gediend van uitingen van voorvaderlijk geloof, de uit Afrika meegenomen wintirituelen onder de plantageslaven en vrijgemaakten. Dat valt te lezen in getuigenverklaringen uit Paramaribo in 1914, keurig opgetekend in de Romeinse processtukken:[xii]

Eens was een afgodische party aan de gang. Daar verschijnt pater Donders met een flinke stok gewapend en sloeg alles stuk: een waterschotel, flessen, een baskiet, een trom. De mensen deden hem niets, want men had eerbied voor de priester.

[…] Een soldaat was in concubinaat met een zwarte vrouw, waarmede hij zou trouwen. Deze vrouw deed aan afgoderij. De soldaat verwittigde hiervan pater Donders. Deze kwam met een stok bij zich en sloeg daarmee de afgoderij-zaken stuk. Toen de slang wegkroop, zette pater Donders zijn hiel op de slang en sloeg hem op de kop. Alle kleren die bij de afgoderij aanwezig waren verbrandde hij.

Het (ongelijke) religieuze slagveld, cartoon uit het boek van Schilder, 2009. De winti-priesteres is een hysterische, vuurspuwende draak. De ‘goede man’ bedrijft het christendom; hij beschermt de nieuwe generatie Surinamers met het kruis als wapen. De ultra-conservatieven weten en omarmen het: Donders was van de monocultuur, niet van de multicultuur.

Missionaris en overheid

De Belgische missionaris Pieter-Jan DeSmet was een echte indianenkenner. Als ‘vriend van de indianen’ werd hij ingezet door de Amerikaanse regering bij onderhandelingen met de inheemse bevolking, waaronder de vredesconferentie met de Sioux. In 1868 wist hij Sitting Bull te overtuigen om een afvaardiging te sturen. Maar het opperhoofd bleef weigeren zijn land af te staan en werd uiteindelijk ingerekend. In Dendermonde (B) staat DeSmets standbeeld, zónder indiaan, fier overeind. Zijn beeldengroep op de universiteit van Saint Louis (VS) is in 2015 verwijderd.[xiii]

De beeldengroep van De Smet is thans te zien in het ‘Saint Louis University Museum of Art’ bij een collectie betreffende de missie van de orde der Jezuïeten.

Ook pater Donders werkte, reeds op hoge leeftijd, nauw samen met het koloniale Gouvernement. Om de invloed en het verzet van de ‘medicijnmannen’ bij de indianen in Nickerie te breken liet Donders officieel en met alle égards stamoudste Christiaan tot opperhoofd benoemen van alle indianenkampen tussen de Corantijn en de Suriname-rivier. Zo kreeg hij ruim baan voor godsdienstonderwijs en doop. Daar ging het om.

Een Karaïb-indiaans kamp aan de Coppename-rivier, pentekening door pater Borret, circa 1880. In de plaats van de medicijnman kwam voortaan eens per twee of drie maanden een pater langs – met een ‘magisch’ medicijnkoffertje – om een mis op te dragen; de ‘rondtrekkende kerk’.

Exit eigen identiteit zou je denken, maar de alledaagse werkelijkheid is complex. Hagiografen beschrijven de missionarissen graag als succesvol maar dat waren ze allerminst. Er heerste een dubbele werkelijkheid, zowel in het Friese koninkrijk van de 8e eeuw als in het Suriname van de 19e. Zowel op de plantages als in het binnenland. Veel oppervlakkige conformering en sociaal wenselijk gedrag dus. Daaronder zat geheim verzet en tegenwerking.[xiv] Daar hebben apostelen nu eenmaal mee te dealen.

Mensen met een missie én met een geweer. Links: Sint Nicolaas zoals verbeeld door de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman (1850). Rechts: Nederlandse missionarissen van het Heilig Hart in Brazilië. 

Lepra (boasi, melaatsheid)

De katholieken, die aanvankelijk op de plantages niet welkom waren, mochten op het melaatsenoord Batavia hun eerste missiepost oprichten buiten Paramaribo. Deze afgelegen staatsleprozerie aan de Coppenamerivier was het afvoerputje van de plantage-economie. Het gouvernement wilde graag afzondering van de lepralijders, maar tegelijkertijd daaraan niet teveel geld kwijt zijn.[xv] Voor de ‘RK-multinational’ vormde Batavia het breekijzer om de religieuze markt in Suriname – tot dan toe gedomineerd door de Evangelische broeders – open te breken. De katholieke kerk liet er zien te kunnen samenwerken met de overheid en relevant te zijn voor de kolonie. Batavia werd een succes -vooral in de beeldvorming in Nederland.

Op Batavia – een voormalige cacaoplantage – leefden de besmetten en de gezonden niet gescheiden. In de rantsoenering werd wel onderscheid gemaakt tussen leprozen van Afrikaanse en Aziatische afkomst. Bron: Henk Mente, De tenen van de leguaan, 2019.

De medicinale kennis en behandelingsrituelen van de slaafgemaakten deden in effectiviteit niet onder voor die van de Europeanen, maar genezing van deze huid- en zenuwziekte was helaas niet mogelijk. Door de Europeanen werd lepra gezien als een ziekte horend bij een inferieur ras en van mensen met immoreel seksueel gedrag. Het zwarte perspectief was anders: je kreeg het door het niet in acht nemen van je treef (een voedselverbod). Lepra werd ook wel de joodse ziekte genoemd.

Over de melaatsheid schrijft Donders in 1844: het is bijna niet te zeggen, hoe deze, om hunne kwaal van zoovele menschen geschuwd en gevlucht, verheugd en opgebeurd zijn, nadat zij dit geluk hebben genoten, hetgeen hun de ware godsdienst heeft aangebracht: zoodat ik geenszins twijfel, of de goede God heeft, in Zijne oneindige barmhartigheid, hun deze ziekte overgezonden, om die verdwaalde schapen op den rechte weg der zaligheid te brengen. O hoe wonderlijk is de Heer in Zijne werken! Ja, waarde vriend! dat moet hier én Jood én Heiden én Onkatholiek bekennen, dat in de Roomsch katholieke Kerk alleen voor deze ongelukkigen ware troost en verkwikking te vinden is, welke men tevergeefs buiten haar zoude zoeken.[xvi]

Verdeeld verleden: zending en missie

Katholiek Suriname, zoals opgetekend door de Redemptoristen in 1884 (detail).

De Europese gezindten die in Suriname actief waren hadden duidelijk een minder symbiotische relatie met elkaar. Donders spreekt van ‘secten’ en schrijft daarover in 1846 het volgende: “De verschillende secten, welke hier in de kolonie huisvesten, zijn: 1) de Lutheranen, 2) Calvinisten, 3) Hernhutters of Moravische Broeders, 4) de Israelieten. Onder deze zijn de Hernhutters de verderfelijkste. Dezen ook alleen (buiten wij) bemoeijen zich met slaven en de vrije-Negers. Maar ongelukkig! Met te veel succes van hunne zijde, wijl zij door hunne leer en toegevendheid bij de meeste slaven bevallen”. Donders noemt vervolgens een aantal voorbeelden van die toegevendheid, zoals dopen bij meerwijvigheid, het zomaar ontbinden van huwelijken, vormfouten bij het dopen en gedwongen winkelnering; “maken zij den slaven wijs dat alles geheiligd is hetgeen zij verkopen”.

De Hernhutters (Evangelische Broedergemeente; EBG) zagen dat natuurlijk anders en hadden op hun beurt last van de katholieken. Zo vond broeder Treu in 1837 op plantage Mary’s Hope in het district Coronie tal van slaven die door een rooms-katholieke priester bij een kort bezoek gedoopt waren. Daar ging de prediker vervolgens goed overheen en bereikte in korte tijd 1300 slaven met het evangelie.[xvii] De katholieken op hun beurt bouwden in 1875 een missiepost in Mary’s Hope en krikten het aantal katholieken weer op. Donders, die uit Batavia was weggewerkt, kwam er in 1883 voor de duur van twee jaar te werken. Er konden toen alweer 1400 katholieken worden geteld in Coronie. Zendelingen en missionarissen schreven het op hun teller bij en rapporteerden de productie aan hun bazen. Het is vraag wat deze cijfers betekenen.  

Vrouw in rouwkleding in het ‘palmendistrict’ Coronie, 1947. Foto van Wikipedia.

Niet altijd is bekering oppervlakkig en komt er een buitenlandse zendeling of missionaris aan te pas.

Zie het verhaal van Johannes King (1830-1898), een marron. Je zou hem een ‘EBG-heilige’ kunnen noemen. Nabij de Saramacca-rivier – waar ook Donders plantages heeft bezocht – wonen de Matawai of Matuariërs, een van de zes Marrongroeperingen in Suriname. De Matawai hadden in de 18e eeuw al een vredesakkoord gesloten met het gouvernement onder de belofte geen plantages meer aan te vallen. Een van hun zonen nu werd EBG-er. Dit na een wonderbaarlijke genezing die hij toeschreef aan de Heer. King ging zich toeleggen op de zending onder zijn eigen volk en ondernam tal van evangelisatiereizen naar de verschillende Marronstammen in Suriname. Hij werd een fel bestrijder van de eigen cultus, zou je kunnen zeggen. Aan de andere kant heeft hij ook bijgedragen aan het zelfbewustzijn van zijn volk, doordat hij veel op schrift heeft gezet over de geschiedenis van de Marrons en zijn familie. King deed dat niet in zijn eigen taal, maar in het Sranan (het zg ‘Neger-Engelsch’) en dat heeft bijgedragen aan verdere verspreiding.

Johannes King (links, hoge hoed in hand) met vier gedoopte Marronopperhoofden (Granmans).

Naast het opzetten van zendings- of missieposten is het voor de uitbreiding van een kerk van wezenlijk belang een eigenlandse geestelijkheid op te leiden. Bij de ‘roomsen’ is die surinamisering niet van de grond gekomen. De missie was nogal van buitenaf bestuurd, te machtsgebonden; vrome Surinamers werden alleen als catecheet of hulpclerus ingezet. Pas vanaf 1971 kwamen er bisschoppen met Surinaamse wortels aan het roer.[xviii]  

Links: Een kerkdienst van de Paramacaner EBG in Langatabiki aan de Marowijne, 1947. Rechts: Aloysius Zichem, de eerste Surinaamse bisschop van Paramaribo. Zijn opvolger was weer een Nederlander.

Wat dat betreft zijn de werkelijk gemengde kerken te feliciteren, in Suriname zowel als in Nederland. Het is een hele opgave, vergelijkbaar met dat van een multiculturele amateur-voetbalclub; niet vanzelfsprekend, daar moet voor gewerkt worden!

Nostalgie en Brabant-nationalisme 

Terug naar het ‘lelijkste standbeeld van Tilburg’. Bij de oprichting al was er kritiek op het beeld, toen van socialisten. De bomenrijke beschutting op de uithoek van het Wilhelminapark – die er eigenlijk niet voor ontworpen was – is feitelijk haar redding geweest. Had het beeld op de campus van de Tilburg University gestaan dan was het daar allang verwijderd, bijvoorbeeld in 1969.[xix] In het centrum van de stad zou het ook eerder tot een probleem zijn geworden.

Het Wilhelminapark te Tilburg, ontworpen door L. Springer in 1897. De twee hertenbeelden bij de hoofdingang zijn tijdens WO II uit voorzorg verwijderd, maar nooit teruggeplaatst, óók niet bij de herinrichting van het park in 1996: ‘Tijden veranderen en nu hebben we andere behoeften en wensen’ rapporteerde het adviesbureau aan de gemeente.

In de jaren tachtig werd in Tilburg nog volop afgerekend met het katholieke verleden van ‘meneer pastoor’. Dit mede onder invloed van de derde-wereldbeweging. Ook het bedrijfsleven en de overheid werden gehekeld. Uitgetreden paters betwijfelden openlijk of ze het wel goed gedaan hadden, hier en overzee, want ‘anderen hebben ook een geloof’. Het standbeeld is jarenlang beklad geweest in die tijd[xx]. De gemeente maakte het niet schoon, blijkbaar was het geen probleem.

Een manifestatie van de Fanfare van de Eeuwigdurende Bijstand in het jaar van de zaligverklaring van Petrus Donders (1982). ‘Golden Wonders’, destijds een bekend chipsmerk, refereert aan de wonderen die nodig zijn in het heiligverklaringsproces. Foto’s Karin van Leengoed.

Daarna kwam bij opiniemakers meer ruimte voor een warme terugblik in de tijd.[xxi] Maar het discours van herwaardering van de katholieke identiteit van de stad Tilburg, ingezet in de jaren negentig, is langzaamaan doorgeslagen in onkritische nostalgie (de pater als vliegende dokter) tot aan historisch bedrog (de pater als icoon van de multiculturele samenleving[xxii]). Elke lokale politicus maakt het grapje dat er nog één wonder nodig is en dan hebben we een heilige. We vinden het prachtig met z’n allen zo te denken. Of toch misschien niet iedereen?

Tot op de dag van vandaag is Tilburg trots op haar pater. Hij lijkt opnieuw een focuspunt van Brabant-nationalisme te worden. Jongeren van het ‘zwanenverbond’ (pacte des cygnes) zijn actief en zingen eendimensionaal en ongecompliceerd het loflied op Brabant, refererend aan een oud hertogdom. Ook dit staat in een traditie, die een eeuw geleden opkwam. Tegelijk met de katholieke wederopstanding was daar het elitaire genootschap Brabantia Nostra, dat promootte dat het échte Brabant in haar wezen katholiek is en dat je die identiteit op straat moet laten zien. Het is binnen deze context dat het idee voor een standbeeld is ontstaan en uitgewerkt.[xxiii] Maar wanneer precies, door wie en hoe, dat moet eens worden uitgezocht. Rijke fabrikanten, niet toevallig wonend aan het Wilhelminapark, stonden er wel voor open. Het Tilburgse gemeentebestuur aanvankelijk wat minder, maar het ging overstag.[xxiv]

Links: Het Hertogdom Brabant (12e tot 18e eeuw) met Leuven en later Brussel als hoofdstad. Rechts: ‘Bronzen’ Donders kreeg in 2018 door actievoerders een onderscheiding omgehangen als grootste Brabander.

Voor- en tegenstanders van dit standbeeld verwijten de ander met een niet-historische bril te kijken. Maar feitelijk hanteren beiden een morele bril. En dat mag ook, het kan niet anders. De religieuze bril, de romantisch-melancholische en Brabant-nationalistische bril hebben net zoveel bestaansrecht als andere brillen. De abolitionisten in de 19e eeuw keken ook met een morele bril naar het verleden van hun tijd, hun heden en de toekomst.  

Kunst of erfgoed?

Wanneer is een kunstwerk niet langer Kunst, maar wordt het een erfgoedobject: na 10, 20 of 100 jaar? En is erfgoed statisch of beweegt dat? Waarom wordt iets een Rijksmonument kun je je ook afvragen. En kunnen rijksmonumenten verplaatst worden of zelfs verdwijnen? Om met dat laatste te beginnen, jazeker, dat kan. Maar het hoeft niet per se, er zijn ook andere wegen in een land vol kunstenaars. Creatieve bijdragen zijn misschien een oplossing. Een make-over van deze beeldengroep of een installatie erbij, zodat duidelijk wordt hoe schurend dit kunstwerk is.

Het Peerke Donders paviljoen in Tilburg, met zijn geboortehuisje en een Surinaams kerkgebouw. Links zijn standbeeld uit 1933. Dit rijksmonument wil de beheersstichting gaan verplaatsen om ruimte te maken voor meer parkeergelegenheid, want ‘als het ooit tot een heiligverklaring komt dan wordt het nog veel drukker’ (bd.nl, 17-01-2019)

Vastleggen van cultuur is mooi, wetende dat over honderd jaar alles anders zal zijn dan nu. Maar het wordt makkelijk conservatisme en conservatief cultuuractivisme. Cultureel erfgoed is per definitie dynamisch. Er zijn geen eensgezinde groepen meer die via één vertegenwoordiger voor het behoud van hun geschiedenis of erfgoed opkomen. In die zin is er altijd wel cultuurstrijd, maar dat hoeft niet polarisering te betekenen. We mogen blij zijn dat we niet meer leven in een tijd van de geïnstitutionaliseerde polarisering, zoals begin vorige eeuw.

Sterk merk… arme Peerke

Samen met Willem II en de Kruikezeiker (carnaval) behoort “Peerke” tot de zogenaamde ‘sterke merken’ van de stad. Op allerlei manieren komen deze drie het hele jaar terug in het lokale nieuws en de stadspromotie. Willem II is een protestant en geen Tilburger, de kruikezeiker is een historisch niet bestaande persoon[xxv], maar met Peerke, de eenvoudige thuiswever die wereldburger werd, ja daar kan de Tilburger zich wel mee identificeren.

Een sterk merk verdwijnt niet zomaar, maar past zich aan. Coca Cola is ook een sterk merk, maar er zit wel minder suiker in tegenwoordig. Het behoud van de pater als Tilburgs stedelijk erfgoedpersonage is maatschappelijk zeker belangrijk en nuttig, maar dan wel in zijn brede historische context. Vertel het hele verhaal. Peerke bestreed geen lepra, dat wist hijzelf ook wel. Iemand met de beste bedoelingen is toch altijd een kind van zijn tijd. Dat zou de gedragscode moeten zijn die bij het erfgoedstempel hoort.

Puk en Muk (rechtsonder) bij een les van een missionaris in Afrika. Deze boeken van ‘Drukkerij R.K. Jongensweeshuis’ uit Tilburg staan niet meer in de bibliotheek, wel in vitrines van tentoonstellingen. Afb. cubra.nl.

De kracht van een icoon zit hem juist in de verscheidenheid van verhalen, ook de kritische, de dekoloniale en de deconfessionele verhalen. Exploreer de verschillende zienswijzen op het fenomeen, smoor ze niet. De kinderboeken van Puk en Muk uitgeven door het Rooms-katholieke Jongensweeshuis lezen we misschien niet meer, maar zij horen wel bij het katholieke cultuurgoed. Puk en Muk en Moortje naar Amerika. Puk en Muk door Afrika. Als je die boekjes en de plaatjes daarin goed in zijn context plaatst dan kunnen we daarvan leren. Dat kan ook met erfgoedpersonages.

Twee wereldburgers op één sokkel, twee Surinamers eigenlijk, van verschillende kleur. De een wordt bevrijd uit het aardse lijden, de ander is de bevrijder, el salvador.

***

De lokale held, waar je trots op bent, staat voor de erkenning van het eigen bestaan; de bijfiguur – wat minder herkenbaar – voor een strijd om erkenning, vanuit een onderpositie.

Er zijn in 2018 veel mensen opgestaan die namens de pater spraken. In nomine patre. Veel mínder mensen wilden in de huid van de bijfiguur kruipen. Dat kan ook eigenlijk niet. De pater en de slaafgemaakte zijn al lang geleden overleden. Maar toch is er steeds die verzuchting: “Arme Peerke, die discussie allemaal, dat heeft hij niet verdiend!” Het kom-nie-aan-ons-Peerke-sentiment wordt zonder schroom gevoed door gestudeerde mensen bovenaan de maatschappelijke ladder. Het is populistisch taalgebruik, niet echt verantwoordelijk en zuiver cultuuractivisme. Niet inlezen en nadenken over het onderwerp, maar snel effect sorteren met je woorden: zo krijgt het standbeeld de verkeerde verdedigers. Maar ja, Vox populi vox dei: de stem van het volk telt.

Lokale politiek

Een zoektocht op het internet naar een vergelijkbaar standbeeld in de openbare ruimte ergens anders in de wereld levert helemaal niks op. Wel enkele schilderijen en glas-in-loodramen in kerkgebouwen. Het meest in de buurt komt de beeldengroep Early Days in San Francisco, met daarop een cowboy/settler, een missionaris en een native-american of ‘indiaan’. De laatste op de grond natuurlijk, maar hij probeert op te staan. Het kunstwerk is in 1894 door een lokale miljonair aan ‘de gemeenschap’ geschonken. De lokale politiek heeft er lang mee geworsteld. In 1990 kreeg het een toelichtende plaquette, over “de drie culturen” van California. In 1996 werd de tekst vervangen door een betere versie. Maar uiteindelijk, na 25 jaar van overleg en juridische strijd, werd het beeld in 2018 verwijderd.[xxvi]

In 1967 is het Tilburgse standbeeld van bisschop Zwijsen verplaatst van openbaar naar katholiek grondgebied. Maar toen de gemeente in 1996 het standbeeld Petrus Donders wilde verplaatsen, in verband met een herinrichting van het Wilhelminapark, boog ze toch voor de katholieke lobby. ‘De vraag om meer ruimte voor gedachtenvorming en gedachtenuitwisseling is gerechtvaardigd’, stelde de CDA wethouder destijds en het beeld bleef onaangeroerd.[xxvii]

Zwijsen op zijn bisschopszetel tegen de zuidkant van de Heikese kerk in het centrum van Tilburg. In 2010 kwam er een beeld van bisschop Bekkers bij (rechts). Foto van de auteur.

Het Tilburgse gemeentebestuur lijkt het standbeeldvraagstuk als een managementprobleem te zien, niet als een cultureel probleem dat in alle openheid verkend mag worden. Geen discussienota, maar een hoofdpijndossier dus. Het managen komt feitelijk neer op down-sizen. De wethouder Monumentenzorg en de wethouder Kunst & cultuur schuiven de hete aardappel door en zo komt de standbeeld kwestie ‘als vanzelf’ weer bij een wethouder van het CDA, de partij die het meest gevoelig is voor conservatieve lobby op dit onderwerp (een lobby die tegenwoordig grotendeels seculier is). Was het vóór de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 nog de portefeuillehouder Citymarketing, nu is het Integratie. Maar bij mijn weten zijn er in Tilburg geen problemen tussen (Afro)Surinamers en witte Nederlanders. Peerke-fans zitten in beide groepen evenveel. En mensen die pijn of schaamte voelen bij dit standbeeld kunnen uitstekend geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving. Dat is het complexe. Je kunt het probleem overal aan ophangen, maar het is in de eerste plaats een kwestie van cultuur. Niet de Grieks-Romeins-Joods-Christelijke cultuur, wel een of andere gemeenschappelijke cultuur, waar we naar toe moeten.

Eigenlijk zou er een symboolpolitieke nota moeten komen: laten we eens praten over symbolen! Die zijn belangrijker dan geld, dat blijkt telkens weer. Natuurlijk, het koppelen van verfoeide stereotype cultuuruitingen aan koloniaal verleden en hedendaags racisme (uitsluiting/discriminatie) is explosief. Maar een verantwoordelijk wethouder die mentale dekolonisatie belangrijk vindt zou juíst de lokale media moeten voeden met het oog op dat proces; dan worden de burgers niet overvallen door actievoerders.

Helaas zijn ook de lokale historici stil. Het is natuurlijk beschaafd om niet te polariseren, maar ja, helemaal níet erover schrijven komt neer op handhaven van de status quo, met de bekende stereotypen.

‘Mentale dekolonisatie’ is belangrijk, voor álle bevolkingsgroepen (deze foto betreft Indonesië).

Zwart-witdenken

Columnisten draaien graag aan het kleurenpalet en vragen zich dan af het uitmaakt of de knielende persoon zwart is. Of er ook een probleem zou zijn als beide personen wit waren of beiden zwart.

Voor het begrip of de definitie van ‘slavernij’ doet de kleur er inderdaad niet toe. Maar er bestaat geen niet-raciale pendant van dit standbeeld. Ik heb het althans niet gevonden.

Daarom doet de kleur er wél toe en is het onderdeel van het probleem. Het beeld refereert aan de trans-Atlantische slavernij en die was volledig raciaal bepaald. De legitimatie van die slavernij en de verhoudingen die daaruit voortvloeiden worden weerspiegeld in de stereotypen zoals we die hier zien. En deze beeldvorming werkt helaas door in de tijd. Veel mensen ervaren racisme in het dagelijks leven, vaak in de beschaafde ‘kleurenblinde’ vorm. 

De driehoek-handelsroute van de West-Indische Compagnie. Het opkopen van slaafgemaakten in Afrika werd begin 19e eeuw weliswaar verboden, maar de slavernij én de slavenhandel bínnen de Amerikaanse continenten bleef nog lange tijd bestaan.

De dekolonisatie is juridisch misschien wel afgerond (Suriname werd onafhankelijk in 1975), maar mentaal nog lang niet. De emancipatie van de voormalig slaaf gemaakten heeft nog een hele weg te gaan – die van de katholieken was vorige eeuw al klaar. Daarom is er ook een ‘Museum voor Naastenliefde’ in Tilburg en een bedevaartsoord in Suriname maar bestaat er nog steeds geen ‘museale voorziening’ in Amsterdam.[xxviii] Hoe dan ook komt er een generatie aan van onderzoekers, carrièremakers en activisten die succesvol zullen strijden tegen allerlei uitingen van etnische discriminatie en uitsluiting. ‘Ontwikkelingswerk’ is thuiswerk.[xxix]

Het pelgrimshuis op Batavia (2001, heropening 2017) is een initiatief van Nederlanders.

Gesacraliseerd personage

Het volmaakte, maar veeleisende leven van jonge mensen, zoals geëtaleerd op Instagram, is uiteindelijk niet gezond. Perfectie en het leven gaan niet samen. Daarom is het ook risicovol als behoudende katholieken het religieuze leven opvatten als het streven naar een ‘Heilig leven’.[xxx] Goed, anderen kunnen wel baat hebben bij jouw heilig leven, als voorbeeld, als autoriteit. Maar in realiteit is het een onmogelijk leven. En ook moeilijk te midden van zoveel onrechtvaardigheid. Misschien dat Donders zichzelf daarom zo vaak kwelde met het geselkoord.

Maar heiligheid is geen ‘eigenschap’ waarvan het de mensen langzaamaan duidelijk wordt dat een persoon die heeft. Ik spreek liever over ‘heiliging’, als een proces van sacralisering[xxxi], d.w.z. van hard werken door verschillende belangengroepen, veel publiceren en actief tentakels in de maatschappij uitspreiden. Wat precies het doel ervan is, is onduidelijk: een groeiend eerbetoon voor een voorouder, een positief eindoordeel van het Vaticaan, of een erkenning van het eigen bestaan. Hoe dan ook zal een officiële heiligverklaring – een keuring van eigen vlees door de kerk – aan verbinding in de samenleving niets bijdragen. 

Een ingetogen standbeeld van Donders, vervaardigd door een ordegenoot in 1991, in de Sint-Janskathedraal te Den Bosch. In 2020 schonk een onbekende mecenas dezelfde kerk een beeld van zijn zaligverklaarder: paus Johannes Paulus II. Foto cubra.nl.

De beeldvorming rondom pater Donders of de karretjes waarvoor hij na zijn dood is gespannen zijn legio. Steeds aangepast aan de eisen van de tijd. Van ‘unne pater’ via ‘de eerbiedwaardige Petrus Donders’ naar ‘ons pirke’. Van een ‘lui menneke’ – niets bijzonders – naar een hardwerkende ‘revolutionair’. Was de pater nou een zachtmoedige heelmeester of een onverbeterlijke moralist? De advocaat van de duivel vindt nog wel wat minpuntjes: hij gaf het geld van de pastorie in Paramaribo weg, rookte al te graag sigaar (van de missiecentjes), nam zijn huisslaaf mee naar het melaatsenoord en verkocht daar de cacao die zijn keukenmeid bereidde.[xxxii]

Het is makkelijk kritiek te hebben op een persoon die er niet meer is. Hij was een kind van zijn tijd natuurlijk. Citaten uit zijn brieven, bijvoorbeeld over de “negers”, moeten dan ook in zijn context gebracht worden. Het is wel belangrijk een onderscheid te maken tussen de historische persoon pater Donders en het gesacraliseerde personage “Peerke Donders”. Het standbeeld in het Wilhelminapark – op de huidige wijze gepresenteerd – kan niet verdedigd worden met een beroep op de hagiografie en romantisch-melancholische sentimenten. Dat is over de grens.

De pastorie-kerk te Batavia uit 1836. Achter het balkon de bovenwoning van de dienstdoende pater(s) en hun bediende(n). Rechts de dokterswoning.

Onderzoek en expositie

Over geen Tilburger is zoveel geschreven als over pater Donders. Maar veel primaire bronnen blijken niet erg betrouwbaar en op zijn minst gekleurd. Dan is er de opstapeling van ‘bronnen’ die het vertelde verhaal een zweem van objectiviteit geeft. Een opeenvolging van auteurs door de tijd, waarop wel eens een exegese mag worden losgelaten: Schaap, Van Coll, Breukers, Schweigman, Bossers, Kronenburg, Govers en Dankelman, allemaal Redemptoristen, ordegenoten van Donders.[xxxiii] Daarna komt een waslijst aan wereldlijke schrijvers tot heden.[xxxiv] En natuurlijk de lokale pers die kopieert. Je zou het haast allemaal geloven.

Een halve eeuw in Suriname (1866-1916), jubileumboek van de Redemptoristen, gedrukt te ‘s-Hertogenbosch, 1916. Het bevat de namen van 113 missionarissen, waarvan er twaalf op Batavia hebben gewerkt.

Gelukkig worden steeds meer bronnen digitaal ontsloten. Maar het blijft oppassen: de enorme hoeveelheid witte schrijfsels zuigen je heel gemakkelijk weg van een zwart perspectief op de zaak. Je moet actief door het idioom van de machthebbers heen lezen om die andere werkelijkheid te zien.

Er mag wel wat meer vereffend worden, gelijk getrokken. Niet alleen de slaafgemaakte oprichten (het ‘black perspective’), maar ook collega-missionarissen. Veel zendelingen, zusters, dokters, leraren en andere kolonisten zijn ongekend en ondergewaardeerd. Degenen die langere tijd aan het oog onttrokken met inheemsen hebben samengeleefd, zoals de Tilburgse pater Adriaan Hoecken in de VS, worden vergeten in de geschiedenis. Natuurlijk zou het verheugend zijn als er een 21e -eeuwse versie van Donders’ biografie komt.

Adriaan Hoecken en Pieter-Jan De Smet, twee Brabantse missie-avonturiers in het ‘beloofde land’, de V.S. (1862)

Verwarrend. Het standbeeld is meer een symbool van macht, dan van artistieke visie en het heeft net zo weinig met slavernij te maken als met pater Donders, of net zoveel. Een informatiebordje plaatsen is geen oplossing  want het visuele beeld is overheersend. Overigens, een schurende tekst zal niet gedeeld worden en een definitieve tekst bestaat niet. Het is óf het beeld verplaatsen óf duidelijk laten zien dat hier iets aan de hand is, de kunstroute.

Het Mauritshuis in Den Haag heeft het maar gemakkelijk: dat is al een museum van zichzelf. Daar kun je mooi verschillende perspectieven tonen. Musea over pater Donders bevinden zich in Tilburg-Noord en op Batavia in Suriname, maar zij voeren een eigen beleid. Hoe dan ook verandert een interessante expositie over koloniaal verleden of over ‘moderne slavernij’ nog niks aan een standbeeld in de openbare ruimte. De Haagse insteek van een inventariserend en daarna een meerjarig wetenschappelijk onderzoek verdient wel navolging. In het (onderzoeks-) traject is dan plaats voor publieksvoorlichting en debat.

Het Mauritshuis – naast het torentje van de premier – wordt ook wel het suikerpaleis genoemd, vanwege het grote belang van de suikerinkomsten voor Johan Maurits van Nassau. Foto van de auteur.

Mission Impossible of uitdaging

De gemeente Tilburg wil een dialoog met ‘de stakeholders’. Vooropgesteld: een echte dialoog gaat niet gepaard met voorgeprogrammeerde uitkomsten of voorwaarden. Maar de vraag is wie hier precies stakeholders zijn of willen zijn. Wie vertegenwoordigt de geknielde persoon? Alleen Caraïbische Tilburgers, of ook Ghanezen en Somaliërs? De Tilburgse moslims, ‘zoveelste generatie gastarbeiders’ kunnen zich ook wel aangesproken voelen. Zo wordt het een gebed zonder einde. Hopelijk krijgt het NiNsee een uitnodiging voor overleg.[xxxv]

Wie nog meer? Hoewel het een gemeentelijk standbeeld is mag ook de katholieke kerk niet buitengesloten worden. De kerk (het bisdom) was niet de initiatiefnemer tot de oprichting van het standbeeld, de overheid (gemeente) evenmin. Maar het waren wel de bisschop en de burgemeester die het beeld officieel onthulden. Het bedrijfsleven (Tilburgse KvK) mag ook worden uitgenodigd, want de fabrikanten hebben het beeld destijds gefinancierd.[xxxvi]

De burgemeester van Tilburg (Vonk de Both), de bisschop van Den Bosch (Diepen) en de bisschop van Paramaribo (Van Roosmalen) bij de onthulling van het standbeeld in 1926. Foto erfgoedcentrumkloosterleven.nl

Bij een uitnodiging dient de rooms-katholieke kerk haar medeverantwoordelijkheid te tonen. Wat zou Rome van het standbeeld vinden? In 2017 riep paus Franciscus op om ‘oog te hebben voor de rijkdom en de culturele diversiteit van onze volken van Latijns Amerika en de Caraïben’ (…) en dezen ‘te verdedigen tegen een ideologische kolonisatie die het einde betekent van hun echte rijkdom, of het nu gaat om indianen, Afro-Amerikanen, mestiezen, boeren of mensen uit de arme wijken van onze steden’.[xxxvii] Dat is een mooi aanknopingspunt. 

En wat zegt het katholieke veld? In 2010 wilden parochianen in Paramaribo nog een kopie van het beeld voor hun kathedraal plaatsen.[xxxviii] Dat is er nooit van gekomen. Van parochianen in Tilburg hoor ik dat het standbeeld niks met de kerk te maken zou hebben, omdat de kerk het niet heeft neergezet, het zou ‘iets politieks’ zijn. En: welk maatschappelijk doel dient het om te graven in het verleden, het gaat toch om de toekomst? Dit lijken mij excuses om de kop in het zand te kunnen steken. Brabantse katholieken zouden meer gevoel moeten hebben voor ‘onderdrukt worden’ en ‘zich emanciperen’, gezien hun eigen geschiedenis.

De rol van het bedrijfsleven: deze Tilburgse multimiljonair heeft zijn moeder beloofd goed voor ‘Peerke’ te blijven zorgen. Hij bekostigde een nieuw praalgraf in Paramaribo en een belangrijk deel van de renovatie van de Sint-Petrus-en-Pauluskathedraal. Foto uit Paul Spapens, Guasi Siki, 2012

In een mis die de bisschop van Den Bosch in 2018 in Tilburg opdroeg liet hij een voorganger zeggen dat de standbeelddiscussie niet gaat over Donders, maar over de manier waarop in de vorige eeuw tegen hem werd aangekeken.[xxxix] Dat onderscheid is belangrijk en een stap in de goede richting. Maar ook niet het hele verhaal.

In 2013 heeft de Raad van Kerken in Nederland (waar de rooms-katholieke deel van uitmaakt) een verantwoording afgelegd over het slavernijverleden. De vraag is nu wat dat concreet betekent, bijvoorbeeld in Tilburg. Het zou de kerk sieren als een verantwoordelijke van het bisdom meepraat over dit specifieke stukje stoffelijk katholiek-cultureel erfgoed in de openbare ruimte. Een handreiking van de kerk zou aan de lokale overheid (gemeenteraad) de ruimte kunnen verschaffen voor een sjieke oplossing. Wie weet met een heel positief staartje. Dat is de uitdaging.

En tegen beleidsmakers en erfgoedmakelaars zou ik willen zeggen: stap in de trein die ‘geschiedschrijving’ heet, want die rijdt onherroepelijk door naar een volgende halte: Een halte waarin jonge onderzoekers een ander perspectief aan het licht laten komen, waarin racisme geen taboe meer is en breder wordt gedefinieerd. Een halte ook waarin kunstenaars een rol krijgen in herdefiniëring van cultureel erfgoed.  

Lezer, dit is een open einde. Google maar eens hoe het ervoor staat. ‘Tilburg’ moet door wat pijn heen: Een hele opgave, maar het heelt wel. Mission impossible? Nee, het komt goed!

Werk aan de winkel voor Tilburg… (Wilhelminapark). Foto van de auteur.

Literatuur

1925    J.A.F. Kronenburg CssR, De eerbiedwaardige dienaar Gods Petrus Donders C.SS.R.: nieuwe levensbeschrijving. Opgedragen aan Mgr A.F. Diepen. Drukkerij-uitgeverij W. Bergmans, Tilburg (CssR= Congregatio Sanctissimi Redemptoris)

1982    Jan Dankelman CssR, Peerke Donders; Schering en inslag van zijn leven, Hilversum Gooi en Sticht

1985    Jos Fontaine, Onderweg van afhankelijkheid naar zelfstandigheid, 250 jaar Hernhutter-zending in Suriname 1735-1985, Evangelische Broedergemeente in Suriname, Paramaribo, De Walburg Pers, Zutphen

1997    Karin Bijker, De heilige van de Heikant. Tilburg en de zalige Peerke Donders, in: Godsvrucht en deugdzaamheid. Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen, Gianotten, Tilburg

2001    Jos van der Lans & Herman Vuijsje, Katholiek Tilburg: inloggen op Peerke.com, in: Tilburg, bijzonder gewoon, H. Gianotten BV, 2001

2003    Paul Spapens, Peerke Donders, een Tilburger van deze tijd; weverszoon uit de 19e eeuw, boegbeeld van multicultureel Tilburg, Henk van Doremalen Producties

2003    Ellen Klinkers, De bannelingen van Batavia, lepra-bestrijding gedurende de 19e eeuw in koloniaal Suriname, OSO Tijdschrift voor Surinamistiek 2003.1

2004    Henk van Doremalen & Paul Spapens, Kruikezeikers, mythe en werkelijkheid van een Tilburgs fenomeen, Drukkerij Gianotten BV

2006    Glenn Willemsen, Dagen van gejuich en gejubel, viering en herdenking van de afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, Amrit/Ninsee-reeks, Den Haag/Amsterdam

2007    Ad van den Oord, Voor het oog van het kerkvolk. Tilburgse volksklasse tussen klerikale normering en geleefde praktijk, 1927-1939, Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Tilburg

2009    Harm Schilder Pr., Peerke Donders is de mascotte van de multiculturele samenleving. Illustraties Hans Wick. In: 10 mythen over Kerk & Tilburg, Uitgeverij Blad & Boek (Pr.= priester)

2009    Jozef Siwpersad, Gij zijt blank en wij zijn zwart, gedragspatronen in een slavenmaatschappij (Suriname, negentiende eeuw), uitgegeven door de nabestaanden, ‘s-Gravenhage

2009    Rogier van Rossum SS.Cc, Peerke Donders en pater Damiaan: twee Brabanders uit de 19e eeuw, Vrij & Bevrijdend Redemptoristen Nu, Contactblad C.ss.R, 2009-1 (SS.Cc= Congregatio Sacrorum Cordium, Picpus-paters)

2009    André van Dongen & Ronald Peeters, Peerke Donders; een leven in brieven, Stichting Mommerskwartier/ Stadsmuseum Tilburg

2009    Marco Mosterd, In de marge van de beschaving, De geschiedenis van Nederland (0–1100), Uitg. Bakker, Amsterdam

2010    Cees van Raak, Het Wilhelminapark van Tilburg, m.m.v. Joost Werkhoven en Wil van Dusseldorp, Wolf Publishers, Oisterwijk

2016    Eric Jagdew & Joop Vernooij, Peerke Donders en Batavia. Een historiografisch overzicht, 1842-2016, Academic Journal of Suriname, Volume 8, p. 733-754

2017    Joop Vernooij CssR, Lepra en katholieke kerk in Suriname (19e eeuw), Academic Journal of Suriname, Volume 8, p. 762-770

2017    Stephen Snelders, Leprosy and Colonialism: Suriname Under Dutch Rule, 1750-1950, Manchester University Press

2019    Rob Mutsaerts, En dan denk ik aan Brabant… brandt daar nog licht? Malherbe & Partner, Leende

2019    Lou Keune, Doen wat moet worden gedaan, herinneringen van Lou Keune, uitgave eigen beheer, Tilburg

Kunst in Tilburg: een heilige door een kunstenaar in de schijnwerper gezet (begraafplaats Bredaseweg). Foto van de auteur.

Noten en verwijzingen


[i]     2006, Willemsen. Nederland was internationaal erg laat met de afschaffing; het hoe en waarom staat in dit boek beschreven. In het zicht van die afschaffing – die onvermijdelijk was – werden zending en missie vanaf 1830 steeds meer toegelaten in Suriname. Het christelijk geloof zou de ‘slaven voorbereiden op hun vrijheid’.

[ii]    2018, https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/donders-was-prediker-en-verpleger-1.1506565 Donders was prediker en verpleger, Reformatorisch Dagblad, 14-08-2018. Volgens Vernooij (2017) zijn er geen aanwijzingen dat de rk priesters op de leprozerie verpleegden, dat behoorde niet tot hun taken en paste niet in hun denkkader. Op Batavia werkten in totaal twaalf verschillende paters, voor korte of langere tijd. Vanaf 1850 was er een dokter. Donders zelf was liever op reis dan te werken op de leprozerie. Hoe dan ook heeft dit standbeeld niets met verplegen te maken.

[iii]   In 2015 voegde paus Franciscus een 8e werk van Barmhartigheid toe namelijk: zorg voor de schepping (de aarde). Wat betreft ziekenzalving (bediening): dat gaat gepaard met olie, op het voorhoofd en op de handen, en daarbij moet het levenseinde nabij zijn. Daarvan is bij de geknielde melaatse geen sprake.

[iv]   2010, Van Raak. De auteur zette per pand alle bedrijfs- en bewonersgegevens op een rijtje.

[iva] 2018, https://stadsmuseumtilburg.nl/nieuws/standbeeld-peerke-donders-in-samenleving-op-drift/Petra Robben, Standbeeld Peerke Donders in samenleving op drift, Stadsmuseum Tilburg, 11-01-2018

[v]    Willem II was als opperbevelhebber gelegerd in Tilburg, de stad waar hij ook stierf in 1849. Hij was goed bevriend met Zwijsen. Tilburg kocht het door Den Haag afgedankte standbeeld voor 1.000 gulden. Het werd onthuld door koningin Wilhelmina in 1924.

[vi]   Leo XIII was paus van 1878 tot 1903: citaten uit rondschrijfbrieven aan begin en eind van zijn pontificaat.

[vii]  2009, Van Rossum. De auteur is van dezelfde orde als pater Diamaan. NB: België is pas ontstaan in 1830. Damiaan speelt nog altijd een belangrijke rol in de nationale identiteit van het land.

[viii] 2017, Snelders. De auteur beschrijft de staatsleprozerie Batavia als een plek in de jungle waar meerdere spanningsvelden samenkwamen: tussen kolonist en slaafgemaakte, tussen kerk en overheid, tussen kerken of geloofssystemen onderling en tussen etniciteiten of nationaliteiten onderling (na 1863 kwamen er ook aziaten). Donders’ beschavingsinspanningen werden allengs vruchtelozer. Veelzeggend is dat bij de opheffing van Batavia in 1897 de overgebleven leprozen niet naar een katholieke leprozerie gingen, die al wél bestond.

[ix]   2016, Jagdew. De auteur is directeur van het Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMWO), Anton de Kom Universiteit, Paramaribo.

[x]    2009, Mosterd

[xi]   2018, https://www.trouw.nl/nieuws/vermoorde-amerikaan-neem-het-de-inlanders-niet-kwalijk-als-ik-word-gedood~b6e1148d/ Vermoorde Amerikaan: Neem het de inlanders niet kwalijk als ik word gedood, Trouw, 22-11-2018

[xii]  1982, Dankelman (verborgen in het notenapparaat). Dankelman was postulator in het zaligverklaringsproces van Donders. Dit boek is een herschrijving van een hagiografie van N. Govers CssR uit 1945 en werd ontvangen als het volledige, definitieve verhaal dat afrekende met de oude, zoetsappige beeldvorming. Het kwam uit vlak voor de zaligverklaring van Donders, die voor velen als verrassing kwam. De zaligverklaring was een cadeautje voor de 250e verjaardag van de orde der redemptoristen (opgericht in 1732) en Paus Johannes Paulus II stak ermee een hart onder de riem van de Nederlandse katholieken in zwaar weer.

[xiii] 2015, https://catholicherald.co.uk/jesuit-missionary-statue-removed-from-catholic-university/ Jesuit missionary statue removed from Catholic university, CatholicHerald.co.uk, 03-06-2015

[xiv] 2009, Siwpersad. De auteur laat zien dat het gedrag van de slaafgemaakten op de plantages zich afspeelde in een continuüm variërend van de uiterste vormen van verzet tot de uiterste vormen van aanpassing en serviliteit. Marronage (vlucht) en de subcultuur van de slaafgemaakten hadden een dubbele werking: zowel stabiliserend als destabiliserend. Niet alleen de slaafgemaakten maar óók de slavenhouders en de zendelingen moesten noodgedwongen water bij de wijn doen om zich staande te houden binnen het systeem.

[xv]  2003, Klinkers. De Evangelische broeders hadden vanaf 1855 formeel weliswaar toegang tot Batavia, maar in de praktijk waren zij kansloos, wat leidde tot frustratie. Een zendeling schreef uiterst negatief over de katholieke priester aldaar; deze zou mensen dopen tegen geld of wijn als beloning en wie een vrouw wilde hebben zou die door zijn bemiddeling kunnen krijgen. Op Batavia werden inderdaad huwelijken gesloten en kinderen geboren.

[xvi] 2009, Van Dongen. In dit boek zijn alle (bekende) brieven én twee autobiografieën van Donders samengebracht, zonder commentaar. Zijn eerste Curriculum Vitae (1874) gaat met name over de periode in Nederland. Hij noemt daarin veel ‘eerwaarde’ personen en spreekt met geen énkel woord over Batavia, slaven, melaatschen, indianen of (bosch)negers. Op verzoek schrijft hij in 1879 een tweede CV; hij noemt nu Paramaribo (8x), Batavia (8x), Coronie (1x), Indianen (4x) en Redemptoristen (3x), maar opnieuw geen slaven, melaatschen of bosch-negers.

[xvii]         1985, Fontaine

[xviii]        2017, Vernooij. De auteur was priester in het bisdom Paramaribo van 1967 tot 2001, toen hij werd teruggeroepen. Vernooij stond open voor multiculturaliteit in de eredienst (syncretisme). Als missioloog werkte hij mee aan diverse publicaties van de Stichting Wetenschappelijke Informatie (SWI) te Suriname. Hij overleed in 2017.

[xix] De TU heette eerder KUB en daarvoor KHT; de Hogeschool werd bij de bezetting in 1969 ‘Karl Marx Universiteit’ genoemd. Het studentenprotest kwam overgewaaid uit België en bereikte later ook Amsterdam (Maagdenhuis).

[xx]  Wie de geestelijk vader of schilder was van de slogan op de sokkel was decennialang een goed bewaard geheim in Tilburg. Het bleek muzikant en activist Zjef Naaijkens te zijn geweest, bekend van de folkband RK Veulpoepers BV. De Fanfare van de Eeuwigdurende Bijstand was een wisselende groep muzikanten die demonstraties opluisterde.

[xxi] 2011, Van der Lans. Mede-auteur Vuijsje was in 1969 als student in Suriname en heeft in 2009 nog een poging gedaan om vanuit dat land een tweede wonder aan te dragen aan Rome (De Volkskrant, 24-10-09). De titel van dit boek verwijst in stilte naar een voor Donders typerend ‘Nederlands heiligenleven’: niets buitengewoons, maar het goede goed doen. Dit zou passen bij Tilburg met zijn sociaal getinte katholicisme, maar in Rome niet goed begrepen worden. Bisschop Bluyssen temperde in 1982 de zaligverklaringseuforie met vergelijkbare woorden: Donders was ‘een mens die een gewoon leven buitengewoon leefde’ (Nieuwsblad van het Zuiden, 15-05-82).

[xxii]         2003, Spapens/ 2009, Schilder.  Het boekje van ‘klokkenluider’ Schilder (2009) is mogelijk een reactie op Van den Oord (2007); het betreffende hoofdstuk over Donders als mascotte een reactie op Spapens (2003). In de glossy PEERKE (2017) herformuleert Spapens zijn icoon-stelling en stelt dat Donders in Tilburg is uitgeroepen tot ‘patroon van de mondialisering’, met het idee dat de rk kerk als multinational wel behoefte zou hebben aan een heilige met dit nog ontbrekende patroonschap. Tilburg zou vanaf de jaren 60 door elkaar zijn geschud mede door ‘multi-culturalisatie’, waardoor de behoefte was ontstaan aan ‘iets of iemand om mee te identificeren’.

[xxiii]        2007, Van den Oord. De auteur gaat kort in op de totstandkoming van het standbeeld. Het boek als geheel toont hoe opgelegde religie al te vaak oppervlakkig is en gepaard gaat met heimelijk verzet of ontduiking. Veel ouderen onderschrijven dit beeld van het roomse verleden, waarbij nostalgie, verzuchting en boosheid om voorrang strijden.

[xxiv]        1926, Dossier 014/13 B&W: Plaatsing Petrus Dondersmonument in het Wilhelminapark, Regionaal Archief Tilburg. Het Tilburgse gemeentebestuur was het niet eens met de locatie Wilhelminapark. Ze heeft wel kunnen verhinderen dat op de sokkel het wapen van de Redemptoristen zou worden afgebeeld. NB: De Redemptoristen op hun beurt wilden niet dat de volledige naam van Donders op de sokkel zou komen; zijn tweede doopnaam immers is Norbertus en de Norbertijnen waren een concurrerende orde. Dat dit hun beleid was blijkt wel uit de titel van een boekje uit 1894: Twee Missionarissen onder de Melaatschen en Indianen van Suriname (P. Donders en J.B. Romme), door een Redemptorist.

[xxv]         2004, Van Doremalen. Kruikezeiker is een schertsnaam die geuzennaam werd. Er zijn echter geen aanwijzingen dat Tilburgse textielarbeiders ooit een kruik met urine naar de fabiek hebben meegenomen. Wel blikken of geëmailleerde kruikjes met thee of koffie. Model voor het meest bekende beeld van de kruikezeiker stond een leerlooier/arbeider van een schoenfabriek. Hij draagt de pet van een boer.

[xxvi]          2018,https://www.sfchronicle.com/politics/article/Controversial-S-F-Early-Days-statue-taken-13229418.php  SF’s controversial ‘Early Days’ statue taken down before sunrise, San Franciso Chronicle, 14-09-2018

[xxvii]       1996, Regionaal Archief Tilburg, microfiches Brabants Dagblad, 01-03-1996

[xxviii]      Het Museum voor Naastenliefde maakt onderdeel uit van het Peerke Donders Paviljoen in Tilburg Noord. In dit complex bevindt zich ook een nagebouwd geboortehuis met waterput, een kapel, een kruisgang, café-restaurant én een standbeeld uit 1933. De sacralisering van de geboortegrond van Donders is beschreven door antropologe Bijker in 1994. Het bedevaartsoord te Batavia in Suriname is ontwikkeld in 2001 met geld uit het Tilburgse bedrijfsleven (mn vastgoedsector en sector media&logistiek/ stichting Jacques de Leeuw)

[xxix]        2019, Keune. De auteur poneerde ‘Ontwikkelingswerk is thuiswerk’ na terugkeer uit Colombia, aansluitend aan het Tweede Vaticaanse Concilie (1965). Vraagstukken van ongelijkheid, armoede en vrede zijn structureel van aard en moet je vooral thuis aanpakken, niet zozeer ‘ginds’; (basis)kerken hebben hierin een rol.

[xxx]         2019, Mutsaerts. De auteur, hulpbisschop van Den Bosch, zet in op Heilig leven in de traditie van Brabantia Nostra.

[xxxi]        1997, Bijker. Sacralisering is langetermijnwerk en begon al tijdens Donders’ leven. “Over hem wil ik liever spreken dan schrijven” schrijft overste Schaap in 1871. Als bisschop van Paramaribo gaf hij later medepaters te Batavia opdracht Donders’ gedrag op schrift bij te houden. De opbrengst ervan in termen van hulpvaardigheid is schamel; ze bestaat voor een groot deel uit wonderbaarlijke voorspellingen (waarschuwingen die uitkomen) en voorbeelden van zijn matigheid, typisch hagiografische elementen.

[xxxii]       1925, Kronenburg. Vóór 1863 waren kerkslaven een normaal verschijnsel in Suriname, bij alle gezindten. Niet alleen in Paramaribo, ook op de missieposten, waaronder Batavia. Kronenburgs’ boek verscheen vlak voor de oprichting van het standbeeld. Combinatie van de hierin genoemde (zwarte) getuigen met het Emancipatieregister 1863 (zoekterm: Etablissement Batavia) levert nieuwe inzichten op. De meegenomen huisslaaf heette Andries Gerling. Hij zou in 1863 leproos zijn, doch woonde in de pastorie (er woonden toen maar liefst 21 Gerlings op Batavia). Keukenmeid Cornelia Pochum-Walle was reeds bij Donders’ voorganger (Grooff) in Paramaribo werkzaam. Ze noemde Donders onverschillig over wat zij kookte. Zij zou niet leproos zijn. De oude vrouw aan wie Donders in 1882 de traditionele rouwdans (Singi Neti) verbood heette Anna Wiebers. NB: Over de periode ná 1863 worden er alleen nog maar medepaters en broeders opgevoerd als getuigen.

[xxxiii]      De nog jonge, Nederlandse tak van de Congregatie der Redemptoristen kreeg in 1866 door de paus de missie in Suriname in de maag gesplitst. Van de vijf priesters die toen in Suriname waren keerden drie terug naar Nederland en twee sloten zich erbij aan, waaronder Donders. De orde had nog geen aansprekende heilige in haar gelederen (slechts de oprichter Alfonsus van Liguori) en dat was een nadeel in de recrutering van jongeren. De Nederlandse Redemptoristen zijn gevestigd in Wittem, Limburg. Archieven bevinden zich in Cuijk en Paramaribo.

[xxxiv]     Sommige van deze opiniemakers of ‘seculiere’ katholieken zijn persoonlijk afhankelijk van de bestaande constructies rondom “Peerke Donders” en vrezen een verandering van de perceptie. Sterker, samen met de ‘religieuze’ katholieken sturen zij actief aan op het vinden van een nieuw wonder, dat zou moeten plaatshebben in Suriname (of Brazilië). Ter voorbereiding hierop dient de bekendheid en devotie tot Petrus Donders in Suriname gestimuleerd te worden. Een van de manieren om dit te bewerkstelligen is het vervaardigen van video- en lesmateriaal voor de oud-kolonie. Overigens spelen in Suriname wat de beeldvorming betreft vergelijkbare zaken een rol als in Nederland, zoals nostalgie (bij ouderen) en economische belangen (toerisme, werkgelegenheid).

[xxxv]      Het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) is een kennis- en onderzoekscentrum met betrekking tot de (transatlantische) slavernij en de doorwerking daarvan in het heden.

[xxxvi]     De Tilburgse ondernemersvereniging Noorderbelang was nauw betrokken bij de totstandkoming van het beeld. Fabrikantenvrouwen speelden een niet onbelangrijke rol hierbij, geheel in lijn met de caritas-traditie. Noorderbelang is te zien als een voorloper van de huidige Kamer van Koophandel. In 1946, direct na de oorlog, stelde pater M. van Grinsven CssR een boekje samen over de geschiedenis van de totstandkoming van het standbeeld en stuurde dat naar alle relaties. Het is een samenvoeging van de toespraken en krantenberichten die het Comité van Oprichting eerder zelf geschreven had. De Tilburgse ondernemers hadden waarschijnlijk wel andere zaken aan hun hoofd dan twintig jaar terug te blikken. Evenwel sluit fabrikant Mannaerts, penningmeester van het Comité, in zijn bedankbriefje af met de woorden “Het is en blijft een waardig monument”.

[xxxvii]       2017, Fragment preek paus Franciscus n.a.v. feest Nuestra Senõra de Guadalupe, Mexico, 12-12-2017

[xxxviii]   2010, https://www.bd.nl/tilburg/kopie-beeld-peerke-donders-mogelijk-naar-kathedraal-paramibo~ab09b7e4/ Kopie beeld Peerke Donders mogelijk naar kathedraal Paramaribo, Brabants Dagblad, 15-11-2010

[xxxix]       2018, https://www.bd.nl/tilburg/bisschop-de-korte-vertaalt-roeping-peerke-donders-naar-het-heden~a522b741/  Bisschop de Korte vertaalt roeping Peerke Donders naar het heden, Brabants Dagblad, 14-01-2018   

[Dit is een rijk geïllustreerde versie van een bekroond essay dat eerder dit jaar verscheen in Heilzame verwerking slavernijverleden voor ‘wit’ en ‘zwart’, een bijdrage vanuit de kerken, red. Egbert Boeker, Rhoinde Doth, Andreas Woehle, Urwin Vyent, Stichting Lutherse Uitgeverij & Boekhandel (SLUB), Den Haag, juni 2020. Het stuk werd in september 2019 geschreven, de illustraties zijn later door de auteur toegevoegd.]

1 comment to “Peerke en het verdeelde verleden”

  • Met veel interesse heb ik je werk gelezen.
    Een prima verslag waarin je alle kanten van deze voor Tilburg ‘legendarische’ Peerke hebt neergezet.
    Mijn complimenten Herman.
    Frans.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter