blog | werkgroep caraïbische letteren

Ismene Krishnadath – Toespraak bij de aanvaarding van de Henny Frans de Zielprijs

Geacht bestuur van de Trefossastichting, geachte juryleden, geachte Self Reliance-vertegenwoordigers, geachte oud-president Venetiaan en mevrouw Venetiaan, directeur Cultuur en vertegenwoordiger van het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, mevrouw Wijdenbosch, familie, vrienden, collega’s en belangstellenden.

De Henny Frans de Zielprijs gun ik aan welke Surinaamse schrijver dan ook, want elke schrijver levert op zijn eigen manier een waardevolle bijdrage aan de geestelijke ontwikkeling van Suriname en daarmee aan het bestaan. Toch ben ik blij dat ik deze prijs mag ontvangen. Ik wil alle mensen die mij genomineerd hebben dan ook hartelijk dank zeggen daarvoor. Bedankt mensen, voor deze kans om een paar dingen te zeggen tegen de crème de la crème van het literaire leven in Suriname.

Kri Kra, un yere mi tori. Als we af willen van het beeld van de hosselende dichter die zijn zelfgedrukte boekjes op straat slijt en vaak niet aan de straatstenen kwijt kan, van de schrijver met de slecht gelayoute boekjes vol taalfouten, dan zullen we 1) behoorlijk moeten investeren en 2) een grote draai moeten maken in ons denken over literatuur. Vanavond wil ik het vooral over dat laatste hebben.

Suriname heeft een literaire waaier die zo divers en kleurrijk is, dat het jammer is dat bij veel mensen in het literaire veld het idee heeft postgevat dat de roman de hoogste vorm van literatuur is. Bij S’77 propageren we al jarenlang het idee van ‘Diversity is Power’. We helpen de wereld alleen vooruit wanneer wij inclusief denken, allen een plaats en een eigen waarde geven binnen het spectrum van het bestaan. Dit geldt ook voor literatuur. Er is een overvloed aan literaire vormen waar het gewone volk prima mee uit de voeten kan, maar waar wij, van de zogenaamde literaire scène, te weinig mee doen.

Laten we de spotlight ook op die vormen beginnen te richten. Wat is onze kracht? Simpel: We zijn erg goed in korte, kernachtige teksten, die als ze geschreven zijn goed oraal kunnen worden gebracht, of, als ze oraal worden gebracht, makkelijk op schrift kunnen worden gesteld. Deze teksten zijn er in allerlei vormen en soorten. We hebben poëzie, liedteksten, toneel en dingen als fatu, odo en spreekwoorden. Maar het allerbelangrijkste wat we hebben is de tori. Een tori is een gesproken tekst over een gebeurtenis of gebeuren. Alle Surinaamse etnische culturen hebben de lobitori, de jorkatori, de fostentori, de ondrofenitori , de agersitori, langabere tori, de shat tori, de inbere tori, de sebere tori, de waka waka tori en ga zo maar door.

Alle literatuur is in de kern een verhaal, een tori. Suriname is een waar verhalenland. Er gebeurt zoveel dat wij meer verhalen kunnen bedenken dan er sterren aan de hemel zijn. Het aan elkaar vertellen van verhalen, de tak tori, is hier een absoluut natuurlijk gegeven. Het sluit naadloos aan bij een aantal kenmerken van onze samenleving:
1. We hebben meer een praatcultuur dan een schriftcultuur, omdat we via het onderwijs gedwongen worden onze schriftelijke vaardigheden te ontwikkelen in een taal die de meesten ervaren als een taal van het verstand en niet als een taal van het gevoel.
2. Door onze hosselcultuur hebben we niet veel vrije tijd. Schrijven kost tijd, zeker als we het hebben over de roman. Bovendien kan het vertellen van en luisteren naar tori goed gecombineerd worden met handwerkzaamheden.
3. Wij zijn een wij-gerichte samenleving. Dat wil zeggen, we hechten waarde aan samen-zijn. Sociale en economische motieven spelen daarbij een rol.
4. Door het warme klimaat en de bouwstijl speelt ons leven zich voor een groot deel buiten af. Ons samen-zijn is vaak buiten, waar we niet worden afgeleid door bijv. de televisie.

Moderne literaire vormen die Surinamers hebben gekoppeld aan de tori hebben vaak wel een schriftelijke kant. Denk maar aan de column ‘Borrelpraat’ van Rappa. De teksten voor spoken word, rap teksten en teksten voor stand-up comedy worden meestal ook op papier gezet.

Ik wil even stilstaan bij die stand-up comedy, omdat ik daarmee het best kan demonstreren welke mogelijkheden onze traditionele tori-vormen hebben.

De stand-up comedian is niets anders dan een toriman of een tori uma. Jörgen Raymann is het grote Surinaamse voorbeeld van de succesvolle tori-man. Zijn nieuwe show, die hij nu qua aankleding in een moderner jasje heeft gestoken is nog steeds gebaseerd op het oeroude tak tori principe. Wesje is een andere stand-up comedian die heeft laten zien hoe populair de tori is. Toen ik zijn nieuwe show zag, ging er helemaal een lichtje bij me branden. Die man had gewoon een yorkatori uitgewerkt in zijn show, compleet met sound en licht-effecten.

Trouwens, iets waar wij zeker op basis van onze tori-traditie talent voor hebben is de talkshow. Oprah Winfrey is een van de rijkste vrouwen van de wereld geworden, met een talkshow die qua vorm helemaal is ingebed in een tori-traditie.

Beste aanwezigen. Ik ben er heilig van overtuigd dat de belangrijkste dingen in het leven buiten de geldeconomie vallen, maar op een goede manier geld verdienen heeft ook zijn voordelen. Ik roep onszelf dus op om te kijken naar de mogelijkheden om het tori vertellen te ontwikkelen tot een cultuurelement dat geld in het laatje brengt.

Het tori vertellen zal geprofessionaliseerd moeten worden. We moeten literatuur maken, live, op papier, op beeld- en geluidsdragers om er de commerciële markt mee op te gaan. Ik zie al een geweldige ontwikkeling bij de stand-up comedy. Er is ook al een mengvorm van tori, poëzie en liedtekst in de vorm van spoken word en rap. We zouden de kot’tori-traditie kunnen verwerken in een wedstrijdshow. We kunnen werken aan een Surinaamse ontwikkeling van tori-traditie naar talk-show. Er zijn legio mogelijkheden.

Ik roep de scholen en beroepsinstanties op in te spelen op de vaardigheden die nodig zijn bij de verdere ontwikkeling van deze sector. De scholen die zich toeleggen op literatuur en taal kunnen aan het volgende denken. De schriftcultuur kan gebruikt worden om gesproken teksten, zowel hedendaagse als traditionele, vast te leggen en te ontwikkelen. Verder. Elke tori sma moet taal bestuderen. Wat kan ik wel zeggen, wat kan ik niet zeggen, hoe zeg ik het, welke zinsnede zal het beste effect sorteren. En in onze samenleving, welke taal gebruik ik? Hoe maak ik gebruik van onze talenrijkdom? Wesje is daar erg goed in. Hij heeft bijvoorbeeld steeds een stopwoord. Zijn laatste stopwoord was ‘sac hai’.

Welke genres zijn interessant? Er zal aandacht besteed moeten worden aan het verder ontwikkelen van genres. We zijn sterk in de yorkatori. Dat heeft Wesje al laten zien. Maar er is veel meer. We moeten kijken welke genres er nu zijn? Denk ook aan de genres die vanuit de verschillende moederlanden zijn meegekomen, zoals het Ramayan volkstoneel. Hoe zien de bestaande genres eruit, wat is hun opbouw? In welke mate zijn ze al gemoderniseerd en hoe kunnen we ze verder moderniseren?

 

En dan: Welke technieken kennen we? Kunnen we bijvoorbeeld de techniek van het wajongspel ergens inzetten. Of die van de kot’tori? Hoe zit het met piki en troki? Hoe zit het met de traditionele aanheffen? Jörgen Raymann heeft gevleugelde woorden gemaakt van ‘Wie je vader? Wie is je moeder?’

Naast taal moet er gewerkt worden aan kennis en vaardigheden van de beeldcultuur om er een show omheen te bouwen. We moeten kennis en vaardigheden hebben van audiovisuele middelen om opnames te maken, te vermenigvuldigen en bekendheid te krijgen. We moeten vertalers hebben om ondertiteling op het beeld te kunnen brengen en internationaal door te dringen. Er zal aan cultuursales en marketing gedaan moeten worden.

Dames en heren, er is werk aan de winkel. Ik wil mijn betoog eindigen met een oproep aan de literaire kringen in Suriname om een heroriëntatie te plegen op de mogelijkheden van onze rijke en diverse literatuurtradities en die te ontwikkelen tot trendsetters van Surinaams/Caribische wereldcultuur.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter