blog | werkgroep caraïbische letteren

Isla dushi, nieuwe passantenliteratuur

Ge-roman-tiseerde herinneringen van een medicus
door Aart G. Broek

Onlangs verscheen de roman Isla dushi van Klaas Marck. In de jaren 1975-1977 was hij coassistent in het Sint Elisabeth Hospitaal. Daarop nam hij nog drie maanden de huisartsenpraktijk van C.D. ten Brink waar, die was gevestigd in De Castro Building in de Bakkerstraat, Punda, van Willemstad. In een digitale correspondentie verhaalt deze literaire passant, inmiddels gepensioneerd, over zijn verblijf op het eiland, over de fikse invloed die dit heeft gehad op hem en over herinneringen aan de schilder Hipólito Ocalia (1916-1984). Hij bleef buiten de roman die geen regulier ‘doktersromannetje’ blijkt te zijn.

‘Na mijn vertrek van dushi Kòrsou heb ik in Groningen mijn studie vervolgd en ben tot plastisch chirurg opgeleid, waarna ik in Leeuwarden heb gewerkt tot mijn pensionering. Vanaf 1975 tot op heden heb ik talrijke wetenschappelijke artikelen en boeken geschreven. Maar al die jaren knaagde er iets in mijn gemoed. Graag wilde ik mijn vlot lopende pen ook weer eens dopen in de inkt waarmee literatuur wordt geschreven.’

‘In mijn studietijd in Groningen was wel al mijn dichtbundel Grijze gal, roze lach’ uitgekomen. Daar is het bij gebleven. Een jaar geleden begon ik echter het lang bestaande verlangen invulling te geven: een roman schrijven over mijn tijd op Curaçao. De belangrijkste twee jaren in mijn leven, twee schakeljaren die me van jeugd en adolescentie naar volwassenheid voerden. En niet alleen dat, ook vond ik op het eiland mijn grote liefde, mijn dushi Dee, met wie ik al heel snel mijn leven ging delen, en dat tot op de dag van vandaag nog altijd doe.’

OCALIA
‘Al eerder had ik over mijn ervaringen in Curaçao geschreven in mijn gedichten, waarvan fragmenten ook weer zijn verwerkt in de roman.   Ik leverde een kleine bijdrage aan het boek Ocalia schildert Curaçao (1992) van Nicole Henriquez en Jacqueline Römer-De Vreese, getiteld ‘Een eiland als huis, het ontstaan van panorama’s’. Op een goede dag, begin 1977, was ik door een kennis meegenomen naar het atelier van Hipólito Ocalia. Ik was totaal verbluft. Wat een prachtige, kleurrijke, ogenschijnlijk primitieve, maar zeer geraffineerde schilderijen maakte hij. Altijd ‘naar de natuur’, de werkelijkheid. Kleine landschapjes, delen van Willemstad, en ook, in opdracht, mooie huizen, landhuizen van rijke Antillianen en de huizen van expats die dit zelf bestelden  of van hun vrienden kregen bij hun vertrek naar een ander land.’

‘Zo’n mooi schilderij wilde ik ook graag hebben. Maar niet van het bungalowtje waar de coassistenten huisden, de Kaya Kokolishi, in Schelpwijk. Nee, ik wilde een groot schilderij van heel het eiland, het eiland waar ik me zo thuis voelde. Het eiland, dat was mijn huis. En dus maakte ik een collage op een groot stuk karton, gevuld met foto’s, ansichtkaarten, stukjes van toeristische folders en uiteraard afbeeldingen van het hospitaal, waar de coassistenten het meeste van hun tijd doorbrachten.  Hiermee ben ik op een dag, ik was al huisarts in Punda, naar Seru Grandigereden. Zijn lieve vrouw deed de deur open. Ze knikte nee: ‘E pintor ta malu.’
‘Kiko ta falta? Mi ta dòktu.’
‘E tin doló abou i kentura.’

Ocalia, zijn vrouw Nono en Klaas 1977

‘Ze nodigde me uit om binnen te komen. Ik onderzocht Ocalia liggend op zijn zij in zijn bed. Het probleem kon ik met een eenvoudige incisie onder vriesverdoving verhelpen. Een uur later was ik terug, met de benodigde instrumenten, een stevige kuur met een antibioticum en veel verbandmiddelen. De hele behandeling duurde tien minuten. In de dagen die volgden heb ik na mijn werk in Punda dagelijks hem bezocht om te zien
of alles goed ging. Na een week trof ik hem in zijn atelier aan.’
‘Hij vertelde dat hij achter lag op zijn werkschema, maar liet me desondanks uitvoerig zien hoe hij werkte en zijn schilderijen opbouwde. Als dank voor mijn behandeling kreeg ik het landschapje ‘Cural Patir’. Na een paar weken durfde ik pas met mijn collage op de proppen te komen. Hij was verbaasd over mijn verzoek, maar zei dat hij ermee aan de slag ging. Hierna heb ik hem regelmatig bezocht. We konden het goed met elkaar vinden. Op een zaterdag gingen we met zijn oude schoonvader vissen. Onderweg zaten we allebei in het laadgedeelte van een oude Amerikaanse pickup.’

LAND VAN MAAL
‘Hij had een bijzondere visplek, zei hij. Even later reden we het terrein op van de gebroeders Maal. Ik was verrast, want coassistenten waagden zich niet op die enorme vlakte. Het gerucht ging dat je beschoten werd door de eigenaars van het landhuis dat er stond. We reden een heel eind naar het oosten tot we bij een mooi baaitje kwamen. Ocalia en zijn schoonvader vingen vis na vis, maar wat ik ook probeerde, mij lukte het niet. Als troost kreeg ik die avond een van de vele kippen mee die rond zijn huis scharrelden. Hij noemde me inmiddels ‘mi amigoe’. En dat was wederzijds.’

Hipólito Ocalia, Panorama nr 1, 1977 – collectie Klaas Marck

‘Zo goed als het met onze vriendschap ging, zo slecht vorderde het bestelde schilderij. Toen ik terug moest naar Nederland (militaire dienst) vroeg ik hem of hij ervan afzag, en zo niet, dan wilde ik graag horen hoeveel ik hem mocht betalen. Dat betaalde ik hem, nadat hij eerst met zichzelf onderhandeld had en de prijs wat had laten zakken. Een amigoe hoefde niet het volle pond te betalen. Een half jaar later bracht een vriend het naar Nederland. ‘Panorama’ had hij het gedoopt. Hij zijn geografisch realistische stijl overboord gegooid en een nieuwe manier gevonden om het eiland te schilderen. Vele panorama’s zouden hierna volgen. We bleven elkaar schrijven tot hij in 1984 overleed.’

‘Dit verhaal ontbreekt in mijn roman, die vol staat met heel veel andere verhalen. Ik kon het helaas in de gefantaseerde verhaallijn van deze roman niet goed kwijt. Die gefantaseerde verhaallijn beslaat overigens maar een tiende van de gehele roman. De rest bestaat uit mijn herinneringen aan de mooiste tijd van mijn leven, die op dit isla dushi, dit smaakvolle eiland.’


Klaas Marck

Fragment uit: Klaas Marck, Isla dushi. Overveen: Belvédère, 2021; 164 pagina’s; te bestellen zowel bij de uitgeverij – www.uitgeverijbelvedere.nl – als rechtstreeks bij de auteur; mailadres: k.marck@chello.nl

BASILEREN
‘De zusters op de neurologische afdeling zijn zonder uitzondering vriendelijk, en de meeste ook jong en mooi. Hagelwitte uniformen en prachtig gesteven hoofdkapjes. De meesten hebben een huid die kleurt als prachtig gepoetst ebbenhout. Hun zorg, aandacht en dienstbaarheid is groot, zo groot dat coassistenten daarin mogen delen. Op de zusterpost staat altijd koffie klaar, water en Tang-poederen ook liggen er vaak zoete koekjes en soms ook kleine pastechi’s. Ik kom er graag. Het is daar waar ik leer wat ‘basileren’ betekent. Een Papiaments woord waarvoor geen goede Nederlandse vertaling bestaat. Het betreft een onschuldig kletsen tussen, heb ik ervaren, een man en een vrouw, waarin kleine dubbelzinnigheden kunnen worden uitgewisseld, en soms ook blikken waarin misschien een zekere verwachting ligt. Dat krijg ik op een dag uitgelegd door zuster Constancia, wanneer ze me zegt dat ik heel goed kan basileren, en ik haar antwoord dat ik absoluut niet weet wat ze bedoelt omdat ik niet weet wat basileren betekent. Ik bedank haar voor de uitleg en zeg haar dat Curaçao nog heel veel meer moois te bieden heeft dan dit prachtige woord.

De volgende dag vraagt Constancia of ik volgende week op het jaarlijkse Sinterklaasfeest van de afdelingszusters Sinterklaas wil spelen. Wie ben ik dat ik dat zou weigeren? Er wordt op die avond, in de buitenlucht achter de zusterflat, veel gezongen, gelachen en door mij ‒ gehuld in een kriebelende baard gemaakt van watten en een heel warm Sinterklaaspak waarin Constancia me tevoren had gestoken ‒ gezweet. Gezeten op een grote versierde stoel, lees ik voor uit mijn Grote Sinterklaasboek. Deugden en ondeugden komen langs. Bestraffende woorden spreek ik, in commissie, uit. De zwaarste straf die wordt opgelegd is zitting nemen op de schoot van Sinterklaas, terwijl deze zijn vonnis uitspreekt. De laatste die dit te beurt valt is Constancia. Haar grootste ondeugd blijkt dat ze veel te veel met sommige coassistenten basileert. Haar boetedoening: het tienmaal luid uitspreken van ‘dat zal ik nóóóóit meer doen Sinterklaas.’ Ze begint, helder en duidelijk, met spreken, maar even duidelijk ook met haar goed ontwikkelde achterwerk over de schoot van de goedheiligman te schuiven. Nooit in mijn leven heb ik een groep zusters zo hard zien en horen lachen. Even later bevrijdde Constancia me van mijn bisschoppelijke parafernalia en begon de avond pas echt. De Kaya Kokolishi heb ik die nacht niet gezien.’

Klaas met de auto waarmee hij werd afgebeeld door Ocalia in het Panorama 1.

Ontleend aan Antilliaans Dagblad, 4 september 2021.

on 04.09.2021 at 8:04
Tags: /

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter