blog | werkgroep caraïbische letteren

Bespreking van Op zoek naar Papa Koenders

door Jerry Egger

Julius Gustaaf Arnout Koenders (1 maart 1886-17 november 1957) heeft een belangrijke rol gespeeld in het culturele leven van Suriname na de Tweede Wereldoorlog. Vooral op taalgebied was hij een strijder voor het behoud van het Sranan dat hij zag als een cruciaal aspect van het hele wezen van de nazaten van de slaafgemaakten.

Hij had samen met anderen de organisatie Pohama (Potie Hanoe Makandra) opgericht waarmee hij regelmatig in Thalia culturele avonden organiseerde; vooral rond 1 juli om zo emancipatie te vieren. Deze organisatie was ook de uitgever van het blad Foetoe-boi. Toch was – en misschien wel is – zijn naam niet echt bekend bij grote delen van de bevolking. Een straat en ook een school zijn naar hem genoemd maar dat staat niet garant voor grotere bekendheid. Het is helaas nog geen gewoonte om kort aan te geven wie de persoon is op de straatnaamborden. Soms hebben scholen wel wat informatie over de naam maar ook dat is geen vanzelfsprekendheid.

Nu is er dan de publicatie Op zoek naar Papa Koenders. Over een strijder voor emancipatie in het koloniale Suriname, geschreven door Jules Rijssen, Roy Wijks en André Reeder. In het bijzijn van diverse prominente Surinamers uit verschillende sectoren en familie van Koenders zelf, is die op 12 september 2019 gepresenteerd in het Bijlmer Parktheater in Amsterdam, Nederland. De grote belangstelling is een indicatie dat het werk van Koenders nog steeds gewaardeerd wordt in delen van de Surinaamse gemeenschap. Hopelijk volgt er ook een presentatie in Suriname.    

De drie auteurs tijdens de presentatie, geïnterviewd door Ernestine Comvalius. Foto © Michiel van Kempen

Laat het direct gezegd worden; deze zoektocht naar Koenders heeft geen uitgebreide biografische gegevens opgeleverd. Het zijn de grote lijnen die de auteurs hebben geschetst. De vraag is of er niet meer graafwerk kon worden verricht om zo toch een scherper beeld te presenteren van deze belangwekkende Surinamer, die in verschillende opzichten zijn tijd ver vooruit was. Koenders was voor zover bekend zijn hele leven vrijgezel, had geen kinderen, werkte als onderwijzer op diverse scholen en droeg altijd een ‘kraakwit’ pak. Verder liet hij zich zelden of nooit fotograferen. Er is maar één foto van hem bekend; eentje waar hij voor een trap staat en die niet van hoge kwaliteit is. Van mei 1946 tot april 1956 publiceerde hij vele stukken in het maandblad Foetoe-boi. Soms schreef hij het zelf vol, maar er was ook ruimte voor anderen om een bijdrage te leveren. Zo werd het bekende gedicht ‘Bro’ van Trefossa voor het eerst in dit blad gepubliceerd. Na de dood van Koenders verscheen het blad niet meer.   

‘De geschiedenis, Excellentie, zal gericht houden over ons, U en mij.’ Koenders, Foetoe-boi, maart 1954

Dit boek heeft 9 hoofdstukken die niet alleen Koenders belichten, maar ook de invloed die hij heeft gehad door zijn activiteiten om het Sranan een waardige plaats te geven. Verder komen diverse prominente Surinamers aan het woord die aangeven welke invloed Koenders op hen en hun naaste omgeving heeft gehad.     

In het eerste hoofdstuk komen enkele auteurs aan het woord die over Koenders hebben geschreven. Zo wijst Hugo Pos op de rol die Koenders heeft gespeeld om de verguisde volkstaal Sranan een waardige plaats te geven, maar ook om zelfrespect en het gevoel van eigen waarde bij te brengen bij de sprekers van die taal. Eugène Gessel maakt de opmerking dat Koenders niet voor vol werd aangezien omdat hij ‘in het diploma gekke Suriname’ (blz. 17) geen hoofdakte had behaald. Waardevol is het feit dat in dit hoofdstuk het eerste nummer van Foetoe-boi (mei 1946) in zijn geheel is opgenomen. Op de laatste bladzijde van deze eerste editie staat er een ‘Boskopoe na din leesieman’ waarin wordt gezegd dat deze krant een probeersel is en dat er een tweede nummer komt als er voldoende belangstelling is en de verkoop loopt (blz. 22). Het heeft tien jaar bestaan. Dus de conclusie is dat het zonder meer bestaansrecht had. De meeste edities van dit maandblad hadden vier pagina’s. Naast actuele zaken nam hij ook gedichten op en vertaalde hij zelf poёzie om te bewijzen dat deze taal heel creatief kon worden gebruikt.

In de volgende hoofdstukken wordt ingegaan op diverse aspecten die niet altijd Koenders centraal stellen. Zo ligt de nadruk in het tweede hoofdstuk op diverse aspecten van het Sranan; de ontstaansgeschiedenis, het afwijzen vooral op school van deze taal die niet voor vol werd gezien en die er alleen maar toe leidde dat Nederlands niet goed werd gesproken. Diverse deskundigen komen aan het woord zoals Eddy van der Hilst die zelf werd geconfronteerd met het feit dat hij geen Sranan mocht spreken van de schooljuf en strafwerk kreeg als hij het toch deed.

In het derde hoofdstuk wordt een korte biografische schets gegeven van Koenders. Daar wordt duidelijk dat niet veel bekend is over het leven van Koenders. Vooral familieleden proberen meer te vertellen over deze man. Erg diepgravend is dat niet. Toch zijn er een aantal belangwekkende gegevens, waarbij opvalt dat Koenders bereid was om in een maatschappij doordrenkt van de koloniale geest, die zeker bij de midden- en hogere groepen helemaal gericht was op Nederland, op te komen voor cultuur en taal van de nazaten van slaafgemaakten die in de jaren dertig en veertig nog nauwelijks zichtbaar waren in de dagelijkse Surinaamse werkelijkheid. Vooral met Pohama, opgericht na zijn pensionering, heeft hij samen met anderen getracht deze volkscultuur zichtbaar te maken. Het gedicht dat Johanna Elsenhout schreef na de dood van Koenders is opgenomen in dit hoofdstuk.

De enig bekende foto van Papa Koenders

Het volgende hoofdstuk vertelt de ontstaansgeschiedenis van Foetoe-boi en geeft heel wat voorbeelden waaruit blijkt dat Koenders goed had nagedacht over de funeste gevolgen van het kolonialisme op nazaten van slaafgemaakten. Hij schreef over culturele ontwikkelingen. Koenders nam ook populair-wetenschappelijke artikelen op. In het boek zijn fragmenten opgenomen waar steeds de taal aan de orde komt. In een van de edities wordt uitgelegd dat Sranantongo geen Neger-Engels is. Hij zegt: ‘Wie tongo na Sranan nengre tongo, datie na tongo foe na moro biegie hiepie Sranan nengre.’(blz. 52) Odo’s kunnen niet ontbreken en die zijn er ook met vertaling en betekenis. Een veelzeggende discussie tussen Koenders en Albert Helman is opgenomen in dit hoofdstuk. Helman schrijft een gedicht in het Sranan opgedragen aan Koenders waarin hij pleit voor het vormen van een natie waarin alle groepen zijn opgenomen. Daarin maakt hij duidelijk dat de nadruk die Koenders legt op alleen de Afro-Surinamers te beperkt is. Zo zijn er meer stukken die aangeven dat dit maandblad een belangrijke rol heeft gespeeld in heel wat discussies in de tien jaar waarin het is verschenen.

Het is verleidelijk om met nog meer citaten te laten zien hoeveel onderwerpen, die van belang waren voor de ontwikkeling van Suriname na 1945, werden aangesneden. Koenders gaat in discussie met al die mensen die vinden dat er leesboekjes moeten komen voor Surinaamse kinderen en daarvoor ‘een grasgroene Hollander, Anne de Vries’ vragen. (blz. 84) Hij is niet bang om in discussie te gaan met Rudolf van Lier naar aanleiding van een radiopraatje van laatstgenoemde waarin wordt gesproken over culturele samenwerking. Koenders wijst erop dat er van samenwerking geen sprake kan zijn wanneer Afro-Surinamers alleen moeten accepteren en er geen ruimte is voor hun eigen culturele uitingen en gedachten.

De auteurs van het boek bespreken verder de invloed van Koenders op diverse bekende Surinamers en organisaties. Sophie Redmond, Trefossa, Eddy Bruma en Wie Eegie Sanie kunnen daarbij genoemd worden. Het boek zit vol met gedichten en teksten die laten zien hoe rijk het Sranan is. Koenders heeft een belangrijke bijdrage geleverd om deze rijkdom bloot te leggen.                            

Rijssen, Jules, Roy Wijks en André Reeder: Op zoek naar Papa Koenders. Over een strijder voor emancipatie in het koloniale Suriname (2019). Volendam: LM Publishers. ISBN 978 94 6022 360 0     

Mei 1946: Foetoe-boi

Wie tongo

Sranan wie de lobie joe foe troe,
Pe tongo de, die swietie lekie joe
Ma Wansie trawan de, toch joe wie wanie
Foe die joe na Sranan mie egie sanie

Johanna Elsenhout schrijft bij het overlijden van Koenders dit gedicht.

In memoriam Brada Koenders

Na wan kowru mamanten fu bigidreiten

Fosten yari baka sraf’ten

Wan fu den koni pikin fu eigi kondre

Tek’ koi’ri fu fanga winti loktu en ati

Na ondro den bigi amandra bon fu watrasei

Wan safri groskin mek’a tanapu

Fu si fa srananliba e sribi na baka sei

Wanwan  presi den fesi e dyonpo prei pabro

Sondro fu prakseri pe libi didon

Ten fu ten a e si kruyara

E buku watra nak’ pari pasa

Nanga nengre lek’ botoman

Go suku den sowtu fu pasa na dei

A soktu pur’ ebi na ati

Ma watr’ai no sribi na baka fu fadon gi doti

Nanga tap’mofo a prakseri wan ten sa doro

Den negre frustan sa opo

Ma no lasi skin fu iti ai na loktu

Pe mama bere pikin e sribi fu tru

A si fa den diffrenti worku nanga krinfesi

Den kenki speri fu drifi gwe p’kin pi’kin go kibri

Na baka sonfesi fu trowe dungru libi na baka

Onfruwakti wan Gadofowru frei pasa en yesi

A froiti lobi brada no sari nanga geme

Wandei te yu yeye sa s’don

A baka den worku di anga so hei

Sranan kondre sa prodo nanga en eigi tongo

Meki yu engelskin fiti bun

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter