blog | werkgroep caraïbische letteren

Helman Het eind van de kaart  

door Hilde Neus

Uitgeverij in de Knipscheer heeft van Helmans meest leesbare boeken herdrukt: Het eind van de kaart. In 1955 maakte de auteur een reis over de Marowijne. De eindbestemming was belangrijk, en die kon op de kaart worden aangewezen, maar de weg ernaartoe was minder voorspelbaar.

Albert Helman in het Surinaamse binnenland. Familie-archief Lichtveld

Onder leiding van de jonge ingenieur Bob vangt de reis aan met de grote motorboot, de Afobaka, tussen het sappig geboomte ‘… verzadigd van groen … en het zilverwit van de rivier in de zon.’ Helman benoemt vanaf het moment van vertrek zijn stadsgedachten als ‘prozaïsch’, en dan blijkt dat hij toch een bepaalde afstand heeft tot het bos – ook al is hij Surinamer (en Indiaan). Maar met de nodige zelfreflectie ontlokt het ook uitspraken als: je bent de 50 al gepasseerd, je bent geen ‘he-man’ of krachtpatser. Dit zegt zijn vrouw, en vrouwen mogen niet mee omdat alle ruimte nodig is voor de bagage en de bemanning. Zoiets als vroeger vrouwen op een schip: ze mochten eens ongeluk brengen.

Er is een duidelijke scheiding tussen de arbeiders en de intellectuelen. Dat is merkbaar aan de activiteiten (zoals het gezellig samenzijn met de vrouwen op Drietabbetje) tot het apart eten, niet alleen de keuze van de spijzen maar ook de locatie waar gegeten werd. Dat wil niet zeggen dat zijn gelijken veel aandacht genieten: Bob de geoloog is een goede kameraad en uitstekend expeditieleider, maar Helman wil zijn karakter verder niet analyseren. En topograaf D. noemt hij non-descript en niet bij de troep horende omdat hij achterblijft. Dat geldt niet voor de Marrons en Indianen, die hij uitgebreid beschrijft; hun uiterlijkheden en competenties.

Michiel van Kempen

In het nawoord tekent Michiel van Kempen, Helman-kenner en biograaf, een beeld van een pionier, die meeging op de tocht waarop vele aspecten van het binnenland van Suriname nog onbekend waren, behalve voor de binnenlandbewoners zelf. Van Kempen geeft aan dat Helman zich op diverse plaatsen in het boek afzet tegen zijn eigen cynisme en zijn rol als verwesterde intellectueel. Voor mij slaagt Helman daar maar matig in. Soms ergeren zijn beschrijvingen mij als moderne lezer, en dat is omdat Helman die bekijkt vanuit het perspectief van de intellectueel. De mensen van het bos behoren niet tot ‘de ware kring van illuminatie’, waar Helman bijvoorbeeld een Van Blommenstein wel onder schaart. Veel gedragingen lijken hem vreemd, terwijl ze typisch Surinaams zijn. Dit maakt dat Helman toch steeds ergens boven Suriname, het Surinaamse en de Surinamer zweeft, met een zeker dédain, een bepaalde hooghartige afstand. Dat is ook te merken aan de manier waarop hij zich zelf wil plaatsen in dit landschap, in dit oerland. De afstand zie je bijvoorbeeld in de beschrijving van het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet levende zaken; ‘… een animistische verhouding die deze halve natuurmensen hebben tot het landschap en tot de dingen.’ Hij beschrijft ze, omdat deze manier van uiten niet tot de Europese cultuur behoort. Maar dit bekoort mij als lezer wel, omdat ik bemerk dat het mij zelf niet meer opvalt. Ik ben eraan gewoon geraakt en ik uit mij zelf ook zo. Op andere momenten is Helman heel dichtbij: ‘Er valt een rijpe mopévrucht in het zwarte water van een schuurgat op de steen. Ik vis hem eruit op en eet hem op, zoals vaker onderweg, omdat ik – zo leert het Surinaamse volksgeloof – dan stellig nog eens op deze onvolprezen plek terugkeer.’ Dat ontroert Helman zelfs. 

Helman was net in een fase van zijn leven waarin hij ruimte had voor de reis, hij was minister af, ambteloos burger en had alle tijd voor wat avontuur. Het doel van de geologische expeditie was om het waterverval van de rivieren in het verre zuidoosten te meten, om zo vast te kunnen stellen of die van invloed zou zijn op de totstandkoming van het Van Blommensteinmeer, waar de waterkrachtcentrale van Afobakka in zou worden gebouwd, het grote hydro-elektrisch werk in Centraal Suriname. Bij terugkomst in Paramaribo (na een maand in het bos) heeft hij ‘zijn meest verfomfaaide en verregende manuscript geheel overgeschreven – gelukkig maar, zegt hij, want anders was hij er niet meer toe gekomen. ‘De reis stopt nooit, er zijn altijd andere (levens)bestemmingen.’ En dat is Helman. Behalve dat hij veel gereisd heeft, woonde hij ook in diverse landen.

Het leven is ook een reis, en in tegenstelling tot de kaart, en dat eindigt wel – en heel toepasselijk in Helmans boek –  met: ‘Laat mij zo maar ouder worden en de onvermijdelijke langzame aftakeling ondergaan, terwijl ik tot het einde van mijn kaart zal blijven reizen, en dan nog een eind er over heen, – totdat het onbekende ook bekend wordt, en weer een andere onbekendheid mij blijft lokken, aan de andere zijde van de grens die, -tijdelijk immer s- mij getrokken wordt. De Djai-kreek roept van ver… Of is het voortaan de Styx?’

Hier maakt Helman duidelijk dat het leven ook een reis is, en dat hij steeds de uitdagingen opzocht. In de inleiding bij de uitgave van 1979 geeft hij aan dat de uitgever het verzoek deed om er voor de duidelijkheid ook een kaart van Oost-Suriname bij te voegen: ‘Derhalve verschijnt het boek nu toch met een kaart, een samenspel van lijntjes die heel wat makkelijker te trekken zijn dan in werkelijkheid te bereizen. Ook vandaag nog.’

En geldt dat ook niet voor het leven? We kunnen proberen vooruit te zien, maar er blijven altijd onbestemde belemmeringen.

Albert Helman: Het eind van de kaart. Journaal van een kleine ontdekkingstocht in twee binnenlanden anno 1955. Haarlem: in de Knipcheer. 2019, heruitgave van het in 1979 verschenen verslag van de in 1955 gemaakte reis.  

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter