blog | werkgroep caraïbische letteren

door Shantie Ramlal-Jagmohansingh

Het boek Mama Tandoori van de Rotterdamse schrijver Ernest van der Kwast was voor mij -een jonge vrouw van Hindoestaanse afkomst – op veel punten erg herkenbaar. Tijdens het lezen kon ik ook niet anders dan nagaan hoe de Mama Tandoori uit de roman zich verhoudt tot de Mama Chutney’s in mijn omgeving…
Tijdens mijn studie aan de Erasmus Universiteit las ik geregeld de columns van Ernest van der Kwast in het Erasmus Magazine. Ik had er toen geen idee van dat de schrijver van deze stukken iets met mij gemeen had, namelijk de binding met India. Dat was ook niet zo vreemd. De naam Ernest van der Kwast roept in eerste instantie alleen associaties op met oer-Hollandse taferelen als molens, koeien en polders. Ten tweede is zijn uiterlijk zodanig – donkere haren en ogen en een lichte huidskleur, dat je deze niet meteen thuis kan brengen. Pas tijdens een aflevering van De Wereld Draait Door in april 2010, ontdekte ik dat Ernest van der Kwast half Indiaas is. Dat kwam overigens niet eens zozeer door zijn aanwezigheid in de show. In mijn ogen leek hij toen nog steeds niet erg Indiaas. Toen hij de naam van één van ’s werelds bekendste filmsterren, Amitabh Bachchan uit Bollywood, uitsprak, deed hij dat op een verhollandste manier. Ik ken geen enkele Hindoestaan of Indiër die zich hier verder aan schuldig maakt.
Maar de vrouw die naast de schrijver zat nam alle twijfel weg. Gehuld in een donkerblauwe sari met opvallende gouden sieraden, een bindi op haar voorhoofd, halflang donker haar en bruine ogen was dat onmiskenbaar een Indiase vrouw. Een vrouw die qua uiterlijk zo zou kunnen rondlopen in mijn familie. Het was niet zomaar een Indiase vrouw. Het was Veena Van der Kwast-Ahluwalia, de hoofdpersoon uit het boek Mama Tandoori.

De achtergrond van de schrijver van het boek – half Nederlands, half Indiaas en één migrantenouder – is niet helemaal hetzelfde als die van mij. Ik ben Hindoestaans-Nederlands en mijn beide ouders zijn migranten afkomstig uit Suriname. Concreet betekent dit dat er bij ons thuis minder tandoori kip uit een ‘niet-bestaande kleioven’ werd bereid zoals door Veena in het boek, maar des te meer kip in massala, geserveerd met roti en aardappel met kousenband, gegarneerd met een theelepel chutney om de maaltijd extra spicy te maken. Maar naast deze verschillen zijn er genoeg overeenkomsten die ervoor zorgden dat ik het boek met veel interesse en plezier las. Ik vroeg me meteen af in hoeverre de Mama Tandoori uit het boek overeenkwam met de ‘Mama Chutney’s’ in mijn omgeving.

Gratis is goed
In het boek vertelt de in Rotterdam opgegroeide, maar in Bombay geboren Ernest van der Kwast een geromantiseerd verhaal over zijn familie. Het begint met zijn Indiase moeder die als jonge vrouw naar Nederland komt met twee koffers vol kostbare sieraden. Wanneer zij zich de ‘hoekige Nederlandse taal’ eigen probeert te maken in de bibliotheek van de Erasmus Universiteit, valt de Hollandse Theo Van der Kwast als een blok voor de Indiase schone en vraagt haar kort daarop ten huwelijk. Ze trouwen, vestigen zich in Rotterdam Kralingen en krijgen drie zonen, waarvan Ernest de jongste is. Het boek is dus kortom een weergave van zijn belevenissen in het Nederlands-Indiase huishouden. Hierbij komen ook verhalen van andere familieleden uit India en Canada aan bod. De rode draad in het geheel is zijn moeder, de opmerkelijke Veena Ahluwalia. Ze leeft onder het motto ‘gratis is goed’, wordt onweerstaanbaar aangetrokken door de meest buitenissige aanbiedingen en probeert bij iedere transactie genadeloos af te dingen, waarbij ze menig verkoper tot waanzin drijft (maar uiteindelijk toch vaak haar zin krijgt).

Show off
Het boek bevat veel humor. Van der Kwast krijgt het voor elkaar om de lezer diverse keren hardop in lachen uit te doen barsten. Zo schrijft hij bijvoorbeeld over de talloze prijzen en bekers die hij won met atletiekwedstrijden in zijn jeugd. Na afloop vond zijn moeder het belangrijk deze prijzen aan zoveel mogelijk mensen te tonen. ‘Ik herinner me de vele lange autoritten naar huis na een wedstrijd ergens in Nederland. Eenmaal in Rotterdam schudde mijn moeder iedereen wakker en moesten we klaar gaan zitten. In de houding. Als ons huis in zicht kwam, riep ze: “Nu!” Mijn vader ramde op de toeter en moest de Jericholaan, en later ook de Tiberiaslaan, een aantal maal op en neer rijden. Net zo lang totdat alle buren ons hadden gezien: mijn vader die in zijn stuur kneep, mijn broers die lachten, mijn moeder die zwaaide alsof ze de koningin was, en ik die mijn medaille of beker uit het raam moest steken.’

Erekwestie
Over dit voorval schrijft Van der Kwast: ‘Show off, een typisch Indiaas gebruik.’ Een gebruik dat ook mijn eigen ouders niet geheel vreemd was, maar waar ik in tegenstelling tot Van der Kwast wel een heldere verklaring voor heb. Toen na de middelbare school duidelijk werd dat ik naar de universiteit zou gaan en de studietijd ook zou combineren met een danscarrière, reageerden de voornamelijk autochtone collega’s van mijn vader lichtelijk ongelovig. Vooral de leidinggevende van mijn vader kon zijn verbazing niet verbergen, vooral omdat zijn zoon recentelijk was gestopt met een universitaire studie. Om de zoveel tijd kwam hij naar mijn vader toe om te vragen of ik het wel aan kon, of ik de stof wel snapte, of ik het niet te zwaar vond. Het halen van mijn tentamens en het succesvol afronden van de studie werd op deze manier een erekwestie voor mijn vader. Na ieder goed afgerond studiejaar, stapte hij met zijn borst vooruit naar zijn leidinggevende om eens flink uit te wijden over de geweldige prestaties van zijn dochter.

In Mama Tandoori ziet Veena het liefst dat haar drie zonen in de toekomst beroepen met status zullen uitoefenen, zoals arts, econoom of advocaat. Dat pakt in de werkelijkheid echter heel anders uit. Haar oudste zoon is verstandelijk gehandicapt wat betekent dat hij op veel gebieden voor de rest van zijn leven een kind zal blijven. Haar tweede zoon Johan is weliswaar getrouwd met een beeldschone vrouw, maar zij blijkt moslim te zijn. Een onvergeeflijke zonde in Veena’s ogen want dat doet haar te veel denken aan de verschrikkingen die ze heeft meegemaakt in haar thuisland: ‘De moslims hebben ons verjaagd uit ons huis. Ze hebben al onze bezittingen geroofd. Meisjes moesten hun haren afknippen en jongenskleren aantrekken omdat ze anders zouden worden verkracht. We hadden geen eten, geen dak!’ En als klap op de vuurpijl stopt Ernest met zijn studie omdat hij schrijver wil worden.

Economische zekerheid
Ook bij Hindoestanen in Nederland is het nog steeds zo dat bovengenoemde beroepen met stip op nummer 1 staan. Een beroep als arts, econoom of advocaat betekent immers economische zekerheid. De behoefte aan financiële zekerheid hangt samen met de Hindoestaanse migratiegeschiedenis. De geschiedenis van mijn voorouders, verschilt met die van Veena, hoewel ze allebei zijn begonnen in India. Maar de gemeenschappelijke rode draad is dat beide partijen weten wat het is om in armoede te moeten leven.
Aan het begin van de twintigste eeuw, toen India nog gekoloniseerd werd door de Britten, migreerden de Hindoestanen vanuit Noord-India naar Suriname als contractarbeider, waar zij onder erbarmelijke toestanden moesten werken onder het koloniale juk op de Nederlandse plantages. Na de afschaffing van de contracttijd in 1916 besloot een deel, waaronder mijn voorouders, zich blijvend te vestigen in Suriname. Dat betekent dat zij in staat zijn geweest vanuit nietsweer een heel bestaan op te bouwen. De economische situatie van de Hindoestanen is door de jaren heen steeds meer veranderd. Eigenlijk kun je stellen dat de eerste contractarbeiders, de zaden hebben geplant, waarvan de volgende generaties de vruchten hebben kunnen plukken.

Aan de volgende generaties werd steeds doorgegeven dat je door hard werken steeds hogerop kan komen. Hoe hoger, hoe rijker, hoe minder onzekerheid van bestaan. Met deze geschiedenis in het achterhoofd, is het dus niet vreemd dat beroepen als arts, advocaat en econoom nog steeds wenselijk worden geacht onder Hindoestanen. Toch is een nieuwe ontwikkeling gaande, nu de financiële zekerheid steeds vanzelfsprekender wordt. Er wordt in vergelijking met een decennium geleden steeds positiever gekeken naar beroepen als profvoetballer, artiest, schilder of auteur. Maar helaas voor Van der Kwast vindt zijn moeder het nog steeds een enorme domper dat haar veelbelovende zoon die econoom had kunnen worden, zijn studie aan de wilgen heeft gehangen, om fulltime schrijver te worden.

Geschenk van God
Zoals eerder gezegd, is Mama Tandoori bijzonder humoristisch. Maar de humor in het boek heeft een tragische ondertoon, wat vooral duidelijk wordt in de verhalen over Ashirwad, de oudste zoon in huize Van der Kwast. In de Hindoestaanse en Indiase cultuur heeft de oudste zoon een belangrijke positie. Na zijn vader is hij immers verantwoordelijk voor het gezin. Ooit zal hij de leidende rol in de familie op zich nemen. Hij staat zijn ouders bij waar nodig en zorgt voor de kleinere broers en zussen. De oudste zoon is kort samengevat een prins.
Veena’s vreugde bij de geboorte van haar eerste zoon is dan ook onnoemlijk groot wat tot uiting komt in zijn naam: Ashirwad, wat geschenk van God betekent. Als haar oudste zoon later gehandicapt blijkt te zijn, is het verdriet van Veena zo omvattend dat de tijd leek te zijn vastgevroren. Ze doet van alles om haar oudste zoon te ‘genezen’ van zijn handicap en blijft volhardend geloven in een wonder:
‘De hoop sterft ook niet voor mijn moeder. De hoop op een wonder. Het geld op de spaarrekening van Ashirwad groeit elk jaar. Mijn moeder vertelt voor het slapengaan dat ik later door mijn oudste broer met een auto overal naartoe zal worden gebracht. Ze zit op het voeteneind en fluistert. Als ik later naar feestjes ga, zal Ashirwad mij een wit overhemd lenen en zakgeld meegeven. Zo hoort dat in Indiase families, daar is een oudste zoon voor, de trots van de familie. (…) Niet Doornroosje, niet Assepoester waren de sprookjes van mijn jeugd. Ashirwad zou later dokter worden, een auto kopen, een beeldschone prinses trouwen en lang en gelukkig leven.’ Ashirwad is Veena’s lieveling. In de loop der jaren groeit hun band zodanig dat niemand tussen hen kan komen. Herhaaldelijk zegt ze tegen hem: ‘Ik hou zoveel van je, Ashirwad. Je bent mijn liefste, mijn eerste, je bent mijn trots.’

Op deze momenten ontstijgt het boek de humor. De Mama Tandoori die in bepaalde delen van het boek bijna een karikatuur wordt, verandert dan in een hartverwarmende vrouw die alles voor haar kinderen over heeft. Ze is weliswaar een bijzonder pittige vrouw waar je niet omheen kan. Als zij zich eenmaal iets in haar hoofd heeft gehaald, dan zorgt ze er ook voor dat ze het krijgt. Maar boven alles is ze moeder met haar hele wezen. Uiteindelijk wil ze alleen maar het beste voor haar zoons. Hierdoor komt het dat je haar als lezer alle eigenaardigheden vergeeft.

Onwrikbare heupen
Zoals eerder aangegeven zijn mijn beide ouders migrant, in tegenstelling tot Van der Kwast, die naast een Indiase ook een Nederlandse familie heeft. Maar als gevolg van de migratie van mijn ouders en vele andere familieleden naar Nederland, beschik ook ik over een aantal Nederlandse ooms, tantes en halfbloed neven en nichten. Er is een passage in het boek waarin Van der Kwast de Nederlandse kant van zijn familie omschrijft, en ik moet eerlijk bekennen dat ik getroffen werd door de herkenbare omschrijving: ‘De familie Van der Kwast kenmerkt zich door kale mannen met snor, vrouwen zonder humor en kinderen die zich interesseren in de insectenwereld. Er zit niet één dronkelap tussen, geen enkele kunstenaar, geen enkele poëtische ziel. (…) De geslachtsboom bestaat uit een stevige stam, die zich splitst in keurige, rechte takken en vervolgens in een bescheiden aantal twijgen. Nergens wildgroei, en alles Blut und Boden. Van wortel tot en met loot. We zijn allemaal van hetzelfde stugge blanke hout gemaakt. Wie een Van der Kwast ziet dansen, denkt aan een trekpop. Onze heupen zijn onwrikbaar.’

Kanttekeningen
Voor mensen met dezelfde afkomst als mij, en wellicht ook andere allochtonen, is Mama Tandoori, naast de (tragische) humor, op veel punten herkenbaar. Verder biedt het aan veel autochtonen, die al generaties geworteld zijn in Nederlandse poldergrond, een bijzondere kijk in de wereld van een persoon die vanaf zijn geboorte is opgegroeid in meerdere werelden – de automatische verrijking van het allochtoon-zijn en het hebben van één of meer migrantenouders. Verder toont het boek aan dat Nederlandse schrijvers steeds meer divers worden en met hun diversiteit een toegevoegde waarde leveren aan de Nederlandse taal en literatuur .

Toch kunnen een aantal kanttekeningen bij het boek worden gemaakt.
Het is jammer dat Van der Kwast de neiging heeft om de vreemde gedragingen van Veena automatisch te verbinden met haar Indiase afkomst, wat hier en daar te kort door de bocht is. Hij schrijft: ‘Maar het is gratis. En wat gratis is, is goed. Dat vinden Indiërs, dat vindt mijn moeder.’ Maar is dit wel zo Indiaas? Het grappige is dat juist Nederlanders in het buitenland (ook in India) bekend staan onder het motto ‘kijken, kijken en niet kopen’.
Verder laat het verhaal je aan het einde achter met een aantal vragen. Tegen die tijd heb je van alles gelezen over de familie Van der kwast en Veena in het bijzonder, en snak je er naar om te weten wat alle beschreven ervaringen betekenen voor de schrijver zelf. Hij beschrijft bijvoorbeeld dat hij een reis naar zijn familie in India maakt, waar hij een heleboel familieleden ontmoet en met hen praat over de meest uiteenlopende zaken. Maar nergens wordt duidelijk wat al deze ontmoetingen doen met zijn eigen ontwikkeling. Hebben de ervaringen zijn blik veranderd? Kijkt hij nu anders tegen dingen aan? Begrijpt hij zijn moeder beter?

Mama Tandoori 2

In het laatste hoofdstuk licht hij wel een miniem tipje van de sluier op door tebeschrijven hoe zijn leven er op dat moment uitziet. Helaas blijft het bij een tipje:
‘We wonen in twee landen. Mijn vriendin en mijn zoon in Italië, ik in Nederland. Ik ben ook moeilijk.’ Hij schrijft hier dat hij moeilijk is, net als zijn moeder. Waarom zegt hij dit? Wat heeft de Indiase kant van zijn moeder voor hem betekend? Voor zijn identiteit? Geeft hij bepaalde lessen van zijn moeder door aan zijn zoon of niet? Helaas gaat de schrijver hier niet op in.
De humor van Van der Kwast, hoe sprankelend en hilarisch ook, wordt aan het einde van het boek een obstakel naar meer verdieping. Dit had het verhaal een extra dimensie en meer betekenis kunnen geven en dat had Mama Tandoori ook van harte verdiend. Misschien toch een Mama Tandoori 2?

[overgenomen van www.wereldjournalisten.nl]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter