blog | werkgroep caraïbische letteren

door Chris Polanen

Vlak voor mijn vertrek naar Suriname bezocht ik de eerste vergadering van de Stichting voor Surinaams naam- en familieonderzoek. Het enthousiasme van de aanwezige stamboomonderzoekers werkte aanstekelijk. Misschien moest ik het zelf ook eens proberen De voorzitter gaf mij de naam van een contactpersoon bij het CBB (de burgerlijke stand) in Paramaribo.’Dan gaat het in Suriname makkelijker,’ zei hij lachend. Ik begreep maar al te goed wat hij bedoelde.


Een paar dagen na mijn aankomst in Suriname bel ik het CBB. In de telefoongids staat bij de afdeling ’stamboom’ een apart telefoonnummer, maar ik besluit eerst de afdeling van mijn contactpersoon te bellen. Hij blijkt met vakantie te zijn en ik word doorverbonden naar de afdeling stamboom. Ik kom echter bij een verkeerde afdeling uit en word weer doorverbonden. Deze procedure herhaalt zich zeven keer. Uiteindelijk wordt de verbinding verbroken. Ik bel opnieuw en wil aan de telefoniste uitleggen wat er gebeurd is. Op het moment dat ik het woord ‘stamboom’ noem, verbreekt ze de verbinding en verbindt mij door. Weer verkeerd. Ik bel weer en spreek mijn onvrede uit over deze gang van zaken. De telefoniste reageert eerst geïrriteerd, maar haar stem verandert plotseling van toon. Bij gebrek aan een ingesproken bandje zegt ze zo neutraal mogelijk: ‘De afdeling stamboom is niet bereikbaar. Belt u later weer terug.’
Na een uur bel ik weer en word weer doorverbonden naar de meest uiteenlopende afdelingen. Iedereen reageert verbaasd als ik vraag naar de afdeling stamboom. Als ik vraag of die nog wel bestaat, wordt er gelachen: ’Natuurlijk, meneer!’

De afdeling stamboom begint in mijn gedachten vorm te krijgen. Een ruimte onder het CBB, donker en stoffig. Een grijsaard van minstens negentig, kromgegroeid door het zoeken in de archieven, strompelt er voort. Hij zou allang met pensioen moeten zijn, maar men is hem vergeten. Niemand daalt ooit nog af in deze gewelven en de telefoonaansluiting is al jaren geleden opgeheven. Uiteindelijk word ik doorverbonden met iemand die enthousiast reageert als ik vertel dat ik mijn stamboom wil onderzoeken. Hij werkt echter niet op het CBB, maar verricht er onderzoek. ‘Bellen is problematisch, komt u gewoon hier naar toe,’ zegt hij optimistisch. Ik besluit het erop te wagen.

Als ik bij het CBB aankom is het 11 uur en brandt de zon al ongenadig. De bezoekers die er in en uit lopen, kijken geen van allen echt vrolijk. Bezweet stap ik naar binnen. Achter het loket is de portier met een groepje mannen aan het kletsen. Hij kijkt verstoord als hij mij ziet staan. ‘Afdeling stamboom?’ vraag ik. ‘Stamboom?’ vraagt hij met een gezicht alsof hij nog nooit van zo’n boom heeft gehoord. ‘Stamboom,’ herhaal ik zo zelfverzekerd mogelijk. ‘Loop door,’ zegt hij en wijst naar een deur. Ik loop door een gang en kom uit in een grote ruimte. Er staan zeker tien grote bureaus, maar er zijn slechts twee vrouwelijke ambtenaren aanwezig. Een van hen is in gesprek met iemand, de ander kijkt mij van achter haar bureau vragend aan. Ik vraag of ik voor stamboomonderzoek bij haar moet zijn. Ze knikt en vraagt naar mijn familieboekje. Als ik zeg dat ik dat niet bij mij heb, verschijnt er een lachje op haar gezicht, dat bijna al mijn hoop wegneemt. Ik leg haar uit dat het mij niet om mijn ouders gaat, maar dat ik verder terug wil zoeken. ‘Wat wilt u eigenlijk?’ vraagt ze. Haar houding en gezichtsuitdrukking zijn typerend voor de Surinaamse ambtenaar, die op het punt staat een bezoeker, die de rust in het kantoor verstoort, naar huis te sturen. ‘Ik wil uitzoeken wie de ouders van mijn overgrootvader waren,’ zeg ik voorzichtig. Ik laat haar een boekje zien over mijn grootvader Johannes Polanen, hij was de eerste zwarte hoofdonderwijzer in Suriname. Hierin staat alles wat ik weet over mijn overgrootvader Christaan Polanen. De man die bekend stond om de uitspraak: ‘Wie is de mooiste neger van Suriname? Ik toch.’ Die elke woensdagmorgen op audiëntie ging bij gouverneur van Heemstra en dan zei: ‘Ik ga op bezoek bij mijn vriend.’ Die tot ieders verbazing besloot dat zijn zoon (mijn grootvader) zou studeren, een beslissing die bepalend zou blijken voor zijn nazaten.


Ze kijkt naar de foto van mijn grootvader op de kaft van het boek en weer naar mij. ‘Was dat uw grootvader?’ vraagt ze ongelovig. Ik zie een vonkje van interesse in haar ogen, maar besef ook dat in Surinaamse overheidskantoren weinig vonkjes de kans krijgen om te vlammen. Ik vertel dat ik op vakantie ben uit Nederland. Een onthulling, waarvan je nooit weet of die in je voor- of nadeel zal werken. Laat haar papieren zien met informatie over de pas opgerichte stichting. Dankzij Surinamekenner prof. Van Stipriaan, die ik ontmoette op de vergadering van de stichting, weet ik dat mijn voorouders slaven waren op de plantage de Resolutie in het Cotticagebied. Als ik dat zeg, loopt ze naar een kast in de hoek van de kamer. Ze haalt er een paar grote boeken uit, waarvan de omslag oud en beschadigd is, en legt ze op de tafel. Ze gaat zitten en slaat een van de boeken open. ‘Hier zou het in moeten staan’, zegt ze. Ik kijk over haar schouder mee. De inkt is nog heel duidelijk, alleen de randen van de bladzijden zijn afgebrokkeld. Met haar vinger gaat ze geduldig langs de sierlijk geschreven namen. Na enkele minuten begin ik te twijfelen aan de kans dat ik Christiaan in de boeken tegen zal komen. Bladzijden vol namen die met een P beginnen. Ze lijken op geen enkele wijze gerangschikt. De dame geeft het echter niet snel op. Plotseling stopt ze en zegt: ‘Daar is er een.’ Er staat alleen ‘Polanen’ en een nummer. Het blijkt de enige Polanen in het boek. Het nummer dat bij de naam hoort zoekt ze op in het boek waarin de slaven in 1863, tijdens de afschaffing van de slavernij, geregistreerd werden. Triomfantelijk legt ze het boek voor mij neer. Dan zie ik het. De hele familie Polanen in 1863. Mijn betovergrootvader was Johannes Verwonderd Polanen, zijn vrouw heette Anna Antje Ludger. Christiaan, mijn overgrootvader was pas 3 jaar. Ik voel zowel verbazing, trots als opwinding. Een deel van mijzelf heeft 140 jaar in dit boek op mij liggen wachten. Nu begrijp ik wat al die stamboomonderzoekers drijft.


De dame van het CBB ziet dat ik onder de indruk ben en glimlacht. Als ik wegga geef ik haar een hand en vraag haar naam. Als ik mijn naam noem trekt ze haar wenkbrauwen op en lacht. Toevallig is het bijna dezelfde naam als het driejarige jongetje, dat in 1863 onmogelijk kon beseffen wat de afschaffing van de slavernij voor hem zou betekenen.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter