blog | werkgroep caraïbische letteren

Onopvallend uitblinken

door Julien Ignacio

Toen ik als negentienjarige de Oudemanhuispoort binnenstapte voor mijn eerste college Europese studies was ik een bleue provinciaal. Blowen en zuipen. Op zaterdagavond achter de meiden aan in de discotheek van Veenendaal. Rondcrossen op een opgevoerde Yamaha. Dat was de shit.

Julien Ignacio. Foto © Shira Koopman

Uit vrije wil had ik nog nooit een boek gelezen. Waarom Europese studies? Het was de ideale springplank naar het diplomatenklasje in Den Haag. Deze horde genomen, wachtte me een gouden toekomst op Nederlandse ambassades wereldwijd. Zo zag ik mijn toekomst voor me. Vice-consul in verre oorden met een auto van de zaak. Maar al gauw ontdekte ik dat Europese studies weinig om het lijf had. Doordat je drie vakken volgde – in mijn geval Engels, economie en Europese geschiedenis – bleef de opgedane kennis oppervlakkig en fragmentarisch. De docenten van Europese studies zelf herinner ik me als academisch bekwaam, maar onder de maat als het aankwam op didactische vaardigheden. De colleges waren saai en langdradig. Dit sloeg over op de studenten. De meesten volgden plichtmatig hun lessen. Enthousiasme en bevlogenheid waren ver te zoeken. Desondanks studeerde ik hard. Mijn colleges bereidde ik altijd netjes voor. Ik leverde mijn papers op tijd in. Miste nooit een tentamen. Deze brave discipline was me door mijn Arubaanse vader met de paplepel ingegoten. Als Antilliaan, hield hij me voor, moet je drie keer zo hard werken als een blanke om iets te bereiken. Wees trots op je zelf, maar houd jezelf klein. Je valt al genoeg op. Onopvallend uitblinken. Dat was zijn opvoedkundig devies.

In 1992 nam ik in het P.C. Hoofthuis mijn eerste bul in ontvangst. Ik gunde mezelf een sabbatical. Ik spaarde geld en reisde een jaar alleen door Azië en Australië. In mijn rugzak, tussen de malariapillen en het muskietennet, een stapeltje boeken: het verzameld werk van Shakespeare en Salman Rushdie, Moby Dick en de Divina Commedia. In India, Thailand en de Filipijnen stond in ieder guesthouse wel een rotan boekenkastje waar reizigers hun uitgelezen boeken achterlieten. Had ik Melville of Dante uit, dan ruilde ik mijn boek in voor Dickens, Zola of Vikram Seth. Inmiddels had mijn leven een andere wending genomen: geen diplomatenklasje meer voor mij. Een huisgenoot in mijn Bijlmer studentenflat had een boek in de gemeenschappelijke woonkamer laten rondslingeren. Homeros stond er op de voorkant. Nooit van gehoord. Ik las de Ilias en de Odyssea en ik was verkocht. Een diepe liefde voor wereldliteratuur werd geboren.

Terug in Amsterdam stortte ik me vol overgave op mijn tweede studie, Literatuurwetenschap. In Manilla en Calcutta had ik me gerealiseerd hoe bevoorrecht ik was dat ik überhaupt de mogelijkheid had om te studeren. Ik ontmoette jongeren in straatarme wijken, sommigen vele malen intelligenter dan ik, die geen of zeer beperkt toegang hadden tot het onderwijssysteem. Het contrast met Europese studies kon nauwelijks groter zijn. Als literatuurstudent werd je in het Bungehuis door de voortreffelijke docenten voortdurend intellectueel uitgedaagd. John Neubauer, Helga Geyer, Doro Franck en Mieke Bal lieten me op grondige, inspirerende wijze kennis maken met de mondiale cultuurgeschiedenis, die reikte van J.M. Coetzee tot James Joyce, van Sophocles’ Oedipus Rex tot de Omeros van Derek Walcott. Ik volgde bijvakken bij Muziekwetenschap, Filosofie en Kunstgeschiedenis. Bij Mieke Bal en John Neubauer thuis voerden we met een klein groepje studenten bevlogen gesprekken over het gedachtegoed van Nietzsche en Foucault. Ik leerde dat liefde voor kennis, kunst en cultuur een gedeelde, vreugdevolle passie kan zijn. Dat een literaire of filosofische tekst een geestverruimend middel kan zijn dat je geest in vuur en vlam zet.

In 1997 studeerde ik summa cum laude af op Marcel Proust. Een aio-schap lag in de lijn der verwachting. Maar ik had mijn besluit al genomen. Ik wilde zelf schrijver worden. Ik kocht een nieuwe pen en een schrijfblok en begon. Om geld te verdienen, werkte ik in Café Cox, later achter de bar in Paradiso. Toen ik begon met schrijven las ik in Rilkes Brieven aan een jonge dichter de volgende vraag: ‘Onderzoek de reden die u dwingt te schrijven; ga na of die reden tot in het diepst van uw hart zijn wortels uitstrekt; …En vooral dit: vraag uzelf in het stilste uur van uw nacht af: moet ik schrijven?’ Ik stemde mijn leven af op deze noodzaak. 21 jaar later, na een serie korte verhalen, blogs en theaterstukken, een novelle en drie niet-gepubliceerde romans, kan mijn vader trots op me zijn. In mijn debuutroman blink ik onopvallend uit. Als een afwezige god verblijft de schrijver in zijn schepping. Zoals James Joyce het verwoordde: ‘invisible, refined out of existence, indifferent, pairing his fingernails’.

[Eerder verschenen in Spui, UvA alumni magazine, nr. 49/02/2018, p. 31.]

Julien Ignacio is een van de gasten op de 9de Caraïbische Letterendag, gewijd aan de jongste generatie Nederlands-Caraïbische schrijvers, in de OBA, op 9 november a.s.

on 26.09.2019 at 20:06
Tags: /

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter