blog | werkgroep caraïbische letteren

Marcel Pinas, Kiibi wi Koni en de nostalgie

door Carry-Ann Tjong-Ayong

Ik zit in de grote hal van de Kamer van Koophandel in mijn rolstoel onder 10.000 lepels, die zijn opgehangen aan dunne nylon draadjes. Dat is weer het voordeel van de lage zit. Ieder ander moet om het kunstwerk heen lopen, ik rol er onder door.

Even flitst het door me heen: “Stel je voor dat die draadjes loslaten en het opeens lepels over me heen regent…” Het is geen angstgevoel, eerder een heerlijke sensatie van spanning, als bij een avonturenfilm, waar in ik de hoofdrol zou willen spelen, Indiana Tjong en de Ten Thousand Spoons.

Ik ben dol op dat soort films en leerde onze kinderen al vroeg er van te genieten in de tijd van de videotheek, toen we in het weekend bij 4 uitgezochte banden en grote zakken snoep en chips de halve dag in pyjama op de grond zaten te smullen van 1 spannende (Indiana Jones), 1 griezelige (Stephen King), 1 humoristische(Charley Chaplin of Cool Runnings) en 1 serieuze of leerzame film (Microcosmos). Wat collega’s ook zeggen over de nadelen van films en TV voor jonge kinderen, wij kregen er niet genoeg van en zaten te genieten. Zij zijn nu volwassen en hebben het er nog over.

Terug bij Marcel Pinas, waar ik de katapult van mijn broers in duizendvoud opgehangen zie. Ik leende die altijd, tot ik er zelf een had gemaakt van een stevige kraka, een gevorkte tak en een stuk fietsbinnenband. We schoten in de tuin op van alles en nog wat en raakten soms ongewild iets kwetsbaars. Niet vogeltjes, zoals de jongens in de Andes, die met ons de berg op liepen naar hun piepklein dorpje, waar ook Isabel is geboren.

De tientallen opgehangen matapi, de kunstig gevlochten rollen, die je met een stok ronddraait om de bittere cassave te ontdoen van blauwzuur. Ik heb er altijd al 1 willen hebben, dol als ik ben op de Inheemse en Marron gebruiksvoorwerpen. Pinas heeft ze overal uitgestald in veelvoud. De kokolampu, waar ik zelf drie van heb in mijn vensterbank. De emaillen borden, al dan niet met bloemetjes versierd. De besneden kalebassen, de houten wasborden, mijn favorieten.

Deze expositie roept zoveel nostalgie op, zoveel herkenning, ontroert door de schoonheid van het gewone, het alledaagse, dat door de vermenigvuldiging ervan de nadruk op de details legt. ik kan er niet genoeg van krijgen.

Ik sta stil bij het schoolklasje met de houten banken, met open vakken voor de boeken, het ronde gaatje in het midden, voor de porseleinen inktpot. Ik voel nog de kroontjespen, die je er in doopte, afveegde aan je inktlap, gemaakt van vierkantjes stof, op elkaar genaaid met een knoop. Op de laatste schooldag moesten wij een glasscherf meenemen om de inktvlekken van de bankjes te krabben. Jaren vijftig….


Pinas heeft Afaka tekens op de bankjes geschilderd, het syllabische schrift van de Ndyuka, de Marrons van de Marowijne. De openingshandeling werd verricht door zijn drie zoontjes, die iets in Afaka schreven. Het intrigeert mij altijd, als ik een taal tegenkom, die ik niet beheers. Ik wil het dan ook beheersen.

Het begin van de eerste brief in het Afaka luidt:

ke mi gadu | mi masa | mi bigi na ini a ulotu |
fu a papila di yu be gi afaka |

Mijn God, mijn Heer, ik begin met de worden op het papier dat Jij Afaka gaf.

En zo kun je door de twee enorme hallen rijden en de kunst van onze voorouders tot je laten doordringen. De expositie van Pinas is creatief, educatief, nostalgisch, briljant. Als mijn kids met vakantie komen is die naar Moengo verhuisd, maar we gaan er absoluut heen. Ook dit wil ik op hen overbrengen.

cat 24/6

Foto’s van de auteur

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter