blog | werkgroep caraïbische letteren

Is Suriname wel trots op zijn helden?

De andere kant van de koloniale geschiedenis

door Michiel van Kempen
Alles voor de vrede; de brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763 is nou echt het soort studie waar met smacht op wordt gewacht. Historicus Frank Dragtenstein, werkzaam bij het NiNsee, brengt hierin de figuur van Boston Band tot leven. Boston Band was een Jamaicaanse man die rond 1749 in Suriname arriveerde. Over zijn voorgeschiedenis weten we niets en er is ook geen portret van hem bewaard. Naar alle waarschijnlijkheid was hij in Afrika geboren, een zoutwaterneger zoals dat in de 18de eeuw heette. Hij werd dus eerst gedwongen om op Jamaica te werken als slaaf (ofwel een ‘tot slaafgemaakte’ zoals dat dan in het moeizame, politiek correcte kreupelproza van tegenwoordig schijnt te moeten heten, een term waarmee de 21ste-eeuwse ideologie de keiharde werkelijkheid die het woord ‘slaaf’ al representeert, komt opporren). Boston Band voegde zich bij de Aukaner of Ndyuka marrons slaven (of ‘ex-tot slaafgemaakten’…) die van de plantages waren weggevlucht en zich diep in het Surinaamse binnenland vestigden en van daaruit de plantages bestookten. Omdat Boston Band kon lezen en schrijven verwierf hij al spoedig een belangrijke positie: hij schreef brieven naar de koloniale overheid waarin hij zich een even zelfbewust als redelijk onderhandelaar betoonde. Hij wist dat de continue staat van oorlog voor geen der partijen uiteindelijk goed was, en het ging hem er uiteindelijk niet eens om het gehele slavernijsysteem te laten afschaffen. De Aukaners waren zelfs bereid om andere weglopers te vangen en over te dragen aan de koloniale autoriteiten. De dilemma’s van de vrijheidsstrijder tekenen zich scherp af. Wel drong hij aan op een vredesverdrag op condities van de Aukaner marrons. Dat vonden de koloniale autoriteiten een verregaande onbeschaamdheid, maar op den duur kozen ze toch maar eieren voor hun geld, want de gehele plantage-economie dreigde aan de niet ophoudende aanvallen van de marrons ten onder te gaan. Toen het vredesverdrag in 1760 werd gesloten, werd Boston Band de man die de geschenkgoederen onder de verschillende facties van de Aukaner marrons verdeelde. Hij besliste ook over pasjes die toegang gaven tot de stad. Zo verenigde hij dus verschillende fucnties in zich die hem een machtspositie gaven. Vanwege onenigheid onder de marronopperhoofden (en dan met name ook de strijd om het oppergezag tussen Araby en Pamoe) taande Bostons invloed na 1762. Onderweg naar de stad stierf Boston Band in 1766 op het Kruispad.

Frank Dragtenstein publiceerde met dit boek een belangrijke studie op basis van gedegen archiefonderzoek, even vernieuwend als Het kamp van Broos en Kaliko (1996), waarin Wim Hoogbergen op basis van orale bronnen de geschiedenis van een Afro-Surinaamse familie (Of hij ook even gedegen alle literatuur bestudeerde is de vraag: het is bijna niet te geloven dat hij Pakosie’s Gaanta labi 1760 (1976) en Bongodoti (1978) − toch de eerste marronuitgaven over dit tijdperk! − en ook Richard Price’s Alabi’s World (1990) niet in de bibliografie vermeld.) Dragtenstein geeft een detailopname van de onderhandelingen tussen marrons en koloniale overheid, bijna van week tot week. Het boek brengt een belangrijk correctief aan op de bestaande beeldvorming: er waren wel degelijke gealfabetiseerde marrons die op hoog niveau diplomatie konden bedrijven. We zien via dit boek dus niet de zo bekende correspondentie tussen gouverneurs, Raden van Politiek en Criminele Justitie, planters en kapiteins, maar we horen de stem van de zwarte mens uit de 18de eeuw, niet een onderworpenen, maar een vastberaden vrijheidsstrijder met een eigen visie, een eigen wil en een bewonderenswaardige diplomatieke gave en elegantie (alle bewaard gebleven brieven van Boston Band zijn ook als bijlage integraal afgedrukt). Het leidt dus geen twijfel dat dit boek een belangrijke historische studie behelst.

De vraag luidt dan: waarom wordt zo’n belangrijk boek gepresenteerd als een willekeurige doctoraalscriptie? Het omslag is keurig, maar afgezien van enkele kaartjes is er niet één illustratie opgenomen. Het boek is gedrukt op goedkoop, flinterdun papier, zodat dit boek van 235 pagina’s straks in elke boekhandel direct achter de andere boeken wegduikt. De bladspiegel is onaangenaam breed, de leesletter is van het corps waaruit normaal de voetnoten worden gezet, en de voetnoten zijn vervolgens alleen nog maar met een vergrootglas te lezen. NiNsee en Amrit: wat mankeert jullie? Zijn jullie niet trots op je eigen geschiedenis? Hebben jullie niet door dat dit miezerige drukwerk een sakafasi-mentaliteit uitstraalt? Mag de Surinaamse lezer niet met plezier een boek lezen, of hebben jullie misschien aandelen in een of andere opticien? Dit boek had met evenveel zwier de boekhandel in gemoeten als Maroon Arts van Richard en Sally Price.

Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede; de brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763. Amsterdam/Den Haag: Ninsee/Amrit, 2010. ISBN 978-90-74897-53-2

[overgenomen uit Siboga]

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter