blog | werkgroep caraïbische letteren

Literaire buit van schatgraver Jos de Roo

Academisch proefschrift: Praatjes voor de West

Er is niet genoeg aandacht te geven aan het proefschrift van Benjamin Jos de Roo waarmee hij doctor is geworden. Het betreft een ware schat aan verloren gewaande literaire verhalen, van Antilliaanse en Surinaamse auteurs, geschreven op verzoek van en opgenomen en uitgezonden door Radio Nederland Wereldomroep, tussen 1947 en 1958.

door Jeroen Heuvel

De Roo heeft deze schat, dankzij het archief van de geschreven draaiboeken, aan de vergetelheid ontrukt, geanalyseerd en beschreven, ook al konden jammer genoeg niet alle transcripties van de verhalen worden opgespoord. Aan het proefschrift, dat in september 2014 aan de Universiteit van Amsterdam is verdedigd, is weliswaar al – o.a. in deze krant – aandacht besteed vanwege de nieuwswaarde ervan, en Jos de Roo heeft al enkele maanden geleden een artikel gewijd aan Irving Plantz uit St Maarten, één van de verhalenschrijvers, maar deze bron verdient het om als een soort feuilleton in wel twaalf afleveringen samengevat aan de krantenlezer genoegen te verschaffen.

Praatjes voor de West_Jos de Roo (2)

B. Jos de Roo

Het is onmogelijk in deze bespreking het proefschrift volledig recht te doen, want dan zou bijvoorbeeld veel aandacht gegeven moeten worden aan de Wereldomroep in het algemeen, de West-Indische afdeling ervan met J. van de Walle als hoofd, orale literatuur, de Surinaamse culturele vereniging Wie Eegie Sanie, de verschillende Surinaamse auteurs enzovoorts. Het is zelfs niet mogelijk om aan al de Antilliaanse, als dat woord nog gebruikt mag worden, schrijvers die worden behandeld in deze bespreking meer aandacht te besteden dan een enkele vermelding van hun bijdragen. Laat me, verderop, een van hen, Raúl Römer, uitkiezen en over hem ietwat uitweiden, maar pas nadat de andere Antilliaanse auteurs tenminste genoemd zijn. Dit zijn Hubert Dennert (pp 114 – 131), Boeli van Leeuwen van wie 28 bijdragen bewaard zijn gebleven van de 36 die de Wereldomroep van hem heeft uitgezonden en aan wie De Roo ruim 60 pagina’s besteedt, Jules de Palm (pp 195 – 234), Frank Martinus Arion (pp 235 – 266); in hoofdstuk 12, Incidentele medewerkers, worden van de Antilliaanse auteurs bestudeerd: Henk Dennert, Raúl Römer wat betreft zijn bijdragen naast zijn Kuentanan di Nanzi, en Carol Elassaiss. Stuk voor stuk meer dan de moeite waard voor aparte artikelen.

Eerst nog wat informatie over de dissertatie. De Roo heeft de titel gekozen, Praatjes voor de West, omdat de pretentieloosheid van die benaming hem aansprak. Hij is gebaseerd op een van de benamingen voor een onderdeeltje van de radio-uitzendingen. De uitzendingen van de Wereldomroep naar de West duurden telkens tweeëneenhalf uur en bestonden uit een algemeen Nederlands programma van twee uur of meer en een West-Indische rubriek van 15 tot 30 minuten.”Maar naarmate ik vorderde met het onderzoek werd me steeds duidelijker dat deze praatjes, causerieën of vertellingen helemaal niet zonder waarde waren. ‘Praatje voor de West’ werd zo voor mij door de dubbele betekenis die de aanduiding kreeg een geuzennaam, die tegelijkertijd ook verwees naar een voorbije tijd dat Suriname en de Antillen nog als ‘De West’ werden aangeduid, waarover ten onrechte met een andere, wat neerbuigende terminologie werd gesproken,” aldus De Roo in zijn inleiding. De ondertitel van het proefschrift luidt: De Wereldomroep en de Antilliaanse en Surinaamse literatuur 1947 – 1958. De periode is gekozen vanwege het archief van de draaiboeken dat De Roo kon inzien, de uitzendingen begonnen net na de oorlog en na mei 1958 werden er geen verhalen meer bij de draaiboeken bewaard.

Raúl Römer

Raúl Römer, linksboven

Raúl Römer, linksboven

In hoofdstuk 5, over orale literatuur, vertellingen, komen drie auteurs aan bod: Irving Plantz, de Surinamer Johan Ferrier en Raúl Römer. Römer vertelde 22 keer een Nanzi-verhaal, in het Papiamentu. Van de helft daarvan heeft De Roo een transcriptie in het archief gevonden. Twee keer is hetzelfde verhaal, Kompa Nanzi a bira sapaté, verteld, maar het was niet dezelfde opname, de tweede keer betreft het een variant. Op 20-8-1952 is er een herhaling van een kuenta di Nanzi uitgezonden, maar De Roo heeft daar geen titel bij gegeven. Hij heeft 10 verhalen teruggevonden en de titels ervan in zijn dissertatie vermeld (p 75), waarvan één vertelling dus een variant is van een eerder verteld verhaal. Er zijn dus eigenlijk 9 verhalen teruggevonden. Vergeleken met de titels zijn er 5 ook door Nilda Pinto vastgelegd, namelijk Kompa Nanzi ku Kompa Tiraleu, Kompa Nanzi ta nèk Shon Arei, Kompa Nanzi ku Kompa Sese, Kompa Nanzi ku kompa Warawara en Ta kon araña a nase na Kòrsou. Römer heeft 4 van de 10 teruggevonden verhalen verteld die niet  (ook) in de verzameling van Pinto zitten: Kompa Nanzi a bira sapaté, inclusief de variant ervan, Kompa Nanzi ku Kompa Makaku, Kompa Nanzi ta bai pusta en Nanzi ta kòrta higra – er staat kòrta en niet hòrta, ik ga ervan uit dat De Roo de titel – die later in het proefschrift enkele malen wordt herhaald – goed heeft overgenomen. Waarom hij schrijft dat ‘Ta kon araña a nase na Kòrsou’ en ‘Kompa Nanzi ku Kompa Sese’ niet bij Pinto voorkomen (p 78), is onduidelijk.

Praatjes voor de West_kaft-Nanzi

Kaft van recente tweetalige editie van kuenta di Nanzi van Nilda Pinto

Over het algemeen is bekend dat vertellers het verhaal telkens iets anders vertellen, afhankelijk van hun gemoed, hun gehoor en de omgeving. Volgens Nilda Pinto weet niemand waar de Nanziverhalen vandaan zijn gekomen, wel dat je ze overal aantreft. (‘Esakinan ta kuentanan, ku ta bula di un punta na otro i ku nos ta haña riba stupi di un kas di kunuku, den un balkon, den un stul di zoya. Wela i pepenan a tende e kuentanan akí di nan wela i nan pepe tambe i ningun hende no sa, di unda nan a bini,’ schrijft ze in 1952 in de inleiding van de door haar vastgelegde fabels.)

Hopelijk worden de transcripties van de verhalen door Römer binnenkort in een of andere vorm gepubliceerd, zodat andere onderzoekers verder kunnen gaan met het waardevolle werk van De Roo, want dankzij hem weten we nu dat Raúl Römer Kuent’i Nanzi heeft verteld (p 76). Raúl Römer (1923 – 1985) was in 1945 leraar Spaans geworden op het Peter Stuyvesant College, in 1946 naar Nederland vertrokken voor een studie m.o.-Spaans en in 1957 tot wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam benoemd – dezelfde universiteit waar De Roo 57 jaar later doctor is geworden.

Jos de Roo op bladzijde 77: “Door zijn pakkende begin en de adaptatie van de kernverhalen aan de Curaçaose omstandigheden, lijkt het dat Römer allereerst literaire motieven had om de orale literatuur vast te leggen. Dit past ook bij zijn opleiding en bij zijn latere adaptatie van Mariken van Nieumeghen.

“Wie of wat de bron van zijn verhalen was, is niet duidelijk. Broek [2006: 105] stelt: “Steeds opnieuw vormde de verzameling van spinvertellingen van Nilda Pinto uit 1952 het begin- en eindpunt [van opgetekende Nanzivertellingen].” Dit is niet het geval met de verhalen van Raúl Römer. In de eerste plaats kan hij ze niet allemaal gehoord en gelezen hebben, omdat hij in 1946 naar Nederland vertrok. Daar vertelde hij zijn verhalen tussen 24 september 1949 en 24 juli 1953. Nu is niet helemaal vast te stellen wanneer Pinto haar verhalen vertelde voor de Curom. Eerst had ze zich gericht op liederen die ze in 1944 had gebundeld. De verhalen kwamen daarna. Waarschijnlijk vertelde ze deze in de jaren tussen 1945 en 1952. Römer kan niet gevarieerd hebben op verreweg de meeste verhalen van Pinto.”

Misschien maakt De Roo hier een denkfout. Net zo min als de gebroeders Grimm de schrijvers zijn van de sprookjes die zij verzameld en opgetekend hebben, zo is Pinto niet de schrijver, maar de vastlegger van de mondeling van generatie op generatie overgeleverde vertellingen. Ik zou zeggen dat Römer en Pinto doorgevers of vastleggers zijn geweest van de verhalen die zij hebben gehoord, totdat bewezen kan worden of zij een of meer van de Nanziverhalen zelf hebben verzonnen en geschreven. Maar dit terzijde, het doet geen afbreuk aan de enorme waarde van het werk van deze schatgraver van de Antilliaanse orale en geschreven literatuur. Een welverdiende pluim. Ik hoop dat de dissertatie – naast de transcriptie van de verhalen – binnenkort openbaar wordt en een breed publiek mag weten te vinden.

Eerder verschenen in: Antilliaans Dagblad 9 maart 2015

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter