blog | werkgroep caraïbische letteren

de Ware Tijd Literair, van 29 februari 2020

Van de redactie

Deze editie van de literaire pagina staat voornamelijk in het teken van de Internationale Dag van de Moedertaal. In Paramaribo waren enkele lezingen over diverse Surinaamse talen. Ook scholen hebben aandacht besteed aan deze dag.

Pieter Brueghel de Oude, De toren van Babel

Eén van de scholen is het Instituut voor Middelbaar Economisch Administratief onderwijs, het IMEAO5, te Magentakanaalweg/Hanna’s Lustweg in het district Wanica. De directeur van deze school spreekt diverse talen en hij heeft voor een groep studenten verhalen en gedichten voorgelezen. Het is de tweede keer dat hij dit doet. Deze verhalen en gedichten zijn in deze rubriek opgenomen.

Enkele weken terug schonk de redactie aandacht aan de debuutroman van Clark Accord De koningin van Paramaribo. Deze roman is intussen al 20 jaar oud. We hebben voornamelijk uit Nederland reacties ontvangen van lezers die zich hebben laten inspireren door deze roman. Eén van deze personen is Soraya Bruinendaal. Ze heeft ons een kort verhaal toegestuurd. Verder heeft ook een andere Amsterdamse van Surinaamse komaf, de kleindochter van Mechtelly (Jeugdboekenschrijfster en dichteres Mechtelly is het pseudoniem van Mechtelli Tjin-A-Sie), Rellie genaamd, ons een gedicht gestuurd. Het is een goede ontwikkeling, dat jonge Surinaamse vrouwen in diaspora nu ook hun literaire stem laten horen!

Internationale Dag van de Moedertaal

Elk jaar wordt op 21 februari door de UNESCO de ‘Internationale Dag van de Moedertaal’ (International Mother Language Day) gevierd. Deze dag staat in het teken van de taalkundige en culturele diversiteit en de meertaligheid. Voor de UNESCO zijn talen het instrument om het culturele erfgoed levend te houden. Door de moedertaal in ere te houden, blijft de taalkundige en culturele traditie bestaan en, wordt men zich meer bewust van de verschillen tussen de diverse mensengroepen. Dit zou leiden tot meer begrip.

Aanleiding om de ‘Internationale Dag van de Moedertaal’ op 21 februari te vieren, zijn de rellen in 1952 toen diverse studenten omkwamen tijdens demonstraties om het Bengaals, de zesde taal van de wereld, erkend te krijgen als een officiële taal van Pakistan. Pakistan bestond toen uit Oost- en West-Pakistan, het huidige Bangladesh en het huidige Pakistan. De regering had gesteld dat uitsluitend het Urdu de taal van Pakistan was. De slachtoffers van de rellen worden in Bangladesh op deze dag herdacht tijdens Ekushey (Dag van de Martelaren). De ‘Internationale Dag van de Moedertaal’ werd voor het eerst in 2000 gevierd. Het communiqué dat hiertoe opriep, meldde dat er bijna 6000 talen zijn.

Op het IMEAO5 is deze dag de vorige week vrijdag herdacht. Er zijn korte verhalen voorgelezen en gedichten voorgedragen door de directeur van deze school. Hij gebruikte hiervoor het boek Woorden die diep wortelen (1992) van Michel Szulc-Krzyzanowski en Michiel van Kempen. De verhalen staan in deze rubriek als volgt vermeld. Eerst staat het verhaal in de moedertaal. Daarna volgt de vertaling in het Nederlands, de officiële taal van Suriname.

ATARO ITOPO UTAPYPO

Het verhaal hieronder in het Caraïbs is verteld door Julius Leo Toenaé.

Am’jako karina kynotaroja itu ta. Kynotaroja, kynotaroja, moro wara am’ Pakira tampokory am’tywo iwa man.

Moko tyniwopo maro kinitomajan. Tykomamynpo mero, moko karina am’poto wewe upijan. Irombo moro imity ranaka kysysan. Moropo kynupijan, onepo tywonykyry man, irowara kynajan. Irombo am’pataja kasan. Saronpoke iruhpme kynaputomanon. Irombo konomyjan itaka. Tywomypomero kononumengano, hee … nikomamysu ra. ‘Koropo kokorone wysa rapa au’to wa, ingano. Moro tywonumengary jako ne, tywotame imero, irana wyjno itu ta am’wewe morykary etano, doo, doo, doo, dooo … Karina kynonumengano, py, py, pyy…, nokyko ra moko nosan.’

De verdwaalde jager

Eens verdwaalde een Indiaanse jager, toen hij op jacht was diep in het bos. Hij jaagde heel lang voordat hij de allergrootste pakira (bosvarken) dood schoot.

Toen het avond werd, zocht de jager een onderkomen tussen de grote wortels van een boom. Daar bouwde hij een afdakje van palmbladeren, voor de overnachting. Hij schutte het afdakje heel goed met bladeren en toen het klaar was, ging hij erin om wat uit te rusten. Daarbinnen dacht hij bij zichzelf: ‘Hè, hè, het is alweer ’s avonds geworden. Morgenochtend zal ik maar heel vroeg het pad naar huis moeten zoeken!’ Terwijl hij zo met zichzelf bezig was, hoorde hij een angstwekkend geluid midden in het oerwoud. Het geluid kwam steeds dichterbij en het leek wel alsof er iemand op de boomstammen sloeg, doo, doo, dooo… De indiaan schrok zich een aap en zei: ‘Py, py, py, wie zou dat kunnen zijn, wat zal mij weer overkomen!’


Pak Saleman Siswowitono. Foto © Michel Szulc-Krzyzanowski, uit Woorden die diep wortelen (1992)

Djoko kendil

Dit verhaal in het Surinaams-Javaans is verteld door Pak Siswowitono.

Djoko Kedil[U1]  niku anak randa, tapi sakjané botyah niku ngganteng, mbotem kendil, ning wong. Kiyambeké nggih mboten isa nyambut-gawé. Lajeng wong tuwané sok muring mawon: ‘Wong kowé mèlu wong tuwa kok kowé ming mlaku-maku waé; mangan, mlaku-mlaku: mbésuk nèk pisah wong tuwa piyé?’ ‘Lah sakwisé wong ora inter nyambut-gawé kepiyé?’ ‘Ya kowé kudu nggolèk.’

Lah lajeng kiyambaké pados buruhan nyambut-damel. Sareng nyambut-damel kiyambaké lajeng mpun gadah akal: ‘Ya aku wis gedé, aku perlu nggolèk pangan déwé. Lah tapi nèk kétok ngéné waé ngko diarani aku wong pinter, kétoké kaya kendil.’  Kiyambaké gadah pendamelan dados tukang kebon. Lajeng dititik kalih ndarané: ‘Lo iki ana wong nyambut-gawé kok pinter mbanget. Kok pinteré tenanan. Mèn tak oèhné kokiku waé, mèn aja mulih nang omah.’ Lah terus sakèstu: ‘Kowé wis gedé, wis nyambut-gawé. Lah sakiki kowé tak kèkké  koki iki, bebojoan. Ngomong karo maké.’

Djoko kendil

Djoko Kendil was de zoon van een weduwe. Hij zag eruit als een pot maar eigenlijk was hij een heel knappe jongen. Omdat hij het uiterlijk van een pot had, kon hij niet werken. Zijn moeder mopperde soms wel: ‘Je blijft nog bij me, maar je wandelt; alleen eten en wandelen: hoe red je het als je straks alleen komt te staan?’ ‘Daar kan ik niets aan doen, moeder, ik kan toch immers niet werken.’ ‘Maar toch moet je werk zoeken,’ zei zijn moeder.

En zo ging Djoko Kendil op zoek naar werk. Toen hij werk had gevonden, ging hij nadenken: ‘Nu ik al groot ben, moet ik zelf voor mijn eten zorgen. Maar als ik er zo uit blijf zien, gaan de mensen straks denken dat ik een bijkracht heb.’ Hij zag er immers uit als een pot. Hij kreeg een job als tuinman en viel door zijn werk op bij zijn baas. Deze man werkt uitstekend, hij levert prima werk, dacht zijn baas, weet je wat, ik zal hem laten trouwen met het dienstmeisje, dan zal hij bij mij blijven werken. Zo gezegd, zo gedaan: ‘Je bent al groot en werkt ook al, nu zal ik je laten trouwen met het dienstmeisje. Jullie moeten als man en vrouw gaan leven. Zeg het aan je moeder.’            


Bhásá

Hindi ká tamáshá
bigar gail bhásá:
lánga-lánga doro-doro
huku habará linkskánti
tweede hoge neuten ghar.
Khus to huá Ráju
soc men pará Sádhu:
ehi hai Sarnám ki hindi
jise Ramnath kahtá Sarnámi.
Hisáb se rakhaná
meri Sarnámi hindi
mix ná karná bahuteri
nahito samajh ná áigi
yeh hindi teri meri
abhi ná huá hai deri.

Taal

Het gebruik van Hindi
is slecht geworden:
langá-langá doro-doro
huku habará linkskánti
tweede hoge neuten huis.
Blij is Raju
zorgen heeft Sadhu
is dit Hindi van Suriname
dat Ramnath Sarnami noemt?
Wees voorzichtig
met mijn Sarnami-Hindi
mix haar niet te veel
anders begrijpt men
ons Hindi niet meer
het is nog niet laat.

Ramnath Sewdien. Foto © Michiel van Kempen

Uit: Ramnath Sewdien, Tarang. Gedichten in het Sarnami met vertalingen in het Nederlands. Paramaribo, maart 2013, p. 29.              


Yambo

Papi mi ke bai studia
na nos iniversidat
pa dia mi haña título
mi tambe lo por kòmbersá
ke tres palabra papiamentu
sinku hulandes patuá
mi yu, no onderschat
bo oudersnan op basis
di nan lagere onderwijs
pasobra den conversatie
nunka lo por kom voor
pa verlies nos gezicht.

Niet veel soeps

Pappie, ik wil gaan studeren
Aan onze hogeschool;
En haal ik dan een titel
Dan zet ik óók een trend:
Veertien kromme woorden Hollands
Tegen elf in Papiament!
M’n jongen, supestimá
Jouw mayornan niet pa motibu
Van hun enseñansa di fundeshi
Omdat in de kòmbersashon
Het nooit sosodé
Dat wij pèrdè facha.

*De titel is gedistilleerd uit de associatie met yambosoep. In een yambosoep gaat behalve okra, van alles en nog wat: een ‘ratjetoe’ aan ingrediënten. Dit laatste slaat op de mengelmoes van Nederlandse en Papiamentse woorden die de vader gebruikt. Elis Juliana spot op deze manier duidelijk en heel geestig met het ideaal van de zoon. Om het effect van het oorspronkelijke gedicht enigszins weer te geven, heeft de vertaler de Nederlandse woorden in het gedicht van Juliana vervangen door hun equivalent in het Papiaments. En omgekeerd. Ook de aantallen zijn bewust veranderd in de vertaling.

Uit: Elis Juliana, Hé Patu / Waggeleend. Twintig-en-één gedichten gekozen en vertaald door Fred de Haas. Haarlem: Uitgeverij In de Knipscheer. 2011. ISBN 978 90 6265 660 8. P. 46/47


Gyantifolo

Gyantifolo a bandyalio
ndonu yëngë kuma fotofaya
Dee fisi ta dai odi
Di libawatta hansé
Kuma wattadagu fesa
Gyantifolo a bandyalio
Un maaka i tyako
Sonu nöö tyuba?

Saramakaans gebied: de Boven-Suriname, met een groenhartboom (in gele bloei). Foto © Michiel van Kempen

Groenhartbomen

Groenhartbomen langs de rivier
Heldergeel als stadse lichten
De vissen groeten je
Het rivieroppervlak is mooi
als feesten van watergoden
Groenhartbloemen langs de rivier
in welk teken sta je
zonneschijn of regen?

Dorus Vrede [Saramakaans]


Waka na a dyari,
mi e firi den skropu ondro mi futu
Luku na dyari pe unu ben tan
Den skotu tenapu fa den ben tenapu bifo
Ala den bon e dansi tapu a poku fu winti,
a gersi tak den e taki bar’ mi odi
Me lafu,
firi tak mi ai nati…
mi ai nati fu koloku
bika ala den bon,
alla den skropu fu fos’ten
tan pe den de ete
A de ete na ini
den kamra fu mi prakseri
Ala lesi te mi wan go baka
fu firi,
smeri ala den wiwiri fu a dyari,
mi kan go…
ini den kamra fu mi prakseri

Rellie Telg/Rellieatuur

Rellie Telg (35 jaar) studeerde in 2010 af aan de Hogeschool voor Verpleegkunde. Na jaren met plezier verschillende rollen in de zorg te hebben bekleed, voelde zij dat het tijd werd om ook haar creatieve geest de ruimte te geven. Het toeval wilde dat zij werd gevraagd om wat teksten die zij online deelde, live voor te dragen. Dit optreden smaakte naar meer. Eind 2016 deed ze auditie bij de Poetry circle en vanaf dat moment ging het balletje alleen maar harder rollen. Intussen heeft Rellie meerdere podia beklommen. Zij geeft geregeld workshops aan jong en oud, speelt in voorstellingen en pakt van alles aan waar ze haar creativiteit in kwijt kan.


Zij is ook ik – Wij zijn, Koningin van Paramaribo

Het kind van gister is omringd door mensen die haar verdriet niet kennen. Geen levende ziel die weet van dit verhaal. Alleen de muren die ooggetuige waren van een plek waar tijd zich samenvouwde en ontketende in een alles veranderende oerknal.

Overdag speelt ze in gedachten nog steeds dyompofutu naast het erf en leeft ze het zorgeloos bestaan van een onschuldig kind. In haar was een onbekende stilte ontstaan die het geschreeuw van haar pijn probeerde te overstemmen. Als gevolg hiervan krommen de hoeken van haar mond met de lach van een vreemde en wanneer ze huilt, verschijnen er sibi busi’s die haar onrecht delen waardoor het erf vol met tranen komt te staan…

Soms wanneer de nacht valt, hoort ze het hout weer kraken, kruipen koude kriebels net alata’s over haar heen en blaast vanuit de Timmermanstraat een zachte wind, melancholisch, het lied van haar stille getuigenis. Zij is de vrouw van vandaag die nu zweeft op dit lied, zonder enige schaamte noch pardon. De wereld is van haar en niet andersom.

Maxi Linder, de koningin van Paramaribo

Het is niet de wind die bepaalt wie die meeneemt. Niet de zon die bepaalt naar wie die straalt en niet het water dat bepaalt naar waar die stroomt. Nee. Zij is die draiwinti die haar eigen tij keert, de vurige zon anga fayalobi. Geen watram’ma, maar een sirene die macht heeft over de zee. Zij is zowel eb als vloed. Zowel onstuimig als onvoorspelbaar, net zoals de Surinamerivier. Zij is de hoogste berg ina kondre die boven een grootse jungle uittorent. Even indrukwekkend als dat ze een lust voor het oog is.

Zij is de gevallen vrouw die niet bestaat en net de uitdrukking van vandaag de dag, verouderd. Zij is elegant net de term, maar verspeelde allesbehalve haar reputatie. Die was net zo sterk lek din bowtu fu Isri. Zij is de verborgen schat die haar tot meer dan een vrouw vormde, maar tegelijkertijd de drang tot genegenheid verdrong naar de bodemloze put waaruit die was ontstaan. Zij draagt haar kroonjuweel als haar kroon. Geen wonder dat zij is gekroond tot kroonjuweel der juwelen.

Koningin van Paramaribo

Zij is een heilige die pronkt in de kleren van de duivel. The Devil’s advocate die de straat beweegt naar haar hand. The Queen of the night with an inexplicable act what made her the talk of the town.

Het kind van gister en de vrouw van vandaag hebben iets gemeen met elkaar. Wij zijn ze allemaal weleens geweest. Samen dragen we de geheimen van een tijd geleden. Hebben het kind van gister en de vrouw van vandaag in het heden nooit eronder geleden, maar lagen zij bovenop hun pijn.

Ik schuif mijn pijn ook niet onder stoelen of banken, instead I thrive on mine.

Want ook ik ben koningin van Paramaribo.

Gebroken als dertienjarige en omringd door mensen die mijn verdriet niet kenden. Ook ik was getuige van tijd die zich samenvouwde in een alles veranderende oerknal. Maar ook ik zweef nu op mijn melancholische liederen. En met een hart zo breed en groot als de heupen van Agutobo, ben ik vandaag de dag, nu ook die sterke vrouw.

Wij dragen allen een pijn.

Schuif het niet onder stoelen of banken. Zowaar mi de Soraya Bryony Josephine Henna Bruinendaal, mi nafu tak in tongo fu pot krakti ini mi wortu.

Want woorden blijven woorden, maar kracht dat zijn wij…

Soraya Bruinendaal

Soraya Bruinendaal staat ook wel bekend als Soraya Bryony. Zij is geboren in Suriname en kwam naar Nederland in 1988, waar zij grootgebracht werd in Amsterdam. Zij heeft een grote fascinatie voor gedichten en verhalen schrijven. Het eerste gedicht dat zij schreef, beschrijft het verlies van haar moeder Henna. Het schrijven was bedoeld als verwerkingsproces. Toen was Soraya pas 13 jaar. Kenmerkend voor haar gedichten zijn dan ook de gevoelens die we allemaal hebben of herkennen. Haar stijl is beschrijvend. Ze verwerkt de nodige woordspelingen in haar stukken, zodat elke lezer de aandacht erbij kan houden. Wanneer de lezer zijn of haar eigen associatie naar voren kan halen, is haar doel behaald. Haar wens en passie is iedereen te kunnen blijven inspireren met haar woorden en verhalen.


  • RSS
  • Facebook
  • Twitter