blog | werkgroep caraïbische letteren

Klein land, grote uitdagingen. Economische ontwikkelingen in Suriname

door Hans Ramsoedh

In Klein land, grote uitdagingen. Economische ontwikkelingen in Suriname stelt de socioloog en econoom Ruben Gowricharn de vraag waarom economische groei in Suriname zo moeilijk in duurzame ontwikkeling wordt omgezet. In een reeks van zeventien thema’s, die afzonderlijk als een losstaand essay kunnen worden gelezen, kijkt hij niet alleen naar economische cijfers en grondstoffen, maar ook naar arbeid, instituties en sociale verhoudingen. Daarmee plaatst hij ook kanttekeningen bij de economische wetenschap, die volgens hem uitgaat van een mensbeeld waarin culturele en menselijke factoren van ondergeschikt belang zijn voor het begrijpen van economisch handelen.

Gowricharn houdt een pleidooi voor een herbezinning op bestaande economische concepten en methoden. Deze herbezinning zou moeten leiden tot een andere manier van economisch denken en uiteindelijk, zo hoopt hij, tot een betere economie. Voorts schrijft hij dat de focus van Surinaamse economen te eenzijdig is gericht op monetaire aspecten van de economie, zoals de handelsbalans en de overheidsfinanciën, en minder op de verschillende deelmarkten van de Surinaamse economie. Volgens hem lijkt achter deze benadering de veronderstelling schuil te gaan dat geen specifiek beleid gericht op welvaart hoeft te worden gevoerd, omdat welvaart uiteindelijk vanzelf tot stand komt. Hiermee stelt hij vragen bij de manier waarop Surinaamse economen en de economische wetenschap in bredere zin naar economisch handelen en welvaart kijken.

Het is ondoenlijk om alle zeventien thema’s afzonderlijk te bespreken. Ik richt mij daarom op enkele hoofdthema’s, zonder te willen uitsluiten dat deze selectie de auteur tekortdoet. Mijn bespreking spitst zich toe op drie hoofdvragen: welke diagnose stelt Gowricharn van de Surinaamse economie, hoe verklaart hij de hardnekkige economische problemen van Suriname, en welke oplossingen en voorstellen draagt hij aan?

De modernisering van de Surinaamse economie krijgt bij Gowricharn veel aandacht. Volgens hem is de Surinaamse economie sterk verbrokkeld en bestaan er weinig verbindingen tussen de verschillende sectoren. Investeringen in de ene sector hebben daardoor slechts geringe effecten op andere sectoren. Deze verbrokkeling staat volgens Gowricharn echter onvoldoende op de economisch-politieke agenda in Suriname.

De verwachte olie-inkomsten bieden volgens hem een belangrijke potentiële financieringsbron om economische modernisering mogelijk te maken. Het doel daarvan zou moeten zijn een minder kwetsbare economie te ontwikkelen, met hoogwaardige arbeid en een hogere welvaart. De olie-inkomsten vormen echter geen garantie voor modernisering: hun effect hangt af van de wijze waarop zij worden ingezet en van het gevoerde overheidsbeleid.

Het ‘regelen’ – het Surinaamse equivalent van nepotisme – is een van de aspecten die volgens Gowricharn de economische ontwikkeling remmen. Gowricharn pleit ervoor dat nieuw aantredende ministers hun eigen adviseurs en ambtenaren benoemen, naast een gemengde vaste kern van ambtenaren. De zelf samengestelde staf, wellicht naar Amerikaans model, zou tijdelijk worden aangesteld en weer vertrekken bij een ministerswisseling. Volgens Gowricharn kan hiermee na elke verkiezing departementale verkleuring worden voorkomen. Hij noemt dit een mindshift bij Surinaamse politici. Wat in mijn optiek Gowricharn hierbij over het hoofd ziet, is dat departementale verkleuring zich niet alleen in de politieke of adviserende top voordoet, maar in alle geledingen van een ministerie: van de koffiejuffrouw tot de beleidsadviseurs en departementsdirecteuren. Een tijdelijke politieke staf naast een vaste ambtelijke kern lost het probleem van patronage dan ook niet vanzelf op als politieke benoemingen en loyaliteiten zich door de gehele ambtelijke organisatie heen voordoen. Juist op dit punt zou een verdere uitwerking van de voorgestelde hervormingen wenselijk zijn.

Daarnaast wordt er volgens Gowricharn op dit moment nog te weinig in Suriname nagedacht over de maatschappelijke impact van de oliesector. De oliewinning zal veranderingen teweegbrengen die de hele samenleving kunnen beïnvloeden, terwijl hierover nauwelijks wordt nagedacht. De komst van enkele duizenden arbeidskrachten naar Suriname zal bijvoorbeeld consequenties hebben voor huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Dat vereist van de overheid een proactief beleid. Over de zogenoemde gevaren van de ‘olievloek’ in Suriname is Gowricharn voorzichtig. In zijn optiek hangt dit af van ‘de kwaliteit van de politieke en economische elite, van haar heersende ideologie, van het beleid en de manier waarop inkomsten worden ingezet voor duurzame ontwikkeling, dus van de mensen aan het roer van de samenleving’ (p. 140). Juist hier ligt echter een belangrijke spanning in zijn analyse. Als de kwaliteit van bestuur en politieke instituties bepalend is voor de vraag of olie-inkomsten tot duurzame ontwikkeling leiden, dan is institutionele en politieke kwaliteit niet slechts een randvoorwaarde, maar een van de centrale vraagstukken van economische modernisering. Dat is ook de achilleshiel van Suriname sinds 1975. Juist daarom had dit aspect in zijn publicatie meer aandacht mogen krijgen.

In zijn publicatie houdt Gowricharn een pleidooi voor een ontwikkelingspolitiek die niet alleen de economie omvat, maar ook de ruimtelijke inrichting, de regionale ontwikkeling en de bescherming van natuurlijke en menselijke hulpbronnen. Het gaat hem daarmee om een beleid waarbij de hele bevolking wordt betrokken. Op basis van de naoorlogse economische geschiedenis van Suriname schetst hij een aantal lessen: het ontwikkelen van groeikernen rond de exploitatie van olie en goud, naar het voorbeeld van de groeikernen Paranam, Billiton en Moengo rond de bauxietwinning; het ontwikkelen van meerdere economische pijlers binnen en rond die groeikernen; en het uitbreiden van de Surinaamse beroepsbevolking door immigratie.

De afzonderlijke bijdragen zijn over het algemeen toegankelijk en behandelen uiteenlopende aspecten van de Surinaamse economie. Vooral voor niet-economen is het een gemis dat een inleiding ontbreekt waarin de auteur de samenhang tussen de verschillende essays toelicht. Ook de aanbevelingen blijven op verschillende punten impressionistisch en zouden baat hebben gehad bij een concretere uitwerking. Wellicht is het echter juist de bedoeling van Gowricharn geweest om met zijn voorstellen vooral vergezichten voor de Surinaamse economie van de toekomst te schetsen, eerder dan een uitgewerkt economisch beleidsprogramma te presenteren.

De kracht van Klein land, grote uitdagingen ligt in de poging om de economische ontwikkeling van Suriname niet uitsluitend als een kwestie van macro-economische cijfers en overheidsfinanciën te beschouwen. Het boek biedt daarmee vooral een brede diagnose en een agenda voor discussie over de economische toekomst van Suriname.

Ruben Gowricharn, Klein land, grote uitdagingen. Economische ontwikkelingen in Suriname. Edam 2026: LM Publishers, 184 pp., € 24,50. Met een voorwoord van Jan Pronk, de Nederlandse oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter