blog | werkgroep caraïbische letteren

Dit is deel 8 van de synopsis van Kurá, het nieuwe boek over de situatie op de Nederlands Caribische eilanden dat binnen afzienbare tijd zal verschijnen. Het draait daarbij om de oriëntatie op het goede leven.


Aard en instelling van mensen: evenwaardig wederkerig
Bij dit onderwerp gaat het voornamelijk om de evenwaardige wederkerigheid in de betrekkingen van mensen. Evenwaardig én wederkerig, in deze combinatie. Dit is van enorm belang op drie niveaus: individueel, groepen en maatschappelijk. Het vormt het startpunt voor de opdracht tot een goed leven. De mens is in de eerste plaats een sociaal wezen; daarna pas een menselijk wezen. Taal schiep de mens en niet andersom. Dat betekent dat taal hét middel is om te komen tot een samenleving. Mens zijn betekent in de eerste plaats dat je relaties onderhoudt met anderen (Fernando Savater). Menselijkheid wordt bepaald door onderling gedrag; daaruit ontstaat cultuur en taal is het begin. Je bent in de ander aanwezig als verhaal en je beweegt als taal in elkaar (sociale) zwaartekrachtveld. Als je zwijgt, ben je geen verhaal voor anderen. Zwijgen is een vorm van protest. In Cariben laten we het onmogelijke vragen heb ik het verschijnsel van zwijgen als middel tot defensief zelfbehoud en bescherming tegen angst en schaamte in de Antilliaanse samenleving besproken. Met zwijgen als protest of zelfbehoud loopt het sociale mechanisme waarin mensen mensen worden schade op.

 

 


Evenwaardige wederkerigheid op maatschappelijk niveau leidt uiteindelijk tot sociabiliteit (John Rawls). Hier komt het motivatiebeginsel van Aristoteles naar voren. Ieder mens heeft meer in zich (qua potentieel) dan hij mag hopen te verwezenlijken. Hij kan – na ontdekking van complexere ontwikkelingspatronen – tot hoger en beter functioneren komen. Als hij dat ontdekt, zal hij daar ook naar streven. Maar hij staat hierin niet alleen hij ontdekt een dergelijke gezindheid ook bij anderen en als mensen zich zekerder gaan voelen in het uitoefenen van hun eigen vermogens, zijn ze ook steeds meer gezind om die kwaliteit in anderen te waarderen. Er ontstaat in dat vertrouwen neiging of zin tot samenwerking en dat werkt versterkend op de wederzijdse sociale vermogens. We ontdekken dat we elkaar nodig hebben in het realiseren van levenswijzen. En zo kán onder die voorwaarde een sociale gemeenschap ván sociale gemeenschappen ontstaan, waarin niet alleen het goede wordt ontwikkeld, maar ook het juiste. Op deze manier kan een welgeordende samenleving tot stand komen. Rawls noemt dit het mechanisme van sociabiliteit: het vermogen om collectief op steeds hoger en beter niveau te functioneren in de juiste verhoudingen. Het is de resultante van de vorming van de sociale gemeenschap op basis van samenwerking die ontstaat als de levensplannen op elkaar ingrijpen en met elkaar verweven raken.
Sociabiliteit kan pas ontstaan vanuit het beginsel van evenwaardige wederkerigheid en dit is de interactie van dienst en wederdienst (Guépin). Het is de initiële houding van intermenselijke betrekkingen: geven en nemen, dat is ruilen. Het blijkt een complex mechanisme te zijn. Het ontvangen van een belediging ervaart men als een krenking, maar dat geldt evenzeer voor het ontvangen van weldaden. Wie geeft, dwingt de ander tot dankbaarheid. Degene die vraagt, die ontvangt, zit onderaan de pikorde zoals het heet: het is het gevoel bedelaar te (moeten) zijn en die kan alleen maar dankbaarheid tonen. Hier ontwikkelt zich haat – of tenminste willoze onverschilligheid – tegenover de weldoeners. De eer is aan de gever; de schaamte voor de ontvanger. Dit is een dilemma. Het is de manier waarop de maffia werkt. De ‘boss’ deelt uit in ‘grootmoedigheid’ maar komt op enig moment naar je toe voor de tegenprestatie. Hij speelt als aanvankelijke gever met je afhankelijkheid. Een dergelijk mechanisme treedt ook op bij cliëntalisme in de politiek. De wederkerige evenwaardigheid gaat mank bij ‘gulle gaven’ die door de ontvanger als niet vrijblijvend wordt aangenomen. Het cliëntalisme komt op de eilanden in de politiek ook voor. Politici die mensen gunsten of geld toebedelen bijvoorbeeld in de vorm van baantjes, dat is in eilandelijke verhoudingen dikwijls praktijk. Uit interviews komt naar voren dat deze afhankelijkheid dan ook daadwerkelijk wordt gebruikt.

 


Onvoorwaardelijk gul geven. Om deze reden zal handelen uit puur medelijden ook steeds uitdraaien op teleurstelling. Mensen in nood moet men helpen, maar we moeten er niet op uit zijn anderen gelukkig te maken (Popper, Taylor, Dohmen, Guépin). Onvoorwaardelijk medeleven is funest voor zelfredzaamheid, even zo ongeremde naastenliefde; medelijden is uiteindelijk destructief en vernederend. Dit is exact het effect van de werking van de gunt van de gift (Aart G. Broek): de ‘ontwikkelingshulp’ (de voortdurende ‘sanering’ van overheidsschulden) van Nederland aan de eilanden, die leidt tot gevoelens van schaamte, wrok en woede. Het bevestigt ook in de koninkrijksverhoudingen constant het gebrek aan evenwaardigheid; er is geen sprake van ruilinteractie.
Zoals eerder gezegd noemen verschillende mensen onwetendheid (ignorantie) de werkelijke crisis. Men zegt ook dat mensen onzindelijk of animistisch denken met een magisch geloof aan bovennatuurlijke krachten of symbolen. Voor hen is het boze oog overal aanwezig en dat ontloop je nooit. Je ontkomt niet aan je lot en daardoor ben je bijvoorbeeld ook niet verantwoordelijk voor je eigen (misdadig) gedrag of voor fouten die je maakt. Alles is bezield en in elk voorwerp kan je geesten aantreffen. Loterijen bloeien en men hecht waarde aan nummers of combinaties van cijfers. Je kunt beter lootjes kopen; werken helpt je niet verder. Irrationeel denken en handelen gaat samen met verwijzen naar emotionele clichés. Er zijn politici die hiervan misbruik maken en daarbij op de trom van kwalijke ressentimenten roffelen.
Toch kun je niet beweren dat mensen irrationele wezens zijn. Als men dat zegt, dan beweert men eigenlijk dat mensen niet in staat zijn tot redelijk denken en handelen en dat leidt uiteindelijk tot minachting en krenking. Om mensen in het gareel te houden, is het dan geoorloofd geweld en repressie te gebruiken. Bepaalde groepen worden dan uitgesloten en hierdoor ontstaat een nieuwe manier van het praktiseren van ongelijkwaardigheid. Op deze manier leidt het idee van de werkelijke crisis die op de eilanden speelt: de ignorantie tot het accepteren van ongelijkwaardigheid en tot verlies van wederkerigheid. Het is dus van het grootste belang deze crisis te bezweren en onwetendheid en onzindelijk denken met alle mogelijke middelen te bestrijden.

 

Model Yolanda Tito op de cover van het Chocolate Magazine

Een veelkoppig monster dat de bron vormt van veel ongelijkwaardigheid, is het racisme. Menselijke verhoudingen op de Caribische eilanden lijken doordrenkt te zijn van deze irrationele geesteshouding. Voor velen die ik sprak, is het een grove vorm van onredelijkheid die onbegrijpelijk is. Dit staat volkomen haaks op het idee van wederzijdse evenwaardigheid en doet het beginsel van ruilinteractie geweld aan. Uit de interviews komt het volgende beeld naar voren: men discrimineert elkaar op de eilanden onderling op basis van huidskleur. Mensen wantrouwen donkerder gekleurden eerder dan lichter gekleurden. Kleur en maatschappelijke klasse zijn met elkaar verbonden: er is een verband tussen rijk en licht gekleurd en arm en donker gekleurd. Lijdzaamheid, onverantwoordelijk gedrag en onder andere schaamte wijt men aan verschil in huidskleur. Er zijn (eigen) politici die op grove wijze racistisch en discriminatoir taalgebruik bezigen. Racisme zorgt voor talloze belemmeringen in het dagelijkse leven. Een verschijnsel dat in de onderlinge verhoudingen steeds opvallend naar voren komt, is de uitdrukking én het snerend verwijt een ‘makamba pretu’ te zijn, een zwarte makamba. Hiermee zegt men dat Antilianen die langere tijd voor werk of studie in Nederland hebben gewoond en geleefd hun eigen culturele en raciale achtergrond hebben verwaarloosd, ja zelfs verloochend. Franz Fanon heeft begin vorige eeuw dit verschijnsel in de Antilliaanse context beschreven. Hij zegt dat een Antilliaan zichzelf niet rechtstrééks met een blanke vergelijkt (meester, leraar of vader), maar met zijn – eigen – Antilliaanse tegenhanger (of medemens) onder patronage van de blanke. De blanke is in dit geval het model, dat zowel ideaal als verfoeilijk is. De makamba pretu is degene die naar het verachtelijke model is gevormd, waardoor de positie onder die ‘hoede’ ten opzichte van zichzelf is verschoven. Die ander voldoet niet meer aan de vanouds voorbestemde en gedachte positie omdat die is verschoven. Dit fenomeen is ook beschreven als de mimetische begeerte (o.a. Achterhuis) als volgt: “ik begeer wat mijn (verfoeilijke) model begeert; ik wil zijn wie hij is en hebben wat hij heeft en ik kijk naar mijn medemens in hoeverre hij dat model is benaderd”. Dit leidt in de onderlinge Antilliaanse verhoudingen tot twist en vijandschap. Ook het verschijnsel afgunst hangt hiermee samen.
De opvatting is dat men zich uit een dergelijke neurotische samenleving alleen via opstand, geweld en revolutie kan bevrijden. Fanon noemt dit de ‘comparaison’(vergelijking) –samenleving. Op Curaçao wordt jaarlijks de mislukte opstand van de slavenleider Tula herdacht (17950 als een nationalistische ‘overwinning’. Op 1 juli wordt afschaffing van de slavernij (1863) herdacht. Het merkwaardige is dat het eerste historische feit (bijna) wordt gevierd; het tweede (bijna) als een nederlaag herdacht. De nederlaag is een feest, de bevrijding een herdenking. Centraal in dit denkpatroon staat de strijd. De bevrijding is geschonken, niet veroverd. Het geschenk – de gunst van de gift – heeft men in dankbaarheid moeten accepteren (bijna als een bedelaar, laag in de pikorde). Het wordt als krenkend ervaren. Men weet niet wat de prijs van de vrijheid is (Fanon).
Klik hier voor deel 9.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter