blog | werkgroep caraïbische letteren

Kerst in Suriname

door Chris Polanen

Als kind in Suriname geloofde ik dat mijn opa’s geest terugkeerde om afscheid te nemen van mijn oma en dat je ‘s nachts een jong gestorven bruid op straat tegen kon komen of de geest van een lang geleden vermoorde gouverneur op een wit paard. En als je pech had, de echt gevaarlijke: de yorka’s, leba’s en bakru’s. Een ontmoeting met een van hen kon je dood betekenen, dat wist iedereen.

Ik geloofde, net als veel Surinamers, meer in deze verschijnselen dan in de Bijbelse verhalen. Christelijke feestdagen betekenden voor velen: jezelf nog iets voller vreten dan de rest van het jaar, perfect gekleed en gekapt in de kerk zitten, doen alsof je van je hele familie hield, niet vreemdging en je kinderen niet verrot sloeg.

Een jaar of zes geleden probeerde ik een gecombineerde winter – en scheidingsdepressie te ontvluchten door de kerstvakantie in Suriname door te brengen. ‘s Ochtends trok ik moeizaam baantjes in het zwembad en staarde naar mijn dikke schaduw op de bodem. ‘s Middags zat ik met mijn moeder op het balkon, vertelde haar over mijn scheiding, de mislukte relatie die volgde en mijn angst om alleen en ongelukkig te eindigen. Zij luisterde geduldig, sprak troostende woorden, maar haar conclusie was toch altijd dat Gods wil zou geschieden, ook als het om mijn liefdesleven ging of de afwezigheid daarvan. Ik probeerde tevergeefs het mooie daarvan in te zien. ‘s Avonds ging ik uit en danste met vrouwen die alle vertrouwen in mannen verloren hadden, maar toch niet alleen thuis wilden blijven zitten. Als ik in de spiegels van de toiletten keek, schrok ik telkens weer van het hoofd van de oude man die mij vermoeid aankeek.

Af en toe bezocht ik vrienden met wie ik in mijn jeugd had paardgereden. De dag voor kerst ging ik langs bij Kenny, een afstammeling van Nederlandse boeren, liefhebber van hanengevechten, de jacht op bosvarkens, illegale vuurwapens, volslanke vrouwen en snelle paarden. Hij liet mij zijn twee snelste renpaarden zien: Samurai en Spitfire. Een en al spieren en vuur dat wachtte op een kans om te ontbranden. ‘Zullen we een sprintje doen?’ vroeg hij onverwachts. Ik twijfelde. Het was bijna dertig jaar geleden dat ik zo’n sprintje gedaan had. Ik had maar vier uur geslapen en ik sleepte minstens vijf kilo buikvet vol gifstoffen met me mee.
‘Durf je niet?’ Ik zag spot in de blauwe ogen. Kenny reed nog steeds dagelijks en had geen greintje vet op zijn sproetige lichaam.
‘Natuurlijk wel, ‘ zei ik. Terwijl Kenny de paarden zadelde, kreeg ik steeds meer spijt, maar ik liet niets merken.

Een kwartier later zat ik op Samurai, die voelde als een tijdbom die binnen enkele minuten zou exploderen. Door harde rukken aan de teugels te geven, voorkwam ik dat ze wegschoot. We naderden de lange zandweg die als renbaan zou dienen. Ik zweette erger dan het paard.

Kenny’s paard schudde wild met het hoofd en galoppeerde op de plaats. Kenny leunde ontspannen achterover in het zadel. ‘Morgen een kerstdiner met bosvarken en kaaiman, Chris,’ zei hij. ‘ O shit, je bent vegetariër, hè? Maar hoe ben je dan zo dik geworden?’
Nog voor ik kon antwoorden, riep hij: ‘We gaan!’ Als twee raketten schoten we weg.

Even voelde het als vroeger: al die kracht die zich onder je samenbalt, het geluid van de voortdenderende hoeven, de wind in je gezicht. Maar er was iets mis. Mijn linkerbeen zakte weg. Het zadel gleed naar links. De singel was losgeschoten. Ik greep de manen vast, maar het zadel zakte langs het voortrazende paardenlichaam naar beneden en mijn logge lichaam zakte mee. Ik kreeg mijn linkervoet niet uit de stijgbeugel. De manen gleden uit mijn vingers. Ik zou onder het paard terechtkomen, de hoeven zouden als scherpe stenen door mijn lichaam boren. Wat een kutmanier om dood te gaan, dacht ik, vlak voordat ik met zadel en al weggleed. Ik voelde iets hards tegen mijn hoofd en alles werd zwart.
‘Chris?’ Een stem die ik nog steeds niet kan beschrijven. Mannelijk noch vrouwelijk. Een oorverdovend fluisteren. Ik probeerde te antwoorden, maar mijn mond leek gevuld met zand.

De stem slaakte een zucht als een windvlaag die zinloos over een kale vlakte waait. Een zucht zonder begin en zonder eind. En plotseling drong het tot mij door. Ik was de oorzaak van de zucht. Mijn egoïsme. Mijn ijdelheid. Mijn trots. Mijn ontevredenheid. Mijn zwakte. Mijn angst. Dat alles droeg de zucht met zich mee, als zandkorrels in de wind. Ergens in de verte hoorde ik een paard galopperen en mensen praten, maar de zucht blies alles weg, tilde mij op en voerde mij mee. Ik  hapte naar adem en zocht vergeefs naar iets waaraan ik mij vast kon klampen. 

Rondtollend in het niets voelde ik dat er iets veranderde. Ik werd lichter. Ik verloor niet alleen kilo’s, maar ook ervaringen, stukjes van mijzelf. Ik veranderde van een oude man in een jonge en van een tiener in een kind. Ik kromp, steeds sneller. Ik besefte dat ik voortsnelde naar het moment van mijn geboorte. En wat dan? Het besef kwam als een mokerslag. Ik zou verdwijnen alsof ik nooit bestaan had. Voor de geboorte wachtte de dood.

Plotseling stokte de zucht. Ik zweefde in het niets, nauwelijks meer dan een foetus. Weer hoorde ik mijn naam. Nu krachtig, een roep die de belofte van een heel leven in zich droeg. Ik werd in de richting van het geluid gezogen. En ik groeide. Razendsnel. Weer tot volwassen grootte, mijn buik zwol op tot de oude walgelijke proporties. Mijn hoofd werd volgepropt met duizenden beelden, met liefde, genot, verdriet, angst, hoop. Alles probeerde  razendsnel opnieuw een plek te vinden, maar het paste niet meer. Mijn hoofd leek uit elkaar te barsten.

Ik lag in een bed en hoorde flarden van gesprekken.’ hersenschudding’, ‘naar Nederland terugvliegen’, ‘goed verzekerd’,  ‘niets gebroken’, ‘idioot op vakantie’,’ `Surinaamse Nederlanders zijn de ergste. ‘ En een stem, die ik herkende, het was Kenny, die zei: ‘Je kan wel op een paard rijden zonder zadel, maar niet op een zadel zonder paard.’

Toen ik mijn ogen opende, voelde het alsof ik mijn hoornvliezen stuk trok. Fel licht. Ik lag in een ziekenhuisbed en voelde pijn op ontelbare plekken in mijn lichaam snijden. Een man in een witte jas spoot iets in mijn infuus en knikte mij toe. Naast mij zat Kenny, die in mijn hand kneep en zei: ‘Chris! Je hebt ons laten schrikken. Maar je mag straks naar huis. We hebben een vegetarisch kerstdiner, speciaal voor jou.’     

 

on 24.12.2020 at 16:50
Tags: /

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter