blog | werkgroep caraïbische letteren

Leo Ferrier en het absolute

Vandaag, 30 juli 2019, herdenken we de 13e sterfdag van Leo Ferrier. Bij zijn overlijden in 2006 schreef Michiel van Kempen in Oso het onderstaande herdenkingsstuk.

Leo Ferrier

Het zal een jaar of zeven geleden geweest zijn, dat de telefoon ging, en een stem doorkwam met die typische tijdsinterval van een volle seconde waarop een gesprek van de andere zijde van de oceaan doorkomt. Het was Leo Ferrier. Hij vertelde dat het goed met hem ging en dat hij weer aan het schrijven was. Of hij me wat mocht toesturen ter beoordeling. Hoe zou ik het hem hebben kunnen weigeren? Leo Ferrier had enkele van de mooiste bladzijden uit de moderne Surinaamse literatuur geschreven, daarna was het jaren stil geworden rond hem, maar je hoopte nog altijd dat die enorme creatieve kracht sluimerend was gebleven en in betere tijden tot een nieuw prachtboek zou kunnen leiden, dat, wie weet, weer op hetzelfde niveau lag als Átman. Met dat verbijsterende boek uit 1968 had Leo Ferrier in één klap het Surinaamse proza de moderniteit in gesleurd. Hoe goed en met hoeveel toewijding sommigen vóór hem ook hadden geschreven: ze zaten toch nog met huid en haar vast aan de koloniale tijd. Leo Ferrier zette een andere Surinamer neer: zelfbewust, brutaal, toekomstgericht, maar tegelijk ook vol van de twijfels en de ambiguïteit die elk mens kent die geboren is op het kruispunt van culturen en een breekpunt van de tijd.

 

Leo Ferrier op de Conradischool, 1946 of 1947. Hij staat ongeveer in het midden op de achterste rij naast een blonde jongen (Dirk Vos) en aan de andere kant een donker meisje (Rita Orna). Zijn gezicht is min of meer verborgen achter het hoofd van een jongen die voor hem staat (Herman Azijnman van de brillenwinkel op de hoek van de Keizersgracht en de Vijzelstraat in Amsterdam). Zijn broer Stanley is een rij daaronder met een gestreept t-shirt, een beetje rechts in het beeld, onder een meisje met een strik in het haar. En neef Robbie op dezelfde rij, eveneens met een zelfde soort gestreept t-shirt onder die jongen die op zijn nagel lijkt te bijten.

Nu ik na het verbijsterende bericht dat hij er niet meer is, de bladzijden van Átman herlees, valt me het nerveuze ritme van zijn zinnen op, die vele korte, soms bijna staccato frasen, die dan weer worden afgewisseld met langere, rustige zinnen vol met prachtige beelden. Ik geloof dat ik niet eerder gezien heb hoe die combinatie van staccato en adagio stilistisch de zuiverst uitdrukking was van een tijd waarin de slagader van de verwachting klopte in een genetisch complex lichaam dat nog niet exact wist welke richting te kiezen.
Met Átman schreef Leo Ferrier een absoluut boek, hij was een absoluut kunstenaar die geen genoegen nam met de gulden middenweg, en iemand die zo absoluut leeft voor wat hij doet, kan ook door zijn eigen kunst worden opgevreten. Edgar Cairo was ook zo iemand, en Astrid Roemer: zoekers naar het Ware.

De 1e druk, verschenen bij De Bezige Bij in 1990

Bij Leo Ferrier bleek dat ook uit zijn tweede boek, waarin hij niet de harmonie maar de verwarring thematiseerde. El sisilobi of het basisonderzoek is een ver doorgevoerd vormexperiment, waarin het lijkt alsof Leo Ferrier zichzelf bewust was geworden dat het idealisme van Átman te ver was doorgedreven, dat zijn debuutroman toch niet helemaal zuiver weergaf wat er allemaal in zijn eigen, roerige ziel leefde: de scepsis, de ironie, het cynisme had hij uit zijn eerste boek geweerd. El sisilobi is misschien niet het meest leesbare boek uit de Surinaamse literatuur geworden, maar verbeeldt ongetwijfeld ook een wezenlijk aspect van de Surinaamse ziel.

 

De 2de druk, verschenen bij De Volksboekwinkel in Paramaribo, 1990

Toen Átman zijn derde druk beleefde in 1996, schreef Leo Ferrier er een nieuw nawoord bij. Ik vraag me af vanuit welke gemoedsgesteldheid hij dat schreef. Hij gaat terug tot het jaar 1968 en overziet hoe het gegaan is met Suriname: de togetherness van de Surinaamse gemeenschap, de ‘intense vorm van uniteit’, de schoonheid van het land die ‘hartstochtelijk bezongen’ wordt, de muziek die ‘onvoorstelbaar goed’ is, de nieuwe films waarin dat allemaal ‘geniaal aan de orde gesteld wordt’, alle activiteiten die ‘door iedereen druk bezocht worden’ – hij schalt het allemaal zo hard uit, dat het pijn gaat doen aan de oren. Het nawoord ontbeert precies dat wat zijn twee romans zo bijzonder maakt: authenticiteit.

Ik legde de hoorn neer en vroeg me af of er in die ene oceanische seconde misschien nog een geluid van de overzijde was gekomen, of ik misschien net te vroeg de hoorn had neergelegd. En of het verstandig was geweest om zo’n absoluut schrijver, die de afgrond van de kunst had doorwaad, aan te moedigen tot nieuw werk. Hoe dan ook, van een nieuwe roman heb ik nooit meer iets gezien.

 

De 3e druk, verschenen bij Conserve, in 1996

[Deze tekst is eerder verschenen in Oso, Tijdschrift voor Surinamistiek, 25 (2006), nr. 2, pp. 179-181.]

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter