blog | werkgroep caraïbische letteren

door Mineke de Vries

Het is niet meer van deze tijd om burgers categorale hulp te bieden vanwege het feit dat zij van Antilliaanse en Arubaanse afkomst zijn. Nederland is gestopt met zorg op basis van herkomst: mensen moeten zelf hun weg zoeken binnen het reguliere aanbod. Eigen verantwoordelijkheid van Antillianen en Arubanen is een vereiste, maar ook culturele sensitiviteit van hulpverleners voor deze groep met haar eigen cultuur, taal, gebruiken en specifieke migratiegeschiedenis. Jurenne Hooi is één van de mensen die zich verdiepte in de omslag van zorg en daarmee in de omslag van denken, die uiteindelijk moet resulteren in een gelijkwaardiger samenleving.

Jurenne Hooi

Jurenne Hooi

“Op deze manier leggen we de bouwstenen voor een nieuwe samenleving, de civil society. Dat houdt in dat burgers zich meer gaan bekommeren om elkaar, dat ze zich ervan bewust zijn dat ze de zorg voor elkaar en de omgeving op zich moeten nemen. Voor mij betekent een burgermaatschappij dat burgers hun kracht en inzicht voor de samenleving inzetten, zonder tussenkomst van de overheid.” Volgens Jurenne Hooi, directeur van MaDi, stichting voor maatschappelijke dienstverlening in Amsterdam Zuid Oost en Diemen moeten we het terugtrekken van de steun van de overheid sinds 2013 daarom zien als kans.

Migratiestromen
De afgelopen decennia kwamen tienduizenden Antillianen en Arubanen naar Nederland, van wie de meesten in de beginjaren zonder veel problemen integreerden. In de jaren tachtig – na sluiting van de Shellraffinaderij op Curaçao – en negentig trokken vooral ongeschoolde en laaggeschoolde Antillianen en Arubanen naar Nederland. Zij woonden samen in een beperkt aantal gemeenten, waar in de loop van de jaren negentig problemen ontstonden: sociaal-economische achterstanden, instabiele gezinnen, overlast, criminaliteit. Om deze problemen het hoofd te bieden kregen deze 22 zogenaamde Antillianengemeenten sinds 1994 een rijksbijdrage om lokaal projecten te realiseren voor risicojongeren van Antilliaanse en Arubaanse komaf. Maar vanaf 2013 stopt deze rijksbijdrage voor het Antillianenbeleid. Het integratiebeleid krijgt een andere invulling: in plaats van etnisch minderhedenbeleid wordt gekozen voor generiek beleid om achterstanden weg te werken. Dat betekent: de focus verandert van specifieke aanpak van Antilliaanse risicogroepen naar eigen verantwoordelijkheid om hulp te zoeken in het aanbod van reguliere instellingen. Elke burger – ongeacht etniciteit – moet op eigen kracht zelfstandig een bestaan opbouwen. De gedachtegang hierachter is dat nooit een causale relatie is aangetoond tussen etniciteit en sociale achterstanden. Bovendien stelde de nota van het kabinet ‘Integratie, binding, burgerschap’ in 2011 al dat het in een betrokken samenleving gaat om wat bindt, niet wat scheidt. Niet afkomst, maar toekomst telt.

 

Omslag realiseren
Jurenne Hooi was de drijvende kracht achter de denktank die werd opgericht om deze omslag te realiseren. Ook de Curaçaose gemeenschap in Nederland was actief betrokken bij het werken aan een realiseerbaar advies aan de 22 Antillianengemeenten. Hooi: “We stelden een model op waarbij zorgvragers van Antilliaanse en Arubaanse herkomst met steun van familie en naaste omgeving de verantwoordelijkheid gingen oppakken om uit te zoeken welk hulpaanbod er was en hoe die hulp in te roepen.” Het advies werd een drievoudig pleidooi: de Antilliaanse en Arubaanse gemeenschap diende bij te dragen aan de burgergemeenschap, instellingen moesten zorg op maat bieden aan de burger (niet ‘de’ Antilliaan), overheden dienden dit te regisseren. Dit wordt bedoeld met de ‘kanteling’ in zorg: vertrekpunt is de leefwereld van de burger met zijn sociale netwerken, instellingen sluiten daarop aan. Daarbij heeft Hooi wel een paar indringende oproepen: “We vragen de Antillianengemeenten in Nederland die overzeese samenwerkingsverbanden hebben een einde te maken aan de versnippering van goedbedoelde inzet: maak gezamenlijk één plan met de focus op een beperkt aantal terreinen, bijvoorbeeld onderwijs. Daarbij is het voor de eigen verantwoordelijkheid van Antillianen en Arubanen noodzakelijk om uit een vermeende slachtofferrol te stappen.”

 

Jurenne Hooi Maxima

Jurenne Hooi, koningin Máxima en een “stille” die toekijkt met toegeknepen billen, omdat hij bang is dat het dienblad op zijn kanis zal vallen en zijn oortje zal meesleuren

Arbeidsethos
Jurenne Hooi loopt, druk pratend met de telefoon aan haar oor, gebarend naar iedereen, met korte pasjes door de gangen van MaDi, de instelling waarvan ze sinds 2005 directeur is. Met haar niet aflatende inzet bereikt ze veel, maar ze kwam een aantal jaren geleden ook in opspraak vanwege misstanden bij schuldhulpverlening: fraudezaken, gebrek aan controle en slecht functioneren. Hooi vocht terug, er kwam rectificatie en ze pakte de draad onverminderd op om lijn in haar organisatie te brengen.
Als dochter van een moeder van Sta Rosa en vader van Banda’bou kreeg Hooi een calvinistische strenge opvoeding. Vader – en later haar zus – had een zaak in luxe huishoudelijke spullen, La Belle interieur in Jongbloed. Ze werd gevormd door het arbeidsethos van vader, de ijzeren wil van moeder en de integriteit van beiden. “Ondanks dat het streng was, voelde ik me veilig, er waren weinig zorgen, er was nooit sprake van geweld. Mij werd geleerd dat als je met respect met jezelf omgaat, een ander ook respect heeft voor jou.” Dat zij zo vecht tegen onder andere de schuldenproblematiek van Antillianen stamt wellicht ook uit haar opvoeding: “De nadruk lag op sparen, in elk geval geen geld uitgeven wat je niet hebt.” Ook wat betreft relaties hadden haar ouders een eenduidige visie: “Als het in plaats van optellen en vermenigvuldigen uitloopt op aftrekken en delen, moet je stoppen: één en één kan nooit minder dan twee zijn.”

Peter Stuyvesant College Curacao

Peter Stuyvesant College, Emmastad, Curaçao

Na de Jeanne d’Arc lagere school in Sta Maria en het Peter Stuyvesant College trok Jurenne Hooi naar Maastricht om gezondheidswetenschappen te studeren. Na een stage bij de GGD op Curaçao – met de bedoeling er te blijven – keerde ze toch terug naar Nederland waar ze op haar 33e promoveerde in hart- en vaatziekten. Via de GGD in Haarlem en vervolgens in Amsterdam, maakte ze in 2005 de overstap naar de psychosociale zorg van MaDi. “Naast maatschappelijk werk bieden we sociaal raadsliedenwerk en schuldhulpverlening en richten ons op de gebieden geld en werk, huwelijk en relatie, ruzie en geweld, verlies en rouw, huisvesting, ouderenwerk en preventie. Deze sociale zorg is onlosmakelijk verbonden met gezondheidszorg, het zijn de keerzijden van een munt.” Overigens werkt MaDi nauw samen met Profor, een instelling die zich tevens richt op maatschappelijke dienstverlening (zie het artikel in de Amigoe van 15 maart 2014).

6231_514992725185173_1253303087_n

Oneigen procedures
“Het merendeel van onze hulpvragers zijn Surinamers en Afrikanen, vooral Ghanezen en sinds ons project drie jaar geleden ook veel Antilllianen. Een derde is autochtoon Nederlands. Onze hulpverleners zijn zeer divers qua nationaliteit: Marokkaans, Turks, Arubaans, Curaçaos, Spaans, Pakistaans, Afghaans, Surinaams, zij begrijpen vaak de hulpvraag beter. De culturele sensitiviteit, de effecten van opgroeien in de Cariben, specifieke communicatiecodes zijn noodzakelijk voor het goed begeleiden van Antillianen. Ik werk graag met Surinaamse/Antilliaanse hulpverleners, die pakken problemen op vanuit hun creativiteit, kunnen als geen ander out of the box denken.” Het grootste probleem is volgens Hooi de familie-systeemproblematiek. “Al zijn we zes generaties verder, het lost niet snel op, gaat generatie op generatie verder. Het zit hem hierin: mensen van andere culturen dan de Nederlandse hebben niet direct tools om deze maatschappij te begrijpen. Zwarte mensen hebben veelal een orale traditie, die van Nederland is op papier.” Je moet naast het systeem van communicatie dus ook de taal goed beheersen én de discipline bezitten alles te lezen en te begrijpen. “Ondanks dat zwarte mensen juist door hun slavernijverleden hun creatieve kant hebben ontwikkeld – omdat ze niet mochten schrijven en lezen overleefden ze door creativiteit – geloof ik er niet in dat ze met deze verworvenheden ooit de Nederlandse procedures, processen, structuren onder de knie krijgen. Zij bereiken hun doel op zo’n andere manier. Ik maakte het mee met carnaval: de praalwagens waren in de verste verte niet klaar, maar als om tien uur wordt begonnen is alles gereed, zonder enig plan van aanpak. Het gebeurt gewoon, het is niet in plannen vast te leggen. Men weet het resultaat.” Deze creativiteit is onmogelijk in Nederlandse protocollen vast te leggen.

 

zomercarnaval rotterdam 151 (3)

Zomercarnaval Rotterdam. Foto © Libèrta Rosario

Nederlandse planmatigheid
Hooi voert deze Nederlandse planmatigheid terug op het overleven van het land: de eeuwige strijd tegen het water, daarvoor moet je plannen maken, de vier jaargetijden die je dwingen vooruit te kijken, oogsten om ook voor de winter voldoende te hebben. “Het zit in dit volk zo te denken en te organiseren vanuit overleven. Beide volken hebben een geheel andere manier van overleven aangeleerd, maar hoe breng je die samen? Als we een gelijke basis voor de twee denkwijzen vinden, kunnen we een revolutie in denken en handelen ontketenen.”
De Antillianenproblematiek in Nederland baart Hooi grote zorgen. “Ons dagelijks werk in Zuid Oost is het oplossen van schulden, huisvesting, taal en juridische kwesties.” Eén van de dingen die moet veranderen is de kijk op Nederland vanuit de eilanden. “Stap uit die droom dat Nederland het paradijs is. Als je hier je huur niet kan betalen, sta je op straat. Op Curaçao vind je altijd wel een bord eten, hier niet. Voordat je naar Nederland komt, bereid je voor. Je tante kan zeggen dat je bij haar kunt wonen, maar wat als haar uitkering stopt en ze jou op straat zet. Je hebt niet meteen een baan, huisvesting. Ik kan niet vaak genoeg zeggen: het is zo anders dan waar je vandaan komt. De regering wil ik aanraden: open een loket voor mensen die naar Nederland willen en geef ze informatie.”

Grote zorgen maakt Hooi zich ook om het eiland Curaçao. “Ik zie het achteruitgaan, alle verhalen over seksueel misbruik, het feit dat er kinderen zijn die geen eten hebben, die zich prostitueren om aan eten te komen. Met name de afgelopen jaren verdwijnt langzaam het gemeenschappelijk gevoel. In de materialistische samenleving waar de grote auto en het goud tellen en waar de rapcultuur – waarin vrouwen worden gezien als hoeren – wordt geromantiseerd, zijn de rolmodellen ver te zoeken. We moeten mensen weer een droom geven, de gemeenschapszin teruggeven. Maar we moeten elkaar helpen, het samen doen. Het is net zoals met een leger: vecht je in je eentje, win je nooit een oorlog, met een heel leger zijn je overlevingskansen een stuk groter.”

Daarmee is direct weer de brug geslagen naar de nieuw te vormen burgermaatschappij, waarbij categoraal denken moet stoppen. Er zij inmiddels mooie voorbeelden van. De Stichting Welzijnsbevordering Antillianen en Arubanen (SWA) maakte in 2012 een doorstart als instelling voor interculturele zorg en welzijn (IcZW) en ‘kantelde’ daarmee als zodanig de zorg. Een ander voorbeeld betreft Amsterdam; toen de stad constateerde dat de verbetering van de positie van de Caribische Amsterdammers niet snel genoeg ging, werden concrete projecten samengebracht onder één Programma Caribische Amsterdammers, PCA, waarbij een integraal team, dat feeling heeft met de doelgroep, samenwerkt maar waar de verantwoordelijkheid bij de zorgvrager ligt. Hooi: “Eigenlijk is de boodschap: U bepaalt zelf hoe snel u uit de problemen bent: gaat u zitten, zitten we mee, gaat u slapen, slapen we mee, gaat u rennen, rennen we mee.”
Kortom, de zelfstandige burger centraal, die ongeacht zijn afkomst zijn weg weet te vinden in de Nederlandse samenleving en indien nodig in de Nederlandse hulpverlening.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter